Kasimier, Hendrik Brugt Gerhard (1909-2000)

 
English | Nederlands

KASIMIER, Hendrik Brugt Gerhard (1909-2000)

KASIMIER, Hendrik Brugt Gerhard (wijziging geslachtsnaam in Casimir bij KB van 20-2-1932), natuurkundige ('s-Gravenhage 15-7-1909 - Heeze 4-5-2000). Zoon van Rommert Kasimier (wijziging geslachtsnaam in Casimir bij KB van 20-2-1932), pedagoog, en Teunezien [of: Teunsina] Dina Borgman, onderwijzeres. Gehuwd op 11-8-1933 met Josina Maria Jonker (geb. 1911), natuurkundige. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 4 dochters geboren.

afbeelding van Kasimier, Hendrik Brugt Gerhard

Henk Casimir groeide samen met zijn twee zusters op in Den Haag. Zijn vader was daar rector van het Nederlandsch Lyceum, een functie die hij vanaf 1917 combineerde met een bijzonder hoogleraarschap in de pedagogiek aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Behalve door een grote intelligentie onderscheidde Henk zich door een fenomenaal geheugen: zijn leven lang kon hij een met aandacht gelezen tekst jaren later nog zonder moeite woordelijk reproduceren. Het grote talent voor talen dat hij eveneens bleek te bezitten, zou hem in zijn latere leven goed van pas komen.

Casimir doorliep vanaf 1920 de school van zijn vader, deed in 1925 op zestienjarige leeftijd eindexamen HBS-B en een jaar later ook eindexamen gymnasium-alpha. Vervolgens ging hij aan de Leidse universiteit natuurkunde studeren. Deze studiekeuze was in belangrijke mate bepaald door zijn vader, die bevriend was met de Leidse hoogleraar theoretische natuurkunde Paul Ehrenfest en ook veel contact had met diens voorganger, de door hem zeer bewonderde Hendrik Antoon Lorentz. Al na twee jaar legde Casimir het kandidaatsexamen af. Vervolgens koos hij voor theoretische natuurkunde en kwam hij onder de hoede van de bevlogen en inspirerende Ehrenfest.

Met de woorden 'Er kann schon etwas, aber er braucht noch Prügel' (Het toeval van de werkelijkheid, 110) introduceerde Ehrenfest de negentienjarige Casimir in april 1929 bij de Deense natuurkundige Niels Bohr, een van de grondleggers van de moderne kwantumfysica. In de twee daaropvolgende jaren zou Casimir veel tijd doorbrengen in Kopenhagen, het toenmalige centrum van de Europese natuurkunde. Hij was hier nauw betrokken bij de uitwerking van de kwantummechanica en hij leerde er alle grote natuurkundigen van die tijd kennen. Op 3 juni 1930 legde hij in Leiden het doctoraalexamen af.

Spoedig daarna, op 3 november 1931, promoveerde Casimir bij Ehrenfest op het proefschrift Rotation of a rigid body in quantum mechanics. Een hierin door hem ingevoerde wiskundige grootheid in de groepentheorie draagt nog steeds zijn naam: de 'Casimir operator'. Na zijn promotie bleef hij aanvankelijk in Leiden, als assistent van Ehrenfest. Maar in september 1932 verhuisde hij naar Zürich, waar hij assistent werd van de beroemde natuurkundige Wolfgang Pauli. Graag was Casimir daar een paar jaar gebleven, maar in het voorjaar van 1933 werd hem door Ehrenfest met klem gevraagd al na een jaar weer naar Leiden terug te komen: 'Ach Caasje, setze deine breiten Schultern unter den Karren der Leidener Physik' (Het toeval van de werkelijkheid, 174)

Enkele maanden later werd de reden van dit verzoek duidelijk: op 25 september pleegde Ehrenfest zelfmoord, een daad die hij al geruime tijd had overwogen. Casimir las het schokkende nieuws in een krant in de trein op de terugweg van een kort bezoek aan Kopenhagen. Hij was daar samen met zijn vrouw, de experimenteel natuurkundige Jo Jonker, met wie hij een maand eerder was getrouwd. Hij had haar leren kennen in 1932, toen zij nog studeerde.

Gedurende een jaar nam Casimir tijdelijk de leiding van de Leidse theoretische fysica op zich. Met - naar eigen zeggen - enige opluchting (Het toeval van de werkelijkheid, 178) droeg hij deze in het najaar van 1934 over aan Ehrenfests opvolger H.A. Kramers. Zijn belangstelling ging intussen meer uit naar de experimentele natuurkunde, en hij hielp zijn echtgenote met haar werk in het Kamerlingh Onnes Laboratorium te Leiden. Toch was er ook nog tijd voor theoretisch onderzoek, zoals blijkt uit zijn verhandeling On the interaction between atomic nuclei and electrons, die in 1935 door Teyler's Tweede Genootschap met een gouden medaille werd bekroond en een jaar later in de 'Verhandelingen' van dit Genootschap (Nieuwe Reeks, deel 11) werd uitgegeven. In 1936 kregen Casimirs experimentele activiteiten een formele bevestiging door de benoeming tot conservator van het Kamerlingh Onnes Laboratorium. Zijn echtgenote werkte daar toen al niet meer.

In zijn experimentele werk gebruikte Casimir de in het laboratorium aanwezige unieke lage-temperaturenfaciliteiten onder andere voor het bestuderen van paramagnetisme bij temperaturen in de buurt van het absolute nulpunt. Eerder al had hij het zogeheten 'twee-fluïdamodel' ontwikkeld voor het verschijnsel supergeleiding (: het verdwijnen van de elektrische weerstand bij zeer lage temperaturen) in het belangrijke, samen met C.J. Gorter geschreven artikel 'On supraconductivity I' (in: Physica 1 (1934) 306-320).

Kort voor het begin van de Duitse bezetting, in april 1939, werd Casimir benoemd tot bijzonder hoogleraar in de natuurkunde in Leiden, een positie die hij tot zijn emeritaat in 1977 behield. Aan zijn onderwijs kwam een einde toen de universiteit eind november 1940 door de bezetter voor het onderwijs werd gesloten. Het werk in het Kamerlingh Onnes Laboratorium ging echter door, zij het onder steeds moeilijker omstandigheden. Het waren die omstandigheden - samen met een verslechterende verhouding met één van de directeuren - die Casimir deden besluiten in april 1942 de uitnodiging aan te nemen om te gaan werken bij het Natuurkundig Laboratorium van de NV Philips' Gloeilampen-Fabrieken. In Eindhoven was de situatie voor Casimir minder moeilijk dan in Leiden. Hoewel het hele bedrijf onder Duits toezicht stond en de Nederlandse leiding een moeilijke tijd doormaakte, bemoeiden de Duitsers zich nauwelijks met het 'NatLab'. In zijn autobiografie voert Casimir als mogelijke reden aan dat de Duitsers beseften dat het riskant was onwillige Nederlanders bepaald onderzoek op te dragen. Zij zouden meer gebaat zijn met een intact laboratorium, waar het innovatieve werk zoveel mogelijk doorging.

Al na enkele jaren, in 1946, werd Casimir een van de drie directeuren van het 'NatLab', en in 1956 trad hij toe tot de Raad van Bestuur van Philips, met als taak de supervisie over alle Philips-laboratoria in binnen- en buitenland. Deze benoeming onderstreepte het grote belang dat de leiding van het bedrijf hechtte aan fundamenteel onderzoek. Casimir is bij Philips altijd een pleitbezorger geweest voor dergelijk onderzoek, naast het toegepaste, productgerichte werk. Onder zijn leiding kreeg het 'NatLab' een grote wetenschappelijke reputatie en werd het een aantrekkelijke plaats voor pas gepromoveerde natuurkundigen om hun professionele carrière te beginnen. Over Casimirs activiteiten als lid van de Raad van Bestuur is weinig bekend: in zijn autobiografie is hij zeer terughoudend over deze periode in zijn leven.

Bij sommigen van Casimirs collega's wekte zijn overstap naar het bedrijfsleven bevreemding. Zij waren bang dat het met zijn wetenschappelijk werk gedaan zou zijn. Zijn vroegere mentor Pauli nam zelfs de gewoonte aan Casimir als 'Herr Direktor' aan te spreken, in de hoop daarmee zijn ergernis op te wekken. Maar Casimirs betrokkenheid bij het onderzoek in het 'NatLab' betekende geenszins het einde van zijn activiteiten als (theoretisch) fysicus. Integendeel, uit de Philips-periode dateert zijn meest tot de verbeelding sprekende bijdrage: 'On the attraction between two perfectly conducting plates' (in Proceedings of the Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen B51 (1948) 793-795). Dit artikel bevat de voorspelling dat twee metalen platen, die in vacuüm zeer dicht bij elkaar worden geplaatst - bijvoorbeeld op een afstand van 100 atoomdiameters - elkaar zullen aantrekken. Dit 'Casimir effect' is een puur kwantummechanisch fenomeen: in de klassieke natuurkunde is het vacuüm echt leeg en zonder energie. De kwantumtheorie stelt daarentegen dat het vacuüm bevolkt is door 'virtuele' deeltjes, die in snelle afwisseling ontstaan en weer verdwijnen. Het zijn deze 'vacuümfluctuaties' die de aantrekkende kracht veroorzaken. Casimirs zeer moeilijk toetsbare voorspelling zou pas in 1997 voor het eerst experimenteel worden bevestigd.

Het werk aan het Casimir-effect kwam voort uit een vroegere samenwerking van Casimir met D. Polder, een van zijn collega's op het 'NatLab', waarin beiden een belangrijke uitbreiding gaven aan de theorie van de krachten tussen atomen en moleculen. Zij werden daartoe geïnspireerd door experimenten met colloïden, waarvan de resultaten in strijd waren met de bestaande theorie voor intermoleculaire krachten. Hun werk werd gepubliceerd in het artikel 'The influence of retardation on the London-van der Waals forces' (in: Physical Review) 73 (1948) 360-372). Met een andere belangrijke naoorlogse publicatie, 'On Onsager's principle of microscopic reversibility' (in: Reviews of Modern Physics 17 (1945) 343-350), over de thermodynamica van onomkeerbare processen gaf hij een belangrijke verheldering en uitbreiding aan vroeger werk van de Amerikaanse scheikundige en natuurkundige van Noorse komaf Lars Onsager.

Naast deze wetenschappelijke successen droegen ook zijn activiteiten als manager in belangrijke mate bij aan Casimirs internationale bekendheid. Zijn functie bracht mee dat hij veel moest reizen, en hij deed dat graag. Met zijn aimabele karakter, zijn eruditie en leiderschapstalent trok hij op internationale congressen de aandacht en raakte hij betrokken bij tal van internationale organisaties. Zo was Casimir in 1968 een van de oprichters van de European Physical Society, waarvan hij van 1972 tot 1975 optrad als president. Van 1966 tot 1970 was hij de eerste president van de mede door hem opgerichte European Industrial Research Management Association. Als een man van gezag vroeg men hem geregeld wetenschappelijke bijeenkomsten te openen of voor te zitten. Een vaak terugkerend thema in Casimirs voordrachten en publikaties is de wisselwerking tussen technologie en zuivere wetenschap. In de loop van de jaren ontwikkelde hij het idee van de 'wetenschap-technologie spiraal': de technologie gebruikt de resultaten van de wetenschap, maar met een zekere vertraging; voor wetenschappelijk onderzoek zijn de nieuwste technologische ontwikkelingen essentieel.

In zijn jaren bij Philips kreeg Casimir ook bekendheid als voorzitter van de door de regering ingestelde Commissie Ontwikkeling Natuurwetenschappelijk Onderzoek, later bekend als de 'Commissie Casimir'. De aanbevelingen van het eindrapport van 1958 - een krachtige versnelling van het bouwtempo ten behoeve van het onderzoek en een verdrievoudiging van het aantal leerstoelen - werden in de volgende jaren vrijwel integraal uigevoerd.

Na zijn pensionering bij Philips, in 1972, richtte Casimir zich meer en meer op zijn organisatorische activiteiten. Zijn belangstelling strekte zich daarbij uit tot ver buiten de natuurkunde, wat onder meer blijkt uit zijn redacteurschap, van 1985 tot 1994, van het culturele tijdschrift De Gids. Van 1973 tot 1978 was Casimir de eerste president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, waarvan hij sinds 1946 lid was. Als president wist hij het aanzien van de Akademie in haar rol van adviesorgaan van de overheid aanzienlijk te vergroten. Casimir was lid van tal van academies en wetenschappelijke genootschappen in binnen- en buitenland - zoals de Royal Society of London - en ontving vele eerbewijzen, waaronder eredoctoraten van de Technische Universiteit van Kopenhagen, de Universiteit van Leuven, de Technische Hogeschool van Aken, de Universiteit van Edinburgh en de Technische Universiteit van het Britse Cranfield.

Henk Casimir overleed begin mei 2000 op negentigjarige leeftijd in het Oost-Brabantse dorpje Heeze, waar hij in 1956 vanuit Eindhoven naartoe was verhuisd. Hij werd betreurd als de onbetwiste nestor van de Nederlandse natuurkunde, de laatste vertegenwoordiger van de heroïsche dagen van de ontwikkeling van de kwantummechanica in de jaren na 1925. Maar ook eerde men hem als een buitengewoon veelzijdig en origineel natuurkundige en als een belangrijk bemiddelaar tussen universiteit en bedrijfsleven.

A: Archief-H.B.G. Casimir in het Noord-Hollands Archief te Haarlem.

P: Een volledige bibliografie van Casimirs geschriften in de onder L vermelde publicatie van Hargreaves. De autobiografie van Casimir verscheen zowel in het Engels als in het Nederlands: Haphazard reality. Half a century of science (New York 1983) en Het toeval van de werkelijkheid. Een halve eeuw natuurkunde (Amsterdam 1983); Bloemlezingen van Casimirs verspreide geschriften: Waarneming en visie. Over wetenschap en maatschappij (Amsterdam 1987) en Mens en Kosmos. Essays (Amsterdam 1993).

L: Behalve necrologieën o.a. door D. Polder, in Levensberichten en herdenkingen [der] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 2001 (Amsterdam 2001) 13-21 en door C.M. Hargreaves, in Biographical memoirs of Fellows of the Royal Society 50 (2004) 39-45: Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde 38 (1972) 192-216 [Casimir-nummer ter gelegenheid van Casimirs afscheid van Philips]; Tussen academie en industrie. Casimirs visie op wetenschap en researchmanagement. Onder red. van Andries Sarlemijn (Amsterdam 1984). Op 26-1-1984 zond de NOS de televisiedocumentaire Markant: H.B.G. Casimir van Kees van Langeraad uit.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Collectie ANEFO: Casimir in oktober 1958].

A.J. Kox


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013