Polak, Abraham (1914-1992)

 
English | Nederlands

POLAK, Abraham (1914-1992)

POLAK, Abraham (artiestennaam Alexander Pola), acteur, tekstschrijver en omroepmedewerker (Haarlem 26-6-1914 – Amsterdam 12-10-1992). Zoon van Leon Polak, leraar Duits, en Leonora Vos. Gehuwd op 23-4-1941 met Henriette Francisca Ernestina Lijnkamp (ook bekend onder de naam Lily van Haghe) (1904-1997), voordrachtslerares. Dit huwelijk bleef kinderloos. Na echtscheiding (7-5-1954) gehuwd op 1-9-1954 met Katharina Johanna Berndsen (1923-1982), cabaretière. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

afbeelding van Polak, Abraham

Bram Polak groeide, samen met een acht jaar jongere zuster, op in een niet-religieus middenklassemilieu met politiek liberale opvattingen en een grote culturele belangstelling. In 1917 verhuisde hij met zijn ouders van Haarlem naar Den Haag, omdat zijn vader daar een betrekking als leraar Duits aan het Gymnasium Haganum kreeg. Zelf blonk Bram op het gymnasium eveneens uit in het Duits. Ook scherpte hij al vroeg zijn verbale vaardigheden: ‘Ik ben altijd te klein geweest om van me af te vechten, om er op te slaan. Daarom heb ik een scherpe tong ontwikkeld. Het enige dat ik kon, was hard naar de hoek te rennen en proberen om met mijn tong op afstand dezelfde schade aan te richten als anderen met hun vuisten deden’ (Van der Maat).

Brams ouders waren enthousiaste theaterbezoekers, zodat de liefde voor het toneel hem van jongs af werd bijgebracht. Maar toen hij na zijn eindexamen te kennen gaf acteur te willen worden, bleken zij het daar niet mee eens te zijn. Het toneel bood volgens hen een te onzekere werkkring. Op aandrang van zijn ouders ging Bram daarom in 1932 rechten studeren aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Maar zijn tegenzin wist hij niet te overwinnen. ‘Ik bracht een jaar in de trein tussen Den Haag en Leiden door’, zei hij later, ‘al uit het raam kijkend, bewijzend dat ik voor rechten niet deugde’ (Spierdijk). Bram zorgde ervoor dat zijn kandidaatsexamen op een mislukking uitliep, waarna hij alsnog toelatingsexamen voor de Toneelschool deed. Maar daar werd hij niet toegelaten.

De jonge Polak hield echter koppig vol. Na enkele privé-lessen van de vooraanstaande actrice Alida Tartaud-Klein meldde hij zich in 1935 aan bij het Vereenigd Rotterdamsch-Hofstad Tooneel onder leiding van Cor van der Lugt Melsert, waar hij werd aangenomen als volontair (: onbetaalde vrijwilliger). Spottend vertelde hij nadien dat hij die verbintenis vooral te danken had aan het bezit van een smoking en een rokkostuum: onontbeerlijke attributen voor de indertijd populaire boulevardstukken. Intussen had hij zichzelf de artiestennaam Alexander Pola aangemeten, niet alleen om zijn ouders te ontzien, maar ook omdat zo’n exotische naam op een filmaffiche beter zou staan dan het alledaagse Bram Polak.

Hoewel hij drie seizoenen lang niet veel verder kwam dan figurantenrolletjes als kelner, postbesteller, portier of voorbijganger, voelde Pola zich tussen de toneelspelers onmiddellijk thuis. In 1938 werd hij bezoldigd acteur bij het Residentie Tooneel, het vaste gezelschap van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag, onder leiding van Dirk Verbeek. Dat zijn werk beperkt bleef tot het spelen van kleine rolletjes, deerde hem niet: hij dacht een acteur te zijn die pas na zijn veertigste tot wasdom zou komen in de grotere karakterrollen. Omdat hij geestig en gevat gezelschap was, vond hij ook al snel aansluiting bij een vrolijke vriendenkring van jonge toneeltalenten als Caro van Eyck en Paul Steenbergen, journalisten als Simon Carmiggelt, en gelijkgestemde schrijvers en schilders.

In de meidagen van 1940 was Pola gemobiliseerd als reserve eerste luitenant, een rang die hij had overgehouden aan zijn militaire diensttijd. Al in het begin van de Duitse bezetting zag het Residentie Tooneel zich gedwongen de joodse Pola te ontslaan. Hij was intussen (gemengd) gehuwd met Henriette Lijnkamp – die als voordrachtslerares werkte onder de naam Lily van Haghe – , maar nam, na eerst nog zeven maanden als huisknecht te hebben gewerkt, toch het zekere voor het onzekere en dook onder. Zijn van huis uit meegekregen weerbare houding speelde daarbij een belangrijke rol. De rest van de bezetting bracht Pola door op diverse onderduikadressen in verschillende steden en dorpen. In 1944 wist hij met vervalste papieren naar het reeds bevrijde Noord-Brabant te ontkomen. Vandaar ging hij naar Parijs, waar hij dankzij zijn talenkennis enige tijd werkzaam was bij de repatriëringsdienst. Eind 1945 keerde hij naar Nederland terug. Zijn ouders en zuster – die via Barneveld en Westerbork eind 1944 naar het concentratiekamp Theresienstadt waren gedeporteerd – bleken de oorlog te hebben overleefd.

Het viel Pola echter niet gemakkelijk weer werk als acteur te vinden: ‘Niemand herinnerde zich mij meer of men herinnerde zich dat ik heel slecht was’ (Huygen). Via collega-acteur Herbert Perquin, die hij nog kende uit het vooroorlogse Den Haag, belandde Pola bij de hoorspelafdeling van de radio. Daar begon hij – aanvankelijk ongevraagd – de teksten die hij moest voordragen te herschrijven. ‘Als die rotzooi goed genoeg is’, redeneerde hij, ‘kan ik het ook’ (Meijer). Al snel kreeg hij steeds vaker opdracht tot het redigeren van scripts en het maken van hoorspelbewerkingen van toneelstukken. Daarnaast speelde hij vanaf 1946 voor de KRO-radio mee in het kolderieke feuilleton Buffalo Bill van cabaretauteur Jan de Cler.

Toen de KRO in 1947 begon met het wekelijkse amusementsprogramma Negen heit de klok, op de zaterdagavond, werden de rijzige De Cler en de korte, gedrongen Pola gevraagd daarin een komisch duo te vormen. Dat het effect van hun visuele contrast voor de radio verloren zou gaan, werd over het hoofd gezien. Maar hun actuele samenspraken, uitgesproken met kinderstemmetjes, waren meteen een succesnummer. Ook de rest van het programma werd goeddeels door De Cler en Pola geschreven. Tot ver in de jaren vijftig zetten zij hun samenwerking voort in een groot aantal KRO-programma’s, vooral voor de radio, maar ook steeds meer voor het nieuwe medium televisie. De Cler werd uiteindelijk hoofd amusement bij de KRO, maar Pola bleef freelance-medewerker.

Ook de meeste andere omroepen deden graag een beroep op Pola, omdat hij spitse teksten over actuele onderwerpen kon schrijven en steevast op tijd inleverde. Dergelijk talent was elders dun gezaaid. Voor de AVRO, KRO, NCRV en VARA schreef hij in de loop der jaren vele honderden radio- en televisieprogramma’s, naast columns en aforismen in uiteenlopende bladen als Elsevier’s Weekblad en de VARA-Gids. Zijn eerste televisiebekendheid kreeg hij in 1960, met een maandelijks actueel relaas op rijm in Attentie, de actualiteitenrubriek van de NCRV, waarbij Eppo Doeve als sneltekenaar de illustraties verzorgde.

In zijn eerste jaren als tekstschrijver, van 1948 tot 1951, vulde Pola zijn inkomsten tijdens de zomermaanden aan met voorstellingen van een eigen cabaretgroepje. Eén van zijn medewerksters was de cabaretière Katja Berndsen, met wie hij in 1954 trouwde: ‘Omdat ik meer van haar hield dan van mijn eerste echtgenote, met wie ik overigens een heel gelukkig huwelijk had. Zo simpel is dat en zo wreed’ (Van der Maat). Pola verhuisde toen van Den Haag naar Amsterdam. Na de geboorte van dochter Clairy beëindigde Katja Berndsen haar theatercarrière.

Pola hield er een drukbeklante praktijk op na. Hoewel hij zich in politiek opzicht het meest thuis voelde bij de VARA, had hij er aardigheid in te zien hoe ver hij bij de andere omroepen kon gaan. ‘Ik blijf altijd gewoon wie ik ben’, zei hij. ‘Ik heb het altijd veel pikanter gevonden om dingen die je voor je eigen omroep zou willen zeggen, voor een andere omroep te doen, want daar wordt het minder verwacht’ (Huygen). Ernstige moeilijkheden heeft Pola met zijn teksten overigens nooit gehad. Hij wist zijn vrolijke verbazing en zijn grimmige spot altijd zodanig te verwoorden, dat zijn opdrachtgevers er geen aanstoot aan namen.

Als uitvoerder van zijn teksten was Pola al jarenlang niet actief meer geweest, toen de NCRV hem in september 1966 vroeg toe te treden tot het vijfkoppige team voor het nieuwe mild-satirische programma Farce Majeure. Hoewel zijn naam allang een vertrouwde klank had bij een groot publiek, werd hij vanaf dat moment pas echt een bekende Nederlander. Liefkozend noemden de andere teamleden hem ‘de kleine gifkikker’, omdat de scherpste teksten doorgaans uit zijn mond kwamen. Zo was Pola degene die aan het slot van vele uitzendingen met zijn gebarsten stemgeluid de waarschuwende woorden sprak: ‘Morgen zullen water en lucht nog ernstiger verontreinigd zijn dan vandaag’. Farce Majeure – dat tot april 1976 bleef bestaan en van 1983 tot 1986 nog een comeback maakte – schokte sommige NCRV-leden, maar werd buiten die kring vaak als oubollig beschouwd. Pola meende achteraf dat de scherpte van de teksten verhuld werd door de capriolen in beeld: ‘We zeiden de vreselijkste dingen, maar we dansten en zongen erbij’ (Kokke). Aan zijn televisieoptreden had hij ook een paar filmrollen te danken, voornamelijk in producties van de jeugdfilmmaker Karst van der Meulen. Dat kwam tegemoet aan een af en toe nog opspelend heimwee naar zijn acteursverleden. Een mooie karakterrol had hij nog wel eens willen spelen.

In 1975 werd Pola door de VARA gekoppeld aan de schrijvende toneelspeler Chiem van Houweninge om een comedyserie te schrijven. Dat werd Ieder zijn deel (1976-1978), gebaseerd op de indertijd modieuze trek van stedelingen naar boerderijtjes in de provincie. Daarna volgden nog Cassata (1979), met Ton van Duinhoven als Italiaanse ijssalonbeheerder, en Oppassen, (vanaf 1991), over twee dikwijls botsende grootvaders, die in één huis de zorg voor hun kleinkinderen overnemen van hun vaak uithuizige kinderen.

Het meeste succes hadden Pola en Van Houweninge echter met Zeg ’ns Aaa (1980-1993), over het chaotische huishouden van doktersechtpaar Van der Ploeg en hun volkse huishoudster ‘Mien Dobbelsteen’, een glansrol van Carry Tefsen. De samenwerking tussen de twee tekstschrijvers was harmonieus: terwijl Van Houweninge meestal de verhaaltjes bedacht, richtte Pola zich meer op de dialogen. Zijn engagement kon hij op speelse wijze verwerken door controversiële kwesties – zoals een lesbische relatie of een romance tussen blank en zwart – op te voeren alsof ze vanzelfsprekend waren. Daarmee werd Zeg ’ns Aaa een praktisch voorbeeld van tolerantie.

Naarmate de jaren verstreken, werd Pola minder mild. Onomwonden trok hij in interviews van leer tegen het geloof, het CDA, de commerciële marktwerking, de kernenergie en andere mikpunten van zijn hoon. ‘In de confessionele politiek moet het geloof zetten verbergen’, luidde een van zijn latere aforismen. En: ‘De brutalen hebben de halve wereld en de dommen geven hun er nog een stukje bij’.

Met zijn tweede echtgenote en dochter had Pola een hechte band. Die band werd nog hechter nadat in 1978 bij zijn vrouw kanker werd geconstateerd: ‘Mijn vrouw, mijn dochter en ik hebben ons vier jaar op het afscheid kunnen voorbereiden. We hebben eindeloos gepraat. Zonder taboes, zonder remmingen, zonder sentimentaliteit’ (Kokke).

Pola bleef nog jarenlang actief. Bij zijn 75ste verjaardag sprak hij er zijn verbazing over uit dat hij niet allang door jongere tekstschrijvers uit de markt was geduwd. Hij wist wat hij waard was, maar neigde er steeds toe zijn talent te relativeren. Veel van zijn succes schreef hij toe aan zijn ambachtelijke instelling. In 1991 moest Pola om gezondheidsredenen stoppen met het seriewerk. Een jaar later stierf hij na een lang ziekbed, op 78-jarige leeftijd.

Alexander Pola schiep een oeuvre dat aanvankelijk vooral in het teken stond van spitsvondig, woordspelig vertier, maar vanaf eind jaren zestig steeds openlijker getuigde van zijn toenemende zorg over onderwerpen als het milieu, de sociale voorzieningen en het onophoudelijke oorlogsgeweld in de wereld. Omdat Pola meestal dicht op de actualiteit schreef, omvat zijn nalatenschap bijna geen tijdloze, klassiek geworden liedjes of sketches. Zijn grootste hit werd het naar aanleiding van de oliecrisis geschreven carnavalsnummer ‘Kiele Kiele Koeweit’ (1974). Verder was Pola als tekstschrijver vooral een puntig commentator van zijn tijd. Maar hoewel hij wist dat zijn werk de wereld niet zou veranderen, bleef hij hoopvol: ‘Ik geloof toch dat de hofnar de koning een keer aan het denken kan zetten. Dat is wat ik er altijd maar van blijf hopen: dat er toch iets van blijft hangen’ (Huygen).

A: Persdocumentatie betreffende Alexander Pola in het Theater Instituut Nederland te Amsterdam en in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te ’s-Gravenhage.

P: o.a. samen met Jan de Cler, Klokspijs. Een keur van gedichten en liedjes (Amsterdam [1952]); Woorddansen (Rotterdam [1979]); Fabels (’s-Gravenhage [1979]); Kapstokken voor een grapjas (Rotterdam 1980); Mengvoer (Helmond [etc.] 1981); Nou èn...? Handleiding voor optimisten (Baarn 1983); Schrijfkramp. Light verse & cursiefjes (Baarn 1984); ‘De taal der dingen’ Verzamelde werken (Baarn 1989); samen met Chiem van Houweninge, Het fenomeen Zeg ’ns Aaa. Wat vooraf ging en wat volgde (Amsterdam 1991). Een overzicht van Alexander Pola’s toneel- en filmrollen in: Piet Hein Honig, Acteurs- en kleinkunstenaarslexicon (Diepenveen 1984) 738.

L: Behalve necrologieën o.a. door Henk van Gelder in NRC Handelsblad, 12-10-1992, door Jan van Stipriaan Luïscius, in De Gooi- en Eemlander, 13-10-1992, door Frans Happel, in Haagsche Courant, 13-10-1992, door Frank Verhallen, in Trouw, 13-10-1992 en door Greta Riemersma, in de Volkskrant, 13-10-1992: interview door E. Asser, in Vrij Nederland, 6-5-1950; interview door Jan Spierdijk, in De Telegraaf, 3-10-1953; interview door D.F. van de Pol, in Vrij Nederland, 13-1-1968; Fernand Auwera, Geen daden maar woorden. Interviews (Antwerpen [etc.] 1970) 111-118; interviews door Ischa Meijer, in Het Parool, 20-2-1971 en in Vrij Nederland, 3-12-1983; interview door Peter van der Maat, in Haarlems Dagblad, 28-3-1987; interview door Leonoor Wagenaar, in Het Parool, 1-7-1989; interview door Maarten Huygen, in NRC Handelsblad, 8-7-1989; interview door Boet Kokke, in De Gelderlander, 22-7-1989; Richard Fokker en Hugo Heinen, ‘Gesprek met Alexander Pola’, in de onder P genoemde publicatie Het fenomeen Zeg ’ns Aaa, 9-15; interview door Louis Burgers, in De Gooi- en Eemlander, 10-9-1992.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: De Nijs, Collectie ANEFO; Alexander Pola in oktober 1968].

Henk van Gelder


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013