Praag, Jonas Andries van (1895-1969)

 
English | Nederlands

PRAAG, Jonas Andries van (1895-1969)

Praag, Jonas Andries van, (Amsterdam 26-2-1895 - Amsterdam 30-10-1969), hispanist. Zoon van Herman van Praag, diamantmakelaar, en Grietje de Jongh. Gehuwd op 23-11-1926 met Henriëtte Emma van Praag (1901-1994), juriste. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren.

afbeelding van Praag, Jonas Andries van

Jo van Praag groeide samen met een jongere broer op in een liberaal joods gezin, dat behoorde tot de gegoede burgerij. Na de Vijfjarige Handelsschool trad hij in dienst bij een effectenkantoor in Amsterdam. Een van de klanten van dit kantoor, de hoogleraar Romaanse talen aan de Universiteit van Amsterdam J.J. Salverda de Grave, vond hem te intelligent voor het kantoorwerk en haalde hem over zich te gaan verdiepen in de Spaanse taal en cultuur.

Naast zijn kantoorbaan doorstuderend slaagde Van Praag in 1918 voor de akte MO-A Spaans om vervolgens in 1921 aan de Universiteit van Amsterdam het doctoraalexamen Spaans af te leggen. Bovendien zou hij hier in 1927 het doctoraalexamen rechten behalen. Op 21 november 1922 promoveerde Van Praag aan de Universiteit van Amsterdam bij Salverda de Grave als eerste Nederlander op een Spaans onderwerp, namelijk La comedia espagnole aux Pays-Bas au XVIIe et au XVIIIe siècle. Voor deze dissertatie bestudeerde Van Praag Nederlandse vertalingen van enkele honderden Spaanse toneelstukken. Met zijn aandacht voor de rol van vertalers liet hij voor het eerst zijn belangstelling blijken voor de uitwisseling tussen culturen. Eind 1926 trouwde hij met zijn nicht, de juriste Hetty van Praag. Uit dit huwelijk zouden in 1934 en in 1939 twee zoons worden geboren.

Op 28 januari 1927 werd Van Praag de eerste privaatdocent in de Spaanse taal- en letterkunde in Nederland aan de Universiteit van Amsterdam. In deze beginjaren van het hispanisme was het allerminst zeker of er ook in academische kringen voldoende belangstelling voor dit vak zou bestaan. Daarom nam de kersverse privaatdocent - zo herinnerde zijn echtgenote zich later - familieleden en vrienden mee naar het eerste college, om in elk geval niet tegen lege banken te hoeven spreken - 'en toen zat er zowaar nog een echte student ook! Na een paar keer begon dat aan te lopen en kon de familie weg blijven' (mondelinge mededeling aan auteur). Een aanstelling als privaatdocent was zonder bezoldiging. Van Praag voorzag in zijn inkomsten door het lesgeld van studenten, het geven van privé-lessen en door vertalingen, ook van juridische teksten.

Op 11 juni 1930 volgde Van Praags benoeming tot lector aan de Universiteit van Amsterdam. Dat de vraag naar wetenschappelijk onderwijs in de Spaanse taal- en letterkunde toenam, bleek ook uit privaatdocentschappen die Van Praag vervulde aan de Rijksuniversiteit te Groningen (1931-1933 en 1939-1941) en die te Leiden (1928). In de laatstgenoemde stad gaf hij tevens privé-lessen Spaans aan hoogleraren als de natuurkundige W.H. Keesom, de rechtsgeleerde C. van Vollenhoven en de historicus J. Huizinga.

Van Praag was zowel literair als muzikaal veelzijdig belangstellend, beminnelijk en tolerant - maar, indien noodzakelijk, ook kritisch en maatschappelijk betrokken. Poëzievertaler Dolf Verspoor typeerde hem eens als 'een renaissance-prelaat: te spiritueel om zich te vergooien aan de materie, te verfijnd van zinnen om het goede van de wereld niet naar waarde te schatten' (Lechner, 159). Van Praag verzamelde 16de- en 17de-eeuwse drukken van Spaanse klassieken en hun vertalingen in diverse Europese talen en bouwde zo een bibliotheek met een internationale faam op. Als muziekliefhebber genoot hij een zekere reputatie als zanger van liederen van Franz Schubert.

Kenmerkend voor Van Praag als hispanist was de rede Huidige opvattingen over den Cid der historie, waarmee hij op 19 september 1930 aantrad als lector aan de Universiteit van Amsterdam. Het onderwerp was de stand van het onderzoek naar El Poema del Cid, het grote 12de-eeuwse heldendicht over de herovering van Zuid-Spanje op de Moren. De nieuwe lector gaf blijk van een kosmopolitische belezenheid en kwam op basis van historische en recente studies met een visie op de Spaanse middeleeuwen die in 1930 baanbrekend was. Hij vestigde de blik op de 'convivencia', het gedurende lange perioden van dit tijdvak vreedzaam naast elkaar bestaan van christenen, joden en moslims. Een pleidooi voor tolerantie en uitwisseling tussen culturen zou als een rode draad door Van Praags publicaties blijven lopen.

De internationale reputatie van Van Praag berust, naast zijn in het Frans geschreven proefschrift, op artikelen in Nederlandse en internationale vaktijdschriften over de invloed van Spaanse schrijvers in Nederlandse vertalingen. Zijn vriendschap met de Spaanse filoloog en cultuurhistoricus Ramón Menéndez Pidal droeg ertoe bij dat de laatstgenoemde in 1932 doctor honoris causa werd aan de Universiteit van Amsterdam, het eerste in Nederland aan een Spanjaard verleende eredoctoraat (Lechner, 198).

In november 1940 gelastte de Duitse bezetter van Nederland dat alle joodse ambtenaren uit hun functie zouden worden ontheven, dus ook de universitaire docenten. De joodse Van Praag eindigde zijn laatste college op 26 november - zo herinnerde een student zich - met het voorlezen van een Spaans gedicht waarin, telkens herhaald, het woord 'canalla' (: rapaille, tuig) voorkwam (Henrichs, 293). Van Praag zat met zijn gezin gedurende de bezettingsjaren ondergedoken.

In 1945 werd Van Praag in zijn oude functie hersteld, gerekend vanaf 7 mei van dat jaar. Op 21 mei 1948 volgde zijn benoeming tot buitengewoon hoogleraar, een aanstelling die op 21 november 1951 werd omgezet in een ordinariaat. In 1952 werd hij corresponderend lid van de Real Academia Española en in 1954 van de Hispanic Society of America. Zowel hispanisten als het bredere publiek in Nederland bereikte hij met zijn driedelige Beknopte geschiedenis der Spaanse letterkunde (1954-1960).

Naast artikelen over de Spaanse letterkunde van de 16de eeuw tot en met de eigen tijd schreef Van Praag ook over de taal van de Sefardische joden van Amsterdam. Al in de jaren dertig publiceerde hij hierover, en ook in zijn Amsterdamse oratie Gespleten zielen uit 1948 besteedde hij hier aandacht aan. In 1967 verscheen zijn door de Universiteit van Madrid uitgegeven Los Sefarditas de Amsterdam y sus actividades.

Als hispanist hield Van Praag, zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog, afstand van de politiek. Waarschijnlijk door de verwantschap die hij voelde met de Sefardische joden - die vanaf het eind van de 15de eeuw uit Spanje en Portugal waren verdreven - was tolerantie of het ontbreken daarvan voor hem een belangrijk onderwerp, ook in de literatuurgeschiedenis. In de jaren dertig berispte Van Praag collega-hispanist Johan Brouwer om het 'tekort aan respect voor het negentiende-eeuwse ideaal van verdraagzaamheid' dat deze had tentoongespreid in zijn dissertatie uit 1931 over De Psychologie van de Spaansche Mystiek (Henrichs, 108). Na de Spaanse Burgeroorlog correspondeerde hij met verscheidene ballingen. Hoewel hij rechtstreekse contacten met het rechts-autoritaire regime van generaal Franco uit de weg ging, reisde hij wel verscheidene malen naar Spanje.

Zonder dat zijn belangstelling voor de literatuur en cultuur van het klassieke Spanje erdoor werd overschaduwd, breidde Van Praag zijn interessesfeer na de Tweede Wereldoorlog geleidelijk uit naar de Spaanstalige gebieden in Midden- en Zuid-Amerika. Dit kwam onder meer tot uiting in enkele vertalingen van literair werk. De doem van de maïs, zijn vertaling uit 1962 van de roman Hombres de maíz (1949) van de Guatemalteekse Nobelprijswinnaar Miguel Ángel Asturias, zou vele malen worden herdrukt. Tot aan zijn dood zou Van Praag blijven vertalen, in het bijzonder het werk van de Argentijnse schrijver Julio Cortázar.

Op 15 oktober 1966 hield Van Praag zijn afscheidscollege over 'De "valse" Don Quijote' (gepubliceerd in Levende Talen (1966) 699-714). Door zijn overlijden, drie jaar later op 74-jarige leeftijd, verloor de hispanistiek een wetenschapsbeoefenaar die dit vak groot aanzien had gegeven in Nederland en ver daarbuiten. Samen met de hoogleraren C.F.A. van Dam, G.J. Geers en J. Brouwer behoorde hij tot de eerste generatie academische hispanisten in Nederland. Van hen was hij de veelzijdigste, de erudietste en de meest internationaal georiënteerde, die zijn liefde voor de Spaanse taal en culturen ook met niet- wetenschappers wilde delen. Zijn rustige, maar niet aflatende pleidooi voor tolerantie en uitwisseling tussen culturen maken hem tot een van de meest waardige beoefenaren van het hispanisme in Nederland en in de wereld.

A: Brieven van J.A. van Praag in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage en in de universiteitsbibliotheken van Amsterdam, Groningen, Leiden en Utrecht.

P: Een bibliografie tot 1956 is te vinden in: Homenaje a J.A. van Praag, catedrático de la Universidad de Amsterdam, 1930-1955 (Amsterdam 1956) 8-11. Naast de in de tekst genoemde Beknopte geschiedenis der Spaanse letterkunde en vertalingen literatuurgeschiedenis publiceerde Van Praag na 1956 artikelen en boekbesprekingen in de Revue de l'Université de Bruxelles, Revista de Literatura, Neophilologus, Boletín de la Real Academia Española, Norte. Revista Hispánica de Amsterdam: Spaanse grammatica ('s-Gravenhage 1957) en Spelenderwijs Spaans. Een handleiding voor zelfstudie van de Spaanse taal (Amsterdam 1958).

L: J. Lechner, Weerspiegeling van Spanje. De belangstelling voor Spanje in Nederland, 1900-1945 (Amsterdam 1987); H. Henrichs, Johan Brouwer. Zoeker, ziener en bezieler (Amsterdam 1989).

I: J. Lechner, Weerspiegelingen van Spanje. De belangstelling voor Spanje in Nederland 1900-1945 (Amsterdam 1987) foto tegenover pagina 225. [Van Praag vóór 1945.]

Hendrik Henrichs


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013