Nieuwenhuijs, Robert (1908-1999)

 
English | Nederlands

NIEUWENHUIJS, Robert (1908-1999)

NIEUWENHUIJS, Robert (bekend onder de naam Rob Nieuwenhuys; pseudoniem E. Breton de Nijs), schrijver (Semarang (Java, Nederlands-Indië) 30-6-1908 - Amsterdam 7-11-1999). Zoon van Hendricus Nieuwenhuijs, hoteldirecteur in Nederlands-Indië, en Marie Céline Palm. Gehuwd op 23-7-1935 met Johanna Frederika van Bommel (1910-1995). Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren.

afbeelding van Nieuwenhuijs, Robert

'Mijn Indische jeugd is beslissend voor een bepaald cultuurpatroon en voor de ontvankelijkheid hiervoor. Ze betekent een relatie tot Indonesië die onvervangbaar is', merkte Rob Nieuwenhuys later over zichzelf op in zijn Oost-Indische spiegel (p. 567). Als zoon van een volbloed Nederlander en een Indo-Europese moeder bracht hij - samen met zijn een jaar jongere broer Roelof - zijn jeugd door in Batavia, waar zijn vader directeur was van het befaamde Hôtel des Indes. Naast zijn Javaanse lijfbaboe 'nènèk' Tidjah hebben zijn moeder en haar milieu zijn jeugd en daarmee zijn leven diepgaand beïnvloed. 'Als ik over mijn kinderjaren schrijf, schrijf ik over háár wereld', lezen wij in zijn De stem van mijn ouders (1995, p. 21), waarin Nieuwenhuys zich het uitvoerigst heeft uitgesproken over zijn Indische achtergrond.

Toen vader Nieuwenhuys in 1922 een nieuwe baan kreeg, verhuisde het gezin naar Soerabaja. Daar ging Rob naar de HBS, waar hij voor het eerst kennismaakte met de letterkunde. 'Ik kwam uit een milieu', vertelde hij later, 'waarin geen enkele vorm van cultuur bedreven werd' (Rob Nieuwenhuys. Leven tussen twee vaderlanden, 28). Hij werd geraakt door de literatuur, en hij besloot Nederlands te gaan studeren.

In 1927 deden Rob en zijn broer eindexamen. Met hun ouders gingen zij naar Nederland en vestigden zij zich in Den Haag. Op 1 oktober 1928 liet Rob zich inschrijven als student in de letteren aan de Rijksuniversiteit te Leiden, waar hij, naast het volgen van wat colleges, lessen Grieks en Latijn nam ter voorbereiding op het staatsexamen gymnasium. Dit examen heeft hij naar alle waarschijnlijkheid niet gedaan, noch heeft hij ooit universitaire examens afgelegd; hij stond bovendien slechts één jaar in Leiden ingeschreven. Dit feit heeft Nieuwenhuys altijd voor de buitenwereld verborgen gehouden, sterker nog: hij liet zich in voorkomende gevallen voorstaan op een studie in Leiden. Dat hij de studie niet had voltooid, zat hem kennelijk ernstig dwars. Wellicht verklaart dit mede zijn uitvallen - des te grimmiger naarmate hij ouder werd - naar 'de wetenschap': 'Maar die hele academiesfeer met die pretentieuze doctorandussen en zelfs hoogleraren die zo gewichtig doen met hun structuren en analyses, ik moet ze niet' (Hans Visser, Indië in Holland. Nederlandse schrijvers over hun rijk van Insulinde (1991) 17-18).

In plaats van een universitaire studie volgde Nieuwenhuys van 1928 tot december 1934 een MO-opleiding Nederlands. Over zijn leven in deze jaren heeft hij zich spaarzaam uitgelaten. Wel is bekend dat hij door contacten met Indische studenten in Nederland tot een antikoloniaal standpunt kwam. Omstreeks 1930 leerde Nieuwenhuys zijn latere vrouw Frieda (of Fried) kennen, die, geboren en getogen in Indië, vanaf 1924 middelbaar onderwijs volgde in Den Haag.

Begin 1935 keerde Nieuwenhuys terug naar zijn geboortegrond, waar hij achtereenvolgens leraar was in Soerabaja, Djokjakarta, Batavia - de stad waar hij in juli 1935 trouwde - en Semarang. Eind 1940 werd hij 'leraar en lector' Nederlandse letterkunde aan de Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte in Batavia. Bij zijn Indische leerlingen was hij geliefd vanwege zijn 'niet koloniale' optreden en omdat hij hen wees op de waarde van hun eigen cultuurgoed. Enkele jaren eerder al had Nieuwenhuys kennisgemaakt met E. du Perron, een ontmoeting die richtinggevend zou worden voor zijn loopbaan. Door toedoen van deze literator ging hij het werk van de journalist en schrijver P.A. Daum lezen, dat hem 'tempo doeloe' binnenvoerde, de 'tijd van mijn moeder toen ze nog een jong meisje was!' (Oost-Indische spiegel, 567). Daum stond voor hem aan het begin van zijn belangstelling voor en bestudering van de Indisch-Nederlandse letterkunde. Over hem publiceerde hij 'Maurits. Romancier van Tempo Doeloe' (in: Groot Nederland 37 (1939) II, 201-237), zijn eerste belangrijke essay.

Links georiënteerd als hij was, sloot Nieuwenhuys zich aan bij het door D.M.G. Koch geredigeerde anti-koloniale tijdschrift Kritiek en Opbouw. Tot Kochs kring behoorden onder anderen Du Perron, Beb Vuyk, Willem Walraven en Indische nationalisten, zoals Soejitno Mangoenkoesoemo en Soewarsih Djojopoespito. Van belang voor Nieuwenhuys' literaire ontwikkeling was zijn medewerking aan het tussen 1940 en 1941 bestaande maandblad De Fakkel. Niet alleen gaf hij daarin de Indisch-Nederlandse literatuur een plaats, maar het was ook de periode dat hij zijn specifieke talenten als literatuuronderzoeker, schrijver en animator van anderen ontdekte en etaleerde.

Half december 1941 werd Nieuwenhuys - inmiddels vader van een zoon - gemobiliseerd als soldaat-ziekendrager. Na de capitulatie van Nederlands-Indië in maart 1942 verbleef hij als krijgsgevangene drieënhalf jaar in Japanse interneringskampen te Bandoeng, Tjilatjap, Tjimahi en Batavia. Zijn ervaringen van vlak voor de Japanse invasie tot aan het weerzien van zijn gezin na de bevrijding zou hij later beschrijven in Een beetje oorlog (1979). Eind 1945 repatrieerde het gezin. Het ging in Den Haag wonen, waar Nieuwenhuys leraar werd en aansluiting vond bij literaire kringen. Eind 1946 werd hier een tweede zoon geboren.

Maar Nederland viel niet mee, en het land van herkomst trok. Half juli 1947 keerde Nieuwenhuys met de zijnen terug naar Indië, waar hij - belast met culturele zaken - ging werken op het departement van Onderwijs. Daarnaast was hij bezig met literatuur. Van belang vooral waren zijn inspanningen voor het in november 1947 opgerichte tijdschrift Oriëntatie, dat erop was gericht Indonesiërs en Nederlanders tot elkaar te brengen door middel van kunst en cultuur. Maar dit idealistische streven werd achterhaald door de politieke ontwikkelingen. Hoewel Indonesische intellectuelen en kunstenaars waardering hadden voor het in zijn soort unieke blad en er ook wel aan meewerkten, beschouwden zij het - Nederlandstalig als het was en geleid door Nederlanders - als een product van een voorgoed voorbije tijd. Begin 1954 zou het tijdschrift teloor gaan.

Nieuwenhuys was toen al definitief teruggekeerd naar Nederland. In de zomer van 1952 had hij zich aanvankelijk met zijn gezin in Den Haag gevestigd om enkele maanden later naar Amsterdam te verhuizen. Hier werd hij weer leraar, eerst op de 'Handelsschool' aan het Raamplein, daarna op de Gerrit van der Veen-MMS. Het bijzondere van zijn leraarschap was onder meer dat hij weinig doceerde over literatuur, maar daaruit wel veel voorlas. Hij wilde laten zien dat literatuur bij het leven hoorde, te maken had met de emoties van het eigen bestaan. Door zijn onorthodoxe aanpak en innemende omgang was hij geliefd bij zijn leerlingen.

Nieuwenhuys' ambities lagen overigens buiten de school. Hij schreef artikelen, stelde bloemlezingen samen, bezorgde tekstuitgaven en publiceerde de essaybundel Tussen twee vaderlanden (1959) en zijn - onder het pseudoniem E. Breton de Nijs uitgegeven - autobiografische roman Vergeelde portretten uit een Indisch familiealbum (1954). Met genegenheid en weemoed, maar ook met kritische distantie, roept hij in deze 'familiekroniek' de sfeer van zijn jeugd op. Foto's uit het oude Indië vormden een andere fascinatie. Het leidde tot het - wederom onder de naam E. Breton de Nijs verschenen - fotoboek Tempo doeloe. Fotografische documenten uit het oude Indië, 1870-1914 (1961). Later zou hij nog verschillende andere fotoboeken samenstellen.

In 1963 trad Nieuwenhuys in dienst van het - toen nog in Den Haag en vanaf 1966 in Leiden gevestigde - Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, waar hij werd belast met de documentatie van de geschiedenis van Indonesië. In de daaropvolgende jaren werkte hij vooral aan zijn Oost-Indische spiegel, een geschiedenis van de door Indië geïnspireerde literatuur, die in 1972 uitkwam. Het is het fundament geworden voor de studie van de Indisch-Nederlandse letterkunde, tot op dat moment een nog grotendeels onontgonnen gebied. Ook andere dan Indische schrijvers hadden Nieuwenhuys' belangstelling, zoals Conrad Busken Huet, De Schoolmeester en vooral François HaverSchmidt - als melancholicus achter de dichter Piet Paaltjens - uit wiens preken en brieven hij een selectie maakte in De dominee en zijn worgengel (1964). Ook na zijn pensionering, in 1973, bleef Nieuwenhuys volop aan het werk.

Nieuwenhuys heeft tijdens zijn werkzame leven een aantal onbekende auteurs aan de vergetelheid onttrokken, zoals de natuuronderzoeker Franz Wilhelm Junghuhn, de taalgeleerde H.N. van der Tuuk en de Indië-hater Bas Veth. 'Persoonlijke documenten' noemde hij hun geschriften. Behalve in zijn Oost-Indische spiegel heeft hij deze scribenten in bloemlezingen en door tekstuitgaven geïntroduceerd. Nieuwenhuys is er uitbundig om geprezen, maar ook heftig om gekritiseerd. Van mening dat men oudere geschriften 'pasklaar kan maken voor het tegenwoordige publiek' (Oost-Indische spiegel, 246) paste hij die teksten naar eigen inzicht aan, waarbij er zowel naar de vorm als inhoudelijk nogal wat ten offer viel aan zijn moderniseringsdrift. Een zekere slordigheid - versterkt nog door haast en ongeduld - speelde hem ook parten in zijn eigen werk. Nieuwenhuys was naar aanleg veel meer essayist dan historicus. Het tijdrovende zoekwerk lag hem niet, en voetnoten bij wat hij schreef, ervoer hij als hinderlijk. Door de aard van zijn arbeid stelde de wetenschap echter ook aan hem haar eisen.

Conflicten waren er ook in een ander opzicht. Aangezien hij vond dat er te veel door een westerse bril naar Indië werd gekeken, pleitte Nieuwenhuys voor een Indonesië-centrischer benadering van het koloniale verleden, die als vanzelf zou leiden tot een betere beoordeling van de letterkunde die dat verleden reflecteerde. Vooral Max Havelaar (1860), het meesterwerk van E. Douwes Dekker alias Multatuli, achtte hij een illustratief voorbeeld van deze stelling. De bestuurder Douwes Dekker had zich, zo oordeelde Nieuwenhuys, door onvoldoende kennis en daardoor gebrekkige inschatting van de sociale verhoudingen in het regentschap Lebak misdragen en was daarvoor dan ook met reden terechtgewezen. Dit oordeel - met name in De mythe van Lebak (1987) - heeft, naast instemming, vooral veel verzet opgeroepen. Volgens zijn critici ging Nieuwenhuys namelijk voorbij aan het simpele gegeven dat Douwes Dekker vanuit zijn ethisch normbesef niet anders kòn handelen dan hij deed. In februari 1995 overleed Nieuwenhuys' vrouw. Het verdriet om het verlies van Fried - 'het liefste dat ik ooit bezeten heb' - hing sindsdien als een sluier om hem heen. Aan werken kwam hij niet veel meer toe. Hoewel hij tot het laatst helder van geest bleef, ging zijn gezondheid steeds verder achteruit. In 1998 verhuisde Nieuwenhuys noodgedwongen naar een verpleeghuis. Hij overleed een jaar later, 91 jaar oud.

Het is - achteraf bezien - een van de verdiensten van Nieuwenhuys geweest dat hij in de jaren vijftig en zestig, toen er over Indië een groot stilzwijgen hing - het gedwongen afscheid van de kolonie was immers een traumatische ervaring - , de herinnering daaraan door zijn publicaties levend heeft gehouden. Van niet minder belang was het, dat toen omstreeks 1970 die stilte werd doorbroken en de belangstelling voor Indië weer opbloeide, Nieuwenhuys zijn Oost-Indische spiegel kon laten verschijnen, een boek dat vervolgens voor velen de ontdekking van het tropische avontuur in de Nederlandse literatuur heeft betekend.

Rob Nieuwenhuys is voor zijn werk veel eerbetoon ten deel gevallen. Zo kreeg hij in 1983 de Constantijn Huygens-prijs en in 1984 een eredoctoraat in de Letteren van de Rijksuniversiteit te Leiden. Tijdens die laatste plechtigheid werd onder meer gerefereerd aan het door Nieuwenhuys in zijn Oost-Indische spiegel geciteerde motto van de Franse schrijver Paul Léautaud: 'Je n'aime pas la grande littérature. Je n'aime que la conversation écrite', een motto - zo werd terecht opgemerkt - dat ook op Nieuwenhuys' oeuvre van toepassing is. In de literatuur ging zijn voorkeur uit naar de 'vertellers' en het persoonlijk getinte verhaal, en zijn eigen werk onderscheidt zich door een toegankelijke parlandostijl van schrijven. Dit alles leverde Nieuwenhuys een talrijk en dankbaar lezerspubliek op. Daarnaast was een grote kracht van hem dat hij erin slaagde zijn liefde voor de literatuur over te dragen op anderen. Dit vermogen verklaart mede zijn invloed. De oprichting, in 1986, van het tijdschrift Indische Letteren is daarvan een voorbeeld. In zijn werk liet hij bovendien een rijke erfenis na, met een schat aan mogelijkheden voor toekomstig onderzoek.

A: Collectie-Rob Nieuwenhuys en persdocumentatie over hem in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Anneke Scholte, 'Bibliografie van Rob Nieuwenhuys', in Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 158 (2002) 169-190.

L: Rob Nieuwenhuys. Leven tussen twee vaderlanden [Liber amicorum] (Amsterdam 1982); Met andere ogen. Dertig vrienden over de fotoboeken van Rob Nieuwenhuys. Samengest. door Bert Paasman [e.a.] (Amsterdam 1998); Gerard Termorshuizen, in Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 158 (2002) 147-167.

I: Indische Letteren 15 (2000) 146 [Collectie Bert Paasman; Nieuwenhuys omstreeks 1940].

G.P.A. Termorshuizen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013