Otten, Johannes Franciscus (1901-1940)

 
English | Nederlands

OTTEN, Johannes Franciscus (1901-1940)

Otten, Johannes Franciscus, schrijver (Rotterdam 4-5-1901 - 's-Gravenhage 10-5-1940). Zoon van Albertus Petrus Bernardus Otten, architect, en Maria Francina van der Wolk. Gehuwd op 8-5-1929 met Maria Theresa Osterkamp (1902-1996). Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. Na echtscheiding (18-8-1934) gehuwd op 12-9-1934 met Henriette Margaretha Kattenburg (1896-1974), lerares. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

afbeelding van Otten, Johannes Franciscus

Jo Otten groeide samen met zijn één jaar jongere broer Frans op in een rooms-katholiek architectengezin in Rotterdam. Hij volgde eerst de HBS en deed daarna gymnasium-α. Met zijn lengte van ruim 1.90 meter, zijn donkerblonde haar en wat dandy-achtige voorkomen zal hij veel indruk hebben gemaakt op zijn klasgenoten. In september 1919 liet Jo zich inschrijven als student in de handelswetenschap aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool in Rotterdam. Waarschijnlijk was het een keuze die onder druk van zijn vader tot stand kwam. Hoe het ook zij, Otten senior stelde zijn zoon wel in staat zijn culturele belangstelling te bevredigen door hem vanaf 1920 tijdens de zomervakanties op zijn kosten door Europa te laten zwerven. Daarbij schuwde Jo het gevaar niet. In augustus 1920, tijdens de Pools-Russische oorlog, bevond hij zich in Warschau, juist toen de bolsjewieken die stad aanvielen. Grote indruk op de architectenzoon maakte de culturele rijkdom van Frankrijk en Italië. Zijn verblijf in deze landen zou dan ook zijn sporen nalaten in zijn literaire werk.

Tijdens zijn studententijd verschenen - onder het pseudoniem 'F' - Ottens eerste prozastukjes in de Rotterdamsche Studenten Almanak. Het zijn teksten die een romantisch-pessimistische sfeer ademen en waarin de thematiek van de Franse dichter Charles Baudelaire onmiskenbaar aanwezig is. Zijn redactionele talenten wendde Otten aan voor het noodlijdende Rotterdamsch Studentenblad, dat enige tijd door hem zelf werd volgeschreven. Een dociele student was Otten niet. Hij zocht graag de provocatie en lapte nu en dan de regels van het gezag aan zijn laars. Zo legde hij zijn kandidaatsexamen af in een knalgroen kostuum in plaats van het gebruikelijke jacquet.

Otten wilde graag zijn artistieke talent naar een breder publiek uitdragen. Nog tijdens zijn studie werkte hij koortsachtig aan de vertaling uit het Frans van André Maurois' geromantiseerde biografie van de Britse dichter P.B. Shelley. Ariël. Het leven van Shelley werd in 1926 met succes uitgegeven en zou het genre van de zogeheten vie romancée ook in Nederland onder de aandacht brengen. Zes jaar later zou Otten er zelf een essay aan wijden, De moderne biographie (1932). Kort daarna wendde hij zich er echter van af. Kennelijk bracht het genre hem niet de voldoening die hij ervan verwacht had.

Na op 23 november 1926 het doctoraalexamen te hebben afgelegd ging Otten naar Parijs. Vanaf maart 1927 was hij daar als onbezoldigd leerling-medewerker in dienst bij de uitgeverij Nouvelle Revue Française. Hij leefde van de toelagen die zijn vader hem zond. In de Franse hoofdstad maakte Otten onder anderen kennis met de kosmopolitische romancier André Gide, wiens werk hem zeer zou beïnvloeden. Pogingen in Parijs een eigen boekhandel te beginnen liepen op niets uit, zodat hij, een illusie armer, in het najaar van 1927 terugkeerde naar Rotterdam.

Nieuwsgierig en ambitieus als hij was, zocht Otten naar contacten in het literaire milieu, onder meer in de kringen van het tamelijk heterogene jongerentijdschrift De Vrije Bladen en het ethisch-humanistische De Stem, periodieken, waarin de veelzijdige auteur al snel van zich liet horen. Ook kreeg hij toegang tot de kring rond de journalist-schrijver Jan Willem de Boer, die de spil vormde van een Rotterdamse literaire coterie, waarvan jonge modernisten als Herman Besselaar, Ben Stroman en Wim Wagener deel uitmaakten. Ottens verlegenheid in gezelschap werd vaak voor hooghartigheid aangezien. Ook zijn hypernerveuze, onzekere en tobberige aard hield mensen op een afstand.

Otten publiceerde artikelen van uiteenlopende aard in het blad Den Gulden Winckel. Daarnaast schreef hij vanaf 1928 politiek-culturele bijdragen voor het Haagsch Maandblad, een tijdschrift dat enkele jaren later een anti-democratische koers zou gaan varen. Uit vele van deze artikelen spreekt een voorkeur voor sterke persoonlijkheden, in Ottens optiek mensen die zich geestelijk blijven ontwikkelen, hun oorsprong niet verloochenen en zich weten aan te passen aan de wisselende omstandigheden van het moderne leven.

Intussen werkte Otten - wederom onder druk van zijn vader - tussen de bedrijven door aan een dissertatie. Op 21 juni 1928 promoveerde hij in Rotterdam bij professor C.W. de Vries op Het fascisme. Tijdens de promotieplechtigheid tartte Otten opnieuw het academisch protocol door zich te laten bijstaan door twee vrouwelijke paranimfen, wat voor die tijd zeer ongebruikelijk was. Met zijn dissertatie trachtte hij 'een steentje bij te dragen tot betere kennis van het Fascistische Italië en van zijn schepper: Benito Mussolini' (p. vi). Hij analyseerde echter alleen het corporatieve stelsel en bezag het Italiaanse fascisme derhalve uitsluitend als een vorm van publiekrechtelijke ordening. De publicatie van dit proefschrift trok in fascistische kringen evenwel de nodige aandacht. In het rechts-radicale blad De Bezem bijvoorbeeld prijkte het boek lange tijd in de rubriek van aanbevolen literatuur.

In 1929 aanvaardde Otten een functie als beëdigd tolk in het Duits, Frans en Italiaans bij de arrondissementsrechtbank in Rotterdam. In datzelfde jaar trouwde Otten met Dity Osterkamp, een oud-studiegenote aan de Handels-Hoogeschool. Begin december 1930 werd hun dochter Alja geboren. Rond dezelfde tijd verstevigde Otten zijn contact met Menno ter Braak, die op loopafstand van zijn woonhuis doceerde aan het Rotterdamsch Lyceum. Ter Braak bezocht het echtpaar geregeld. Ondanks hun beider overeenkomst in persoonlijkheid, zou het contact tussen Otten en Ter Braak - na de verhuizing van laatstgenoemde in 1934 naar Den Haag - snel verwateren, onder meer omdat Ottens romantische opvatting van literatuur niet strookte met die van de intellectualistische Ter Braak.

Otten had grote belangstelling voor de filmkunst. Lange tijd schreef hij filmportretten voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant, en als secretaris van de Rotterdamse afdeling van de Nederlandsche Filmliga organiseerde hij geregeld voorstellingen. Tevens was hij redactiesecretaris van het gelijknamige maandblad. In deze laatste hoedanigheid werd hij evenwel in 1931 - toen voor het tijdschrift een nieuwe opzet werd gekozen - door hoofdredacteur en bestuursvoorzitter Henrik Scholte aan de kant gezet, omdat hij zich naar zijn mening niet goed van zijn taak zou hebben gekweten. Hoewel Otten op politiek gebied niet actief was, werd hij in 1933 uit het Rotterdamse 'Luxor Theater' verwijderd, omdat hij tijdens de voorstelling van de omstreden Duitse film Morgenrot, waarin de verrichtingen van een Duitse onderzeebootbemanning tijdens de Eerste Wereldoorlog worden verheerlijkt, uit protest op een signaalfluit zat te blazen. Voor de Filmliga, die als onafhankelijke vereniging geen partijpolitieke standpunten wilde innemen, vormde dit incident de aanleiding hem als medewerker buiten te sluiten.

Naast een drang naar vrijheid bezat de rusteloze Otten angst voor het leven, de ouderdom en de dood. Het zijn elementen die een drietal publicaties beheersen, die kort na elkaar verschenen. Hierin bezag hij de mens aanvankelijk vanuit een sterk dynamisch oogpunt: opstandigheid, beweeglijkheid en avontuur zijn de trefwoorden die zijn in eigen beheer uitgegeven essay Mobiliteit en revolutie (1932) beheersen. Dit modernistische werk in de geest van de Franse filosoof Henri Bergson deed Otten later ook de keerzijde van diens vitalisme beseffen. De novelle Bed en wereld (1932) en het essay in dialoogvorm Innerlijk noodlot (1933) zijn dan ook exemplarisch voor een deterministische levensvisie die sterk romantische trekken vertoont. In het laatstgenoemde boekje, dat hij uitsluitend voor vrienden liet drukken, verwierp Otten het intellectualisme en onderstreepte hij nog eens zijn zucht naar de emancipatie van verstand en gevoel, aangezien hij van mening was dat de werkelijkheid niet uitsluitend verstandelijk was te doorgronden. Intellectueel geconstrueerd proza keurde hij om die reden af. Het dynamische, openhartige en volgens sommigen scabreuze Bed en wereld zou tijdens zijn leven zijn grootste succes worden; in 1933 verscheen een tweede druk. Het bevat aspecten van de psychoanalyse en het surrealisme en is een met cinematografische technieken geschreven monoloog die goed past in het toenmalige cultuurpessimisme van schrijvers als Oswald Spengler, José Ortega y Gasset en Johan Huizinga.

In 1934 besloten Otten en Osterkamp hun huwelijk te laten ontbinden. In september van datzelfde jaar trouwde hij met de joodse Jetty Kattenburg, die later beviel van hun dochter Marijke. Met zijn tweede echtgenote ging Otten echter pas in 1936 samenwonen. In de tussenliggende tijd verbleef hij samen met zijn oudste dochtertje, Alja, eerst in Rotterdam en vanaf oktober 1934 in Voorburg. Vanaf maart 1936 woonde hij samen met Jetty in Den Haag. Tijdens zijn beide huwelijken kon Otten zijn zucht naar vrijheid maar moeilijk onderdrukken, zodat hij soms onverwacht voor onbepaalde tijd van de aardbodem leek te zijn verdwenen. Zijn dochtertje zou tot zijn verdriet uiteindelijk in januari 1937 weer terugkeren naar haar moeder, die inmiddels was hertrouwd.

Na Bed en wereld verwoordde Otten zijn neurosen onder meer in de verhalenbundels Angst, dierbare vijandin (1935) en Muizen en demonen (1936). Het zijn monologen waarin de auteur tracht door te dringen in het diepste wezen van de mens. De hoofdfiguren worden gekweld door angst, jaloezie en haat, die het verhaalverloop op pregnante wijze beïnvloeden. Samen met Bed en wereld bezaten deze psychologische verhalen een voor die tijd beslist uniek karakter. Een verkoopsucces werden beide bundels echter niet. Ottens pogingen een groter publiek te bereiken leidden tot veelzeggende titels als De schat van de Lutine. Fantasie van goud en crisis (1936) en Kidnapping in Colorado (1938), waarvan de verkoop eveneens op een teleurstelling uitliep. Ook Ottens streven een vlotte vertelling te combineren met filosofische bespiegelingen, zoals in de lijvige roman Drijvend casino uit 1939, werd niet goed begrepen. Het feuilleton voor kinderen De avonturen van Jammerpoes, dat in 1940 in de Nieuwe Rotterdamsche Courant verscheen en zijn in datzelfde jaar verschenen Machiavelli. Sleutel van onzen tijd, gevolgd door een nieuwe vertaling van De vorst werden daarentegen wel een succes.

De publicatie van dit laatste boek zou Otten echter niet meer meemaken. In de ochtend van 10 mei 1940 werd hij, net 39 jaar oud, in de Haagse Casuariestraat dodelijk getroffen door een verdwaalde Duitse bom.

Jo Otten heeft niet de literaire erkenning gekregen waarnaar hij zo naarstig op zoek was. Voor een deel is dat terecht. Veel van zijn eigenzinnige proza kan niet in de schaduw staan van dat van zijn tijdgenoten en is in de vergetelheid geraakt. Bovendien waren in een tijd van crisis en oorlogsdreiging zijn sombere, sterk autobiografische verhalen niet aan elke contemporaine lezer besteed. Ottens kritische werk lijdt niet zelden aan oppervlakkigheid als gevolg van zijn dynamische belangstelling voor de werkelijkheid, een werkelijkheid waaraan deze kwetsbare schrijver zich, ironisch genoeg, maar al te graag onttrok. Maar als onbegrepen, romantische individualist en auteur van onder andere de novelle Bed en wereld verdient hij zeker de aandacht en vertolkt hij een volstrekt oorspronkelijk geluid in de Nederlandse literatuur van het interbellum.

A: Collectie-J.F. Otten en persdocumentatie in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Een bibliografie van afzonderlijk verschenen werken tot en met 1963 is te vinden in het kaartsysteem Mededelingen van de Documentatiedienst van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum en het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven. Bibliografie van J.F. Otten in: Lia van Kempen, Dr. J.F. Otten, 1901-1940. Een biografische schets [Doctoraalscriptie K.U. Nijmegen] (Nijmegen 1982).

L: Rits Kruissink, 'Jo Otten als "homo dynamicus"', in Maatstaf 3 (1955/1956) 155-165; Victor E. van Vriesland, 'Te uitsluitend sentiment', in idem, Onderzoek en vertoog. Verzameld critisch en essayistisch proza (Amsterdam 1958) II, 84-91; Bert Schierbeek, 'Inleiding', in Jo Otten, Bed en wereld. Verhalen (3de dr.; Amsterdam 1967) 7-13; Jos Verstraten, 'Jo Otten, van machteloos estheet tot vitalist van de angst en de jaloezie', in Handelingen [der] Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 30 (1976) 255-281; Léon Hanssen, Menno ter Braak 1902-1940. I: Want alle verlies is winst: 1902-1930 ([Amsterdam] 2000); Rob Groenewegen, 'De mobiliteit tussen bed en wereld. Het dynamisch individualisme van Jo Otten', in De Parelduiker 4 (2003) 41-53.

I: Otten omstreeks 1939 [Foto: erven J.F. Otten, collectie-H.M. Messie te Waddinxveen].

Rob Groenewegen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013