Samkalden, Ivo (1912-1995)

 
English | Nederlands

SAMKALDEN, Ivo (1912-1995)

SAMKALDEN, Ivo, jurist, minister en burgemeester (Rotterdam 10-8-1912 – Amsterdam 11-5-1995). Zoon van Joseph Samkalden, ondernemer, en Debora de Beer. Gehuwd op 31-3-1938 met Olga Judith Meijers (1910-2003). Behalve 1 zoon die jong overleed, werden uit dit huwelijk 2 zoons en 1 dochter geboren.

afbeelding van Samkalden, Ivo

Onder het dwingend gezag van een contactarme vader groeiden Ivo Samkalden en zijn tweelingbroer Jaap, als twee nakomers in een gezin van vier kinderen, op in een grootburgerlijk huis aan de Mathenesserlaan in Rotterdam. Samkalden senior had zich – na een korte carrière in Nederlands-Indië – bij de handelsonderneming R.S. Stokvis & Zoonen in Rotterdam opgewerkt tot president-directeur. Moeder Samkalden leed al jaren aan zware depressies en werd vanaf 1918 verpleegd in psychiatrische inrichtingen, eerst in Oegstgeest, later in Apeldoorn. Daar zou zij in 1927 overlijden.

Vader Samkalden had inmiddels in 1923 door speculatie zijn kapitaal verspeeld. Hij moest ontslag nemen bij de firma Stokvis en was sindsdien werkloos. Dankzij steun van vrienden kon hij zijn gezin blijven onderhouden, maar dat gebeurde met een veel krappere beurs dan voorheen. De oudste twee kinderen mochten nog naar het gymnasium en studeren. Maar toen de tweeling de lagere school had afgerond, verklaarde vader Samkalden dat een universitaire opleiding hem te duur was geworden.

Na het examen HBS-B in 1929 met uitstekende cijfers te hebben afgelegd koos Ivo daarom voor een studie Indologie aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Hiervoor kon hij namelijk een beurs krijgen van het Nederlands-Indische Gouvernement in ruil voor de verplichting na het doctoraalexamen voor minstens vijf jaar dienst te nemen als ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur. In Leiden werd de jonge Samkalden geschoold in de ‘ethische richting’ naar de richtlijnen van de adatrechtsgeleerde C. van Vollenhoven. Deze ‘Leidse School’ streefde naar verstaan en eerbiediging van het Indische cultuurgoed en naar politieke medezeggenschap van de inheemse bevolking. Op 31 januari 1936 legde Samkalden het doctoraalexamen af. Inmiddels had hij kennisgemaakt met zijn toekomstige echtgenote, ‘Bum’ Meijers, dochter van de Leidse hoogleraar burgerlijk recht E.M. Meijers.

Door de bezuinigingen kon Samkalden na zijn afstuderen niet onmiddellijk een ambtelijke post in Indië krijgen. Terwijl zijn verloofde haar farmaciestudie afrondde, gebruikte Samkalden deze tijd om met van vrienden geleend geld aan een proefschrift te werken. Op 11 maart 1938 promoveerde hij op Het college van Gedelegeerden uit den Volksraad, handelend over het landelijke adviescollege van de Gouverneur-Generaal in Batavia. Drie weken later trouwde hij, en in september 1938 vertrok het paar naar Indië.

Samkalden werd aspirant-controleur bij het Binnenlandsch Bestuur op Oost-Java, met als standplaatsen Soerabaja en Sidoardjo. Hiernaast ijverde hij met een kleine groep Nederlanders voor bestuurlijke zelfstandigheid van de Indische bevolking. Hij schreef over staatkundige hervormingen in Kritiek en Opbouw. Tot de kring rondom dit progressieve maandblad behoorde ook zijn oudste broer Hugo, die van 1932 tot 1939 werkzaam was bij het Binnenlandsch Bestuur.

Van april 1942 tot september 1945 doorstonden Samkalden en zijn gezin de beproevingen van de Japanse internering. Zelf zat hij gevangen in vijf verschillende kampen voor mannen, terwijl zijn echtgenote en hun twee jonge kinderen in een vrouwenkamp verbleven. Later vertelde hij hierover: ‘Ik ben overtuigd links uit de kampen gekomen. Door gesprekken. […] Er werd en wordt nog altijd gesproken over ons menselijke koloniale bestuur, gedeeltelijk begrijpelijk. Maar een koloniaal stelsel deugt gewoon niet’ (Bibeb (1976)).Toen de Republiek Indonesië werd uitgeroepen, hoopte hij op een langdurig samengaan tussen de nieuwe staat en Nederland. Hij betreurde dat de erkenning van de Republiek vanuit Nederland zo hardnekkig werd tegengewerkt.

Na de bevrijding in september 1945 vestigde Samkalden zich met zijn gezin in Soerabaja. Daar werden zij na enkele weken het slachtoffer van hard geweld van Indonesiërs tegen Nederlanders. Samkalden werd door de Republikeinen opgepakt en gevangengezet. Hij kwam vrij op 13 november 1945, toen Britse troepen Soerabaja veroverden. In een vluchtelingenkamp in die stad vond hij zijn gezin weer terug. Kort daarop vertrokken zij naar Nederland. Onderweg stierf de jongste van hun twee kinderen aan mazelen.

Het gezin ging in Leiden wonen. Samkalden aanvaardde een ambtelijke betrekking op het ministerie van Overzeese Gebiedsdelen en werd lid van de Partij van de Arbeid (PvdA). Op 12 september 1946 werd hij benoemd in zijn eerste belangrijke ambtelijke functie: adviseur voor staatsrechtelijke aangelegenheden en publiciteit in het secretariaat van de Commissie-Generaal, die op Java met de Republiek Indonesië moest gaan onderhandelen. Samkaldens inbreng tijdens dit overleg blonk uit door scherpzinnigheid. De voorzitter van de Commissie-Generaal, W. Schermerhorn, loofde hem in zijn Dagboek over de besprekingen als een ‘eigenaardig scherpe analytische geest’ met een ‘grondige kennis op staatsrechtelijk gebied’ (II, 639).

Na zijn terugkeer vanuit Indië naar Nederland in juni 1947 – hij was voortijdig opgestapt uit onvrede over de ‘aankleding’ van het Akkoord van Linggadjati in de Tweede Kamer – wisselde Samkalden bestuurlijke functies af met wetenschappelijke betrekkingen, zowel in de staatsrechtelijke als in de agrarische sfeer. Eerst was hij tot 1948 assistent staatsrecht aan de Rijksuniversiteit te Leiden en daarna tot 1952 hoofd van de afdeling wetgeving en juridische zaken aan het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. Op dit departement was hij de rechterhand en vriend van minister S.L. Mansholt (1945-1958), wiens ‘groene plan’ voor de Europese landbouwmarkt hij hielp uitwerken. Vervolgens was hij van mei 1952 tot oktober 1956 hoogleraar agrarisch recht aan de Landbouw- Hogeschool in Wageningen.

In deze jaren breidde het gezin, dat eerst in Den Haag en vervolgens in Wageningen woonde, zich uit. Een collega op het ministerie van Landbouw vertelde over de sfeer thuis: ‘Het gezin Samkalden was sober maar enorm gezellig – een heel vrolijk gezin. Samkalden zelf was een heel sprankelende vent, sterk geboeid door het politieke leven, door juridische vraagstukken, ook op internationaal vlak, van het departement; er werd hard aan de opbouw gewerkt. In dat gezin werd ontzettend veel gelachen. Geweldig intellectueel milieu, stimulerend, maar nooit saai, duf, nooit dull’ (Meijer en Vuijsje).

De tribune van de politiek betrad Samkalden voor het eerst op 6 juli 1954, toen hij lid van Provinciale Staten van Gelderland werd. Op 13 oktober 1956 volgde het eerste hoogtepunt in zijn carrière: minister van Justitie in het laatste kabinet-Drees. Samen met de minister van Binnenlandse Zaken, A.A.M. Struycken, bracht hij in 1957 de Politiewet tot stand. Hierbij werd de politie verdeeld in gemeentepolitie en rijkspolitie. Verder kwamen er regels over de rechtspositie, tucht en benoemingseisen voor de politie. Bovendien bracht hij in 1958 de wet tot vaststelling van Boek 1 (personen- en familierecht) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek tot stand. Dit was de uitvoering van het werk van zijn schoonvader Meijers, die tot aan zijn dood in 1954 regeringscommissaris voor de herziening van het Burgerlijk Wetboek was geweest.

Nadat met de val van het kabinet-Drees, op 22 december 1958, een einde was gekomen aan zijn ministerschap, had Samkalden van 20 maart 1959 tot 1 september 1960 zitting in de Tweede Kamer. Hier hield hij zich vooral bezig met buitenlandse zaken. Vervolgens was hij van 20 september 1960 tot 14 april 1965 lid van de Eerste Kamer. Hij keerde in 1959 terug naar de wetenschap. Vanaf dat jaar tot in 1965 was hij hoogleraar recht van de internationale organisaties aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Uit die tijd stammen de meeste van Samkaldens publicaties. Deze behandelen hoofdzakelijk de Europese en de Atlantische samenwerking.

Op 14 april 1965 werd Samkalden opnieuw minister van Justitie, ditmaal in het kabinet-Cals. Twee dagen na de bouwvakopstand in Amsterdam van 14 juni 1966 hield Samkalden in de Tweede Kamer een beroemd geworden rede over gezagshandhaving: ‘Het geweld is toegenomen. In de actie tegen de handhaving van de openbare orde nadert men snel het stadium van terreur. Een dringend beroep op alle mensen van goeden wil is nodig: een beroep om begrip te tonen voor de taak, die thans rust op de gezagsorganen, die de voorwaarden voor vrijheid en democratische vernieuwing hebben te verwezenlijken’. Deze rede werd doodstil beluisterd en met applaus beloond; een uitzonderlijk incident in de Nederlandse parlementaire geschiedenis.

Samkalden was als minister verantwoordelijk voor de vrijlating van Willy Lages, één van de vier Duitse oorlogsmisdadigers die in Breda een levenslange gevangenisstraf uitzaten. Lages was de chef van de Sicherheitsdienst in Amsterdam geweest, onder wiens leiding de razzia’s op de joden waren georganiseerd. In 1966 leek het erop dat Lages, die aan kanker leed, stervende was. Op grond van medische informatie besloot Samkalden tot een strafonderbreking van drie maanden. Lages werd naar de Bondsrepubliek vervoerd, waar hij pas vijf jaar later zou overlijden. Zowel de vrijlating als het advies van de medische deskundigen werd de minister zwaar aangerekend, vooral door linkse groeperingen.

Over Lages werd Samkalden enkele malen voor de televisie geïnterviewd. De meeste Nederlanders zagen hem toen voor de eerste maal. Hij was kaalhoofdig, droeg een bril en had een vriendelijke, maar besliste oogopslag; rustig en toch alert. Een parlementaire reporter van de Haagsche Courant typeerde hem als: ‘Een kleine man met twinkelende ogen. Zijn slappe hoed draagt hij een klein tikje nonchalant en bij een korte snelle wandeling over het Plein hangt zijn regenjas open. Formaat krijgt Samkalden als hij spreekt voor een publiek. Een melodieuze stem, een feilloze zinsbouw, een helder, doorzichtig betoog’ (Interview door de parlementaire redactie, in de Haagsche Courant, 16-6-1967).

Het ministerschap dat – na de val van het kabinet-Cals in de zogeheten ‘Nacht van Schmelzer’ – eindigde op 22 november 1966, bezorgde Samkalden de reputatie van een voortreffelijke bestuurder. Mede op grond hiervan werd hij op 1 augustus 1967 burgemeester van Amsterdam, als opvolger van G. van Hall, die moest aftreden wegens zijn onzekere beleid bij de bouwvakrellen. De tien jaren waarin Samkalden deze functie heeft uitgeoefend, waren vol van sociale en politieke commotie. De botsingen tussen gezag en vrijheid zijn tijdens zijn dubbele ambtsperiode frequent en heftig geweest: de Maagdenhuisbezetting, herhaalde rellen bij het Nationale Monument, waarbij de politie ongevraagd hulp kreeg van mariniers, het slaapverbod op de Dam en in het Vondelpark, het begin van de kraakbeweging en verzet in vrijwel alle wijken tegen de gemeentelijke saneringsplannen. Maar ondanks alle tegenslag bleef Samkalden hardnekkig vasthouden aan het burgemeesterschap. Tegen het einde van zijn eerste ambtsperiode onderging hij een herniaoperatie, die hem van oktober 1971 tot maart 1972 zou uitschakelen. Terzelfder tijd circuleerde zijn naam in de pers als vice-president van de Raad van State. Maar Samkalden koos in 1972 voor een herbenoeming en weigerde dit hoge staatsambt.

Amsterdam verkeerde in die jaren in de ban van een felle controverse over de stadsvernieuwing. Samkalden koos daarbij de kant van de ‘grootschalige’ vernieuwers. Zonder aarzeling steunde hij de wethouders van Publieke Werken die Amsterdam wilden herinrichten volgens het zogeheten city-model, waarbij het centrum van de stad werd bestemd voor economische en bestuurlijke activiteiten, terwijl de bevolking hoofdzakelijk in de buitenwijken en voorsteden zou worden gehuisvest. In de wethoudersperiode 1974-1978 lagen de controverses over de stadsvernieuwing binnen de gemeenteraad scherper dan ooit. De tegenstellingen spitsten zich indertijd toe op de sanering van de Nieuwmarktbuurt in verband met de aanleg van een metronet. Ontruiming liep op op 24 maart 1975 uit op een ware veldslag tussen bewoners en een grote politiemacht. De politieke verhoudingen werden door de gebeurtenissen dermate bedorven, dat in de zomer van 1976 zowel Han Lammers als Roel van Duyn – de twee grootste kemphanen in het stadsbestuur – door de gemeenteraad werd gedwongen als wethouder af te treden. Onder Samkaldens bewind werd het politieapparaat gereorganiseerd en de Algemene Politie Verordening in Amsterdam gewijzigd. Hij was de eerste burgemeester die publiekelijk verantwoording aflegde aan de raad over het politieoptreden.

Samkalden bezat een ijzeren werkkracht. Hij kon met opvallend weinig slaap toe, en het gebeurde wel eens dat hij midden in de nacht een van zijn ambtenaren uit bed belde om zich een ambtelijk stuk te laten toelichten. Klassiek was zijn vraag: ‘Heb je het dossier bij de hand?’ (Roegholt, 307). Ondanks deze werkkracht en niettegenstaande zijn koelbloedigheid is Samkalden de geschiedenis ingegaan als de burgemeester die er niet in slaagde de kloof tussen het bestuur en het actiewezen te overbruggen. Als bestuurder reageerde hij vaak getergd wanneer zijn toegeeflijkheid verzet opleverde.

Samkaldens tweede ambtstermijn als burgemeester was uitgelopen op vijf tropenjaren. Hij trad vroegtijdig af per 1 juni 1977. Vervolgens was hij van 1978 tot 1979 buitengewoon hoogleraar in het vak ‘Internationale instrumenten tot vrijheidsbescherming’ aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Op 22 januari 1985 werd hij benoemd tot minister van Staat. Ivo Samkalden overleed in 1995 op 83-jarige leeftijd. Zijn gloedvolle bestuurscarrière was uiteindelijk spaak gelopen in de Amsterdamse chaos.

A: Persdocumentatie betreffende I. Samkalden in het Stadsarchief Amsterdam en in het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen te Groningen.

P: Behalve de in de tekst genoemde dissertatie o.a.: Behartiging van collectieve belangen in de agrarische wetgeving [Inaugurele rede] (Wageningen 1952); Structuur en bestuurskracht van internationale organisaties [Inaugurele rede R.U. Leiden] (Zwolle 1960); Besturen als ambtenaar, als kamerlid, als minister en als Europees parlementariër [Voordracht] (’s-Gravenhage 1961); samen met met G.J. Balkenstein, Twee zienswijzen op het Europese ambt (Leiden 1962).

L: Behalve necrologieën o.a. door Theo Westerwoudt, in NRC Handelsblad, 12-5-1995, in Trouw, 13-5-1995, in de Volkskrant, 13-5-1995 en in Het Parool, 18-5-1995: interview door Bibeb, in Vrij Nederland, 8-10-1966; interview in Haagsche Courant, 16-6-1967; Het dagboek van Schermerhorn. Geheim verslag van prof.dr.ir. W. Schermerhorn als voorzitter der Commissie-Generaal voor Nederlandsch-Indië, 20 september 1946 – 7 oktober 1947. Uitg. door C. Smit (2 dln.; Groningen 1970); Ischa Meijer en Bert Vuijsje, ‘Dr. Ivo Samkalden: Erasmus en Machiavelli’, in Haagse Post, 6-12-1972; Roel van Duyn, En tranen (Amsterdam 1976); interview door Bibeb, in Vrij Nederland, 31-12-1976; Afscheid van de heer dr. I. Samkalden als burgemeester van Amsterdam in de raadsvergadering van 26 mei 1977 ([Amsterdam] 1977); U. Rosenthal, Rampen, rellen, gijzelingen. Crisisbesluitvorming in Nederland (Amsterdam [etc.] 1984); Richter Roegholt, Amsterdam na 1900 (’s-Gravenhage 1993).

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: Croes; Collectie ANEFO: Samkalden in de Amsterdamse gemeenteraad in november 1974].

H. de Liagre Böhl


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013