Reve, Karel van het (1921-1999)

 
English | Nederlands

REVE, Karel van het (1921-1999)

Reve, Karel van het, (pseudoniem o.a. Henk Broekhuis), slavist en publicist (Amsterdam 19-5-1921 - Amsterdam 4-3-1999). Zoon van Gerardus Johannes Marinus van het Reve, journalist en politiek activist, en Jannetta Jacoba Doornbusch. Gehuwd op 11-7-1945 met Jozina Israël (geb. 1920). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

afbeelding van Reve, Karel van het

Karel van het Reve groeide samen met zijn twee jaar jongere broer Gerard op in een communistisch gezin in het Amsterdamse tuindorp Watergraafsmeer ('Betondorp'). Hij werd vernoemd naar de Duitse communist Karl Liebknecht. Zijn vader was een actief lid van de Communistische Partij Holland (CPH), schreef in het partijblad De Tribune en was oprichter en hoofdredacteur van Rusland van Heden, het weekblad van de Vereeniging van Vrienden der Sowjet-Unie. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Karel al op jonge leeftijd in aanraking kwam met de Russische literatuur.

Op aanraden van de historici Jan en Annie Romein, huisvrienden van hun ouders, bezochten de gebroeders Van het Reve het Amsterdamse Vossius Gymnasium. Hier toonde Karel al enkele eigenschappen die hem later geregeld voor de voeten zijn geworpen of ter omschrijving van zijn voortreffelijkheid zijn genoemd: enerzijds zijn luiheid en eigenwijsheid, anderzijds zijn grote belezenheid en droge, enigszins cynische humor. Dat hij vrijwel nooit zijn huiswerk maakte noemde Karel later 'gedeeltelijk een gevolg van hovaardij. Ik was zo trots op wat ik in 1933 wist […] dat ik grote weerzin moest overwinnen om er iets bij te leren' (Vulpes (1976)). Zijn vriendenclubje blonk uit door hoogdravende debatten; sport of meisjes waren geen gespreksonderwerpen. Klasgenote Jozien Israël sloot zich bij dit groepje intellectuele jongens aan; zij werd Karels vriendin.

De toenmalige gebeurtenissen in het buitenland - Hitlers machtsovername in Duitsland, de Spaanse burgeroorlog en de showprocessen in Stalins Sovjetunie - vormden voor Van het Reve en zijn vrienden een onuitputtelijke bron voor discussie. Ook de groeiende interne spanningen binnen de Communistische Partij van Nederland (CPN) - zoals de CPH na 1935 heette -, die steeds meer te maken kreeg met richtlijnen vanuit Moskou, misten hun invloed op Van het Reve niet. Tot zijn grote ontsteltenis werd zijn vader in de zomer van 1938, wegens het uiten van milde kritiek, uit zijn partijfuncties gezet.

In 1939 deed Van het Reve eindexamen en ging hij - samen met Jozien Israël - het nieuwe vak sociografie aan de Universiteit van Amsterdam studeren. Tijdens de Duitse bezetting volgde hij, evenals zijn broer, van 1941 tot 1944 aan de Amsterdamse Grafische School de cursus voor bedrijfsleider, zodat hij een beroep had om in tijd van nood op te kunnen terugvallen. Omdat zij weinig belangstelling voor de sociografie konden opbrengen, gingen Van het Reve en Jozien uiteindelijk Russisch studeren. Zij deden dat bij de legendarische professor Bruno Becker, een emigrant uit Sint-Petersburg, die in bezettingstijd clandestien met onderricht doorging. Van het Reve bleek goed met het Russisch uit de voeten te kunnen. Zo goed zelfs dat hij tijdens zijn studie les gaf in deze taal. Zijn vaardigheid hield hij op peil door Alexander Poesjkin, zijn lievelingsschrijver, te vertalen.

Tijdens de Duitse bezetting, in het voorjaar van 1941, moest vader Van het Reve onderduiken. Zijn twee zoons raakten beiden op bescheiden wijze betrokken bij het verzet. Karel - verzetsnaam 'Bertram' - bracht bonkaarten, berichten en voedsel rond aan onderduikers. Veel meer deed hij niet, vooral omdat hij, zoals hij later zou verklaren, er 'een verschrikkelijke hekel aan had om doodgeschoten te worden' (Apologie (1996) 6).

Na de bevrijding zette Van het Reve de studie, samen met Jozien, met kracht door. Zij trouwden twee maanden na de bevrijding en - levend van lesgeven en vertalen - betrok het paar twee kamers in de binnenstad. In 1947, het jaar dat Van het Reve zijn kandidaats haalde, werd een dochter geboren en drie jaar later een zoon. In 1951 studeerde Van het Reve af met een scriptie over Heinrich Heine en Aleksander Poesjkin.

Naast zijn studie begon Van het Reve ook, vanaf 1945, te schrijven in De Vrije Katheder, een in oorsprong in 1940 opgericht blad voor communistische studenten. Op basis van wat hij uit de Sovjetpers haalde, schreef hij enkele jaren lang over tal van wetenswaardige zaken uit de Sovjetunie. Aanvankelijk deed hij dat nog als 'gelovige' in de communistische leer: zo bevat zijn Eenvoudig Russisch leerboek uit 1946 - zijn eerste serieuze publicatie - onder meer een volledige lezing van Jozef Stalin. Maar dit 'geloof' ebde geleidelijk weg: in 1948 stemde Van het Reve voor de laatste keer op de CPN, en in 1949 noemde hij zichzelf al geen communist meer.

Het is niet geheel duidelijk - ook niet uit de woorden van Van het Reve zelf - hoe dit ingrijpende verlatingsproces zich voltrok. Het is in elk geval niet abrupt, maar geleidelijk gegaan. Zo was zijn eerste reis naar de Sovjetunie - waar hij als tolk optrad voor grootmeester Max Euwe tijdens het wereldkampioenschap schaken - in 1948 voor hem in meer opzichten een openbaring. Enerzijds beschreef Van het Reve, in een reportage 'Moskouse indrukken' in De Vrije Katheder (8 (1948) nr. 2), de povere levensomstandigheden in Moskou, anderzijds sprak hij over de Sovjetleiders als 'mannen, die niet door groeps- of eigenbelang geleid worden, maar slechts het welzijn van een geheel volk voor ogen hebben'. Toch was de reportage voor marxistische coryfeeën als schrijver Theun de Vries onverteerbaar. Hij beschuldigde Van het Reve van 'ontoelaatbaar subjectivisme'.

Intussen was Van het Reve assistent van zijn vroegere hoogleraar Becker geworden en werkte hij van 1948 tot 1957 als bibliothecaris op het Rusland Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Daar kreeg hij toegang tot de dagelijkse informatiestroom uit en over de Sovjetunie, en daar ook maakte hij kennis met 'de sfeer van redelijkheid en verdraagzaamheid die ik overal aantrof buiten het wereldje der gelovigen'. Zijn nieuwe werkkring bracht hem op andere gedachten ten aanzien van het marxisme en leidde uiteindelijk zelfs tot een breuk met deze heilsleer. 'Marxistische literatuur is altijd scheldend en onredelijk', gaf hij als verklaring voor zijn ommezwaai. Met andere woorden: in een debat gaat het om de feiten en de argumenten, tout court. In zijn proefschrift Goed en schoon in de Sovjet-critiek. Beschouwingen over de aesthetica van het Sovjetrussische marxisme, waarop hij op 6 juli 1954 bij Becker promoveerde, laat hij weten 'geen adept meer te zijn van deze wereldbeschouwing'.

Tot zijn eigen verrassing werd Van het Reve in 1957 benoemd tot hoogleraar Slavische taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden: 'Ik had er niet voor gesolliciteerd, ik werd er opeens voor gevraagd'. Of hij als hoogleraar in 'de Boroboedoer der bourgeoisie' aan de in hem gestelde verwachting voldeed, is echter twijfelachtig. Zijn taakopvatting, zowel wat het onderwijs als wat het onderzoek betreft, week af van wat in die jaren gangbaar was. Vergaderen - in de jaren zestig een steeds dwingender corvee - beschouwde hij als tijdverlies: 'Vergaderen is voor de dommen' (Haagsche Courant, 4-6-1983). Verder heeft Van het Reve in de zestien jaren van zijn professoraat slechts drie promoties begeleid en is het aantal zuiver wetenschappelijke publicaties van zijn hand uiterst gering. Het bleef in feite beperkt tot een bundeling van eerder gepubliceerde essays in Rusland voor beginners. Tien opstellen over literatuur (1962) en een becommentarieerde uitgave van honderd vertaalde brieven uit de correspondentie tussen Ivan Toergenjev en Leo Tolstoj in De literator en de holbewoner (1964).

Daar staat tegenover dat Van het Reve een pléiade van vertalers van Russische poëzie en proza heeft opgeleid, die zijn adagium 'Vertalen wat er staat!' tot onwrikbaar uitgangspunt hebben genomen. Alleen al hierdoor heeft Van het Reve zich een belangrijke plaats in de ontwikkeling van de Nederlandse slavistiek verworven. In 1979 zou hij de Martinus Nijhoff-prijs ontvangen, in het bijzonder voor zijn vertalingen van Toergenjev.

Veel actiever was de Leidse hoogleraar als publicist buiten zijn wetenschapsgebied. Zo probeerde Van het Reve omstreeks 1960 zijn pen als romanschrijver met Twee minuten stilte (1959), een sleutelroman over een moord op het Rusland Instituut, en Nacht op de kale berg (1961), een sterk door Willem Elsschot geïnspireerd schelmenverhaal. Hoewel beide boeken redelijk goed werden ontvangen, stapte Van het Reve hierna over op de essayistiek. Zijn toetreden in 1962 tot Hollands Maandblad als vast medewerker was in deze ontwikkeling de katalysator.

Nadat hij in 1965 op uitnodiging van de Volkskrant een treinreis met de Trans-Siberië Express van Moskou naar Chabarovsk had gemaakt - beschreven in Siberisch dagboek (1966) - vertrok Van het Reve met zijn echtgenote in 1967 voor een jaar naar Moskou als correspondent van dagblad Het Parool. Hij heeft uit dit jaar journalistiek het optimum gehaald. Niet alleen beschreef hij voor zijn krant de dagelijkse werkelijkheid in de Sovjetunie op een manier die, door zijn taalgebruik, direct toegankelijk was voor iedereen. Maar ook bracht hij het verschijnsel 'Sovjetdissident' onder de aandacht van de westerse lezer. De binnenlandse oppositie in de Sovjetunie tegen het communistisch bewind werd in toenmalige linkse kringen in Nederland nogal geringschattend benaderd, maar Van het Reve ging daar op onvervaarde wijze tegenin. Hij presenteerde, als eerste, de dissident Andrej Amalrik - in gedrag en cynisch-humoristische schrijfstijl aan hem verwant - aan het Nederlandse lezerspubliek, ook door geschriften van hem te vertalen.

Een echte internationale journalistieke scoop behaalde Van het Reve in 1968, toen hij het dissidente geschrift 'Gedachten over vooruitgang, vreedzame coëxistentie en intellectuele vrijheid' van de tot dan toe slechts in kleine kring bekende atoomgeleerde Andrej Sacharov naar het westen wist te smokkelen. Het stuk van Sacharov geldt als een mijlpaal in de ontwikkeling van Rusland naar een meer op democratie gerichte samenleving. In 1969 richtte Van het Reve - samen met zijn collega's J.W. Bezemer en P.B. Reddaway - de Alexander Herzen Stichting op, bedoeld om werken van Russische dissidenten die door de censuur niet konden worden gedrukt in het Russisch in Amsterdam te publiceren en door middel van vertalingen onder de aandacht van de westerse lezer te brengen. Dit verblijf in de Sovjetunie zou voor Van het Reve voorlopig het laatste zijn. Pas twintig jaar later, toen er in Moskou een hervormingspolitiek ('perestrojka') werd ingezet, zou hij weer worden toegelaten.

Het opgeven van de communistische leer leidde vanzelfsprekend tot de levenshouding die Van het Reve als polemist en literator zo geducht maakte: nadat hij deze enorme stap had gezet, was geen enkele denkrichting meer veilig voor hem en kende hij geen enkele terughoudendheid meer om ondeugdelijke theorieën te ontmaskeren en aan te vallen. Eerst kwam de logische afrekening met de 'verlammende heilsleer van Marx', verwoord in Het geloof der kameraden. Kort overzicht van de communistische wereldbeschouwing (1969). In dit boek laat Van het Reve niets heel van de leer die hem in zijn eerste 25 levensjaren geheel in de ban had gehouden. Hier openbaarde zich de 'erudiete meester van het boerenverstand' (Gieben), die bladzij na bladzij de stelligheden van het marxisme telkens overtuigend wist te ontzenuwen. Dat zijn eigen vader door dit boek van zijn communistische 'geloof' viel, geeft wel aan hoe effectief Van het Reve zijn bezwaren wist te formuleren. Voor Het geloof der kameraden ontving hij in 1973 de Dr. Wijnaendts Francken-prijs.

Als essayist, columnist en publicist schuwde Van het Reve geen enkel onderwerp. In de twaalf bundels die na zijn afrekening met de 'kameraden' zouden verschijnen, ging het enerzijds om een bonte variëteit aan puntig uitgewerkte gedachten - variërend van Chinese karakters tot de vraag wat de hersenen doen tijdens de slaap - en anderzijds om geregeld terugkerende betogen over zaken als godsdienst, de leer van Freud en Darwins evolutietheorie. Een hoogtepunt vormde in zijn essayistische oeuvre zijn bundel Uren met Henk Broekhuis (1978), waarin Van het Reve veertig vastgeroeste clichémeningen van het kaliber 'De armen worden steeds armer en de rijken steeds rijker' of 'Je kunt de feiten niet begrijpen als je de achtergronden niet kent' onderuit haalde. Toen de gevreesde en gevierde essayist en polemist in 1981 de P.C. Hooft-prijs voor zijn gehele oeuvre ontving, roemde de jury zijn werk als 'de enige chemische substantie die het pantser der vooroordelen vermag op te lossen, een soort ideologisch koningswater'.

In 1978 veroorzaakte Van het Reve grote commotie in intellectueel Nederland met zijn Johan Huizinga Lezing getiteld Literatuurwetenschap: het raadsel der onleesbaarheid. Hierin typeerde hij de literatuurwetenschap als 'volkomen nutteloos'. Zijn stelling is dat de tekst zelf het beoogde effect bij de lezer al dan niet teweeg brengt. Van het Reve interesseerde zich nadrukkelijk niet voor eventuele verborgen betekenissen, symbolen en interpretaties. Zijn nuchterheid tegenover het nodeloos ingewikkeld taalgebruik der literatuurwetenschappers, waarmee au fond niets zinnigs wordt beweerd - 'dieventaal' noemde hij het zelfs - , ging gepaard met exclusieve aandacht voor de werking van een tekst. Waarom is iets mooi of niet mooi, daar ging het volgens Van het Reve om. 'Boeken worden geschreven om zonder uitleg gelezen te worden, er staat wat er bedoeld wordt door de schrijver'.

Zo mogelijk nog groter gekrakeel veroorzaakte Van het Reve met zijn essay 'De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen' in de gelijknamige essaybundel uit 1987, waarin hij 'de God van joden en christenen' vergelijkt met 'figuren van het soort Idi Amin: hij wil voortdurend opgehemeld worden, en hij haalt voortdurend gruwelijke schurkenstreken uit' (p. 8).

Behalve door zijn glasheldere redeneertrant, zijn gave tot versimpeling der zaken en zijn sobere schrijfstijl onderscheidde Van het Reve zich ook door een ruime mate van zelfspot. Zo noemde hij zichzelf 'een opschepper' en verklaarde hij zijn toenemend onvermogen om namen te onthouden door zijn 'onmenselijke, koude onverschilligheid' (De Gelderlander, 25-5-1996). Met broer Gerard verslechterden sinds het begin van de jaren tachtig de verhoudingen, die overigens nooit heel erg goed waren geweest. Gerard noemde zijn oudere 'geleerde broer' 'oppervlakkig'; Karel vond Gerard 'een leugenaar'.

In mei 1983 nam Van het Reve - 62 jaar oud - afscheid als hoogleraar. Wel bleef hij daarna nog in Leiden zijn kennis van het vertalersvak overdragen aan groepen gedreven studenten slavistiek. Twee jaar na zijn emeritaat verscheen zijn magnum opus: Geschiedenis van de Russische literatuur. Van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov (1985). Een uiterst leesbaar werk - geheel met de hand en vrijwel zonder doorhalingen geschreven - dat vele anekdotes bevat en de lezer spelenderwijs en grondig in de Russische literatuur tot 1900 inleidt. Dit 520 bladzijden tellende boek is het welsprekende antwoord op de critici die Van het Reve in zijn vak niet overtuigend vonden.

Karel van het Reve bleef tot ver na zijn emeritaat actief. Hij verzorgde van 1979 tot 1991 een wekelijkse radiocolumn bij de Wereldomroep, en van 1988 tot 1996 schreef hij de tweewekelijkse column 'Achteraf' in Het Parool. Pas de laatste drie jaren van zijn leven werd het enigszins stil rond deze 'meest ondeugende professor van Nederland'. Hij leed al enkele jaren aan de ziekte van Parkinson en worstelde met dementie. Van het Reve stierf in 1999, op 77-jarige leeftijd. Bij zijn crematie was zijn broer Gerard niet aanwezig. Journalist Jan Blokker schreef in zijn necrologie: 'Tussen zijn zelfspot en zijn eigendunk lag een dunne draad gespannen, waarop hij perfect kon balanceren'.

A: Collectie-Karel van het Reve in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Bibliografie van Karel van het Reve op de website: http://www.schrijversinfo.nl/revevanhetk.html [29-4-2008]. Voornaamste geschriften en vertalingen van Karel van het Reve in het onder L genoemde levensbericht van Van Amerongen (2000) 136-138. Overzicht van de boeken van Karel van het Reve op de website: http://www.karelvanhetreve.nl/bibliografie.php [14-5-2008].

L: Behalve necrologieën o.a. door Laura Starink, in NRC Handelsblad, 4-3-1999; door Jan Blokker, in de Volkskrant, 5-3-1999; door Sabine Gieben, in Elsevier, 13-3-1999 en door Robert van Amerongen, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1998-1999 (Leiden 2000) 122-138: Theodor Holman, Karel. Zjizn njenoezjnogo tsjeloveka (Amsterdam 1991); Robert van Amerongen [e.a.], Uren met Karel van het Reve. Liber amicorum (Amsterdam 1991); Nop Maas, Kleine Bolsjewieken. De kleuterjaren van Karel en Gerard (van het) Reve (Bloemendaal 1999); Ischa Meijer, 'Karel van het Reve', in De Interviewer. 50 interviews uit 25 jaar interviewen (Amsterdam 1999) 180-190; Ger Verrips, Denkbeelden uit een dubbelleven. Biografie van Karel van het Reve (Amsterdam 2004). Op 29 mei 1992 zond de NOS het radioportret Een leven lang: Karel van het Reve van Corinne Hemink en Willem de Haan uit. Op 1 mei 1995 zond de NPS in de serie Uit het Nieuws een interview met Karel van het Reve door Henk van Hoorn uit. Op 11 november 2007 zond de KRO in de serie 'Profiel' de televisiedocumentaire Karel van het Reve. Vier kleinzonen vertellen van Marjoleine Boonstra uit, die is te zien op de website van de KRO: http://www.profieltv.nl/2007/1111_Karel_van_het_Reve/intro.aspx [26-3-2008].

I: Website Karel van het Reve: http://www.karelvanhetreve.nl/index.php [14-5-2008].

Alexander Münninghoff


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013