Poortvliet, Marinus Harm (1932-1995)

 
English | Nederlands

POORTVLIET, Marinus Harm (1932-1995)

Poortvliet, Marinus Harm, illustrator (Schiedam 7-8-1932- Soest (Utr.) 15-9-1995). Zoon van Zacharias Poortvliet, stukadoor, later kantoorbediende en administrateur, en Cornelia Hermina de Boer. Gehuwd op 23-5-1956 met Cornelia Bouman (geb. 1933). Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren.

afbeelding van Poortvliet, Marinus Harm

Van een schildersopleiding aan de academie kon voor Rien Poortvliet geen sprake zijn. In het streng gereformeerde gezin, waarin hij als de oudste van vier zoons opgroeide, werd het kunstenaarschap vereenzelvigd met ontucht, drankzucht en 'armoe op koude zolderkamertjes'. Zo werd hij een autodidact, want de drang om te tekenen en te schilderen liet zich niet bedwingen. Om die reden ging Poortvliet, na in Schiedam de lagere school en gereformeerde MULO te hebben bezocht, als jongste bediende werken op een reclamebureau. Zijn dienstplicht vervulde hij vanaf november 1952 bij de Koninklijke Marine. Hij diende hier 21 maanden, waarvan zeven als telegrafist op het vliegdekschip Hr.Ms. 'Karel Doorman'.

Na te zijn afgezwaaid vond Poortvliet in 1954 opnieuw een baan als reclametekenaar, eerst bij Stokvis en daarna bij Lintas, het reclamebureau van het voedingsmiddelenconcern Unilever, waar hij opklom tot senior manager. Deze baan bood weliswaar de noodzakelijke bestaanszekerheid - hij was inmiddels getrouwd met Corrie, zijn MULO-liefde, en was vader van twee zoons - , maar het werk ging Poortvliet op den duur steeds meer tegenstaan. Hij had het gevoel zijn talent 'voor een schotel linzenmoes' te hebben verkocht.

Al vanaf het einde van de jaren vijftig deed Poortvliet in zijn vrije tijd voor verschillende uitgeverijen illustratiewerk, vooral van kinderliteratuur. Zo maakte hij onder meer kleurenomslagen en zwartwittekeningen bij de navertelde sprookjes van Leonard Roggeveen (1959), de leesboekjesreeks Pim, Frits en Ida van Godfried Bomans (1966-1967) en de jeugdseries Lotje (1966-1969) en Saskia en Jeroen (herdruk uit 1966-1969) van Jaap ter Haar. Als natuurliefhebber en hartstochtelijk jager leverde hij in deze jaren tevens illustraties voor boeken als Jagersland (1964), Alleen voor jagers (1967) en Met een kluitje in het riet. Jachttierelantijnen (1968) van zijn jachtvriend de Nijmeegse huisarts Wil Huygen. Poortvliets werk - 'met een losse toets en toch gedetailleerd' (Van Wijk-Sluyterman) - werd gewaardeerd, en eind jaren zestig stelde zijn belangrijkste opdrachtgever, C.A.J. van Dishoeck, directeur van uitgeversconcern Unieboek, hem voor fulltime boekillustrator te worden.

Poortvliet besloot de stap te wagen, en in 1968 zegde hij zijn baan op. Een jaar later verhuisde hij met zijn gezin van Schiedam naar een villaatje in Soestduinen, om daar temidden van de bossen in alle rust te kunnen werken. Hij maakte toen onder meer illustraties voor de herdrukken van de kinderboekenserie Eelke (1971-1972) en de vierdelige Geschiedenis van de Lage Landen (1970- 1971), beide van Jaap ter Haar, de sterauteur van Unieboek. Maar de toezegging dat er voldoende werk voor hem zou zijn, kon de uitgeverij uiteindelijk niet gestand doen.

Aangezien hij wel zijn gezin moest onderhouden, besloot Poortvliet in 1972 zelf een boek samen te stellen met louter tekeningen en aquarellen van eigen hand en zonder enige tekst. Als onderwerp koos hij zijn geliefde jachtsport en het dierenleven in het bos. Het werk verscheen onder de titel Jachttekeningen en werd tot zijn opluchting goed verkocht. In dit boek toonde Poortvliet zijn grote talent als 'beestenschilder', zoals hij zichzelf graag noemde. In een poging aan te knopen bij dit succes publiceerde hij het jaar daarop ... de vossen hebben holen(1973), waarin hij opnieuw de zoogdieren en vogels van de Veluwe in beeld bracht. Bij de kleurenafbeeldingen werden zijn handgeschreven toelichtingen afgedrukt. Ook dit werk werd een succes, zij het niet bij natuurbeschermers die hierin een schijnheilige poging zagen 'de jachtsport in het jasje van een lief dierenboek aan het grote publiek te slijten' (NRC Handelsblad, 16-2-1974).

Met Jachttekeningen en ... de vossen hebben holen schiep Poortvliet het genre van wat hij 'kijkboeken' noemde: educatieve plaatwerken van groot formaat waarin een bepaald onderwerp in al zijn aspecten letterlijk 'in beeld' werd gebracht. Poortvliet was daarmee als het ware een 'omgekeerde illustrator' geworden, want in plaats van andermans teksten van afbeeldingen te voorzien, schreef hij nu teksten bij zijn eigen illustraties of vroeg anderen dat te doen. Dit laatste was het geval bij Hij was een van ons (1974), waarin de gelovig-gereformeerde Poortvliet in 82 taferelen het leven van Christus als 'mens onder de mensen' verbeeldde met teksten van predikant en dichter Hans Bouma. Hoewel minder toegankelijk dan de jachtboeken bleek dit werk eveneens bij een breed publiek aan te slaan. Het gaf Poortvliet genoeg vertrouwen ook andere onderwerpen dan dieren in de vrije natuur in beeld te kunnen brengen.

In het midden van de jaren zeventig besloten Poortvliet en Huygen een quasi-wetenschappelijk naslagwerk samen te stellen over kabouters. Zo verscheen in 1976 hun Leven en werken van de kabouter. Het plezier van de auteurs in hun 'geautoriseerde flauwekul' spreekt uit iedere bladzijde van dit boek, waarin zij met speelse vindingrijkheid de verborgen wereld van het kleine volkje minutieus tot leven wekken. Het kabouterboek werd Poortvliets grootste succes en bracht hem zijn internationale doorbraak. Het werd in 21 talen vertaald, en over de hele wereld zouden er vier miljoen exemplaren van worden verkocht. Als Gnomes prijkte het in 1978 in de Verenigde Staten veertien maanden bovenaan de lijst van meest verkochte boeken. Eind jaren zeventig ontstond zelfs een ware rage, waarop de commercie gretig insprong met bijbehorende producten en prullaria. Poortvliet werd er financieel onafhankelijk door en kon voortaan doen waar hij zin in had. In 1979 verruilde hij zijn 'Hans- en-Grietje-huis' in Soestduinen voor een woning met een beter atelier in Soest.

Ten dele voortbordurend op zijn in 1975 gepubliceerde boek Te hooi en te gras - waarin Poortvliet met heimwee terugblikt op het traditionele boerenbedrijf en plattelandsleven - verscheen in 1978 Het brieschend paard. In dit geheel aan paarden gewijde boek laat hij onder meer tot in detail zien hoe de dieren uit de Koninklijke Stallen in gereedheid worden gebracht voor Prinsjesdag. Poortvliet kon dat mede zo exact weergeven omdat hij in 1977 op de derde dinsdag van september als lakei mocht meelopen naast de Gouden Koets: 'een van de mooiste dagen van mijn leven' (De Telegraaf, 24-9-1977). Deze eer had hij te danken aan prins Bernhard, een bewonderaar van Poortvliets werk, met wie hij bevriend raakte en af en toe ging jagen. De Prins toonde zich niet alleen bereid menig eerste exemplaar van Poortvliets boeken in ontvangst te nemen, maar introduceerde hem ook aan andere Europese hoven. Zo tekende hij begin 1978 de lievelingspaarden van de Britse koningin Elizabeth II en werd hij ontvangen door de vorsten van Zweden, België en Luxemburg en door de Franse president V. Giscard d'Estaing. Het vervulde de voormalige Schiedamse straatjongen met immense trots: 'Ik ben wel een verwende drol. Ik verschijn aan hoven of het niets is' (De Telegraaf, 19-9-1995).

In 1980 publiceerde Poortvliet Van de hak op de tak, een soort 'autobiografie in tekeningen'. In deze vrolijke verzameling gevisualiseerde herinneringen - veelal kleine gebeurtenissen met hooguit een anekdotische waarde - schuwt de illustrator de zelfspot niet. Eveneens persoonlijk van aard, maar met een strakkere chronologische opzet, is Langs het tuinpad van mijn vaderen (1987), waarin Poortvliet de levensgeschiedenissen van zijn eigen voorgeslacht tussen 1600 en 1940 in beeld bracht. Het is een nauwgezet gedocumenteerd boek, waaruit een diep verlangen spreekt naar een rustiger en overzichtelijker wereld met eenvoudige en godsvruchtige mensen die in de geborgenheid van hun kleine dorpsgemeenschap opgewekt hun dagtaak verrichtten. Sociale misstanden blijven daarbij buiten beeld.

Poortvliet zag zichzelf als een 'ambachtsman', die op uiterst arbeidsintensieve wijze zijn boeken voltekende en -schilderde. Elk hoekje van een pagina werd door hem gevuld, met zorg voor het kleinste detail. Aan de dierafbeeldingen gingen langdurige observaties in de natuur vooraf, zonder gebruik van een schetsboek. Pas in het atelier zette hij, in een welhaast fotografisch realisme, de voorstelling op doek of papier. Poortvliet was een gedreven werker: 'Ik ben niet zo'n hoogartistieke kunstenaar. Ik ben een ouderwetse gereformeerde degelijke figuur. Op tijd naar bed, op tijd op en dóórwerken' (Schenke). Ondanks zijn tijdrovende manier van tekenen en schilderen publiceerde hij om de anderhalf à twee jaar een nieuw prentenboek en bracht hij vanaf 1974 jaarlijks een eigen kalender op de markt. Om dit werktempo te kunnen volhouden, veroorloofde Poortvliet zich af en toe wel eens een kunstgreep. Zo lijkt het er sterk op dat boeken als De ark van Noach, of Ere wie ere toekomt (1985) en Aanloop (1993), over de historische relatie tussen de mens en de natuur vanaf de IJstijd, ten dele zijn gevuld met jachttaferelen van reeën, vossen en everzwijnen die van vorige publicaties waren overgebleven.

Naarmate zijn carrière vorderde, greep Poortvliet steeds vaker terug naar beproefde onderwerpen. Zo kreeg Het brieschend paard een pendant in het hondenboek Braaf (1983) en werd een onderdeel van Langs het tuinpad van mijn vaderen verder uitgewerkt in De tresoor van Jacob Jansz. Poortvliet (1991). Deze neiging om oude successen te herhalen was uiteraard het grootst met betrekking tot zijn bestverkopende boek, Leven en werken van de kabouter. In 1981 publiceerde hij hierop, samen met tekstschrijver Huygen, het vervolgdeel, De oproep der kabouters, terwijl postuum nog Kabouter spreekwoorden (1996) het licht zou zien. Veel gelijkenis qua opzet en uitvoering met het kabouterboek vertoonde Het boek van Klaas Vaak en het ABC van de slaap uit 1988, wederom met teksten van Huygen.

Tot 1985 verschenen al Poortvliets verkoopsuccessen - onder de imprint Van Holkema & Warendorf - bij Unieboek. Maar omdat hij zich op den duur steeds minder thuis voelde bij dit grote uitgeversconcern, stapte hij in het genoemde jaar over naar de protestants-christelijke uitgeverij Kok in Kampen: 'daar bidden ze tenminste nog voor het eten'.

Door de populariteit van zijn boeken kwam Poortvliet steeds vaker in de publiciteit, en ijdel als hij was - hij gaf het zelf grif toe - , meed hij die niet. Hij werd geïnterviewd voor kranten en tijdschriften en vertelde op de NCRV-televisie over zijn boeken, werkte mee aan natuurprogramma's en was jarenlang een vast panellid in het raadspelletje Zo vader, zo zoon. De naam Rien Poortvliet werd in de jaren zeventig en tachtig een begrip, een verschijnsel. Hij werd synoniem voor een man met een zorgvuldig gestileerd uiterlijk - met opgekrulde knevel en puntbaardje, in ribfluwelen kniebroek en een geruit jasje met vest - die, bij voorkeur trekkend aan een pijp, op stellige wijze uiting gaf aan zijn kleinburgerlijke en nostalgische conservatisme, waarin het christelijk geloof een vaste plaats had.

Als publiek figuur was Poortvliet omstreden. Bij een deel van de Nederlandse bevolking was hij geliefd om zijn ongecompliceerde jovialiteit en gehechtheid aan ouderwetse normen en waarden. Zijn critici daarentegen vonden hem zelfingenomen en gruwden van zijn oubollige populisme en moralistische uitspraken. Irritatie wekte ook Poortvliets - in hun ogen - al te nadrukkelijk en met veel bijbelteksten en tale Kanaäns beleden geloof. Steeds weer liet hij weten te moeten woekeren met de hem van de 'goeie God' gegeven talenten om iedereen de schoonheid van de Schepping te kunnen tonen. De meeste weerstand ondervonden echter Poortvliets hartstochtelijke pleidooien ten gunste van de jacht als een noodzakelijk middel voor verantwoord wildbeheer. Het onderscheid dat hij daarbij maakte tussen jagers en 'schieters', bracht zijn tegenstanders niet tot zwijgen. 'Rien Moordvliedt' spotte één van hen (Algemeen Dagblad, 19-9-1995).

Kritiek was er ook op Poortvliets werk. Men verweet hem zijn onderwerpen te mooi en te lief te maken - 'zijn herten kregen glimmende oogjes en neusjes' (Ibidem) - , waardoor de grens van de kitsch menigmaal werd overschreden. Zijn voorstellingen werden stereotiep gevonden. Hij toonde steeds een ongerepte natuur met kerngezonde dieren, in een veelal vergelijkbare compositie. Poortvliets werk werd afgewezen als 'anecdotisch, voorspelbaar, burgerlijk braaf en sentimenteel'. Met kunst zou het weinig te maken hebben, omdat het 'zo weinig aan de fantasie over[liet]' (Leeuwarder Courant, 5-10- 1984). Deze verguizing kwetste Poortvliet diep, ook al deed hij voor de buitenwereld alsof het hem niets kon schelen. Groot was dan ook zijn voldoening toen op 28 april 1992 prins Bernhard het Rien Poortvliet Museum opende, waar de originele schilderijen, aquarellen en tekeningen van zijn boeken en kalenders te zien zijn, alsmede een reconstructie van zijn atelier. Het museum werd gevestigd in Middelharnis op Goeree-Overflakkee: 'Gelukkig ver weg van de moderne kunstbende in Amsterdam', aldus Poortvliet (De Telegraaf, 19-9-1995). Eind december 2006 moest het museum, wegens sterk teruglopende bezoekersaantallen en financiële problemen, worden gesloten. In juli 2009 kreeg het Rien Poortvliet Museum een nieuw onderkomen op natuureiland Tiengemeten, ten zuiden van Rotterdam.

Rien Poortvliet overleed in 1995 op 63-jarige leeftijd aan botkanker. Daarmee kwam een vroegtijdig einde aan het leven van een tekenende 'verteller', zoals hij zichzelf graag zag, in de traditie van Cornelis Jetses, Johan Isings en Tjerk Bottema. Hij was vooral in technisch opzicht een bijzonder begaafd illustrator, die met slechts een paar lijnen de beweging van een dierenlichaam of een gelaatsuitdrukking wist over te brengen (Algemeen Dagblad, 19-9-1995). Hoewel Poortvliet zich met zijn 'kijkboeken' tot ver over de grenzen grote populariteit verwierf, bleven de meningen over de artistieke waarde van zijn werk verdeeld. Het aantal bewonderaars overtrof het aantal verguizers echter vele malen.

A: Persdocumentatie betreffende Rien Poortvliet in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie en in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, beide te 's-Gravenhage.

P: Onvolledig overzicht van de door Poortvliet ontworpen prentenboeken en de door hem geïllustreerde jeugd- en geschiedenisboeken tot 1989 in de onder L genoemde publicatie van Van Wijk-Sluyterman.

L: Behalve necrologieën op 19-9-1995 o.a. in Algemeen Dagblad, Nieuwsblad van het Noorden, De Telegraaf en door Paul Steenhuis in NRC Handelsblad, door Fred Lammers in Trouw en door Eric Hendriks in de Volkskrant: interview door Klaas Koopman, in NCRV Gids, 2-11-1974; interview door Hélène Godefroy, in Televizier, 26-4-1975; interview door Fred Lammers, in Trouw, 28-4-1975; interview door Henk Oostra, in Nederlands Dagblad, 13-5- 1978 ('Variant'); interview door Ria Schuurhuizen, in Haagsche Courant, 27-5- 1978; interview door Menno Schenke, in Algemeen Dagblad, 14-10-1980; interview door Arjen van der Sar, in Twentsche Courant, 24-4-1987; Margreet van Wijk-Sluyterman, 'Rien Poortvliet' [juni 1989], in Lexicon van de jeugdliteratuur. Onder red. van Joke Linders [e.a.] (Alphen aan den Rijn 1982); interview door Els Smit, in De Dordtenaar, 20-1-1990; De wereld van Rien Poortvliet (Kampen 2002); Horst Reetz, Rien Poortvliet. Leben und Werk des großen Tier- und Landschaftsmalers (Stuttgart 2002).

I: Haagsche Post, 9-2-1985, p.56 [Foto: Ronald Hoeben].

A.J.C.M. Gabriëls


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013