Raaijmaakers, Marius (1874-1965)

 
English | Nederlands

RAAIJMAAKERS, Marius (1874-1965)

Raaijmaakers, Marius, legerofficier (Grave (N.Br.) 29-10-1874- 's-Gravenhage 11-7-1965). Zoon van Constantinus Wilhelmus Raaijmaakers, kapitein der infanterie, en Maria Anna Catharina Eijmael. Gehuwd op 2-8-1900 met Elisabeth Johanna Louisa Françoise van der Noordaa (1878-1956). Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

afbeelding van Raaijmaakers, Marius

Als enig kind groeide Marius Raaijmaakers op in het Oost-Brabantse vestingstadje Grave, waar zijn vader als kapitein was gelegerd. Aangezien ook zijn oom en neven als beroepsofficier aan de krijgsmacht waren verbonden, was Marius' keuze voor een militaire loopbaan niet verwonderlijk. Na de lagere school vertrok hij naar Den Haag om zich daar aan het particuliere onderwijsinstituut van J.W. Tesch voor te bereiden op het toelatingsexamen voor de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda. In september 1890 begon hij hier als cadet aan de opleiding tot genieofficier, die hij op 23 juli 1894 afsloot met zijn benoeming tot tweede luitenant. Na een jaar troependienst bij het Korps Genietroepen in Utrecht keerde Raaijmaakers in 1895 terug naar de KMA voor een applicatiecursus van een jaar. In 1900 trouwde hij een Haagse, en uit dit huwelijk werd drie jaar later een dochter, Jeanne, geboren.

Intussen verrichtte Raaijmaakers - sinds september 1898 eerste luitenant en vanaf oktober 1904 kapitein - afwisselend troepen- en stafdiensten. Na van juli 1896 tot augustus 1909 bij de Staf der Genie te hebben gediend werd hij in augustus 1909 geplaatst bij het Regiment Genietroepen, waar hij te Utrecht diende als commandant van de 1ste Pionierscompagnie. Eind 1913 werd Raaijmaakers benoemd tot kapitein-adjudant bij de Staf van het Regiment Genietroepen te Utrecht, een functie die hij tot november 1916 vervulde. Daarna nam hij, in de rang van majoor, het commando op zich van het Bataljon Pioniers in Utrecht.

Begin 1919 werd Raaijmaakers op eigen verzoek op non-actief gesteld, zodat hij kon worden benoemd tot tijdelijk Inspecteur der Belastingen, een onverwachte wending in zijn carrière, die mogelijk verband houdt met de minder gunstige vooruitzichten voor beroepsofficieren als gevolg van bezuinigingen na de Eerste Wereldoorlog. Maar enige maanden later besloot hij toch zijn militaire loopbaan voort te zetten. In juni 1919 werd hij, onder gelijktijdige bevordering tot luitenant-kolonel, geplaatst bij het ministerie van Oorlog in Den Haag, waar hij tot aan zijn pensionering werkzaam zou blijven. Op het departement werd Raaijmaakers te werk gesteld als hoofdofficier toegevoegd aan de Inspecteur der Genie. Deze functie - in feite de plaatsvervanger van de inspecteur - bekleedde hij ruim tien jaar, sinds mei 1926 in de rang van kolonel. Op 1 november 1929 werd hij benoemd tot Inspecteur der Genie, destijds tevens hoofd van de Afdeling Genie van het departement. Deze benoeming ging gepaard met een bevordering tot generaal-majoor.

Raaijmaakers voelde zich in de Haagse bureaucratie als een vis in het water. De bebrilde, wat gedrongen stafofficier was niet het prototype van een ijzervreter; in ambtelijke sferen gedijde hij beter dan als troepencommandant te velde. Daarbij kwam dat Raaijmaakers beschikte over veel tact en politiek inzicht, talenten waarmee zeker niet alle collega-officieren waren begiftigd. Deze vaardigheden kwamen hem van pas toen na de Eerste Wereldoorlog ook de geniediensten het slachtoffer dreigden te worden van de bezuinigingen en reorganisaties bij defensie. Door voortdurende waakzaamheid en een uiterst diplomatiek optreden wist Raaijmaakers deze plannen te verijdelen. Na vijf jaar het inspecteurschap te hebben bekleed, werd hij per 1 november 1934 op eigen verzoek eervol ontslagen uit de militaire dienst. Op de dag van zijn ontslag promoveerde hij tot reserve-luitenant-generaal der Genie.

Een half jaar tevoren, in mei 1934, had minister van Defensie L.N. Deckers (1929-1935) Raaijmaakers aangesteld als voorzitter van een adviescommissie die een oplossing moest vinden voor de competentiestrijd binnen de militaire luchtvaart, die indertijd nog deel uitmaakte van de Koninklijke Landmacht. Tot zijn aanstelling als commissievoorzitter had Raaijmaakers geen enkele ervaring op het gebied van de militaire luchtvaart. Na een reorganisatie in 1932 waren de Luchtvaartafdeeling (: de vliegdienst) en het Luchtvaartbedrijf (: de technische dienst) in de persoon van respectievelijk haar commandant en zijn directeur steeds scherper tegenover elkaar komen te staan. Beide functionarissen legden verantwoording af aan verschillende hogere autoriteiten, en een duidelijke onderlinge afbakening van de bevoegdheden ontbrak. De Commissie-Raaijmaakers bepleitte in haar rapport van 27 augustus 1934 dan ook het onmiddellijk instellen van een gemeenschappelijke instantie boven de Luchtvaartafdeeling en het Luchtvaartbedrijf. Zodoende kwam op 15 april 1935 de Inspectie der Militaire Luchtvaart met als standplaats Soesterberg tot stand. Het betekende het einde van Raaijmaakers' korte periode als generaal 'buiten dienst', want hijzelf ging in de rang van reserve-luitenant-generaal optreden als eerste Inspecteur der Militaire Luchtvaart. Hij verhuisde toen met zijn vrouw naar Amersfoort.

Drieëneenhalf jaar lang zou Raaijmaakers - gesteund door een kleine, deskundige staf - zich met volle inzet aan de militaire luchtvaart wijden. De in de voorafgaande jaren opgebouwde contacten met de politieke en ambtelijke top van het ministerie waren hem daarbij van nut. Hoewel altijd tactvol en stijlvol deinsde Raaijmaakers er niet voor terug, wanneer nodig, harde maatregelen te treffen. Toen de conflicten tussen de leidinggevende functionarissen van de militaire luchtvaart bleven voortduren, droeg hij in februari 1936 de ergste onruststoker, de directeur van het Luchtvaartbedrijf, voor voor ontslag.

De toenemende oorlogsdreiging aan het einde van de jaren dertig en de wens de mogelijkheden van het luchtwapen beter te benutten dwongen tot verdere hervorming van de militaire luchtvaartorganisatie. Met de oprichting van het Commando Luchtverdediging op 1 november 1938 werden alle legeronderdelen die een taak moesten vervullen bij de luchtverdediging onder één bevel gebracht. Op 1 juli 1939 verkreeg de militaire luchtvaart de status van zelfstandig wapen binnen de Koninklijke Landmacht: de Luchtvaartafdeeling maakte toen plaats voor het Wapen der Militaire Luchtvaart. Raaijmaakers werkte als inspecteur intensief mee aan deze ontwikkeling naar een meer autonome positie van het luchtwapen. Het bereiken van de nieuwe status was ten dele zijn verdienste.

Als inspecteur zag Raaijmaakers de noodzaak de verouderde Nederlandse luchtvloot te moderniseren en uit te breiden. In 1937 kwam hij met een vierjarenplan dat - ondanks tussentijdse wijzigingen - tot mei 1940 de blauwdruk zou vormen voor de totstandkoming van de nieuwe luchtvloot. Deze zou moeten bestaan uit verschillende vliegtuigtypen, want volgens Raaijmaakers waren de taken omvangrijk en divers, zowel defensief als offensief. Dit betekende dat, naar zijn mening, de inzet niet beperkt zou blijven tot verkenning en onderschepping, maar ook bombardementen moest omvatten. Toen eind 1937 echter bleek dat het gereserveerde budget te beperkt was om alle toestellen te bekostigen, schrapte minister van Defensie J.J.C. van Dijk (1937-1939) twee van de drie geplande bombardeervliegtuigafdelingen. Raaijmaakers betreurde dit besluit ten zeerste. Het kwam neer op een 'principiële aantasting' van de door hem voorgestelde oorlogsorganisatie, waarmee de bombardeerkracht op 'onaanvaardbare wijze' werd verzwakt. Ook de wens van de regering om de nieuwe vliegtuigen per se bij Nederlandse bedrijven te laten bouwen - vooral bij Fokker - stuitte Raaijmaakers tegen de borst. Hij had liever gezien dat er ook buitenlandse vliegtuigfabrikanten bij betrokken waren. Naar zijn mening liet de kwaliteit van de Nederlandse producten vaak te wensen over en waren de levertijden zeer lang.

Raaijmaakers was ook bezorgd over het feit dat vrijwel de gehele militaire luchtvaart op het Vliegkamp Soesterberg was geconcentreerd. Niet alleen leidde dit in de jaren dertig tot ernstige congestie op de grond en in de lucht, maar het maakte de Nederlandse luchtstrijdkrachten ook bijzonder kwetsbaar voor een verrassingsaanval vanuit de lucht. In mei 1936 liet Raaijmaakers een begin maken met de spreiding van de luchtvloot door overplaatsing van de jachtvliegtuigafdeling naar Schiphol. Ook daarna bleef hij aandringen op decentralisatie. Aanvankelijk werd uitgeweken naar bestaande, civiele vliegvelden, maar Raaijmaakers achtte - mede in verband met de geplande uitbreiding van de luchtvloot - de aanleg van vier nieuwe, zuiver militaire, vliegvelden noodzakelijk. Slechts een veld nabij het Noord-Hollandse Bergen kon nog vóór de Duitse inval in gebruik worden genomen.

Na zijn tweede pensionering op 1 november 1938 verhuisde Raaijmaakers met zijn vrouw van Amersfoort naar Den Haag. Opnieuw bleef hij niet lang ambteloos. In oktober 1939 werd hij benoemd tot voorzitter van de Advies-Commissie Vorderingen. In het kader van de mobilisatie moest deze commissie erop toezien dat vorderingen en aanschaffingen zo doelmatig mogelijk plaatsvonden. Nog geen zeven maanden na de installatie moest Raaijmaakers ten gevolge van de Duitse inval zijn werkzaamheden staken. In zekere zin in het verlengde van het laatstgenoemde voorzitterschap trad hij tijdens de bezettingsjaren op als hoofd van de Afdeling Defensieschade van het ministerie van Financiën.

Na de bevrijding bleef Raaijmaakers - inmiddels 71 jaar oud - als hoofd van het Centraal Bureau Defensieschade verbonden aan het ministerie van Financiën en leidde hij de instantie die was belast met de afwikkeling van schade ontstaan door de uitvoering van diverse tijdens de mobilisatie in werking getreden wetten. Ten slotte was Raaijmaakers vanaf 1950 lid van de Tweede Kamer van het Scheidsgerecht voor de Oorlogsschade, dat uitvoering gaf aan een deel van de Wet op de Materiële Oorlogsschade en vanaf 1953 bovendien gold als beroepsinstantie inzake schade ontstaan door de Watersnoodramp. Hoewel hij na verloop van tijd feitelijk geen werkzaamheden meer voor dit college verrichtte, zou Raaijmaakers tot zijn dood formeel lid blijven van het Scheidsgerecht. Hij overleed, negentig jaar oud, na een kort ziekbed.

Gedurende zijn lange militaire carrière toonde Raaijmaakers zich een kundig en energiek officier die problemen met voortvarendheid aanpakte. Een pijler van zijn succesrijke loopbaan was zijn goed ontwikkelde gevoel voor de vereiste wijze van optreden in verschillende, soms delicate situaties. Raaijmaakers wist zich gebonden aan krappe budgettaire kaders, waardoor hij minder tot stand kon brengen dan hem lief was. Hij schuwde confrontaties met zijn superieuren niet, maar wist doorgaans, op de hem kenmerkende tactvolle wijze, de kerk in het midden te laten. Als Inspecteur der Militaire Luchtvaart leverde Raaijmaakers - beginnend als zestigjarige buitenstaander - een belangrijke bijdrage aan de opbouw en ontwikkeling van de militaire luchtvaart in Nederland.

A: Documentatie bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie te 's-Gravenhage.

L: Behalve necrologieën door S. Mante, in Onze Luchtmacht 17 (1965) 106 en door L.J. Spanjaerdt Speckman, in Genie 15 (1965) 200-202: R. de Bruin [e.a.], Illusies en Incidenten. De militaire luchtvaart en de neutraliteitshandhaving tot 10 mei 1940 ('s-Gravenhage 1988); R. de Winter en E.H.J.C.M. Doreleijers, Luchtmachtstructuren in beweging. 80 jaar luchtmachtorganisatie ('s-Gravenhage 1994); R. de Winter, 'M. Raaijmaakers', in Kopstukken uit de krijgsmacht. Nederlandse vlag- en opperofficieren 1815-1955 (Amsterdam 1997) 316-334.

I: Foto uit de collectie van de Sectie Luchtmachthistorie in Den Haag [Raaijmaakers in de tweede helft van de jaren dertig].

R. de Winter


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013