Meijer, Jan (1914-1997)

 
English | Nederlands

MEIJER, Jan (1914-1997)

MEIJER, Jan, journalist, verzetsman en departementaal ambtenaar (Arnhem 30-3-1914 - Leiden 2-3-1997). Zoon van Jan Meijer, boekhoudkundige en ambtenaar, en Gezina Catharina Schwenke. Gehuwd op 26-1-1945 met Catharina Johanna Elisabeth Molenaar (1914-1996). Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. Meijer had daarnaast 1 zoon uit een vorige relatie.

afbeelding van Meijer, Jan Jan Meijer groeide op in een ambtelijk milieu, als de jongste van drie kinderen. Zijn jonge jaren bracht hij door in Den Haag, waarheen het gezin in 1920 was verhuisd nadat zijn vader was benoemd tot directeur van het Centraal Bureau voor Verificatie en Financieele Adviezen van de Vereeniging van Nederlandsche Gemeenten. Zowel Jans vader als moeder was actief lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), en tafelgesprekken thuis gingen vaak over strijdpunten van de socialistische beweging.

Op zijn achttiende werd ook Meijer lid van de SDAP, evenals zijn vriend, de latere journalist en schrijver Simon Carmiggelt. Na het behalen van het eindexamen HBS-B ging hij in 1933 economie studeren aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool in Rotterdam, al was het Den Haag waar hij op kamers ging wonen. Meijers leermeester daar, professor Jan Tinbergen, zou een blijvende invloed hebben op zijn denken, in het bijzonder door diens theorieën inzake de stuurbaarheid van economische ontwikkeling. Twee stages - drie maanden in 1937 en een half jaar in 1938 - bij de Volkenbond in Genève maakten Meijer tot internationalist.

In cultureel en sociaal opzicht werd Meijer gevormd door de kring van jonge kunstenaars, schrijvers en journalisten die bijeenkwamen in café 'De Posthoorn' aan het Smidsplein. Tot zijn vriendenkring behoorden de schilder Willem Hussem, de dichter Jan Campert en de toneelspelers Paul Steenbergen en Caro van Eijck. De intelligente en veelzijdige Meijer viel in zijn studietijd op door politieke belangstelling, journalistieke activiteiten en een voorliefde voor reizen. Met Carmiggelt verbleef hij geregeld in Parijs. Tezamen maakten zij reizen door Midden- en Zuid-Europa, waar zij contacten onderhielden met antifascisten.

In oktober 1938 werd Meijer - nog steeds niet afgestudeerd - chef van de persafdeling van de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (KLM). Toen dit bedrijf na de Duitse inval in mei 1940 stil kwam te liggen, werd hij door de KLM drie dagen per week gedetacheerd bij de Nederlandsche Stichting voor Psychotechniek in Utrecht. Hier was hij eerst betrokken bij de selectie van beroepsmilitairen voor een functie bij de Nederlandsche Opbouwdienst. In 1941 - na een korte onderbreking - werd hij proefleider bij psychologische testen voor bedrijven die via de Stichting personeel wierven.

Door zijn contacten met Haagse intellectuelen en kunstenaars kwam Meijer in 1941 in contact met een groepje journalisten dat sinds het najaar van 1940 Het Parool uitbracht. Van deze illegale krant werd Meijer de Haagse correspondent. Hoewel van studeren na zijn indiensttreding bij de KLM weinig meer was gekomen, slaagde hij er niettemin op 9 juli 1942 in het doctoraalexamen te behalen. Nadat vier maanden eerder een deel van de redactie door de Duitsers was gearresteerd, werd Meijer de sterke man binnen de Parool-groep. Opmerkelijk genoeg was het vervolgens juist zijn pro-Duitse broer Arnold Meijer Schwenke die behulpzaam was bij het vinden van een nieuwe drukker voor de illegale krant. In oktober 1942 werd ook Meijer opgepakt, toen zijn organisatie, die een eigen berichtenlijn naar Londen wilde opzetten, door de Duitsers bleek te zijn geïnfiltreerd. In juni 1943 werd Meijer echter vrijgelaten als gevolg van misverstanden en rivaliteit tussen de verschillende Duitse inlichtingendiensten. Meijer dook daarna onmiddellijk onder. Zich bedienend van verscheidene schuilnamen - Sjef Roelants, Johan Eversen, J. Meertens - werd hij opnieuw lid van de redactie van Het Parool. Door zijn voorzichtige optreden bleef hij buiten schot toen de Duitsers in december 1943 en januari 1944 verscheidene kernfiguren van Het Parool arresteerden.

Meijer was in april 1944 een van de ondertekenaars van een manifest dat behalve in Het Parool ook verscheen in het illegale blad Vrij Nederland en waarin werd opgeroepen tot een doorbraak in het Nederlandse politieke bestel na de bevrijding. Tegen die achtergrond trad Meijer in juli 1944 namens Het Parool toe tot de Contact Commissie van de landelijke illegale groepen onder voorzitterschap van Willem Drees. Hierin droeg hij de opvatting uit dat het verzet na de bevrijding een maatschappelijke rol diende te vervullen als nieuwe politieke kracht. Voor Meijer was het een teleurstelling dat deze opvatting in de Commissie weinig ingang vond. Vanaf september 1944 richtte hij zich geheel op de voorbereidingen voor een naoorlogs, legaal dagblad Het Parool. In zijn onderduikperiode had hij Els Molenaar leren kennen, een studente in de medicijnen die optrad als koerierster. Eind januari 1945 trouwden zij in Utrecht.

Na de bevrijding ontpopte Meijer zich als een spilfiguur in de ontwikkeling van Het Parool. Samen met Wim van Norden, de zakelijk leider van de krant, wist hij het benodigde startkapitaal te vergaren. Als directielid bemiddelde hij vervolgens bij een conflict om het hoofdredacteurschap, een functie die uiteindelijk aan Gerrit Jan van Heuven Goedhart werd toevertrouwd. Het Parool werd een progressief, onafhankelijk dagblad, ideologisch nauw verwant met de Partij van de Arbeid (PvdA).

In financieel opzicht had Het Parool het intussen moeilijk. De Amsterdamsche Bank trok zich in 1946 terug vanwege de steun die de krant betuigde aan het Indonesische onafhankelijkheidsstreven. Het blad moest dat jaar financieel door een diep dal, waaruit Meijer en Van Norden de krant slechts wisten te redden door in zee te gaan met de firma Van Vloten & De Gijselaar in Amsterdam, een handelsbank die tijdens de Duitse bezetting 'fout' was geweest en er belang bij had zich te afficheren met het voormalige verzetsblad.

Intern ging Het Parool intussen gebukt onder ideologische spanningen binnen de leiding. Aan de basis daarvan lagen stellingnames pro en contra de Indonesische onafhankelijkheid. Meijer stond aan de kant van de nationalisten, al stelde hij zich naar buiten toe voorzichtig op. Medio november 1950 - toen de scherpste conflicten binnen Het Parool achter de rug waren en Van Heuven Goedhart zijn vertrek had aangekondigd - maakte Meijer bekend te willen aftreden als directielid. Wel bleef hij deel uitmaken van het bestuur van de Stichting Het Parool. Bovendien zat hij namens deze Stichting in de Persraad en in de Radioraad.

Meijer vertrok omdat hij door minister van Buitenlandse Zaken D.U. Stikker, die hij kende uit het verzet, was gevraagd voor een functie op diens departement. Hier was een reorganisatie gaande, die mede tot doel had een grotere verscheidenheid naar sociale en politieke herkomst te bewerkstelligen. Met zijn PvdA-achtergrond paste Meijer in dit streven. Internationale aangelegenheden hadden altijd zijn sterke belangstelling gehad. In januari 1951 begon Meijer in de functie van hoofd Politieke Zaken bij de directie Internationale Organisaties.

In oktober 1951 was Meijer één van tien prominente PvdA-ambtenaren die bij hun partij aandrongen op een krachtiger progressieve politiek. Daarna werd zijn partijpolitieke betrokkenheid allengs minder en richtte hij zich op het herstel van de door de Indonesische kwestie gehavende positie van Nederland in de Verenigde Naties (VN). Als het belangrijkste instrument daartoe propageerde hij beleid ten aanzien van 'minder-ontwikkelde landen'. Meijer geloofde heilig in een multilaterale benadering van de ontwikkelingsproblematiek via de VN. Tevens meende hij dat deze politiek neutrale weg voor een land als Nederland de uitgelezen manier was om - op termijn - te werken aan het opbouwen van goede betrekkingen met de nieuwgevormde landen in Azië en Afrika.

Intelligent, hardwerkend en beschikkend over vele contacten binnen en buiten de overheid, maakte Meijer op het departement snel carrière: in 1956 werd hij hoofd van de directie Internationale Organisaties. Na het beëindigen van het geschil over Nieuw-Guinea in 1963 was hij een van degenen die zich op Buitenlandse Zaken inspanden de sterk bekoelde relatie met Indonesië door middel van hulpverlening weer aan te halen. In februari 1967 zag Meijer die inspanningen beloond met de totstandkoming van de Intergovernmental Group on Indonesia. Nederland werd hiervan voorzitter.

Om de coördinatie in het beleid te versterken, wist Meijer gedaan te krijgen dat in 1964 bij Buitenlandse Zaken een nieuw directoraat-generaal Internationale Samenwerking werd opgericht. Voor dit beleidsterrein was het jaar daarvoor een nieuw staatssecretariaat ingesteld, in 1965 opgewaardeerd tot ministerspost (zonder portefeuille). Meijer zelf werd als directeur-generaal Internationale Samenwerking de belangrijkste ambtenaar verantwoordelijk voor het ontwikkelen van het hulpbeleid. Met J.M.A.H. Luns en B.J. Udink, ministers van respectievelijk Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, onderhield hij nauwe relaties. Voor het ontwikkelen van nieuwe beleidsideeën trok hij zich liefst in klein gezelschap terug in café 'De Posthoorn' of werd er geluncht in sociëteit 'De Witte'. Aan grote ambtelijke vergaderingen had Meijer een uitgesproken hekel, wat samenhing met gehoorproblemen, die in de loop van de jaren erger werden. Deze beperking betekende dat hij het leiden van belangrijke bijeenkomsten het liefst uitbesteedde aan zijn staf.

Omstreeks het midden van de jaren zestig nam de maatschappelijke betrokkenheid bij de ontwikkelingsproblematiek snel toe. Dit kwam onder meer tot uiting in een groeiend aantal organisaties, die een rol voor zich opeisten in de directe hulpverlening. Meijer had het daar moeilijk mee. Zijn oog was primair gericht op de macro-economische, internationale dimensie van de ontwikkelingssamenwerking via intergouvernementele programma's onder auspiciën van de VN. Meijers opvattingen klonken onder andere door in het Nederlandse initiatief tot het opstellen van een Ontwikkelingshandvest van de VN, dat op 19 december 1966 met algemene stemmen door de Algemene Vergadering werd aangenomen.

In mei 1973 doorbrak de nieuw aangetreden PvdA-minister Jan Pronk de mede door Meijer ingerichte hiërarchische structuren bij het departement. Bovendien claimde hij een veel grotere, sturende rol in de beleidsontwikkeling dan zijn voorgangers. Meijer beschouwde een en ander als een inbreuk op zijn positie. Per 1 september 1974 stapte hij daarom op als directeur-generaal Internationale Samenwerking. Hij bleef daarna nog tot aan zijn pensionering verbonden aan het departement als adviseur in algemene dienst. Meijer viel in die functie primair onder de verantwoordelijkheid van minister van Buitenlandse Zaken M. van der Stoel (1973-1977). Deze wilde hem echter geen rol van betekenis geven in de beleidsvorming.

Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in maart 1979 verliet Jan Meijer tamelijk geruisloos het departement. Niettemin liet deze gedreven, controversiële topambtenaar de Nederlandse buitenlandse politiek een nieuw terrein na waarin ons land zich internationaal als toonaangevend manifesteerde, namelijk de ontwikkelingssamenwerking. Na zijn pensionering verbleef Meijer vaak in zijn tweede huis in Frankrijk, en ook besteedde hij veel tijd aan zijn hobby: tuinieren. Wel vormde Het Parool nog een constante: tot 1984 bleef hij lid van het Stichtingsbestuur, en tot 1986 had hij zitting in de raad van commissarissen van uitgeverij Perscombinatie. Aanvankelijk las hij ook veel, maar na een herseninfarct, dat zijn concentratievermogen aantastte, beperkte hij zich noodgedwongen tot de krant. Zijn sterk afnemende gezondheid maakte dat Meijer zich in september 1993 genoodzaakt zag van Den Haag naar een serviceflat in Leiden te verhuizen. Daar overleed hij in 1997, tweeëneenhalve maand na zijn echtgenote.

P: 'Internationale besprekingen over openbare werkenpolitiek', in Economisch-Statistische Berichten, 17-8-1938; Indië en de Vliegende Hollander (Deventer 1941); 'De taak van den personeelschef', in Organisatie en Efficiency 4 (1942) 10/11 (okt.nov.) 1-20; 'De Verenigde naties onder vuur', in Te Elfder Ure 8 (1961) 4 (apr.) 98-107; 'De VN in een nieuwe ronde', in Reflector van het Hedendaagse Wereldgebeuren 4 (1962) 3 (okt.) 17-18; 'De betekenis van de Verenigde Naties voor de jonge landen', in Paul Martin [e.a.], Een wereld of geen wereld. Vier kernvragen uit de Verenigde Naties (Roermond 1966) 27-40; 'De schepping van het Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking', in Een veranderende wereld. Liber amicorum ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van Ferdinand van Dam (Amsterdam 1991) 56-67.

L: Verhoor Jan Meijer, in Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 VIIc ('s-Gravenhage 1955) 283-289; M. Gruythuysen [e.a.], Het Parool, vrij onverveerd, 1940-1945. Inventaris van archief en documentatie (Amsterdam z.j.); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog VII-b ('s-Gravenhage 1976); Gerard Mulder en Paul Koedijk, H.M. van Randwijk. Een biografie (Amsterdam 1988); interview door Igor Cornelissen, in Vrij Nederland, 23-12-1989; Madelon de Keizer, Het Parool 1940-1945. Verzetsblad in oorlogstijd (Amsterdam 1991); Gerard Mulder en Paul Koedijk, Léés die krant! Geschiedenis van het naoorlogse Parool 1945-1970 (Amsterdam 1996); M. Kuitenbrouwer, 'Jan Meijer', in Tweehonderd jaar ministerie van Buitenlandse Zaken ('s-Gravenhage 1998) 277; Henk van Gelder, Carmiggelt. Het levensverhaal (Amsterdam 1999); F. van Dam, 'Een ambtenaar in de politiek: Jan Meijer', in De Geschiedenis van vijftig jaar Nederlandse Ontwikkelingssamenwerking. Onder red. van J.A. Nekkers en P.A.M. Malcontent ('s-Gravenhage 1999) 115-125.

I: Foto uit familiebezit [Meijer in 1964].

Marc Dierikx


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013