Sandberg, jhr. Willem Jacob Henri Berend (1897-1984)

 
English | Nederlands

SANDBERG, jhr. Willem Jacob Henri Berend (1897-1984)

Sandberg, jhr. Willem Jacob Henri Berend, (verzetsnaam H.W. van den Bosch), grafisch ontwerper, verzetsman en museumdirecteur (Amersfoort 24-10-1897 - Amsterdam 9-4-1984). Zoon van jhr. Berend Willem Theodoor Sandberg, gemeentesecretaris, later griffier van de Provinciale Staten van Drenthe en van Zuid-Holland, en Maria Elisabeth Henriette Geisweit van der Netten, opvoedkundige. Gehuwd op 5-8-1920 met Catharina Amelia Frankamp (1885-1969), wiskundelerares en vertaalster. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. Na echtscheiding (12-4-1926) gehuwd op 13-11-1927 met Alida Swaneveld (1885-1974). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Sandberg, jhr. Willem Jacob Henri Berend

Willem Sandberg stamde uit een welgestelde adellijke familie van grondbezitters, bestuursambtenaren en militairen. Hij werd geboren in Amersfoort, waar zijn vader gemeentesecretaris was. In de deftige, traditioneel protestants-christelijke sfeer van het ouderlijk huis kon Willem echter maar moeilijk aarden. Als kind was hij veel ziek. Hij was linkshandig en stotterde. Met zijn drie jaar oudere broer en negen jaar jongere zuster had hij nauwelijks contact. Wel ging hij graag om met zijn sociaal en literair geïnteresseerde grootmoeder, een kleindochter van Johannes van den Bosch, de bekende stichter van de Koloniën van Weldadigheid. Ook zijn moeder, later een bekend pedagoge, had veel invloed op zijn intellectuele ontwikkeling.

In 1904, toen Willem zeven was, werd zijn vader benoemd tot griffier van Provinciale Staten van Drenthe en verhuisde het gezin naar Assen. Op het gymnasium in Assen volgde Willem zowel de a- als de ß-richting. Omdat hij belangstelling had voor de beeldende kunsten, kreeg hij tijdens zijn schooltijd lessen in tekenen bij de schilder L.A. Roessingh. In diens gezin leerde hij - naar eigen zeggen - voor het eerst een 'vrije levenswijze' kennen. Na het eindexamen in 1917 werd hij opgeroepen voor het leger. Hij begon aan een officiersopleiding aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda, maar brak deze na enkele maanden af, toen hij besefte dat hij, met zijn afkeer van autoriteit, nooit de eed op de Koningin zou willen afleggen. Het laatste jaar van zijn dienstplicht bracht hij door als sergeant bij de grensbewaking.

Ofschoon zijn vader graag had gezien dat hij rechten zou studeren, kreeg Sandberg toestemming een opleiding tot kunstenaar te volgen. In 1919 schreef hij zich in aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Hij vond zijn docenten weinig inspirerend, zodat hij het er nog geen jaar uithield. Van veel meer betekenis was de ontmoeting met de dichter Herman Gorter, bij wie hij met enkele vrienden een cursus in het marxisme volgde. Gorters toekomstvisioen van een tegelijk egalitaire en esthetisch verfijnde samenleving maakte diepe indruk. Intussen had Sandberg een nauwe band behouden met de twaalf jaar oudere Emy Frankamp, zijn vroegere wiskundelerares van het gymnasium in Assen. In de zomer van 1920 besloten zij te trouwen. Het paar maakte een huwelijksreis naar Italië, maar in plaats van naar Nederland terug te keren, brachten zij de winter door in een vakantiehuis aan de kust bij Pisa.

In Italië kreeg Sandberg, nog meer dan tevoren, last van problemen aan zijn neusholte en ademhalingsorganen. Om herstel te zoeken reisde hij met zijn vrouw in het voorjaar van 1921 naar Locarno, en vandaar naar een 'Naturheilsanatorium' in de Duitse Harz. Sandberg was al eerder principieel vegetariër geworden. Nu leerde hij zijn lichaam rust te geven door zich gedurende langere tijd geheel van voedsel te onthouden. Aan deze levenswijze schreef hij toe dat hij van zijn lichamelijke en psychische aandoeningen volledig en duurzaam genas. Ook daarna hield hij de gewoonte om voorafgaande aan moeilijke beslissingen een tijd lang te vasten. Later dat jaar vestigde Sandberg zich met zijn vrouw in Herrliberg bij Zürich, het centrum van de internationale Mazdaznan-beweging, een op de natuurgeneeswijze gebaseerde spiritualistische stroming. Hier werd in januari 1922 hun enige dochter Helga geboren.

Op de drukkerij van de beweging in Herrliberg deed Sandberg zijn eerste ervaring op als typograaf. Ook raakte hij hier bevriend met de bevlogen Bauhaus-kunstenaar en Mazdaznan-aanhanger Johannes Itten. Zijn eigen ambities om schilder te worden gaf hij op. In 1924 keerde Sandberg terug naar Nederland, waar hij zijn inkomen uit particuliere middelen aanvulde met het geven van lezingen en cursussen over mystiek en natuurgeneeskunde. Na twee jaar van intensieve arbeid voor Mazdaznan kreeg hij echter een toenemende afkeer van het occultisme en de persoonsverheerlijking in de beweging. Ook stond het hem tegen dat hij door de aard van zijn lezingen vooral mensen tegenkwam met allerlei echte en ingebeelde kwalen.

In 1926 scheidde Sandberg van Emy Frankamp, met wie hij had afgesproken dat zij elkaar desgewenst vrij zouden laten. Het jaar daarop hertrouwde hij met de eveneens twaalf jaar oudere Lida Swaneveld, die hij tijdens een voordracht van Itten in Amsterdam had leren kennen. Zij had een dochter en een zoon uit een vorig huwelijk. Nog altijd bleef Sandberg met grote gedrevenheid op zoek naar een levensvervulling. In 1927 studeerde hij korte tijd psychologie in Wenen, onder meer bij de psychiater Alfred Adler, en leerde hij bij de socioloog Otto Neurath om beeldstatistieken te maken. Deze visuele voorstellingen van abstract-mathematische gegevens, een combinatie van kunst en sociale wetenschap, zag hij toen als de verbeeldingsvorm van de toekomst.

Na zijn terugkeer in Amsterdam was Sandberg van 1928 tot 1938 in hoofdzaak actief als grafisch ontwerper; uiteindelijk vooral voor de PTT. In de zwaarste jaren van de economische crisis hield hij echter zoveel tijd over, dat hij aan de Rijksuniversiteit te Utrecht verder ging met de studie psychologie. Ook legde Sandberg examens af in de filosofie en in de rechten, waaraan hij onverwacht veel genoegen beleefde. De colleges kunstgeschiedenis bij professor Willem Vogelsang bevielen hem veel minder. Toen na 1935 de opdrachten weer toenamen nam hij zonder veel moeite afscheid van de academische wereld.

Sandberg had inmiddels goede relaties met veel prominente Nederlandse en buitenlandse ontwerpers en architecten, in het bijzonder uit de constructivistische richting. Naarmate de kring van zijn contacten zich uitbreidde, ontdekte hij ook zijn talent voor organisatie en bemiddeling. In 1932 was hij lid geworden van de Nederlandsche Vereeniging van Ambachts- en Nijverheidskunstenaars. Weldra trad hij toe tot het bestuur. Deze vereniging had - zoals meer kunstenaarsverenigingen - het recht jaarlijks een tentoonstelling te presenteren in het Amsterdamse Stedelijk Museum. De manier waarop Sandberg zich hiervoor inspande, trok de aandacht van directeur C.W.H. Baard. Vanaf 1934 gaf deze hem herhaalde malen de gelegenheid in het 'Stedelijk' exposities over eigentijdse thema's in te richten. Van grote betekenis voor Sandbergs stijl als ontwerper was zijn kennismaking in deze jaren met H.N. Werkman. Van deze Groningse kunstenaar leerde hij de typografie te beschouwen als een vorm van schilderkunst.

Nadat D.C. Röell in 1936 Baard als directeur van het Stedelijk Museum was opgevolgd, bood hij Sandberg een vast dienstverband als conservator en adjunct-directeur. Deze nam het aanbod aan, op voorwaarde dat hij daarnaast ook nog als graficus werkzaam mocht blijven. Een van Sandbergs eerste manifestaties, na zijn aantreden op 1 januari 1938, was een grote tentoonstelling 'Abstracte Kunst'. In de zomer van dat jaar liet hij - tijdens de vakantie van directeur Röell en tot woede van de burgemeester - het trappenhuis en een deel van het interieur wit schilderen. Om het bovenlicht te temperen, vroeg hij Johannes Itten om een doorschijnend scherm te ontwerpen. Ook maakte hij toen al plannen om de oudere collecties te verplaatsen naar het leeggekomen Burgerweeshuis.

Tijdens de late jaren dertig deed Sandberg ook buiten het museum van zich spreken. Zo reisde hij in de herfst van 1938 naar Spanje om te zien hoe de Republikeinse regering in de burgeroorlog de nationale kunstschatten poogde te beschermen. Het besluit om bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in september 1939, de topstukken uit de Nederlandse openbare collecties in bunkers in de duinen onder te brengen werd mede ingegeven door Sandbergs aanbevelingen. Toen in 1939 de opdracht voor het Nederlandse paviljoen op de wereldtentoonstelling in New York aan de behoudende architect D.F. Slothouwer werd toegekend, organiseerde Sandberg met succes een boycot onder alle modernistische Nederlandse kunstenaars. Uit de contacten die op deze manier ontstonden, zou na de Duitse inval van mei 1940 het kunstenaarsverzet groeien.

Tijdens de bezetting werden de activiteiten van het Stedelijk Museum onvermijdelijk tot een minimum beperkt, al probeerde Sandberg in dezelfde geest voort te gaan met bijvoorbeeld tentoonstellingen van moderne woninginrichting. Al snel raakte hij bij de illegaliteit betrokken. Na veel experimenten ontdekte hij met enkele anderen een manier om goed gelijkende valse identiteitsbewijzen te maken. Maar omdat uit de documentatie van de burgerlijke stand bleef af te leiden dat zij onecht waren, besloot een groep kunstenaars in het verzet om het Amsterdamse bevolkingsregister op te blazen. Na enkele malen uitstel werd de aanslag op 27 maart 1943 gepleegd. De meeste daders werden al na korte tijd gearresteerd en omgebracht. Sandberg, die wel aan de voorbereiding maar niet aan de overval zelf had deelgenomen, wist door het kordate optreden van zijn vrouw Lida te ontkomen. Zij slaagde erin hem op tijd te waarschuwen toen hij thuis werd gezocht, en bracht later zes maanden in de gevangenis door, omdat zij zijn verblijfplaats verzweeg.

De laatste twee jaren van de bezetting bracht Sandberg door op verscheidene onderduikadressen in Limburg, Noord-Brabant en de Betuwe. Hij noemde zich 'H.W. van den Bosch', als eerbetoon aan de familie van zijn grootmoeder. In deze periode van gedwongen isolement en voortdurend levensgevaar schreef hij een reeks geïllustreerde boekjes met aantekeningen, de Experimenta Typographica, waarin hij de artistieke en levensbeschouwelijke principes ontwikkelde, waaraan hij verder zou vasthouden.

Na de bevrijding keerde Sandberg terug in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Directeur D.C. Röell aanvaardde even later een benoeming aan het Rijksmuseum, en op 1 september 1945 volgde Sandberg hem op. Onder zijn leiding ontwikkelde het 'Stedelijk', dat toen ook nog de later zelfstandig geworden Van Gogh-collectie omvatte, zich al spoedig tot een internationaal vermaard proefstation voor de eigentijdse kunst. Door een voortdurende opeenvolging van verrassende, vaak geruchtmakende en omstreden tentoonstellingen gaf hij blijk van stelselmatige vernieuwing. Daaraan droeg ook de opvallende vormgeving bij, die hij zoveel mogelijk in eigen hand hield. Een vast kenmerk werden de 'scheurletters', die hij door hun rafelige vormen als natuurlijker en spontaner ervoer dan getekende of uitgesneden lettertekens. Voor ongeveer driehonderd door het museum georganiseerde exposities ontwierp Sandberg zelf de affiches en de catalogi - doorgaans in de avonduren - zonder er een extra honorarium voor te ontvangen. Behalve aan de nieuwste schilder- en beeldhouwkunst besteedde hij, evenals vóór 1940, ook veel aandacht aan architectuur, grafische kunsten, meubel- en interieurontwerpen. Dikwijls, zoals met de internationale kunstenaarsgroep CoBrA in 1949, leidde een tentoonstelling in Amsterdam tot de doorbraak van een kunstenaar of kunststroming. Sandbergs zeventienjarig directeurschap heeft als glorietijd van het Stedelijk Museum dan ook een legendarische status gekregen.

In de opvatting van Sandberg diende een modern museum richting te wijzen, voorlichting te geven en op te voeden. Het was niet voldoende om te tonen wat zich toevallig voordeed of aanbood. De traditionele verenigingstentoonstellingen, waarmee zijn eigen loopbaan in het museum was begonnen, schafte hij af. Initiatief en keuze kwamen voortaan bij de directie te liggen. De ware kunstenaar, meende Sandberg, was iemand die intuïtief uitdrukking gaf aan de verandering van de samenleving, aan 'wat er werkelijk leefde' (Leeuw-Marcar, 229). Door consequent de nieuwste bewegingen te introduceren werd het museum een plaats waar het publiek een beeld kreeg van de toekomst. Deze toekomst zou democratisch zijn. Sandberg was ervan overtuigd dat mensen steeds meer vrije tijd zouden krijgen, zodat er een groot beroep zou worden gedaan op de in ieder aanwezige creativiteit. Het museum kon functioneren als inspiratiebron, als trefpunt, als een 'levenscentrum'. Daarom stimuleerde hij talrijke projecten om de jeugd naar het museum te halen en de beoefening van expressievakken op school te bevorderen. In 1952 hielp hij het Nederlands Filmmuseum oprichten, dat aanvankelijk in het Stedelijk Museum was gehuisvest.

Met zijn zwierige, tegelijk voorname en nonchalante uiterlijk, zijn imposante witte kuif en zijn onafscheidelijke vlinderdasje, zijn bevlogen idealen en zijn doorgaans half in dichtvorm geschreven commentaren had Sandberg ook zelf wel iets van een profeet. Hij hield niet van intellectualistische theorieën en redeneringen. Zijn reactie toen een sollicitant hem vertelde dat hij kunstgeschiedenis had gestudeerd, is beroemd geworden: 'Dat hoeft geen bezwaar te zijn'. Toch steunde zijn beleid dikwijls op het advies van de tweede man in het museum, de kunsthistoricus H.L.C. Jaffé. Sandberg kon zeer stellig zijn in zijn oordeel, maar hij was niet minder een soepel diplomaat. Naast zijn werk als museumdirecteur en als ontwerper vervulde hij een groot aantal bestuursfuncties in de Nederlandse kunstwereld. Tegen de koers van het 'Stedelijk' bestond in de pers en de gemeenteraad gedurende zijn hele ambtsperiode veel oppositie. Hij had zijn werk niet kunnen doen als hij niet ook steeds sympathie voor zijn visie had weten te winnen.

Aan eerbewijzen heeft het Sandberg niet ontbroken. Bij zijn afscheid van het Stedelijk Museum in 1962 kreeg hij ongeveer honderd werken van eigentijdse kunstenaars, die hij als 'Collectie-Sandberg' aan het museum schonk. In hetzelfde jaar kreeg hij een eredoctoraat van de universiteit van Buffalo in de Verenigde Staten en ontving hij de Gouden Medaille van de stad Amsterdam. In 1968 werd hem de staatsprijs toegekend voor beeldende kunst en architectuur, en in 1975 de Erasmusprijs, samen met de kunsthistoricus E.H. Gombrich. Van 1963 tot 1968 verbleef Sandberg vaak in Jeruzalem, waar hij voorzitter werd van de raad van bestuur van het in 1965 opgerichte Israel Museum. Zijn idee van het museum als 'levenscentrum' lag ten grondslag aan het in 1977 geopende Centre Georges Pompidou (Centre Beaubourg) voor alle vormen van moderne kunst in Parijs. Hij bleef tot op hoge leeftijd actief als typograaf. In 1976 ontwierp hij nog een nieuw type cijferpostzegel, dat door de PTT uiteindelijk niet werd overgenomen, omdat het te bont en uitbundig werd gevonden. Toen Sandberg in 1984 in Amsterdam overleed, 86 jaar oud, bestond algemeen het gevoel dat met hem een tijdperk was heengegaan.

De indruk wordt vaak gewekt dat Sandberg na 1945 het Stedelijk Museum, en daarmee een belangrijk deel van de Nederlandse cultuur, met vaste hand de moderne tijd heeft binnengeleid. Maar men kan ook zeggen dat hij zijn leven lang een utopist en een zoeker is geweest. Bij nadere beschouwing valt op hoeveel tegenstrijdigheden hij in zich verenigde. Hij wilde zich uit de regententraditie losmaken, maar had toch een roeping voor het besturen. Zijn artistieke voorkeur begon met rechtlijnigheid, orde en versobering, maar hij eindigde als verdediger van de vrije expressie. Hij had een liefde voor de architectuur, maar zijn enige grote bouwproject, de in 1954 geopende zijvleugel van het Stedelijk Museum, gold algemeen als een mislukking. Hij zocht naar een kunst die zou passen in de technologische samenleving, maar had een buitengewoon romantisch beeld van het kunstenaarschap. Hij deed alsof zijn museum niet meer was dan een kruispunt van actuele stromingen, maar legde toch ook een vaste verzameling aan. Hij geloofde in volledige gelijkheid, maar bleef in alles een gentleman. Terugkijkend in 1981 meende Sandberg dat hij van het museum 'een socialistisch bedrijf' had gemaakt. In zijn opvatting betekende dit niet dat iedereen elkaar tutoyeerde, maar dat er, anders dan vroeger, tegen de portiers en suppoosten en het kantinepersoneel nu ook 'U' werd gezegd (Leeuw-Marcar 346).

A: Archief Stedelijk Museum in het Stadsarchief Amsterdam.

P: Lijst van publicaties van Willem Sandberg in de onder L genoemde publicatie van Petersen, Sandberg. Vormgever van het Stedelijk, pp. 177-183 (sub PUBL).

L: Lijst van publicaties over Willem Sandberg in: Ad Petersen, Sandberg. Vormgever van het Stedelijk (Rotterdam 2004) 177-183 (sub LIT). Interviews met Sandberg in: Ank Leeuw-Marcar, Sandberg. Portret van een kunstenaar (2de dr.; Amsterdam 2004). Op 6-11-1972 zond de NOS in de reeks 'De Onvergetelijken' de televisiedocumentaire Willem Sandberg van Paul Aletrino uit. Op 4-11-1980 zond de NOS in de reeks 'Beeldspraak' de televisiedocumentaire Sandberg van Rolph Ortel uit.

I: Website Stedelijk Museum Amsterdam: http://www.stedelijk.nl/oc2/page.asp?PageID=1626 [19-5-2008].

W.E. Krul


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013