Merhtens, Frederik August (1922-1975)

 
English | Nederlands

MERHTENS, Frederik August (1922-1975)

Merhtens, Frederik August (wijziging geslachtsnaam bij beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem op 11-11-1948 in Mehrtens), musicus en componist (Hoorn 11-5-1922 - Amsterdam 29-8-1975). Zoon van Gerrit Merhtens, ambtenaar bij Rijkswaterstaat, en Frieda Milberg. Gehuwd op 8-9-1948 met Jenny Jacoba Fleur Bregman (geb. 1928), apothekersassistente. Uit dit huwelijk werden 3 dochters geboren.

afbeelding van Merhtens, Frederik August

Met zowel een muzikale grootvader als vader was het niet verwonderlijk dat Frits Merhtens, het oudste kind in een Nederlands-hervormd gezin met drie zoons, al op jonge leeftijd orgelles nam. Dat gebeurde bij Evert Koning, de directeur-organist van de parochiekerk van de H.H. Cyriacus en Franciscus in Hoorn. Frits bezocht hier de lagere school en, van 1934 tot 1940, ook de Rijks-HBS. Op zestienjarige leeftijd kreeg hij een benoeming tot organist van de doopsgezinde kerk van de nabijgelegen dorpen Twisk en Abbekerk, korte tijd later gevolgd door een aanstelling bij de hervormde gemeente van Enkhuizen.

Met het HBS-diploma op zak ging Merhtens in 1940 aan de Universiteit van Amsterdam geneeskunde studeren. Aanvankelijk was hij spoorstudent, maar begin 1941 ging hij in Amsterdam op kamers wonen. Van zijn bescheiden studietoelage betaalde hij tevens zijn orgelstudie, die hij voortzette bij Henk Loohuijs, de organist van de Nieuwe Kerk op de Dam. Vanaf 1943, toen de bezetter de universiteiten aan vele beperkende maatregelen had onderworpen, zat Merhtens thuis in Hoorn ondergedoken om zo aan de 'Arbeitseinsatz' te ontkomen. Hij ging in 1948 weliswaar nog op voor het doctoraalexamen, maar zakte op één onderdeel, waarvoor hij geen herexamen deed. Ook al voltooide hij de studie niet, toch bewaarde Merhtens altijd goede herinneringen aan deze periode. Zo zou hij bij zijn latere muzikale activiteiten steeds aandacht houden voor de fysiologische kant van het zingen. Verder ontmoette hij tijdens zijn studie de zes jaar jongere Coosje Bregman, aan wie hij bijles wiskunde gaf. In 1948 trouwden zij, en tussen 1949 en 1962 zouden uit dit huwelijk drie dochters worden geboren.

Het bloed kroop blijkbaar waar het niet gaan kon, en in september 1948 begon Merhtens een vakstudie muziek, met als hoofdvak orgel, aan het Amsterdamsch Conservatorium. Hij studeerde aanvankelijk bij Jacob Bijster, later bij de door Mehrtens zeer geachte Anthon van der Horst. Nadat hij zijn opleiding in 1953 met succes had afgesloten, was hij gedurende twintig jaar - van 1955 tot zijn dood - als muziekleraar verbonden aan het Hervormd Lyceum in Amsterdam. Dit was een betrekking in een vast dienstverband, evenals die aan de conservatoriumafdeling van de Vereniging Muzieklyceum te Amsterdam, waar hij de vakken hymnologie en liturgiek doceerde.

Naast deze onderwijsactiviteiten was Mehrtens op freelance basis werkzaam voor de omroep. In 1951 - nog tijdens zijn conservatoriumopleiding - was hij bij de NCRV adjunct-hoofd van de afdeling muziek, en tegelijkertijd chef van de hieronder ressorterende onderafdeling religieuze muziek. Hij vestigde zich toen met zijn gezin in Hilversum, maar keerde in 1955 naar Amsterdam terug, omdat de omroepstad toch minder goed als woonplaats beviel. In de vier jaar die hij hier werkzaam was, werden niet alleen contacten gelegd met contemporaine Duitse kerkmusici als Siegfried Reda en Helmut Bornefeld - de liturgische beweging in de Bondsrepubliek gold in de jaren vijftig als maatgevend -, ook leidde Mehrtens talloze 'Zondagavondzang'-bijeenkomsten, waarmee de NCRV het gehele land doortrok en waarvan ook radio-opnamen werden gemaakt. Hij verwierf zich aldus nationale bekendheid.

In 1955 aanvaardde Mehrtens - wederom op freelance basis - een benoeming bij het Interkerkelijk Overleg inzake Radioaangelegenheden (IKOR). Als muzikaal adviseur en presentator bij deze zendgemachtigde wist hij bij een gestaag groeiend publiek belangstelling te wekken voor liturgiek en kerkmuziek.

Veel was er Mehrtens aan gelegen de kwaliteit van de Nederlandse kerkmuziek te verbeteren. Onder zijn gehoor bevonden zich niet alleen vakgenoten; ook veel theologen en leken voelden zich door hem aangesproken. In talloze radioprogramma's, zoals Een nieuw kerklied (1956-1957), Muziek van (voor) de Zondag (1956-1959), Zingt het voorbedachte lied (1960-1975) en Liturgica (1964-1975), werden verschillende vormen en onderdelen van de liturgie besproken en toegelicht, waarbij naast het klassieke ordinarium ook nieuwe liederen volop aandacht kregen. Door zijn eruditie - hij was, behalve in zijn eigen vakgebied, geïnteresseerd in theologie, geneeskunde en literatuur - was Mehrtens in staat voor de microfoon gecompliceerde zaken vakkundig en tegelijkertijd begrijpelijk uit te leggen. Daardoor kreeg de luisteraar nooit het idee dat er vanuit een ivoren toren tot hem werd gesproken en dat er aan hem onbereikbare eisen werden gesteld. Mehrtens wist de mensen, met andere woorden, ervan te overtuigen dat zij konden zingen.

Ofschoon Mehrtens als vriendelijk en een tikkeltje verstrooid werd omschreven - organisatorische aangelegenheden lagen hem minder -, wist hij in woord en geschrift duidelijk de grenzen van wat voor hem aanvaardbaar was, aan te geven. Zo signaleerde hij een groeiende invloed van de technologie op de gehele samenleving, terwijl bij hem juist de samenhang tussen 'mens' en 'natuur' voorop stond. Mehrtens' vrees dat de mens een verlengstuk van allerlei technische uitvindingen zou worden, lag ook ten grondslag aan zijn grote bezwaren tegen het gebruik van elektronische muziekinstrumenten in de kerk. Want 'een "electrisch” orgel in een Christelijke kerk, die de Ware Mens predikt, is een contradictio in terminis!' ( Kerk&Muziek, 25).

In 1952 was Mehrtens van Amsterdam naar Hilversum verhuisd. In deze stad was hij cantor-organist aan de hervormde Maranathakerk. Toen hij in 1955 terugkeerde naar Amsterdam, bekleedde hij dezelfde functie aan de Maranathakerk in Amsterdam-Zuid. In de laatstgenoemde kerk werden, met onderbrekingen, tussen januari 1957 en december 1961 - het jaar van Mehrtens' verhuizing naar Muiderberg - de zogeheten Nocturnen gehouden. Samen met de theoloog-dichter Willem Barnard en de wijkpredikant W.G. Overbosch legde Mehrtens tijdens deze dinsdagavonddiensten in feite de basis voor een renaissance van het Nederlandse kerklied. Voor de Nocturnen schreef Barnard en componeerde Mehrtens een groot aantal nieuwe kerkliederen, waarbij de nadruk lag op Bijbel- of Schriftgezangen. In totaal 42 verschillende melodieën van Mehrtens vonden hun weg naar kerkelijke gemeentes, koren en scholen. Vooral ook werden zij in diverse liederenbundels opgenomen, waaronder enkele buitenlandse, zoals het Vlaamse Zingt Jubilate! (1977) en het Duitstalige Evangelisches Gesangbuch (1994).

Het in 1973 na langdurige voorbereidingen gereedgekomen Liedboek voor de kerken bevat vijftien melodieën van Mehrtens. Ook op de achtergrond had hij - sinds 1967 als adviserend lid van de Commissie voor de Kerkmuziek van de Hervormde Raad voor de Eredienst - veel aan de totstandkoming van deze interkerkelijke psalmen- en gezangenbundel bijgedragen. De bezielde koorleider Mehrtens was vervolgens ook de aangewezen persoon om het nieuwe kerkboek bij de 'gewone' kerkleden te introduceren en hen met de nieuwe liederenschat vertrouwd te maken. IKOR en NCRV produceerden in de periode 1974/1975 gezamenlijk een serie televisieprogramma's onder de titel Lied van de week. Daarbij ging Mehrtens, na een korte gesproken inleiding, de gemeente als een echte cantor zingend voor bij het aanleren van een van de nieuwe liederen uit de bundel.

Het is opvallend dat Mehrtens, met zijn brede muzikale belangstelling en vakkennis, zich als componist uiteindelijk beperkte tot het maken van kerkliederen en een enkele liturgische toonzetting. Bij de kerkmuziek van grotere omvang, zoals motetten of zelfs oratoria, bleef echter in zijn optiek de 'zingende gemeente' op de achtergrond, en juist het werk aan de 'basis' schonk Mehrtens de meeste voldoening. Muziek en woorden vormden voor Mehrtens één geheel. Hij wist zijn melodieën dan ook dienstbaar te maken aan de tekst. Slechts een kwart van de door hem nagelaten composities is voor meer dan één lied gebruikt.

Een groot aantal van Mehrtens' liederen - in de regel van bescheiden omvang - staat in een grote-tertstoonsoort gecomponeerd. Daarmee was hij zeker géén kind van zijn tijd, omdat het in de jaren vijftig en zestig gebruik was terug te grijpen op de oude kerktoonsoorten. Dat maakt zijn composities in zekere zin tijdloos, wat iets van hun zeggingskracht door de jaren heen bewijst. Daarnaast hechtte Mehrtens veel aan de rijke (Duitse) lutherse liedtraditie. Zijn lied 'Wachters van de tijd' - lied 540 uit de rooms-katholieke bundel Gezangen voor liturgie - is bijvoorbeeld ook in hymnologisch opzicht een duidelijke verwijzing naar het lutherse koraal 'Wachet auf, ruft uns die Stimme'.

Aan Mehrtens' vele en veelsoortige werkzaamheden kwam eind augustus 1975 een abrupt einde, toen hij op 53-jarige leeftijd in het ziekenhuis van de Vrije Universiteit overleed aan de gevolgen van een auto-ongeluk. Hij werd begraven in Naarden, waar hij met zijn gezin sinds 1965 woonde. Voor Frits Mehrtens zou men vier eigenschappen kenmerkend kunnen noemen: theologische kennis, persoonlijk geloof, musicologisch inzicht en muzikale emotie (Kloppenburg (1990), 136). Deze karakteristieken werden in zijn publicistische en omroepwerk verenigd, en zij vormden de basis van zijn streven naar de 'zingende mens'. Voor Mehrtens was dit het hoogste ideaal, omdat hart, ziel en verstand daar samenkomen.

P: 'Overzicht van het compositorische oeuvre van Frits Mehrtens' in de onder L genoemde publicatie van Jan Smelik, 122-124. Behalve artikelen in Wending, Woord en Dienst en Musica pro Deo: samen met W. Barnard [e.a.], Tien jaren kerkbouw (Amsterdam 1957); samen met W.G. Overbosch, Het orgel in de kerk (Amsterdam 1962); Kerk&Muziek ('s-Gravenhage 1960); Muziek op woorden. Onder red van G.N. Lammens (Baarn 1976).

L: W.G. Overbosch, 'Nu Frits Mehrtens niet meer in ons midden is', in De Klokslag. Weekbericht van de commissie 'Groot-Zuid' der Hervormde gemeente van Amsterdam 29 (1975) 1 (sept.) 1-2; Klaas E. Bartlema en W.G. Overbosch, 'Frederik August (Frits) Mehrtens', in Een compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de Kerken [1977] (3de dr.; Zoetermeer 1998) 1211-1214; Ignace de Sutter, De lofzang van alle tijden (Beveren [etc.] 1983) 22-23, 134-135, 268-269; W.G. Overbosch, 'Herinneringen aan en doorwerking van de Amsterdamse Nocturnen', in Leven in zinsverband. Over het werk van Willem Barnard / Guillaume van der Graft. Onder red. van Ad den Besten [e.a.] (Voorburg 1990) 111-121; Wim Kloppenburg, 'Barnard in majeur', ibidem, 129-136; Hans Jansen, 'Een componist als exegeet en liturg. De melodieën van Frits Mehrtens', in Eredienstvaardig 11 (1995) 4 (aug.) 107-111; Van geloof, hoop en liefde. Vijftig jaren interkerkelijke omroep in Nederland, 1946-1996. Onder red. van J.C.H. Blom [e.a.] (Kampen 1996) 123-126; Jan Smelik, 'Ik ben een orenjongen', in Eredienst. Informatieblad voor liturgie en kerkmuziek 27 (2000) 4 (aug.) 97-124 [Themanummer-Frits Mehrtens]; W. Kloppenburg, lemma in Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme. Onder red. van C. Houtman [e.a.]. VI (Kampen 2006) 188-189.

I: Eredienst. Informatieblad voor liturgie en kerkmuziek 27 (2000) 4 (aug.) 99.

W. Slagter


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013