Metzelaar, Johan Frederik (1818-1897)

 
English | Nederlands

METZELAAR, Johan Frederik (1818-1897)

METZELAAR, Johan Frederik, architect (Rotterdam 21-7-1818 - Scheveningen 22-1-1897). Zoon van Isaac Metzelaar, (huis)bediende, en Engelina Theyn. Gehuwd op 17-4-1839 met Cornelia Maria Kimmel (1812-1840). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren, die jong overleed. Na het overlijden van zijn eerste echtgenote gehuwd op 15-5-1844 met Lydia Johanna Schilder (1819-1854). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 4 dochters geboren, van wie 1 dochter jong overleed. Na het overlijden van zijn tweede echtgenote gehuwd op 27-7-1855 met Dievertje Biersma (1817-1861). Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. Na het overlijden van zijn derde echtgenote gehuwd op 13-5-1863 met Jannetje Kramer (1821-1895). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Metzelaar, Johan Frederik Johan Metzelaar groeide op in Rotterdam als vierde kind in een Nederlands-hervormd gezin met drie zoons en twee dochters. Zijn vader was afwisselend (huis)bediende en kastelein. Vanaf 1833 volgde de jonge Metzelaar een opleiding in de praktijk bij een timmerman in zijn geboortestad. Daarnaast volgde hij lessen aan de tekenschool van het Rotterdamse genootschap ‘Hierdoor tot Hooger’.

Na deze leerjaren vestigde Metzelaar zich in 1838 als zelfstandig timmerman in Rotterdam. In de jaren die volgden ontwikkelde hij zich tot een vooraanstaand architect met uitgesproken ideeën over zijn vak. Uit zijn bouwkundig oeuvre en uit zijn latere publicaties blijkt onder andere het belang dat hij toekende aan het primaat van de constructie en de kennis van de klassieken. Stilistisch was hij een vrije navolger van het classicisme van de Pruisische architect K.F. Schinkel met in de loop der tijd eclectische invloeden. Ook over het onderricht aan architecten had Metzelaar duidelijke ideeën. Al snel leidde hij leerlingen op in zijn bedrijf.

In zijn Rotterdamse jaren kreeg Metzelaar opdrachten voor stoomfabrieken, een ‘Wasch-, bad- en zweminrichting’, de Officieren-Sociëteit in het Park (circa 1857), het Leeskabinet aan de Gelderse Kade (1861), het bijgebouw van De Nederlandsche Bank (ontwerp 1863) en het winkelhuis van Bunnekamp & Mähler (1867), allemaal in Rotterdam. Ook ontwierp hij villa’s, boerderijen, koetshuizen, stallen en herenhuizen. Verder bouwde Metzelaar de Sociëteit tot Nut der Zeevaart (circa 1848) en de villa ‘Dijkzigt’ (circa 1849), beide te Rotterdam.

Uit zijn optreden in de beroepswereld blijkt Metzelaars verlangen zich als architect duidelijk te manifesteren. Zo was hij vanaf de oprichting in 1842 lange tijd inhoudelijk en bestuurlijk actief binnen de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst. Als architect kreeg hij in 1854 zitting in de Gezondheidscommissie van de Rotterdamse gemeenteraad. Verder toonde hij beroepsmatig belangstelling voor de stadsuitbreidingen van zijn woonplaats. In 1865 gaf de gemeenteraad een concessie aan hem af voor de aanleg en exploitatie van een waterleiding in de stad. Hij slaagde er echter niet in om het vereiste kapitaal te vinden.

In 1868 deed de inmiddels vijftigjarige Metzelaar – naar verluidt om gezondheidsredenen – zijn bedrijf aan de kant en verhuisde hij naar Delft. In de twee jaren zonder betrekking die daarop volgden, bracht hij zijn ideeën naar buiten over het onderwijs in de beeldende kunsten in Nederland. Hij was voorstander van een nauwe band tussen schilderkunst, architectuur en beeldhouwkunst. De drie beeldende kunsten zouden goed moeten worden afgestemd op en geïntegreerd in ambacht en industrie, zodat in de dagelijkse leef- en werkomgeving de kunst overal waarneembaar was. Hij pleitte ervoor dat de bouwkunst zou aansluiten bij de andere beeldende kunsten en dat de techniek niet de overhand zou krijgen. In dit opzicht vertonen Metzelaars ideeën overeenkomsten met die van de Engelse Arts and Crafts en van de Nederlandse gemeenschapskunst. In tegenstelling tot latere aanhangers van de gemeenschapskunst, zoals P.J.H. Cuypers en H.P. Berlage, die eveneens de verbondenheid van de verschillende kunsten bepleitten, formuleerde hij echter geen visie hoe een ideale samenleving eruit moest zien.

In 1870 trad Metzelaar in dienst bij het ministerie van Justitie als ingenieur-architect voor de gevangenis- en de rechtsgebouwen. Met zijn gezin verhuisde hij toen van Delft naar Den Haag, waar hij een villa aan de Scheveningseweg betrok. Bij Justitie kwam hij aan het hoofd te staan van het eerste departementale bouwbureau in Nederland. Met deze afdeling voer Metzelaar een eigen koers, met sobere neoclassicistische ontwerpen die een toenemende neiging tot eclecticisme verraden. Daarmee toonde hij zich onafhankelijk van de voor Rijksgebouwen dominante richting van referendaris jhr. V.E.L. de Stuers, bouwmeester Cuypers en hun geestverwanten van de ‘officiële overheidsstijl’.

In de loop der jaren kreeg Metzelaar het herhaaldelijk aan de stok met De Stuers en de zijnen. Zo schreef hij in 1878 in De Tijdspiegel (6 (1878) II, 170-180) een bijdrage getiteld ‘Een bouwkunstig spook’, waarmee hij zich mengde in het debat over het bouwen voor de Rijksoverheid. Met dit polemische stuk reageerde hij op een artikel van De Stuers in De Gids (41 (1877) III, 521-549), dat eveneens de titel droeg ‘Een bouwkunstig spook’. Daarin reageerde laatstgenoemde op de vele kritiek die vanuit de architectenwereld werd geleverd op hem en zijn college van Rijksadviseurs. De kern van de kritiek was dat De Stuers cum suis een onevenredig grote invloed uitoefenden op het bouwen door de Rijksoverheid. Metzelaar – en hij niet alleen – ergerde zich aan de wijze waarop De Stuers de kritiek op ongefundeerde wijze afdeed als antikatholicisme en verder niet inging op de inhoud ervan.

Metzelaar verwierf zijn grootste bekendheid met ontwerpen van cellulaire gevangenissen. Deze werden gebouwd in de jaren voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafrecht per 1 september 1886. Aldus werd geanticipeerd op een uitbreiding van het cellulaire stelsel van eenzame opsluiting, wat de nodige nieuwe bouwkundige eisen meebracht. Verder had het gevangeniswezen behoefte aan capaciteitsuitbreiding. Een en ander had tot gevolg dat er in die jaren circa duizend nieuwe cellen moesten komen. Daartoe werden twee grote vleugelgevangenissen – kruisvormige gebouwen met een centrale hal – gebouwd in Groningen (1881) en Scheveningen (1882) en twee kleine in Alkmaar (ontwerp 1883) en Zutphen (1883).

Behalve deze vleugelgevangenissen werden ook de koepelgevangenissen in Arnhem (1882) en Breda (1883) gebouwd. Deze hebben de vorm van een rond gebouw waarbij de cellen zich langs de omtrek bevinden. Zij zijn zodanig van elkaar afgesloten dat communicatie tussen de gedetineerden onderling niet mogelijk is. In het midden van de constructie is een waarnemingspost gesitueerd. De essentie is dat de observator de gedetineerden kan zien, terwijl zij andersom hem niet kunnen zien. De gevangenen hebben zodoende voortdurend het gevoel dat ze worden bewaakt en geobserveerd. Metzelaars koepel is een imposante constructie met dakspanten en ringen van ijzer – indertijd een betrekkelijk nieuw bouwmateriaal – , grenenhouten betimmering en een zinken dakbedekking.

Metzelaar en zijn opbollende koepelgevangenissen kregen indertijd veel publiciteit, waarbij ook de nodige aandacht uitging naar de poortgebouwen. Deze vertonen kenmerken van vestingarchitectuur, met middeleeuws aandoende torens en muren voorzien van kantelen, waarin zich een opening bevindt met twee grote houten deuren onder een Florentijnse boog.

Naast gevangenissen heeft Metzelaar in de jaren 1880 ook tien kantongerechten gebouwd – onder andere in Alphen aan den Rijn, Apeldoorn, Geldermalsen en Kampen – , waarvan negen op basis van een standaardontwerp van Allard Pierson uit 1860. Verder is een hoogtepunt binnen zijn oeuvre het gerechtsgebouw in Tiel (1882), dat in opzet en ornamentiek op aansprekende wijze zijn functie representeert. Het is een neoclassicistisch ontwerp met eclectische invloeden, dat geldt als een van de meest geslaagde Nederlandse bouwwerken in het genre. De ornamentiek verwijst naar de rechtspraak en de staat.

Op 1 januari 1886 ging Metzelaar met pensioen, maar hij bleef zich betrokken voelen bij zijn vakgebied, en wanneer hem iets niet zinde aarzelde hij niet naar de pen te grijpen om zijn mening kenbaar te maken. In 1897 overleed Metzelaar op 78-jarige leeftijd in Scheveningen, krap twee jaar nadat hij voor de vierde maal weduwnaar was geworden.

A: Archief-J.F. Metzelaar in het Nederlands Architectuurinstituut te Rotterdam. Archief Ministerie van Justitie: Gebouwen, 1825-1954 (met afzonderlijke dossiers voor elk gebouw, met uitzondering van Veenhuizen) in het Nationaal Archief te 's-Gravenhage.

P: Een geïllustreerd overzicht van de door Metzelaar ontworpen bouwwerken en een overzicht van zijn artikelen, brochures en lezingen in de onder L genoemde doctoraalscriptie van Floor.

L: P.T.E.E. Rosenberg, 'De Metzelaars, een halve eeuw justitiegebouwen', in De Rijksbouwmeesters. Twee eeuwen architectuur van de Rijksgebouwendienst en zijn voorlopers. Onder red. van Corjan van der Peet en Guido Steenmeijer (Rotterdam 1995) 301-327; Auke van der Woud, Waarheid en karakter. Het debat over de bouwkunst, 1840-1900 (Rotterdam 1997); Ros Floor, J.F. Metzelaar (1818-1897) en W.C. Metzelaar (1848-1918). Bouwmeesters voor justitie (Rotterdam 2009).

R.L. Floor


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013