Landré, Johannes Mari (1909-1997)

 
English | Nederlands

LANDRé, Johannes Mari (1909-1997)

LANDRÉ, Johannes Mari, journalist, ondernemer en omroepdirecteur (Rotterdam 25-12-1909 - Uithoorn 20-3-1997). Zoon van Guillaume Louis Frédéric Landré, componist en muziekcriticus, en Wilhelmina Christina Henriette Klinkhamer. Gehuwd op 14-3-1935 met Petronella Everdina Eldering (1909-1989), juriste en journaliste. Dit huwelijk bleef kinderloos. Na echtscheiding (2-2-1937) gehuwd op 7-9-1938 met Jo Anna Traast (geb. 1916). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (10-12-1955) gehuwd op 25-8-1961 met Susanna Wilhelmina Johanna Koppelman (1914-1993). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Landré, Joop Joop Landré groeide met een broer en een zuster op in een artistiek gezin in Rotterdam. Zijn vader was een gerenommeerd componist en chef van de kunstredactie van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Ook zijn vijf jaar oudere broer Guillaume zou een bekend componist worden. Zelf werd hij al op jeugdige leeftijd naar vioolles gestuurd, maar verder dan violist in een jazzorkestje tijdens zijn studententijd heeft hij het in muzikaal opzicht nooit gebracht. Voorts vond zijn vader het verstandig hem vanaf zijn twaalfde jaar naar boksles te sturen, om zijn geringe lengte te compenseren. De befaamde bokser Bep van Klaveren nam de jongen drie jaar lang onder zijn hoede. In zijn autobiografie schreef Landré later dat die lessen hem niet alleen de bokssport, maar ook incasseringsvermogen en zelfvertrouwen hadden bijgebracht.

Na het gymnasium ging Landré vanaf 1929 rechten studeren aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, omdat die studie hem de veelzijdigste perspectieven leek te bieden. Eigenlijk had hij acteur willen worden, maar de toneelleider Louis Saalborn had hem gewaarschuwd dat hij dan 'in de goot' terecht zou komen. Wel was hij een enthousiast lid van het Utrechtsch Studenten-Tooneel.

Na het doctoraalexamen op 4 juli 1934 werd Landré een niet-betaalde betrekking (volontair) aangeboden als assistent-griffier bij het kantongerecht in Rotterdam. Maar omdat hij met zijn gymnasiumvriendinnetje 'Pim' Eldering wilde trouwen en dus in zijn eigen levensonderhoud moest voorzien, ging hij bij De Telegraaf in Amsterdam werken. Hij begon hier als assistent van de opmaakredacteur en werd een half jaar later binnenlandredacteur.

Het ging Landré goed, totdat zijn huwelijk in 1937, na minder dan twee jaar, op een echtscheiding uitliep. In zijn autobiografie schreef hij de breuk toe aan het feit dat zijn vrouw bij voorkeur verkeerde in links-intellectuele kringen, waarvan de politieke en maatschappelijke opvattingen botsten met de zijne. Om letterlijk en figuurlijk afstand van haar te kunnen nemen, verhuisde Landré in 1938 naar Eindhoven, waar hij in dienst trad bij de internationale reclameafdeling van de NV Philips' Gloeilampen-Fabrieken. In datzelfde jaar trouwde hij met An Traast, die hij had leren kennen op het archief van De Telegraaf. Uit dit huwelijk zouden tussen 1939 en 1944 twee kinderen worden geboren.

Na een voorspoedige carrière op de reclameafdeling benoemde Philips hem in 1941 tot perschef, waar hij aanvankelijk zijn best deed 'zo weinig [te] doen als maar mogelijk was onder het altijd toeziend oog van de bezetter'. Maar dat veranderde in december 1942, toen een deel van het Philips-complex werd getroffen door een geallieerd bombardement. Voor de interne nieuwsvoorziening zette Landré toen een wekelijks mededelingenblad op, dat hij Philips Koerier noemde.

Bij de bevrijding van Eindhoven, in september 1944, ontmoette hij een verslaggever van de Britse staatsomroep BBC, die hem als Nederlandse contactman meenam naar het hoofdkwartier van de BBC in Brussel. Vandaar uit werd Landré als tolk meegestuurd met de geallieerde troepen die Duitsland binnentrokken. Maar al na een paar weken keerde hij liever terug naar Eindhoven, omdat Philips daar intussen was begonnen met de radiozender Herrijzend Nederland. Landré greep zijn kans terug te keren in de journalistiek. Hij werd chef van de nieuwsdienst en hield - onder het pseudoniem 'The Fox' - radiopraatjes die al snel populair werden door hun pro-Nederlandse en anti-Duitse strekking.

In de meidagen van 1945, direct na de capitulatie van het Duitse leger, vertrok Landré met de staf van Herrijzend Nederland naar Hilversum, waar deze particuliere oorlogszender, uiteindelijk nog tot het einde van dat jaar, de uitzendingen zou verzorgen. Philips kreeg daarvoor toestemming van de Nederlandse regering, die deze overgangsperiode nodig had om het onderling eens te worden over het naoorlogse omroepbestel. Landré bleef niet lang in Hilversum. Al snel aanvaardde hij een baan als secretaris op het ministerie van Algemene Zaken. Vanuit deze functie werd hij door minister-president W. Schermerhorn in februari 1946 benoemd tot directeur van de Regeeringsvoorlichtingsdienst (RVD). Als zodanig was hij tevens perschef van het Koninklijk Huis. Behendig laveerde Landré door tussen de belangen van zijn werkgevers en die van de journalisten, die de strekking van zijn commentaar al snel konden decoderen. 'Je moet het zelf weten àls je het in de krant zet', betekende een bevestiging. 'Je moet het zelf weten òf je het in de krant zet', was een ontkenning (Joop Landré vertelt, 49).

Intern toonde Landré zich een groot voorstander van een centrale rol voor de RVD bij alles wat namens de overheid naar buiten werd gebracht. 'De RVD zou de grote fabriek, het productie-apparaat van de gehele voorlichting van de regering moeten zijn', schreef hij in 1946 (Wagenaar, 82). Landrés centralistische visie botste echter op de traditionele opvattingen over individuele ministeriële verantwoordelijkheden binnen het Nederlandse coalitiebestel. Zijn herhaalde pleidooien hadden geen enkel effect.

Na zes jaar werd Landré door de RVD ontslagen. Daarbij zou hebben meegespeeld dat er een aanklacht wegens exhibitionisme tegen hem was ingediend, die overigens niet tot een juridische afronding kwam. Volgens zijn latere opvolger Gijs van der Wiel ging het slechts om 'een ongelukkig voorval': na een uitstapje zou Landré langs de weg van Amsterdam naar Den Haag hebben geürineerd, waarbij hij werd gezien door een groepje kinderen (Wagenaar, 471).

Naar eigen zeggen kon Landré in 1952 zijn salaris verdubbelen door voorzitter te worden van de Werkgemeenschap Polygoon-Profilti - de producent van de wekelijkse bioscoopjournaals - , waarmee hij namens kabinet en koningshuis al vaker contact had gehad. Behalve zijn salaris kreeg hij van zijn nieuwe werkgever ook een huis. Het maken van bioscoopjournaals en opdrachtfilms begon hem echter al snel te vervelen. Veel liever wilde hij speelfilms produceren. Die kans kwam in 1959 door een ontmoeting met de Rotterdamse reder Anton Veder, die bereid was 400.000 gulden te investeren.

Landré - wiens tweede huwelijk inmiddels was beëindigd - nam ontslag bij Polygoon en richtte met Veders kapitaal de Nederlandse Filmproductie Maatschappij op. In totaal produceerde hij vier speelfilms: Makkers staakt uw wild geraas (1960) en Het mes (1961) van Fons Rademakers, Rififi in Amsterdam (1962) van John Korporaal, 10:32 (1966) van de Amerikaan Arthur Dreyfuss, en de documentaire Rotterdam Europoort (1966) van Joris Ivens. Landré bleek een voortvarend producent, die weliswaar besefte dat bepaalde elementen - zoals een happy end - zouden bijdragen tot het succes aan de bioscoopkassa, maar toch de artistieke beslissingen van zijn regisseurs respecteerde. Met uitzondering van Rififi in Amsterdam waren al deze producties echter verliesgevend.

Toen het geld van Veder na zeven jaar op was, vond Landré in 1964 nieuw emplooi als programma-adviseur bij de Reclame Exploitatie Maatschappij (REM). Deze onderneming was een initiatief van drie ondernemers die vanaf een voormalig booreiland buiten de Nederlandse territoriale wateren commerciële televisie-uitzendingen verzorgden. Maar al vier maanden na de eerste uitzending werd in Den Haag een wet aangenomen waarmee dit initiatief - dat het bestaande omroepbestel omzeilde en zodoende ondergroef - illegaal was geworden. Vervolgens werd het REM-eiland bezet door de Rijkspolitie en de PTT, die de zender sloten.

Landré was intussen al bezig met het opzetten van een omroepstichting, die zendtijd binnen het publieke bestel wilde bemachtigen. 'Ik heb in die hele REM nooit zo erg geloofd', zei hij later. 'Het was al vrij gauw duidelijk dat Den Haag dat niet over zijn kant zou laten gaan. Maar toen kwam opeens die springplank naar het land - en dáár zag ik mijn kans. Het leek me dat we met de TROS eindelijk de macht van Hilversum konden doorbreken, waar ik altijd zo de pest aan had gehad. We gingen knagen aan de wortels van het bestel' (Van Gelder).

De Televisie Radio Omroep Stichting (TROS) werd op 4 november 1964 ten kantore van de REM opgericht en verwierf veel goodwill op basis van de populariteit van de vroegere REM-programma's. De ledenwerving verliep zo voorspoedig dat de TROS al in oktober 1966 haar eerste tv-uitzending als aspirant-omroep kon verzorgen. Landré, die zich had ontpopt als een enthousiast actievoerder, werd als vanzelfsprekend directeur. In deze functie stond hij voor de taak te zorgen voor een snelle groei van het ledenbestand om de status van B- en later A-omroep te bereiken. Met het retorische talent, dat al tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn 'Fox-praatjes' kenmerkte, begon hij wervende tv-toespraakjes te houden, waarin de TROS vaak als underdog werd afgeschilderd tegenover de gevestigde omroepen. Het effect daarvan werd des te groter, toen hij daarin de vaste tekst citeerde van het verongelijkte eendje 'Calimero' in een gelijknamige tekenfilmserie van de TROS: 'Zij zijn groot en ik is klein, en dat is níet eerlijk!' Het feit dat de spreker zelf klein van stuk was, maakte zijn betoog nog overtuigender.

Met amusementsprogramma's als Op volle toeren, Te land, ter zee en in de lucht en de shows van komiek André van Duin richtte directeur Landré zich op de grootste gemene deler voor het grootste publiek, waardoor al snel het scheldwoord 'vertrossing' de ronde deed. 'Natuurlijk zijn er programma's die ik persoonlijk niet leuk of interessant vind', verklaarde hij, 'maar wij maken die programma's als TROS niet voor onszelf. Wij maken die programma's voor de mensen' (Van Reijsen). Met zulke uitspraken zette hij zich af tegen de bestaande omroepen, die hij er voortdurend van beschuldigde de eigen belangen te laten prevaleren boven het belang van het grote publiek. In zijn autobiografie schreef hij, ietwat dubbelzinnig: 'De TROS heeft deze naoorlogse vervlakking niet veroorzaakt; wel heeft ze haar op talloze terreinen op meedogenloze wijze blootgelegd' (Joop Landré vertelt, 100).

Binnen de TROS stimuleerde Landré de pioniersgeest en een mentaliteit van 'wij samen tegen de rest', die een sterk familiegevoel teweegbracht. Zelf verwierf de joviale directeur daardoor de bijnaam 'Ome Joop'. In het overleg met de andere omroepdirecteuren gedroeg hij zich echter afstandelijk. Het behoud van het traditionele omroepbestel ging hem niet ter harte, en ook verder had hij voor de meeste agendapunten weinig belangstelling. Liever haalde hij een als sleutelhanger vermomd radiootje uit zijn verzameling vreemde radiotoestellen, stopte dat in zijn broekzak, drukte het bijbehorende knopje in zijn oor en luisterde tijdens de vergaderingen naar iets dat hem meer interesseerde.

Eind 1974 ging Landré met pensioen. Maar hij bleef in hoge mate betrokken bij het reilen en zeilen van zijn omroep en leverde geregeld commentaar vanaf de zijlijn. Gretig ging hij in 1985 dan ook in op het aanbod van de TROS een wekelijks radioprogramma voor ouderen te maken. Onder de provocerende titel De duvel is oud ontving hij meestal oudere gasten om aan te tonen dat een hogere leeftijd niet automatisch tot een verminderde activiteit behoeft te leiden.

Landré stopte met zijn radioprogramma in januari 1997, op 87-jarige leeftijd. Hij zei ongelukkig te zijn met de verplaatsing naar een vroeger tijdstip, zodat het voor hem en zijn gasten veel lastiger werd op tijd aanwezig te zijn. Voortaan moest het programma vooraf worden opgenomen, terwijl de rechtstreekse uitzendingen hem veel beter bevielen. Onder TROS-collega's ging bovendien het verhaal, dat de ware reden school in de verplaatsing naar een andere studio. Landré zou een veel langere weg door de studiogang moeten afleggen, terwijl hij steeds slechter ter been was geworden.

Twee maanden later overleed Joop Landré. Hij had een werkzaam leven achter de rug, dat hem achtereenvolgens tot een pionier van de rijksvoorlichting, de naoorlogse Nederlandse film en de op commerciële leest geschoeide televisie en radio had gemaakt. In al deze functies had hij zich energiek, vindingrijk en vaak koppig genoeg getoond om te bereiken wat hij wilde.

P: Joop Landré vertelt. Een anekdotische autobiografie (Cadier en Keer 1994).

L: Behalve necrologieën op 25-3-1997 in o.a. Algemeen Dagblad, NRC Handelsblad, Trouw en de Volkskrant: F.J.F.M. Duynstee en J. Bosmans, Het kabinet Schermerhorn-Drees, 24 juni 1945 - 3 juli 1946 (Assen [etc.] 1977) 153-159; interview door Henk van Gelder, in Comeback (herfst 1989) nr. 2; interview door Fred Lammers, in Trouw, 10-3-1997; interview door Henk Langerak, in Algemeen Dagblad, 10-3-1997; Marja Wagenaar, De Rijksvoorlichtingsdienst. Geheimhouden, toedekken en openbaren ('s-Gravenhage 1997).

I: Joop Landré, Joop Landré vertelt. Een anekdotische autobiografie (Cadier en Keer 1994).

Henk van Gelder


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013