Plessner, Helmuth Karl Otto Gustav Bernhard (1892-1985)

 
English | Nederlands

PLESSNER, Helmuth Karl Otto Gustav Bernhard (1892-1985)

Plessner, Helmuth Karl Otto Gustav Bernhard, filosoof en socioloog (Wiesbaden (Duitsland) 4-9-1892 - Göttingen (Duitsland) 12-6-1985). Zoon van Fedor Plessner, arts, en Elisabeth Eschmann. Gehuwd op 6-12-1952 met Monika Hedwig Flora Theresia Atzert (geb. 1913), docente en vertaalster. Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Plessner, Helmuth Karl Otto Gustav Bernhard

Helmuth Plessner groeide als enig kind op in een welgesteld milieu. Zijn ouders leidden een particulier sanatorium voor zenuwzieken in Wiesbaden, dat omstreeks 1900 een kosmopolitisch kuuroord was. Tijdens de gezamenlijke diners met de gasten maakte Plessner al vroeg kennis met beschaafde omgangsvormen als tact en distantie, die later een belangrijke plaats zouden krijgen in zijn filosofische antropologie. Plessners vader was afkomstig uit een gelovig joodse familie, maar bekeerde zich kort na de geboorte van zijn zoon tot het lutheranisme. Tijdens zijn jeugd was Plessner zich nauwelijks bewust van zijn joodse achtergrond, die niettemin bepalend zou blijken voor zijn verdere leven.

Na zijn gymnasiumopleiding in Wiesbaden ging Plessner in 1910 medicijnen studeren in Freiburg im Breisgau. Na een jaar zwaaide hij om naar biologie in Heidelberg, waar hij in 1913 het doctoraalexamen behaalde. Behalve voor zijn eigenlijke studie toonde hij veel belangstelling voor filosofie en sociologie. Zo publiceerde Plessner op 21-jarige leeftijd zijn eerste filosofische studie Die wissenschaftliche Idee. Ein Entwurf über ihre Form (1913). Mede hierdoor kreeg hij toegang tot de zondagse gesprekskring van de beroemde socioloog Max Weber, waar hij bekende intellectuelen als Ernst Troeltsch, Ernst Bloch en Georg Lukács leerde kennen.

Toen in de zomer van 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, meldde Plessner zich als vrijwilliger bij het Duitse leger, maar hij werd geweigerd wegens een zwak ontwikkelde rechterarm. Hierop besloot hij zijn studie voort te zetten met een promotieonderzoek, niet in de biologie - zoals hij aanvankelijk van plan was - , maar in de filosofie. Met het oog hierop verrichtte Plessner eerst in 1914/1915 bij Edmund Husserl in Göttingen studie naar de relatie tussen het ik-begrip van de laat-18de-eeuwse Duitse filosoof J.G. Fichte en de fenomenologie.

Plessners aanvankelijke enthousiasme voor de fenomenologie bekoelde echter al snel, en tegelijkertijd trok het werk van Immanuel Kant hem steeds meer aan. Zo kwam het dat hij in 1916 bij de kantiaan Paul Hensel in Erlangen promoveerde op de dissertatie Vom Anfang als Prinzip der Bildung transzendentaler Wahrheit. Niet lang daarna werd Plessner opgeroepen voor vervangende dienstplicht, die hij - dankzij goede connecties - in het Germanisches Museum in Neurenberg kon uitvoeren. Toen in 1919 in Beieren de revolutionaire Radenrepubliek werd uitgeroepen, deed hij enige politieke ervaring op als woordvoerder van de progressieve studenten, eerst in Erlangen en later in München.

Na zijn 'Habilitation' in 1920 op een niet in druk uitgegeven studie over Kants Kritik der Urteilskraft vestigde Plessner zich als een van de vele honderden onbezoldigde privaatdocenten aan de nieuwe Keulse universiteit. Het kwam er nu op aan naam te maken als filosoof. Dat viel niet mee, zoals de geringe aandacht voor Plessners eerste originele werk, Die Einheit der Sinne. Grundlinien einer Aesthesiologie des Geistes (1923), liet zien. Een probleem was dat Plessners ideeën over de filosofische antropologie niet goed pasten binnen de bestaande wijsgerige richtingen. Door zijn synthese van neokantiaanse, fenomenologische en levensfilosofische ideeën plaatste Plessner zich in feite buiten de grote wijsgerige scholen en was het lastig hem ergens onder te brengen.

Plessners ideeën hadden wel veel affiniteit met de denkbeelden van Max Scheler, de toenmalige hoogleraar filosofie en sociologie in Keulen, maar dat bleek niet bepaald een voordeel te zijn. Scheler zag zijn jongere collega namelijk als een bedreiging en probeerde hem klein te houden. Zo schreef hij een kleinerende aanbeveling, toen Plessner in 1926 op de rol stond voor een buitengewoon hoogleraarschap. Ernstiger was de beschuldiging van plagiaat die hij uitbracht tegen Plessners Stufen des Organischen und der Mensch. Einleitung in die philosophische Anthropologie (1928). Scheler nam deze beschuldiging weliswaar kort voor zijn dood in 1928 terug, maar de reputatieschade viel moeilijk te herstellen. Een andere teleurstelling voor Plessner was dat de verschijning van Stufen des Organischen und der Mensch werd overschaduwd door de enorme publiciteit die Martin Heideggers kort daarvoor verschenen Sein und Zeit (1927) ten deel viel.

Plessner wilde met zijn filosofische antropologie een aantal fundamentele kwesties in de moderne filosofie oplossen, zoals het cartesiaanse dualisme tussen lichaam en geest. Uitgaande van de gedachte dat elk organisme zichzelf begrenst, probeerde hij aannemelijk te maken dat de mens tegelijk binnen en buiten zichzelf is, een lichaam is en een lichaam heeft. Kenmerkend voor de mens zou dan de 'excentrische positionaliteit' zijn van waaruit wij ons zelf kunnen bekijken. Plessner had ook een meer praktische bedoeling met de filosofische antropologie. Hij maakte zich zorgen over de 'volksbiologische' ideologieën van zijn tijd en wilde hier een wetenschappelijk en filosofisch verantwoord mensbeeld tegenover stellen.

De politieke dimensie van Plessners denken komt duidelijk tot uiting in twee andere publicaties uit het interbellum: Grenzen der Gemeinschaft. Eine Kritik des sozialen Radikalismus (1924) en Macht und menschliche Natur. Ein Versuch zur Anthropologie der geschichtlichen Weltansicht (1931). Plessner nam hierin stelling tegen de radicale bewegingen die de republiek van Weimar bedreigden, zonder overigens ondubbelzinnig te kiezen voor het liberaal-democratische model van de 'westerse' landen. Het probleem lag volgens hem niet zozeer in de politieke structuur als wel in de politieke cultuur van Duitsland. De elite dacht 'unpolitisch', en daaraan moest wat worden gedaan. Latere commentatoren verweten Plessner dat hij hierbij te weinig afstand nam van de autoritair-nationalistische ideeën van sommige van zijn tijdgenoten.

In april 1933, drie maanden nadat de nationaal-socialisten van Adolf Hitler aan de macht waren gekomen, begon de economische uitsluiting van de joden in Duitsland. Plessner werd hier als 'halfjood' ook mee geconfronteerd. Zo kreeg hij van de autoriteiten te horen dat hij niet langer mocht doceren, juist toen een facultaire benoemingscommissie op het punt stond hem voor te dragen voor een persoonlijk hoogleraarschap in de filosofie, dezelfde functie die Scheler eerder had bekleed. In dezelfde maand overleed zijn vader onder onduidelijke omstandigheden; volgens Plessner zelf door het innemen van gif na boycotacties van de SA (Sturmabteilung), de paramilitaire afdeling van de nationaal- socialistische partij.

Aangezien zijn toekomst in Duitsland er somber uitzag, besloot Plessner te emigreren. Via Istanboel - waar hij eerst vergeefs een aanstelling aan de universiteit had proberen te krijgen - arriveerde hij begin januari 1934 in Groningen. Zijn vriend Frederik J.J. Buytendijk, bij wie hij in 1924 al enkele maanden in Amsterdam had doorgebracht en die nu hoogleraar fysiologie aan de Groningse universiteit was, had politiek asiel voor hem weten te regelen met hulp van het Comité tot steun aan Joodsche geleerden uit Duitschland. De ontvangst in de noordelijke universiteitsstad was weliswaar hartelijk, maar het kostte Plessner moeite zich aan te passen aan de sobere, kleinsteedse levensstijl. Financieel had hij het niet breed. Sinds 1936 ontving hij als privaatdocent - eerst in de filosofische antropologie en vanaf 1937 ook in de sociologie - kleine toelagen uit verschillende fondsen. In de zomer van 1939 werd hij benoemd tot bijzonder hoogleraar in de sociologie aan het speciaal voor hem opgerichte Sociologisch Instituut in Groningen, het eerste in zijn soort in Nederland; deze aanstelling bracht overigens nog geen verbetering in zijn financiële positie.

De aanpassing aan de Nederlandse cultuur mocht moeite kosten, zij bood Plessner wel de kans met de blik van een buitenstaander naar de ontwikkelingen in zijn eigen land te kijken. Zo gaf hij tijdens zijn eerste cursusjaar in Groningen een algemeen college over de eigentijdse filosofie in Duitsland, waarbij hij speciaal voor zijn Nederlandse publiek inging op de sociale, politieke en religieuze achtergronden. Hieruit kwam Das Schicksal deutschen Geistes im Ausgang seiner bürgerlichen Epoche (1935) voort. Dit oorspronkelijk in Zwitserland verschenen boek zou een kwart eeuw later in Duitsland worden herdrukt onder de titel Die verspätete Nation. über die politische Verf¨hrbarheit bürgerlichen Geistes (1959) en zou een groot succes worden.

In dit boek geeft Plessner een briljante analyse van de intellectuele achtergrond van het nationaal-socialisme. De kerngedachte is dat Duitsers zich meer dan andere naties aangetrokken voelden tot vulgair-biologische ideologieën, omdat zij geen sterke band hadden met het politieke humanisme van de vroegmoderne tijd. Duitsland, was, volgens Plessner, een laatkomer in het Europese staatsvormingsproces en beleefde zijn eenwording juist in de tijd waarin het traditionele mensbeeld ter discussie stond door toedoen van denkers als Charles Darwin, Karl Marx, Sigmund Freud en Friedrich Nietzsche. Het gevolg hiervan was een zodanige relativering van alle traditionele waarden en zekerheden dat ten slotte alleen nog de minimalistische ideeën over 'Blut und Boden' houvast leken te bieden.

Tijdens de eerste jaren van de Duitse bezetting van Nederland kon Plessner zich nog betrekkelijk vrij bewegen. Hij gaf goed bezochte colleges, was actief in het landelijke hooglerarenprotest tegen de niet-joodverklaring, publiceerde Lachen und Weinen. Eine Untersuchung nach den Grenzen menschlichen Verhaltens (1941), het eerste boek dat een groot publiek bereikte, en bezocht voor de laatste maal zijn zieke moeder in Wiesbaden. In januari 1943 werd Plessner echter ontslagen. Veiligheidshalve ging hij toen op wisselende adressen in Utrecht en Amsterdam wonen. Hierbij werd hij geholpen door het studentenverzet.

In 1945 keerde Plessner naar Groningen terug. Ondanks weinig verheffende protesten vanuit de faculteit der Letteren en Wijsbegeerte tegen de benoeming van een Duitser werd Plessner in 1946 - door persoonlijke bemoeienis van minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen Gerard van der Leeuw - hoogleraar in de filosofie onder beding dat hij minstens vijf jaar zou blijven. Deze voorwaarde was gesteld, omdat Duitse universiteiten inmiddels ook veel belangstelling voor hem toonden. Plessner wenste zelf ook terug te keren, al was hij zich sterk verbonden gaan voelen met de Nederlandse cultuur en beheerste hij de taal ook redelijk goed.

In 1951 nam Plessner op 59-jarige leeftijd een benoeming aan als hoogleraar op de nieuw gestichte leerstoel sociologie aan de Universiteit van Göttingen, een functie die hij tot zijn emeritaat in 1962 zou vervullen. Plessner had als remigrant al zijn tact nodig om het hoofd te bieden aan de gevoelens van schuld, rancune en afgunst die onder velen van zijn collega's leefden. Zo werd in Göttingen veel geroddeld over zijn huwelijk, in 1952, met de gescheiden Monika Tintelnot (geboren Atzert) en over het ruime, modernistische huis dat hij liet bouwen. In de tien jaren die Plessner als actief hoogleraar restten, toonde hij een geweldige energie. Afgezien van de opbouw van zijn eigen Soziologisches Seminar bekleedde hij tevens velerlei bestuursfuncties, waaronder het voorzitterschap van de Allgemeine Gesellschaft für Philosophie in Deutschland (1954-1957), het voorzitterschap van de Deutsche Gesellschaft für Soziologie (1955-1959) en het rectoraat van de Universiteit van Göttingen (1960-1961). In deze bestuurlijke functies had hij al zijn tact nodig om politiek gevoelige, met het oorlogsverleden samenhangende conflicten op te lossen.

Intussen bleef Plessner de contacten met Nederland onderhouden in de vorm van adviezen, gastcolleges en vriendschappelijke correspondentie. Na zijn emeritaat in maart 1962 bekleedde hij gedurende een jaar de Theodor Heuss-leerstoel aan de New School for Social Research in New York. Eind 1963 verhuisde Plessner van Göttingen naar Zürich, voornamelijk om in de nabijheid te zijn van zijn oude vrienden, de dirigent Otto Klemperer, de theaterdirecteur Kurt Hirschfeld en de filosoof Hans Barth. Toen de laatste onverwachts overleed, nam hij van 1965 tot 1972 diens leeropdracht aan de Universiteit van Zürich waar. Plessner bleef tot op hoge leeftijd publiceren. Zo werkte hij zijn boek uit 1921, over de eenheid van de zintuigen, na een halve eeuw nog om tot de Anthropologie der Sinne (1970). Na de dood van Klemperer, in juli 1973, verliet Plessner Zürich om terug te keren naar Göttingen, waar hij zijn laatste jaren doorbracht in een rusthuis. Hij overleed hier op 92-jarige leeftijd in 1985.

Helmuth Plessner had - anders dan Heidegger, met wie hij zich zelf vaak vergeleek - zijn creatieve jaren niet kunnen besteden aan een uitwerking van zijn ideeën en aan de vorming van een eigen school. Maar de groeiende belangstelling die zijn werk op latere leeftijd kreeg, vergoedde veel. Zo kreeg hij verschillende eredoctoraten: in Groningen (1964), Zürich (1972) en Freiburg im Breisgau (1982). Kort voor zijn dood maakte Plessner nog de uitgave van zijn verzameld werk mee. In Nederland zou de filosofische antropologie mede door toedoen van zijn leerlingen een vaste plaats in veel filosofieopleidingen krijgen. Internationaal gezien is de belangstelling zozeer toegenomen dat in 1999 een Helmuth Plessner Gesellschaft werd opgericht om de verschillende activiteiten te coördineren.

A: Archief-H. Plessner in de Universiteitsbibliotheek te Groningen.

P: 'Chronologische Gesamtübersicht der Publikationen von Helmuth Plessner' op de website van de Helmuth Plessner Gesellschaft: op de website van de Helmuth Plessner Gesellschaft: http://www.helmuth-plessner.de/ [15-8-2007]. Verder: Helmuth Plessner. Gesammelte Schriften. Onder red. van Günter Dux [e.a.] (10 dln.; Frankfurt am Main 1980-1985); Filosofische wegwijzer. Correspondentie van F.J.J. Buytendijk met Helmuth Plessner [Onder red. van H. Struyker Boudier] (Zeist 1993); Politik-Anthropologie-Philosophie: Aufsätze und Vorträge. Onder red. van Salvatore Giammusso en Hans-Ulrich Lessing (München 2001).

L: Bibliografie van publicaties over Plessner tot 1990 door Hans Peter Balmer op de website van het Biographisch-Bibliographisches Kirchenlexikon: http://www.bautz.de/bbkl/p/plessner_h.shtml [15-8-2007]; 'Sekundärliteratur zu Helmuth Plessner [1990-heden]' op de website van de Helmuth Plessner Gesellschaft: http://www.helmuth-plessner.de/ [15-8-2007]. Verder: Lolle Nauta, Plessner's Anthropologie im gesellschaftlichen Kontext: (über die Pragmatik eines Konzepts der menschlichen Person) (Groningen 1993); Hans Redeker, Helmuth Plessner of de belichaamde filosofie (Delft 1995); Jos de Mul, 'Virtuele antropologie. Helmuth Plessner voor cyborgs', in idem, Cyberspace Odyssee (Kampen 2002) 223-236; Klaas van Berkel, Academische illusies. De Groningse universiteit in een tijd van crisis, bezetting en herstel, 1930-1950 (Amsterdam 2005). Carola Dietze, Helmuth Plessner - leven en werk. Rotterdam; Uitgeverij Lemniscaat, 2015.

I: Filosofische wegwijzer: correspondentie van F.J.J. Buytendijk met Helmuth Plessner. [Onder red. van H. Struyker Boudier] (Zeist 1993) 10 [Plessner circa 1963].

Jaap den Hollander


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 21-03-2016