Lies, Karl Otto (1869-1955)

 
English | Nederlands

LIES, Karl Otto (1869-1955)

LIES, Karl Otto, componist en dirigent (Hannover (Pruisen) 26-7-1869 - Goes 9-11-1955). Zoon van Karl Lies, deurwaarder, en Margaretha Louisa Brandt. Gehuwd op 17-7-1902 met Charlotta Catharina Fagel (1880-1972). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren. Bij Wet van 31-12-1901 (Staatsblad nr. 327) tot Nederlander genaturaliseerd.

afbeelding van Lies, Karl Otto

Otto Lies groeide, samen met zijn jongere zuster Hedwig, op in een rooms-katholiek deurwaardersgezin, dat al enkele jaren na zijn geboorte van Hannover naar Keulen verhuisde. In deze stad doorliep Otto het gymnasium en hij studeerde er vervolgens piano, directie, compositie en theorie aan het conservatorium. Otto's compositietalent werd vroeg opgemerkt. In zijn gymnasiumtijd schreef hij reeds werken voor orgel en piano; tijdens zijn conservatoriumstudie ontstonden daarnaast onder meer een cantate, enkele pianosonates, een pianoconcert, twee pianotrio's en twee symfonieën. Zijn belangrijkste docent aan het conservatorium was de directeur, Franz Wüllner, bij wie hij directie en compositie studeerde. In het getuigschrift dat Lies bij het verlaten van het conservatorium van Wüllner meekreeg, schreef deze laatste onder meer: 'Während seiner Studienzeit hat er sich als höchst strebsam und begabt erwiesen und zu einem trefflichen Musiker herangebildet' (Van Zoeren, 208).

Na de afsluiting van zijn conservatoriumopleiding werd Lies onder de wapenen geroepen. Nog tijdens zijn - slechts één jaar durende - dienstperiode werd hij in 1893 benoemd tot directeur en dirigent van de afdeling Goes van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst, een functie die hij gedurende de rest van zijn werkzame leven zou uitoefenen. Omdat het politieke klimaat in Duitsland hem bijzonder slecht beviel, had Lies er alles aan gedaan zijn geboorteland te kunnen verlaten. Goes, waar men juist iemand met zijn kwaliteiten zocht, leek hem daarom een uitstekende plaats om zijn carrière te beginnen. Lies heeft later wel eens geprobeerd zich in grotere plaatsen te vestigen - onder meer in Arhem in 1899 en Alkmaar in 1900 - , terwijl zijn vriend de Amsterdamse muziekuitgever Abraham Anthony Noske zelfs trachtte hem een betrekking als docent aan een muziekinstituut in Duitsland te bezorgen. Veel later, in 1921, zou Lies nog een poging ondernemen in Middelburg voet aan de grond te krijgen, maar toen ook deze sollicitatie zonder gevolg bleef, berustte hij in zijn positie in Goes. Het was niet een gebrek aan vakmanschap dat daarbij een rol speelde; veeleer was het zijn bescheiden, om niet te zeggen verlegen, natuur waarmee hij zichzelf in de weg stond. 'Ik was liever de eerste in Goes, dan de vierde of vijfde in Amsterdam …', zei hij hierover later, niet zonder enige zelfspot (Paap, 110).

Als koordirigent, pianist en muziekdocent maakte Lies zich in het Zeeuwse provinciestadje zeer verdienstelijk. Muziekuitgever Noske had al in 1896 werken van Lies uitgebracht, respectievelijk zijn 6 Stücke für Pianoforte opus 8, 4 Charakterstücke opus 9 (eveneens voor piano) en de Missa brevis pro defunctis opus 7: een requiem voor soli, gemengd koor, kinderkoor 'ad libitum', klein orkest en orgel 'ad libitum' of klavierbegeleiding. Andersom was Noske voor Lies van belang, omdat tot dan toe geen werk van hem in druk was verschenen. Overigens waren de drukkosten van deze drie uitgaven zo hoog, dat Noske ze in zijn hele uitgeversbestaan niet terugverdiende. Vooral de productie van het requiem was zeer kostbaar.

Als componist wist Lies aanvankelijk behoorlijk de aandacht te trekken. Had hij reeds bij zijn eindexamen als dirigent aan het conservatorium indruk gemaakt met de uitvoering van delen uit een eigen symfonie, nog vóór de eeuwwisseling werden niet minder dan drie volledige symfonieën van hem uitgevoerd: de eerste door het Utrechtsch Stedelijk Orchest en de derde en vierde door de Arnhemsche Orkest Vereeniging. Lies dirigeerde zijn werk zelf, op uitnodiging van de dirigenten van deze twee muziekgezelschappen.

Lies liet zich graag inspireren door literaire gegevens, beelden uit de natuur en de muzikale stijl van de romantiek. Zijn vijfde symfonie, getiteld Stemmen uit de natuur, is hiervan een duidelijk voorbeeld. Het is geen symfonie in de gebruikelijke zin van het woord, maar een orkestwerk met koor, waarin ook solopartijen voorkomen. In de drie delen van dit werk, achtereenvolgens 'De peilloze heide', 'De heuvelen en het woud' en 'Maneschijn op de Scheldemond', worden impressies van natuurbeelden geschilderd. Uit het laatste deel blijkt dat Zeeland een bron van inspiratie voor Lies vormde.

Vooral in het begin van Lies' loopbaan als componist en dirigent was Noske hem tot steun en was hij een goede vriend. De Amsterdamse muziekuitgever was getuige bij het huwelijk van Lies in 1902 met de elf jaar jongere Charlotte Fagel, de dochter van een Goese werkman, kort nadat hij het Nederlandse staatsburgerschap had gekregen.

De steun van Noske was vooral welkom in tijden waarin Lies leed onder tegenwerking van anderen. In Zeeland betrof dat vooral de Middelburgse dirigent en componist Carl Johann Cleuver, die zich - bevreesd voor concurrentie - zeer negatief over de compositorische kwaliteiten van zijn Goese collega uitliet, ofschoon er geen twijfel over bestaat dat Lies als componist zijn meerdere was.

Buiten Zeeland valt vooral de houding op van de dirigent van het Amsterdamse Concertgebouw-Orkest Willem Mengelberg. Aan deze vroegere studiegenoot aan het Keulse conservatorium had Lies in 1897 zijn Sechs intime Stücke für Pianoforte (In einsamen Stunden) opgedragen, maar de relatie was gaandeweg danig bekoeld, omdat Mengelberg bij herhaling verzoeken afwees werken van Lies uit te voeren. Intussen was ook de financiële toestand van Lies weinig rooskleurig vanwege de geringe verkoop van zijn composities en een te klein aantal leerlingen, onder wie wel de latere dirigent Eduard Flipse. Op de hoogte van deze moeilijke omstandigheden schreef Noske hem op 13 september 1904 een lange, bemoedigende brief, waarin hij erop wees dat 'een waar kunstenaar' zich nooit laat ontmoedigen: 'Al is er slechts een handje vol menschen die zijn kunst innig waardeert, dan heeft hij niet tevergeefs geleefd. Ook al had hij helaas materiëele zorgen. [...] Het goede baant zich een weg al staat een heel regiment Mengelbergen er tegenover' (Van Zoeren, 210).

Enkele jaren later oogstte Lies alsnog succes, ook internationaal. Zijn ballade Lenore (1902) voor soli, gemengd koor en orkest werd voor het eerst uitgevoerd in februari 1906 in Düsseldorf door de Städtische Musikverein met een reusachtig koor van 240 stemmen. Twee maanden later volgde de Nederlandse première van dit werk in Rotterdam, en in december 1912 zou een uitvoering in Dortmund plaatsvinden. Op het Schweizerisches Tonkünstlerfest van 1910 in Zürich beleefden Lies' pas voltooide Drie Liederen met orkestbegeleiding hun première: 'Elfenkind', 'Melodie', en 'Liebe Worte'. Deze liederen werden in 1912 op het Nederlandsche Muziekfeest in Amsterdam gezongen door de sopraan Aaltje Noordewier-Reddingius. Een tweede werk van Lies dat het Concertgebouw-Orkest onder leiding van Willem Mengelberg tijdens dit Muziekfeest ten gehore bracht, was het symfonisch gedicht Na zonsondergang aan de zee, een compositie die een goede indruk geeft van het rijpere klankidioom en de stijl van zijn werk.

De 'Brahmse allure' die het vroegere oeuvre van Lies kenmerkt, is geheel uit de melodiek verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor geregeld gebruik van de hele-toonstoonladder. Dit symfonisch gedicht is een impressionistische kleurenstudie, enerzijds gebaseerd op een typisch-impressionistisch gedicht uit de school van de Tachtigers - namelijk het gedicht 'Zonne stervend zonk in zee' van Frederik van Eeden - , anderzijds vermengd met een dramatischer lading die Lies ontleende aan de vertelling 'Annelise' van de Deense sprookjesschrijver Hans Christian Andersen. De zeer omvangrijke orkestbezetting van het werk stelde Lies weliswaar in staat vele klankkleuren te realiseren, maar stond om praktische redenen later vele uitvoeringen in de weg.

In 1915 verhuisde Noske naar Den Haag, en daarmee namen de contacten af. Van Lies verkocht hij nog maar weinig, zodat er ook weinig viel af te rekenen. Bovendien had Noskes houding ten opzichte van muziek zich in algemene zin gewijzigd, waardoor hij minder overtuigd was van de kwaliteit van sommige werken van de Goese componist dan hij aan het begin van zijn carrière als uitgever was geweest.

Naast serieuze werken schreef Lies ook verscheidene zangspelen voor de kinderen van zijn zangschool, zoals De nieuwe kleren van de keizer, De zondagsjager en De poppenkastspeler (1929). De vier kinderen waaruit zijn gezin inmiddels bestond, zongen eveneens in deze spelen mee. Enkele hoogtepunten in Lies' carrière als dirigent waren de viering van zijn zilveren jubileum als dirigent in mei 1919 met de Messiah van Händel in een stampvolle Grote Kerk in Goes en de herdenking van Händels tweehonderdvijftigste geboortedag in 1935 met een uitvoering van het oratorium Judas Maccabäus. Een jaar later werden op een uitvoering van Toonkunst in Goes enige fragmenten uit een groot lyrisch drama ten gehore gebracht dat Lies pas in 1948 zou voltooien: Des Meeres und der Liebe Wellen, op tekst van Franz Grillparzer, voor solostemmen, koor en orkest. Ook voor dit werk geldt dat Lies zich liet leiden door zijn voorstellingsvermogen en niet door praktische overwegingen: het werk duurt in concertvorm 'een te lange avond misschien', merkte de componist bescheiden op (Paap, 112).

Lies onttrok zich zoveel mogelijk aan de gevolgen van de Duitse bezetting; bij de Kultuurkamer meldde hij zich niet aan. Na de bevrijding, in 1945, legde de inmiddels 75-jarige Lies zijn werk neer. Dat betekende tevens het einde van de Goese afdeling van Toonkunst. In de laatste jaren van zijn leven wendde Lies zich weer tot de kerkmuziek en schreef hij onder meer de cantate Haec est praeclarum vas voor vijfstemmig koor, orgel, strijkorkest en trompetten. Lies overleed in 1955 op 86-jarige leeftijd aan de gevolgen van een verwaarloosde prostaataandoening.

Het is vermoedelijk vooral toe te schrijven aan zijn bescheiden natuur dat Otto Lies zijn gehele werkzame leven in Goes heeft doorgebracht en - hoewel hij in zijn tijd internationale bekendheid genoot - nooit echt de positie heeft bereikt die hem op grond van zijn muzikale talenten toekwam. Eén van de werken waar hij zelf het meest aan gehecht was, is de Paraphrase (quasi una Passacaglia) uit 1935 voor orkest over twee liederen, namelijk Schuberts Der Tod und das Mädchen en Der Fremde van Lies zelf. Grote voorbeelden voor hem als componist waren - naar eigen zeggen - de Hongaar Zoltán Kodály, de Brit Frederick Delius en zijn provincie- en tijdgenoot Gerard von Brucken Fock. In tegenstelling tot de laatstgenoemde is het werk van Lies - ten onrechte - bij slechts zeer weinigen bekend.

A: Zeeuwse Bibliotheek te Middelburg; Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage; Muziekmanuscripten, 1897-1950 in het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage.

P: Oeuvrecatalogus: 'Otto Lies (1869-1955): lijst van composities, door de erven Lies in bruikleen verstrekt aan de Toonkunst-Bibliotheek te Amsterdam, en materiaalstaat', samengesteld door Paul W. van Reijen [Te raadplegen in o.a. de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage]. Publicaties van Lies in de onder L genoemd publicatie van Van Zoeren, p. 212.

L: Hugo Nolthenius, 'Otto Lies', in Weekblad voor Muziek 6 (1899) 141, 151, 169, 199; A.A. Noske. 'Een en ander over Lies' Sonate (no. 3)', ibidem 7 (1900) 126-127; Wouter Paap, 'Nederlandse componisten van deze tijd: Otto Lies', in Mens en Melodie 5 (1950) 109-112; Elbert van Zoeren, De muziekuitgeverij A.A. Noske (1896-1926). Een bijdrage tot dertig jaar Nederlandse muziekgeschiedenis (Z.pl. 1987) i.h.b. 43-45, 208-212; P. Scherft, Een speurtocht door Zeeuws muziekverleden (Middelburg 1984) i.h.b. 158-162.

I: Mens en Melodie 5 (1950) 109.

A.A. Clement


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013