Mönnich, Conrad Willem (1915-1994)

 
English | Nederlands

MöNNICH, Conrad Willem (1915-1994)

MÖNNICH, Conrad Willem, luthers theoloog en cultuurhistoricus (Amsterdam 31-5-1915 - Amsterdam 28-7-1994). Zoon van Willem Frans Conrad Mönnich, boekhouder, en Frederica Agatha Rust. Gehuwd op 4-3-1943 met Elisabeth Maartje Wonder (1916-2001), juriste. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

afbeelding van Mönnich, Con

Con Mönnich was de zoon van een boekhouder bij de Amsterdamsche Rijtuig Maatschappij. Hij had één zuster, die jonger was. Na de lagere school bezocht hij het Vossius Gymnasium, waar hij in 1934 eindexamen deed. Daar was het met name de joodse historicus J. Presser die hem vormde en met wie hij later zowel vriendschappelijke als collegiale banden onderhield. Zo bewaarde Mönnich in de kluis van de Lutherse kerk te Maastricht een manuscript van Presser, dat aldus de bezettingsjaren ongeschonden doorkwam. Zijn godsdienstige vorming kreeg Mönnich in het weekend vooral op de School voor Godsdienstonderwijs, opgericht door de Vrije Gemeente te Amsterdam; een school die hij in 1931 verliet.

Van 1934 tot 1942 studeerde Mönnich theologie aan de Universiteit van Amsterdam en het Evangelisch-Luthers Seminarium aldaar. Hij bleef toen thuis wonen; zijn ouders financierden de studie. Mönnich kreeg zijn academisch onderricht van onder anderen de lutherse dogmenhistoricus H.A. van Bakel, wiens opvolger hij zou worden, van de hoogleraar godsdienstgeschiedenis G.A. van den Bergh van Eysinga, een door en door vrijzinnig geleerde, en ten slotte de Nederlands-hervormde wijsgeer en ethicus N. Westendorp Boerma, wiens voorkeur uitging naar de Britse ethische empiristen en die door zijn methodiek Mönnich uit de systematische vakken naar de geschiedenis van het dogma leidde.

Mönnichs eerste wetenschappelijke publicatie was zijn proefschrift De natuurlijke kennis Gods bij Leibniz, waarop hij op 25 juni 1942 cum laude promoveerde bij Westendorp Boerma aan de Universiteit van Amsterdam. Een jaar later trouwde hij met Bettha Wonder, de dochter van een architect. Hij had haar leren kennen via zijn zuster, die een jaargenote van haar was bij de rechtenstudie aan de Universiteit van Amsterdam. Bettha nam later de opvoeding van hun drie kinderen ter hand, zodat haar man zich geheel aan de wetenschap kon wijden. Wel assisteerde zij hem bij de redactie van zijn publicaties en corrigeerde zij de drukproeven van zijn boeken.

Van 1943 tot 1946 werkte Mönnich als luthers predikant te Maastricht, waar hij - ook al waren het bezettingsjaren - naar eigen zeggen in een 'idylle' heeft geleefd. Hij vond er de tijd om enkele artikelen te schrijven, waaronder 'Luther en het vraagstuk van de geschiedenis (in: Vox Theologica 15 (1944) 114-120). In dit opstel behandelde Mönnich Gods leiding in de geschiedenis. Hij haakte in op een debat tussen Menno ter Braak en Johan Huizinga over 'de crisis van de geschiedbeschouwing' en begaf zich alzo op het toneel van de grote cultuurdenkers, van wie hij er zelf gaandeweg één zou worden. Verder schreef hij in Maastricht zijn omvangrijke Una sancta. De mogelijkheid der Christelijke eenheid (1947). Met dit boek wilde Mönnich zich rekenschap geven van wat in het dagelijks ambtswerk werkelijkheid was: alhoewel het Christendom suggereert een eenheid te zijn, valt het in vele kerken uiteen.

Onmiddellijk na de bevrijding van het zuiden van Nederland, in de herfst van 1944, vormde Mönnich daar samen met zijn Nijmeegse collega C. Pel een 'noodsynode'. Maar lang bleef hij niet meer in Maastricht. In 1946 werd hij, op grond van zijn dissertatie over Leibniz en zijn artikelen, benoemd tot hoogleraar in de wijsgerige inleiding tot de godsdienstwetenschap en de geschiedenis der leerstellingen van de christelijke godsdienst aan de Universiteit van Amsterdam. In zijn op 24 juni 1946 gehouden oratie, Het verzwegen dogma, plaatst Mönnich zich aan de kant van de historische theologie tijdens de Verlichting, toen de vrijzinnige theologen voor het eerst probeerden het dogma te beschrijven als een geschiedkundig verschijnsel in het menselijke geestesleven. Het dogma zoals geformuleerd door concilies, is slechts subjectief uitgelegd of geherformuleerd.

De eenheid in het christendom bleef Mönnich intussen bezighouden. Zo werkte hij na de bevrijding samen met W.J. Kooiman en P. Boendermaker, beiden hoogleraar aan het Evangelisch-Luthers Seminarium, aan het opstellen van een document om de in 1952 totstandgekomen fusie der beide lutherse kerkgenootschappen - de Evangelisch-Lutherse Kerk en de Hersteld Evangelisch-Lutherse kerk - erdoor te krijgen: Lutheranisme nu. Rapporten van de conferentie van de Lutherse Wereldfederatie te Lund, 30 juni - 6 juli 1948. In 1956 werd Mönnich betrokken bij het 'Hervormd-Luthers gesprek over het Avondmaal', dat leidde in 1958 tot een boek onder dezelfde titel, geschreven samen met zijn Nederlands-hervormde collega G.C. van Niftrik; een gesprek dat leidde tot een consensus over het Avondmaal tussen de Nederlandse-hervormde Kerk en de Evangelisch-Lutherse Kerk. Verder gaf Mönnich in deze tijd met grote eruditie en gedrevenheid, samen met de rooms-katholieke theoloog J.C. Groot, de twee delen - een rooms-katholiek deel en een protestants deel - uit van de Encyclopedie van het Christendom (1955), waarvoor hijzelf enkele tientallen lemmata schreef.

In januari 1948 werd Mönnich redacteur van het vrijzinnige vaktijdschrift Theologie en Practijk, waarin hij niet alleen als auteur, maar ook als kroniekschrijver optrad. Vooral door laatstgenoemde functie kon hij zich mengen in discussies op het terrein van de vrijzinnige theologie. Voor de Vrijzinnig Protestantse Radio-Omroep (VPRO) leverde hij bijdragen voor de programmagids Vrije Geluiden en hield hij lezingen voor de radiomicrofoon. Zo ontstond het boek Het geloof der Oude Kerk (1948). In dezelfde tijd zag Jezus Christus God en Heiland. Proeve ener vrijzinnige beschouwing over de basisformule van de Wereldraad der Kerken (1948) het licht. De vrijzinnig lutheranen telden Mönnich onder hun (bestuurs)leden en lieten hem schrijven in hun periodiek Ons Blad.

Vanaf 1958 tot kort voor zijn overlijden was Mönnich curator van het Evangelisch-Luthers Seminarium te Amsterdam en ging hij tot 1988 bijna wekelijks voor in een eredienst ergens in Nederland. Met de twee Seminarium-hoogleraren Kooiman en Boendermaker bereidde hij een nieuwe Kerkorde (1956) voor. Ook legde dit drietal de grondslag voor een nieuw Luthers Gezangboek (1955).

Grote bekendheid kreeg Mönnich toen hij in 1953 een 'theologisch' verslag publiceerde van een studiereis door Frankrijk. Onder de titel Pelgrimage. Ontmoetingen met de cultuur maakte hij zijn lezerspubliek bekend met kathedralen te Autun, Chartres en Vézelay, maar ook met de verhouding Christendom en cultuur. Het was Lucifer die menig debat met Mönnich voerde, wanneer deze een moment uitrustte op een terras om te overpeinzen wat hij zojuist had gezien. Zijn 'Thuiskomst' in Nederland leverde een essay op aan het eind van Pelgrimage, handelend over Amsterdam, met de befaamde zinsnede: 'God versta ik het beste als Hij Amsterdams spreekt' (p. 185).

Van 1953 tot 1964 verschenen er met grote regelmaat artikelen van Mönnichs hand in De Groene Amsterdammer. Het betrof beschouwingen naar aanleiding van zojuist verschenen boeken, essays over politieke onderwerpen en verhandelingen over historische figuren en tentoonstellingen. Een debat met Groene-redacteur Han Lammers beëindigde Mönnichs bijdragen aan dit Amsterdamse opinieweekblad. Lammers had Mönnich een 'gelovige' genoemd, en daartoe had hij - zijns inziens - niet het recht, omdat een dergelijke kwalificatie niet door buitenstaanders kon worden gegeven. De aanleiding was een opstel van Mönnich in de catalogus Bijbelse inspiratie (1964) van het Rijksmuseum te Amsterdam.

Een voorbeeldige wetenschappelijke loopbaan was Mönnichs deel: in 1971 werd hij lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Sinds de aanvaarding van zijn hoogleraarsambt tot aan zijn overlijden beschreef hij de geschiedenis van het Christendom vanuit verscheidene invalshoeken. Achteraf valt op hoe hij steeds na vele gespecialiseerde artikelen in vakbladen en verzamelbundels kwam tot grotere synthesen, als te vinden in Het geloof der Oude Kerk (1948), De weg en de wegen. Aspecten van de kerkgeschiedenis (1959), Geding der vrijheid. De betrekkingen der Oosterse en Westerse Kerken tot de val van Constantinopel (1453) (1967) en Vreemdelingen en bijwoners. Hoofdlijnen uit de geschiedenis van het protestantisme (1980). Ten slotte gaf hij in juni 1982 zijn afscheidscollege 'De klassieke erfenis' (in: Saecula saeculorum. Opstellen. Onder red. van S. de Boer en M.B. Pranger (1982) 9-27, waarin hij zijn denken samenvatte. De taalvaardige Mönnich kon ten slotte zijn liefde voor met name de oud-christelijke dichter Prudentius kwijt in het standaardwerk Koningsvanen. Latijns-christelijke poëzie tussen Oudheid en Middeleeeuwen 300-600 (1990).

Aandacht voor kunst en cultuur was er niet alleen in Pelgrimage. Vooral in het laatste deel van zijn leven publiceerde Mönnich samen met zijn zoon, de fotograaf Con Mönnich jr., enkele fotoboeken over kerken en landschappen. In samenwerking met Michel van der Plas gaf hij het Boek van de Maand Het Woord in beeld. Vijf eeuwen Bijbel in het dagelijkse leven (1977) uit.

Mönnich zou geen goede lutherse theoloog zijn geweest als hij niet ook over de Duitse reformator Maarten Luther zou hebben geschreven. Een reeks artikelen over Luther in het herdenkingsjaar 1983 werd postuum gebundeld onder de titel Een Augustijn in protest. Aspecten van Luther's leer en leven (1995). Ook stond Mönnich stil bij de Augsburgse Confessie en bij de visie der Verlichtingstheologen op Luther.

In de jaren zeventig en tachtig zag Mönnich zich genoodzaakt rekenschap af te leggen van hetgeen er gaande was in de moderne theologie. Om te beginnen deed hij dat in Fragmenten. Achtergronden bij een hedendaagse theologie (1972), in het spoor van de lutherse theologen A.D. Loman, F. Domela Nieuwenhuis en H.F. Kohlbrugge. Enkele jaren later verscheen Mönnichs boek De koning te rijk (1975): een (geestelijk en materieel) rijke kerk en een arme Messias pasten niet meer bij elkaar. Voor Mönnich was alles wat de kerk meer is dan bedelaar, arme die achter de Arme aanloopt, rijkdom en luxe.

Een derde geschrift waarin Mönnich inging op eigentijdse discussies was getiteld Een tak van de wilde olijf, het Griekse erf en de weg van Israël (1984). Mönnich beschouwde het oostelijke bekken van de Middellandse Zee als het stamland van ons geestelijk leven. Niet alleen Hellas, maar ook Israël voedden ons van daar uit. Israël bracht in dat verleden geen grote kennis over en geen nieuwe inzichten in de natuur, maar leerde wel wat het leven was, namelijk weet hebben van wat wel en niet geoorloofd is.

Con Mönnich overleed op 79-jarige leeftijd in een Amsterdams ziekenhuis aan de gevolgen van kanker. Hij was geen gemakkelijke man om mee om te gaan; noch in zijn gezin noch daarbuiten. Muziek was een goddelijke gave voor hem. Hij had een hekel aan vergaderingen en internationale congressen, maar leidde theologiestudenten graag in Frankrijk rond en bezocht geregeld voorstellingen van toneel en film in de Amsterdamse theaterwereld. Als kerkhistoricus heeft Mönnich vooral de vrijzinnige en ketterse stromingen van het christendom voor het voetlicht gebracht. Ook gingen hem alle pogingen ter harte de verscheurde christenheid te helen. De invloed van het christendom op kunst en cultuur bracht hij niet alleen zijn studenten maar ook een groter publiek bij. Mönnich onderstreepte dat de grote beslissingen inzake het christendom vóór 1600 hadden plaatsgevonden. Vandaar zijn studieuze aandacht voor de vroege kerk en de Middeleeuwen. Mönnich was geen kanselredenaar, en zowel zijn preken als zijn colleges gingen menigeen de pet te boven. Hij was 'springerig' als hij sprak en miste alzo iedere systematiek. Wel wist hij door zijn brede belangstelling vele studenten en oud-studenten te inspireren voor de vragen op het snijvlak van kerk en wereld.

P: Bibliografie: Th.A. Fafié, 'Conrad Willem Mönnich (1915-1994), biografie en bibliografie', in Documentatieblad Lutherse Kerkgeschiedenis 20 (1997) 2-52. Aanvullingen in: idem, 'Conrad Willem Mönnich (1915-1994). Luthers theoloog, cultuurhistoricus en auteur', ibidem 32 (2004) 2-30.

L: J. Sperna Weiland, 'Het fragmentarische van ons bestaan', in NRC Handelsblad, 24-11-1972; H.M. Kuitert, 'De kerk is haar koning te rijk geworden', in Trouw, 7-8-1976; interview door Sj. Voolstra en D. Visser, in Doopsgezinde Bijdragen Nieuwe Reeks 9 (1983) 104-112; C. Augustijn, in Levensberichten en herdenkingen [van de] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1996 (Amsterdam 1996) 75-80; H. Johannes, in ELK. Officieel orgaan van de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden 26 (1994) nr. 8, 3; Th.A. Fafié, 'Conrad Willem Mönnich (1915-1994). Luthers theoloog, cultuurhistoricus en auteur', in Documentatieblad Lutherse Kerkgeschiedenis 32 (2004) 2-30; idem, 'C.W. Mönnich (1915-1994). Luthers theoloog en cultuurhistoricus', in Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis 7 (2004) 107-120; Aart van Lunteren, 'Over Conrad Willem Mönnich (1915-1994): een fragmentarisch theologisch en pastoraal perspectief', in Tegendraads. Vrijzinnige stemmen op het kruispunt van geloven en denken (Budel 2005) 94-103; Th.A. Fafié, 'Levensbericht C.W. Mönnich (1915-1994)', in Documentatieblad Lutherse Kerkgeschiedenis 33 (2005) 8-16; E.A. Postma, 'Mönnich, Conrad Willem', in Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van Nederlandse Protestantisme VI (Kampen 2006) 196-199; Wij zijn ook katholiek. Over protestantse katholiciteit. Onder red. van J. Kronenburg en R. de Reuver (Heerenveen 2007); E.A. Postma, Dilettant, pelgrim, nar. De positie van C.W. Mönnich in cultuur en theologie (Delft 2008).

I: Levensberichten en herdenkingen van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (Amsterdam 1996).

Th.A. Fafié


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013