Mesu, Ferdinandus Pieter (1889-1978)

 
English | Nederlands

MESU, Ferdinandus Pieter (1889-1978)

Mesu, Ferdinandus Pieter, landbouwkundige (Nieuw- en Sint Joosland 14-4-1889 - Utrecht 19-9-1978). Zoon van Joos Mesu, landbouwer, en Leuntje Polderdijk. Gehuwd op 9-5-1923 met Jentje Steenbergen (1899-1969), landbouwhuishoudlerares. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

afbeelding van Mesu, Ferdinandus Pieter

De Zeeuwse boerenzoon Fernand ('Nand') Mesu was vijf jaar toen zijn vader bij een ongeluk om het leven kwam. Zijn moeder bleef achter met acht kinderen - vijf jongens en drie meisjes tussen de één en vijftien jaar -, van wie Fernand de zesde was. Haar enige broer werd voogd over de kinderen. Deze 'Oomes' Polderdijk, een zeer ontwikkelde boer, was onder meer dijkgraaf, amateur-historicus en lid van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. Samen met hem, haar kinderen en enkele knechten en meiden dreef moeder Mesu het landbouwbedrijf. Aan kennis en kunde ontbrak het dus niet in de omgeving van de jonge Fernand.

Aangezien één van zijn oudere broers op de boerderij kwam, moest Mesu een ander beroep kiezen. Eerst bezocht hij vanaf 1903 de vijfjarige HBS in Middelburg. Na in 1908 eindexamen te hebben gedaan ging hij naar de Landbouwhoogeschool te Wageningen. In december 1914 studeerde hij af in de richting Nederlandse landbouw, met als hoofdvakken plantenteelt en landbouwscheikunde en als bijvak grondverbetering. Enkele maanden eerder was hij vanwege het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerd en - uiteindelijk in de rang van eerste luitenant der Intendance - belast met onder meer het vorderen van hooi voor de legerpaarden.

In het voorjaar van 1917 kreeg Mesu voor onbepaalde tijd militair verlof om als cultuurconsulent in dienst te treden van de Friesche Maatschappij van Landbouw, waartoe hij in Leeuwarden op kamers ging wonen. Het was zijn taak door middel van propaganda en voorlichting de boeren in Friesland tot verhoging en verbetering van de agrarische productie te brengen om op die manier wat te doen aan de verbetering van de - door de oorlog precair geworden - binnenlandse voedselsituatie. De pachters, koemelkers, kleine en grote boeren met wie hij in zijn nieuwe functie te maken kreeg, hadden allen hun eigen, vaak tegengestelde belangen. Maar Mesu liet zich daardoor niet van zijn stuk brengen en gaf de adviezen die hij gewenst achtte. Eveneens in het kader van de bestrijding van de voedselschaarste stond de functie die hij begin 1919 aanvaardde. Mesu werd toen hoofd van de afdeling Granen en Peulvruchten - tevens onderdirecteur - van het Rijksbureau voor de Distributie van Graan en Meel in Den Haag.

Toen de werkzaamheden van het Rijksbureau langzaam ten einde liepen, vertrok Mesu in mei 1920 naar Drenthe om er als landbouwkundig vertegenwoordiger in dienst te treden van het Rivierenbureau, een dienst die ressorteerde onder de Provinciale Waterstaat. Hij verhuisde toen van Den Haag naar Assen. Mesu had hier de taak de gevolgen van de waterstaatkundige ingrepen voor de landbouw te belichten voor bestuurders van de provincie, gemeenten, landbouworganisaties en voor boeren.

Mesu leerde in Drenthe ook zijn vrouw kennen, de landbouwhuishoudlerares Jentje Steenbergen uit Zuidwolde. De dag na hun huwelijk, in mei 1923, vestigden zij zich in Zwolle, waar hij een betrekking had gevonden als cultuurconsulent in Overijssel. Hij werkte er nauw samen met de besturen van landbouwmaatschappijen, ontginningsmaatschappijen, waterschappen, gemeenten en provincie. De vaak drastische ingrepen in het landschap hadden meestal grote, niet in de laatste plaats financiële gevolgen voor de eigenaren en gebruikers van de gronden, en dit leidde regelmatig tot verzet. De gemoederen konden daarbij hoog oplopen. Toen Mesu bijvoorbeeld tijdens een vergadering over de oprichting van een waterschap in het gebied van de Beneden-Dinkel voorlichting gaf over een door Provinciale Waterstaat ontwikkeld plan, moest hij op een gegeven moment zelfs een veilig heenkomen zoeken in de nabijgelegen tuin van de pastoor. Anders dan door de boeren werd zijn werk echter hogelijk gewaardeerd door de bestuurders van provincie, door de landbouwmaatschappijen en waterschappen en door de technici.

In april 1930 verhuisde Mesu met zijn gezin uit Zwolle naar het Noord-Hollandse Bergen, vanwege zijn aanstelling bij de Directie van de Wieringermeer. Bij dit project werden toen drie Wageningse ingenieurs aangesteld: naast Mesu ook zijn studiegenoten S. Smeding en A.L.H. Roebroek. Elk van hen had specifieke taken. Mesu hield zich bezig met het in cultuur brengen van de gronden, de ontsluiting van wegen en kanalen, de ontwatering en de verkaveling.

Mesu had altijd al een grote belangstelling gehad voor de afsluiting van de Zuiderzee en de inpoldering van de Wieringermeer. Samen met directeur A. Minderhoud van de Grontmij. in Zwolle maakte hij een raming van de kosten voor het in cultuur brengen van de gronden in de nieuwe polder. Zij kwamen uit op een bedrag van ongeveer 1.500 gulden per hectare, maar het dubbele was ook mogelijk, terwijl de minister van Financiën nog een bedrag van 600 gulden per hectare in het hoofd had. Toch werd het plan doorgezet.

Een van de grootste problemen was grondbewerkingsmachines te vinden die niet wegzakten in de zachte ondergrond. Talloze systemen uit de gehele wereld werden beproefd. Wanneer de proeven mislukten, kwam er vaak hevige kritiek; wanneer ze slaagden ook, want dan werd gezegd dat de arbeiders het brood uit de mond werd gestoten. Voor de arbeiders en arbeidsters had Mesu overigens een bijzonder oog. Hij kon zich - gezien zijn Zeeuwse boerenachtergrond - verplaatsen in hun situatie. In 1934 werden de eerste bedrijven in de Wieringermeer in pacht uitgegeven. De polder was goed bereikbaar en er werden drie dorpen gesticht. Mesu verliet de Wieringermeer in 1934, toen dit gebied vrijwel geheel in cultuur was gebracht. Zijn werk daar zat erop.

Korte tijd woonde hij daarna nog in Assen. Hij was toen Rijksinspecteur in Drenthe en tevens landbouwkundig adviseur voor werkverschaffing en steunverlening bij het departement van Sociale Zaken. In 1935 verhuisde Mesu met zijn gezin naar Bilthoven, waar hij tot aan zijn dood zou blijven wonen.

Eind mei 1935 was Mesu namelijk directeur geworden van de pas opgerichte Cultuurtechnische Dienst in Utrecht. Alle overheidsactiviteiten op het gebied van ontginning, ontwatering en ruilverkaveling waren samengevoegd in deze Dienst en in de Centrale Cultuurtechnische Commissie. Mesu werd tevens secretaris van deze Commissie, die onder leiding stond van zijn oud-collega Roebroek, inmiddels directeur-generaal van Landbouw. De Dienst begon met slechts zeven personen, maar zou na 1945 uitgroeien tot een machtig apparaat, van waaruit de systematische modernisering van het Nederlandse landschap vorm zou krijgen. Tijdens het negentienjarig directeurschap van Mesu zou het aantal personeelsleden toenemen tot 660.

'De oorlog heeft vanzelfsprekend een domper gelegd op de dadendrang van Mesu' (Geuze, 163). Een belangrijke vooruitgang was echter dat in 1942 werd besloten de uitvoering van ruilverkavelingen en andere cultuurtechnische werken niet langer alleen te subsidiëren in het kader van de werkverruiming. Het departement van Landbouw verstrekte voortaan zelf financiële tegemoetkomingen, en dit leidde tot een institutionalisering van het subsidie-instrument als onderdeel van het ruilverkavelingsbeleid.

Na de bevrijding werden de ruilverkavelingactiviteiten in Nederland sterk opgevoerd. Bodemonderzoek, in combinatie met mechanisatie en rationalisatie in de landbouw speelden daarbij een grote rol. In april 1954 ging Mesu als directeur van de Cultuurtechnische Dienst met pensioen. Op 9 maart 1953 had hij een eredoctoraat ontvangen van de Landbouwhogeschool in Wageningen. Zijn promotor, de hoogleraar cultuurtechniek F. Hellinga, kenschetste hem bij die gelegenheid als de 'Grootmeester van de Cultuurtechniek'. Ook wees hij op de goede samenwerking tussen de Technische Hogeschool te Delft en de Landbouwhogeschool te Wageningen, die mede door toedoen van Mesu tot stand was gekomen.

Mesu bleef ook na zijn pensionering actief. Van 1954 tot de opheffing in 1960 was hij lid van de Deltacommissie, en in die hoedanigheid toonde hij zich een groot voorstander van het afsluiten van de zeegaten in zuidwest Nederland. Hij wilde de kustlijn doortrekken om op die manier landwinst te boeken bij inpolderingen binnen die kustlijn, terwijl het overgebleven water als zoetwaterbekken zou kunnen dienen. Hij pleitte voor afsluiting van de Westerschelde, zover mogelijk westwaarts, namelijk bij de mond.

In het jaar van zijn pensionering werd Mesu ook door het Landbouwschap gevraagd als voorzitter van een aparte commissie voor planologie, waarbij hij voorging in de strijd om het behoud van goede landbouwgrond. Verder werd Mesu in 1954 voor het Landbouwschap voorzitter van de waterstaatscommissie en adviseur voor aangelegenheden rond grondgebruik in de meest algemene zin. In de jaren 1956-1964 was hij voorzitter van de Stichting ter Ontwikkeling van de Noordwest-Veluwe. Voor de Stichting Machinale Landbouw Suriname trad hij op als lid van de Raad van Commissarissen, waarbij hij zijn grote ervaring uit de Wieringermeer kon inbrengen. Tot zijn tachtigste bleef Mesu werkzaam voor het Landbouwschap. Zijn afscheid daar viel hem moeilijk, en hij was blij wanneer Rijkswaterstaat hem nadien nog in een of andere schadecommissie plaatste.

Eind 1969 overleed zijn vrouw. Haar dood greep hem sterk aan, maar dankzij de goede zorgen van een vroegere buurvrouw en vriendin, de weduwe Mosmans, kreeg hij zijn leven weer op orde. In de zomer van 1978 onderging Mesu een heupoperatie, waarna een embolie optrad. Kort daarna overleed deze kleine, grote Zeeuw in het Diaconessen Ziekenhuis in Utrecht.

Fernand Mesu was een harde en nauwgezette werker, die in dat opzicht niet altijd zijn grenzen kende en wel eens te veel van zichzelf vroeg. Hij was trouw aan zijn principes, trouw ook in zijn vriendschappen. Hij wist met tact en gevoel voor humor de zaken naar zijn hand te zetten, maar wel ging bij hem de zaak vóór de persoon. Hij liet zich niet voorstaan op zijn positie en was ook niet geïmponeerd door hoger geplaatsten. Op de ontwikkeling der cultuurtechniek in Nederland heeft Mesu een eigen stempel gedrukt. Hij was ervan overtuigd, dat de waterbouwkundige, de landmeter en de landbouwkundige elkaar moesten zien te vinden. 'De grootste verdienste die Mesu bij de ontwikkeling van de cultuurtechniek heeft gehad,' zei voorzitter Roebroek van de Centrale Cultuurtechnische Commissie bij Mesu's afscheid als directeur van de Cultuurtechnische Dienst in 1954, 'ligt in het feit, dat hij door woord, daad en voorbeeld, de eerste cultuurtechnische ingenieurs gevormd heeft'. Ook daarmee heeft hij op het Nederlandse landschap zoals dat zich vormde tijdens zijn werkzame leven, een duidelijke stempel gedrukt.

A: Familiearchief-Mesu (met o.a. het manuscript van zijn 'Herinneringen') in particulier bezit te Bennekom.

P: 'Veertig jaren cultuurtechniek", in Tijdschrift der Nederlandsche Heidemaatschappij 65 (1954) 6 (juni) 158-176; samen met J. van Veen, Waterhuishouding in Nederland (Meppel 1957); 'Ontmoeting in Drenthe', in Dr.ir. Johan van Veen. De som van een leven. Onder red. van H.J. Stuvel ('s- Gravenhage 1972) 27-30.

L: Mesu, het leven van een pionier. Herinneringen uit en over zijn leven. Bewerkt door M.A. Geuze (Middelburg 1979); Jan Groeneveld, Veranderend Nederland. Een halve eeuw ontwikkeling op het platteland. (Maastricht [etc.] 1985); G.A. Coert, lemma in Drentse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Drenten I (Meppel [etc.] 1989) 136-138; Gerrie Andela, Kneedbaar landschap, kneedbaar volk. De heroïsche jaren van de ruilverkavelingen in Nederland (Bussum 2000); Willem van der Ham, Meester van de zee. Johan van Veen (1893-1959), waterstaatsingenieur (Amsterdam 2003).

I: Mesu, het leven van een pionier. Herinneringen uit en over zijn leven. Bewerkt door M.A. Geuze (Middelburg 1979) 65 [Mesu in 1917].

Wim Coster


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013