Möller, Johann Bernard Wilhelm Maria (1923-1999)

 
English | Nederlands

MöLLER, Johann Bernard Wilhelm Maria (1923-1999)

MÖLLER, Johann Bernard Wilhelm Maria, rooms-katholiek bisschop (Rotterdam 31-10-1923 – Groningen 26-4-1999). Zoon van Wilhelmus Maria Möller, winkelier, en Gertrude Marie Geniets.

afbeelding van Möller, Johann Bernard Wilhelm Maria Ben Möller was nog geen half jaar oud toen hij met zijn ouders van Rotterdam  naar Utrecht verhuisde, waar zijn vader een schoenenzaak dreef. Ben groeide samen met een broer en vier zusters op als de oudste in een traditioneel rooms-katholiek gezin. Na de lagere St. Gregoriusschool, een jongensschool van de fraters van Utrecht, vertrok hij op twaalfjarige leeftijd naar Apeldoorn, waar hij het aartsbisschoppelijke kleinseminarie bezocht. Omdat hij priester wilde worden – naar eigen zeggen ‘vooral door de geheimzinnige liturgie’ (Top) – studeerde hij vanaf 1942 theologie aan het grootseminarie ‘Rijsenburg’, dat vanwege de oorlogsomstandigheden inmiddels van Driebergen naar kasteel Keppel in de Achterhoek was verplaatst. Hier behoorde de latere kardinaal B.J. Alfrink vanaf het begin tot zijn docenten. Deze studie verliep voorspoedig, en op 24 juli 1949 werd hij tot priester gewijd.

De wetenschap – en meer in het bijzonder de wijsbegeerte – boeide Möller, en hij werd in de gelegenheid gesteld verder te studeren. Van 1949 tot 1952 volgde hij aan het ‘Angelicum’ in Rome middeleeuwse filosofie en aan de Katholieke Universiteit te Leuven moderne wijsbegeerte, waarbij zijn belangstelling uitging naar de fenomenologie en het existentialisme. In 1952 keerde Möller terug naar Rome om op 6 mei van dat jaar aan het ‘Angelicum’ te promoveren op het proefschrift Het onstoffelijke als voorwerp van de metaphysica. Een kritische studie naar aanleiding van In Boethium q.5,a.4, een thema uit de Summa Theologica van de 13de-eeuwse wijsgeer Thomas van Aquino.

Om ook de pastorale kant van het priesterschap te leren kennen werd Möller, na terugkeer in Nederland, in 1952 kapelaan in de St. Johannesparochie in Wageningen. Maar reeds op 21 augustus 1953 volgde zijn benoeming tot docent aan het Philosophicum ‘Dijnselburg’ in Huis ter Heide, waar sinds een jaar de priesterstudenten van het aartsbisdom hun wijsgerige opleiding ontvingen.

In de academische wereld was Möller geheel op zijn plaats. Hij wist studenten te boeien tijdens zijn colleges filosofie – en later godsdienstwetenschappen – en besteedde zelf veel tijd aan verdere studie, waardoor hij als zeer erudiet gold. In 1962 werd hij president van ‘Dijnselburg’, en in 1967 volgde zijn benoeming tot de eerste rector van de Katholieke Theologische Hogeschool Utrecht, waarbinnen de filosofische en de theologische tak van de priesterstudie – dat wil zeggen ‘Dijnselburg’ en ‘Rijsenburg’ – inmiddels waren samengebracht. Möllers hoogleraarschap aan de Katholieke Theologische Hogeschool Amsterdam, waar hij eveneens van 1967 tot 1969 godsdienstwetenschappen doceerde, en een leeropdracht godsdienstfilosofie aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen in het academisch jaar 1968/1969 vormden een bevestiging van zijn inmiddels gegroeide wetenschappelijke reputatie. Publicaties op zijn vakgebied bleven echter in hoofdzaak beperkt tot bijdragen aan bundels of kerkelijke tijdschriften.

Möllers benoeming in mei 1969 tot bisschop van Groningen kwam voor alle betrokkenen, hemzelf incluis, als een volslagen verrassing. Hij was geen priester van het desbetreffende diocees – zoals een ongeschreven wet wilde –, en ook ontbrak zijn naam op de eerste voordracht van het kathedraal kapittel. Het is zeer aannemelijk dat de keuze voor de Utrechtse hoogleraar op initiatief van de aartsbisschop van Utrecht, kardinaal Alfrink, tot stand kwam. Deze wenste een intellectueel zwaargewicht naast zich in de bisschoppenconferentie en zag in zijn oud-leerling Möller de aangewezen persoon. Diens benoeming als opvolger van de om gezondheidsredenen teruggetreden bisschop P.A. Nierman had plaats aan het begin van een onrustige periode in de geschiedenis van de Nederlandse kerkprovincie. Daarbij trad er zowel aan de katholieke basis als ook onder de bisschoppen onderling een sterke polarisatie op, die langdurig verstoorde verhoudingen, zeker ten opzichte van het Vaticaan, tot gevolg had.

Zelf was Möller allesbehalve een scherpslijper. Als wapenspreuk had de nieuwe bisschop ‘Pax et Bonum’ – door hem zelf vertaald als ‘Vrede en Vreugde’ – gekozen, wat aangaf dat hij niet uit was op een confrontatie. De overstap van de wetenschap naar meer bestuurlijk werk viel Möller overigens niet eenvoudig. Hij moest nu – meer dan hij in de betrekkelijke beslotenheid van de academische wereld gewoon was – zijn woorden op een goudschaaltje wegen en ontdekte daarmee ‘het verschil tussen theoretisch denken en praktische beslissingen nemen’ (Scherphuis). Voor de dagelijkse leiding van het diocees liet Möller overigens veel over aan zijn vicaris-generaal, de franciscaan C.L.M. Grasveld. Zelf stond de bisschop niet graag in het centrum van de belangstelling.

Zijn beminnelijke karakter droeg ertoe bij dat Möller al spoedig na zijn installering velen voor zich wist in te nemen. Hij stelde zich open voor mensen van binnen en buiten de kerk, en ook vertegenwoordigers van de pers vonden in hem een toegankelijke gesprekspartner. Omdat de katholieken slechts acht procent van de totale bevolking van zijn diocees vertegenwoordigden, hechtte de bisschop veel waarde aan een goede verstandhouding met andersdenkenden en -gelovigen. De oecumene droeg hij een warm hart toe.

Levend in de geest van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) verwelkomde Möller de groeiende vrijheid van het persoonlijk geweten van elke rooms-katholiek. In die zin behoorde hij tot het tolerante en verlichte deel van het Nederlandse episcopaat. Dat hij zich niettemin uiterlijk altijd conformeerde aan de officiële leer van Rome, werd hem echter door menige progressieve katholiek niet in dank werd afgenomen. Omdat hij een goede verstandhouding tussen de verschillende groeperingen binnen de kerk van groot belang achtte, bleek hij de aangewezen persoon om het contact te onderhouden met de in 1985 opgerichte Acht-Mei-Beweging, een forum van progressieve katholieken die vernieuwing van de kerk nastreefden. Maar hoewel Möller ten aanzien van bepaalde leerstellingen genuanceerd dacht – de onverkorte handhaving van het verplichte priestercelibaat was voor hem bijvoorbeeld geen dwingend gebod – , stelde de bisschop zich uiteindelijk steeds op het standpunt dat ‘aanvaarden van het hogere gezag bij het roomse geloof [hoort]’ (de Volkskrant, 27-4-1999).

Bezorgd over de terugloop van zowel het aantal priesters als het aantal kerkgangers gaf Möller in zijn uitgestrekte diocees – door hem zelf wel een ‘diaspora-bisdom’ genoemd – de aanzet tot het vormen van teams, bestaande uit priesters, pastoraal werkers en lekenvrijwilligers die de liturgische, pastorale en bestuurlijke taken in de verschillende parochies in goed onderling overleg op zich namen. In zijn ogen was een geïnspireerde en actieve geloofsgemeenschap waardevoller dan een getalsmatig grote. Speciaal de catechese onder de jeugd had zijn belangstelling – lange tijd was hij voorzitter van de bisschoppelijke commissie voor catechese – , waarvan zijn pastorale brieven Katechese in de parochie. Kansen voor de toekomst (1987) en Opvoeden tot geloven. Brief aan ouders en andere opvoeders in het bisdom Groningen (1990) getuigen.

Verder had de bisschop bijzondere aandacht voor medisch-ethische kwesties. Die belangstelling kan wellicht worden verklaard uit het feit dat Möller zelf decennialang met gezondheidsproblemen tobde. Vooral hart- en nierklachten kwelden hem, en bij herhaling moest hij in het ziekenhuis worden opgenomen. In 1991 moest hij een niertransplantatie ondergaan. Wellicht daarom relativeerde hij al te stellige opvattingen. Slechts een enkele keer, bijvoorbeeld toen hij zich een principieel tegenstander van euthanasie verklaarde (1985), liet hij een ondubbelzinnig standpunt horen.

Bij het bereiken van de 75-jarige leeftijd vroeg Möller – op dat moment de langstzittende Nederlandse bisschop – ontslag uit zijn functie. Vanuit Rome kwam het verzoek aan te blijven totdat een opvolger zou zijn benoemd. Nog voordat deze bekend kon worden gemaakt, overleed bisschop Möller na een nieuwe ziekenhuisopname in het voorjaar van 1999.

Het aanvaarden van een heuse herdersstaf in plaats van de traditionele kromstaf bij zijn bisschopswijding in 1969 mag symbolisch heten voor de ambts- en taakopvatting van monseigneur Möller. Die zorgde ervoor dat hij, bij zijn komst nog met scepsis begroet, in de bijna dertig jaar van zijn episcopaat gewaardeerd raakte en bij zijn overlijden door medestanders èn critici werd betreurd. Beide groepen onderkenden zijn inspanningen om de denkbeelden van Rome aan de gelovigen uit te leggen en ontmoetten bij hem begrip, wanneer zij die opvattingen niet voluit konden delen. Möller was een bruggenbouwer, die verschillende groepen bij elkaar wilde brengen èn bij elkaar wilde houden. Mede daarom stelde hij zich dikwijls terughoudend op bij het nemen van beslissingen, wat door critici als besluiteloosheid werd uitgelegd. Daarnaast zou Möllers weinig resolute houding bij het oplossen van diverse problemen wellicht ook kunnen worden verklaard uit zijn filosofische achtergrond en uit ‘een grenzeloze evangelische zorgeloosheid’, zoals vicaris-generaal Grasveld het tijdens de uitvaartplechtigheid formuleerde (Katholiek Nederland 27 (1999) 8). Want ondanks zijn langdurige episcopaat bleef Möller eerder wetenschapper dan bestuurder, meer professor dan kerkvorst. Een opvallende verstrooidheid en vergeetachtigheid droegen aan deze beeldvorming krachtig bij.

A: De persoonlijke bescheiden van mgr. Möller bevinden zich in het archief van het bisdom Groningen. Hierin bevindt zich nog een aantal ongedateerde manuscripten van Möller, o.a. ‘Over de Godsvraag’ (ca. 1965) en ‘Het vraagstuk van de bewijzen voor het bestaan van God’ (ca. 1966).

P: Behalve vele pastorale brieven: ‘Enige kenmerken van het hedendaagse denken’, in Nederlandse Katholieke Stemmen 53 (1957) 7 (juli) 209-221; ‘De God van de filosofen’, in Het religieuze. Onder red. van R.W. Thuijs [e.a..] (Utrecht [etc.] 1959) 21-35; ‘De Transsubstantiatie’, in Nederlandse Katholieke Stemmen  56 (1960) 1 (jan.) 2-14; ‘De “Entmythologiserung” bij R. Bultmann. Een wijsgerige beschouwing’, ibidem 57 (1961) 8/9 (sept.) 233-243; ‘Een christelijke antropologie van de sport’, ibidem 58 (1962) 11 (nov.) 329-338; Waar de geest van de Heer is, is vrijheid (Assen 1984).

L: Naast necrologieën o.a. in NRC Handelsblad, 27-4-1999; door Ton Crijnen, in Trouw, 27-4-1999; door Henk Müller, in de Volkskrant, 27-4-1999; door Maurits Schmidt, in Het Parool, 28-4-99; door Jan Peeters, in Katholiek Nieuwsblad, 29-4-1999: interview door Ben Bos, in De Nieuwe Linie, 27-12-1969; interview door Ageeth Scherphuis, in Vrij Nederland, 29-8-1987; interview door Vijko Top, in Twentsche Courant, 2-8-1993; Richard Auwerda, De kromstaf als wapen. Bisschopsbenoemingen in Nederland (Baarn 1988) 56-57; Informatie-bulletin van het bisdom Groningen [Speciaal nummer over ‘Bisschop Möller 40 jaar priester’] 22 (1989) 9 (oktober) 2-39; Bisdomblad Groningen 32 (1999) 6 (juni) 1-27; Katholiek leven in Noord-Nederland, 1956-2006. Vijftig jaar bisdom Groningen. Onder eindred. van Tjebbe T. de Jong (Hilversum 2006).

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: Croes; Collectie ANEFO: Möller in februari 1984].

W. Slagter


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013