Sassen, Emanuel Marie Joseph Anthony (1911-1995)

 
English | Nederlands

SASSEN, Emanuel Marie Joseph Anthony (1911-1995)

Sassen, Emanuel Marie Joseph Anthony, politicus en minister ('s-Hertogenbosch 8-9-1911- 's-Hertogenbosch 20-12-1995). Zoon van Karel Conrad Joseph Marie Sassen, rechter bij de arrondissementsrechtbank, en Elizabeth Margaretha Maria van Heijst. Gehuwd op 5-6-1939 met Sophie Marie Louise Romme (1913-1977). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren. Na haar overlijden gehuwd op 23-9-1978 met Jeannette Marie Henriette Koenen (1918-1994). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Sassen, Emanuel Marie Joseph Anthony

Emanuel ('Maan') Sassen was de kleinzoon van een raadsheer en enig kind van een rechter. Een juridische carrière lag dus voor hem voor de hand. Na de opleiding gymnasium-a aan het St. Jans-Lyceum in 's-Hertogenbosch te hebben voltooid begon hij in 1930 met de rechtenstudie aan de Roomsch Katholieke Universiteit te Nijmegen. Hij ondervond hier de invloed van het neothomistisch denken, dat uitging van een op harmonie gebaseerde, klassenloze en organische samenleving en dat wars was van individualistisch liberalisme of dirigistisch marxisme. Voor Sassen zouden deze denkbeelden voortaan zijn wijsgerige uitgangspunt blijven, terwijl ook het in zijn familie levende liberale katholicisme daarin herkenbaar bleef. Tijdens zijn latere Nijmeegse jaren toonde hij zich een actief corpsstudent. Hij zou er levenslange vriendschappen aan overhouden. Op 20 maart 1936 legde hij het doctoraalexamen af. Vervolgens ging hij werken op een advocatenkantoor in 's-Hertogenbosch, waaraan hij tot 1946 verbonden zou blijven.

Al snel nam de loopbaan van Sassen een wending. Hij raakte mede door de dreigende opkomst van de totalitaire bewegingen in de jaren dertig in de politiek geïnteresseerd. In 1939 huwde hij zijn jeugdliefde Sophie Romme, een nicht van de toenmalige minister van Sociale Zaken, C.P.M. Romme, en verhuisde hij naar Vught. Zijn huwelijk bracht hem in contact met het katholieke politieke milieu. Na in 1938 lid te zijn geworden van de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) werd hij secretaris van de kieskring 's-Hertogenbosch. In juli 1939 werd hij lid van de Provinciale Staten van Noord-Brabant, waar hij - met een onderbreking van de bezettingsjaren - tot december 1948 zitting zou hebben.

Reeds in de jaren dertig had Sassen zich aangesloten bij de conservatieve emancipatiebeweging Brabantia Nostra. Na de Duitse inval in mei 1940 werd hij lid van bij de nationale eenheidsbeweging de Nederlandsche Unie. Bij die keuze speelde, behalve zijn anti-NSB-sentiment en afkeer van het vooroorlogse politieke bestel, ook zijn voorkeur voor een ander, meer organisch georganiseerd stelsel onder leiding van een 'krachtig en besluitvaardig gezag' een rol. Zich steeds meer profilerend als de ideoloog van de Unie trad Sassen nog in september 1941 - drie maanden vóór haar opheffing door de Duitsers - op als één van de drie auteurs van de Grondslagen van de Nederlandsche Unie. Samen met vele andere vooraanstaande Nederlanders werd hij op 4 mei 1942 door de Duitsers geïnterneerd in het gijzelaarskamp 'Beekvliet' in Sint-Michielsgestel. Tot 20 december 1943 zou hij hier verblijven.

Sassen, wiens belevingswereld zich tot dan toe had beperkt tot de eigen zuil, maakte in gevangenschap kennis met andersdenkenden. In 'Beekvliet' nam hij het initiatief tot de zogeheten 'Heren Zeventien', een gezelschap dat nadacht over een nieuw politiek bestel. Hij raakte er onder de invloed van de progressief-katholieke Franse filosoof Jacques Maritain en sloot zich aan bij de pleidooien voor een brede volksbeweging ter vervanging van het vooroorlogse verzuilde stelsel. Deze ideeën zou Sassen onder meer publiceren in de aanvankelijk illegale katholieke doorbraakbladen Je Maintiendrai en Christofoor.

Na de bevrijding van het Zuiden, in september 1944, kwam het tot de oprichting van de Nederlandse Volksbeweging (NVB). De bisschoppen wensten echter onverkort herstel van de katholieke maatschappelijke organisaties. Onder druk van de bisschop van 's-Hertogenbosch trad Sassen in december 1944 terug uit de raad van toezicht van het blad De Vrije Pers van de Stichting 'Christofoor', waartoe hij slechts enkele weken eerder was toegetreden. Als representant van de zogeheten 'vernieuwers' en als voorzitter van de kieskring 's-Hertogenbosch van de gereactiveerde RKSP speelde Sassen nog wel een vooraanstaande rol in de discussies die voorafgingen aan de oprichting van de Katholieke Volkspartij (KVP) op 22 december 1945, waarvan hij tot 1948 één van de twee ondervoorzitters was.

Op 1 januari 1945 trad Sassen toe tot het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. Die functie gaf hij weer op, toen hij op 4 juni 1946 lid werd van de Tweede Kamer. In de KVP-fractie vertegenwoordigde hij het vernieuwde en progressieve deel van de partij. Als Kamerlid maakte Sassen indruk door zijn deskundigheid, vooral inzake buitenlandse aangelegenheden. Maar hij viel ook op vanwege zijn uitgesproken, wat pompeuze optreden. Zijn dominante karakter en gebrek aan tact riepen weerstanden op. Dit alles droeg bij aan het imago van een talentrijk, maar al te zelfbewust politicus.

In het eerste brede basiskabinet Drees-Van Schaik, dat op 7 augustus 1948 aantrad, werd Sassen - pas 36 jaar oud - minister van Overzeese Gebiedsdelen. KVP-leider Romme wenste een grotere inbreng van zijn partij in het koloniale vraagstuk. Omdat zijn eigen kandidatuur voor dit departement voor de Partij van de Arbeid (PvdA) onaanvaardbaar was, schoof Romme zijn aangetrouwde neef naar voren. Overeenkomstig de tijdens de formatie tussen PvdA en KVP gemaakte afspraken stuurde Sassen al in de eerste maand na zijn aantreden aan op het vertrek van de progressieve luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook, zodat zijn plaats kon worden ingenomen door oud-premier en KVP'er L.J.M. Beel als Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon in Indië. De jonge minister zond de veel meer ervaren landvoogd een kort briefje, waarin deze werd bedankt voor bewezen diensten. Deze trok daaruit zijn conclusies. Het bevestigde het beeld van een ongepaste hooghartigheid bij de jonge bewindsman.

De door Sassen ontworpen en in rap tempo door het parlement aanvaarde overgangsregeling Bestuur Indonesië in Overgangstijd - 'Noodwet Indonesië' - beoogde het behoud van een duurzame Nederlandse invloed in een nieuw te vormen Indonesische federatie. Wel vreesde de regering in Den Haag dat de 'Republik Indonesia' van de nationalist Soekarno deze nieuwe federale eenheid geheel zou domineren. De federatieplannen ontbeerden evenwel de steun van de internationale gemeenschap, die voorstander was van een zelfstandig Indonesië. Toen het overleg met de Republiek en de Indonesische federalisten over een federale staatsvorm in een impasse geraakte, besloot de Nederlandse regering tot militair ingrijpen, teneinde de gewenste federatieve staatsvorm met geweld op te leggen.

De tweede politiële actie, die van eind december 1948 tot mei 1949 plaatsvond, was een militair succes, maar een politiek echec. Onder druk van de Veiligheidsraad besloot Beel, als Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon, begin 1949 tot een koerswijziging. Zonder medeweten of instemming van Sassen zond hij het kabinet een plan dat uitging van een versnelde soevereiniteitsoverdracht aan de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië. Pas daarna zou de federatie verder vormgegeven moeten worden. Sassen, die zijn onvrede aan Beel kenbaar maakte, wenste het plan te amenderen: de soevereiniteit diende niet voortijdig uit handen gegeven te worden, de bemoeienis van een commissie van de Verenigde Naties (VN) voor Indonesië werd uitgesloten en de Republikeinse leiders zouden geïnterneerd blijven. Naar zijn gevoel zou de onder zijn verantwoordelijkheid ondernomen politiële actie anders voor niets zijn geweest. Indien de VN niet akkoord gingen met dit gewijzigde plan, zou Nederland de archipel desnoods moeten 'abandonneren'.

Op 7 februari presenteerde Sassen met medeweten van Romme dit plan in de ministerraad, waar zijn collega's afkeurend reageerden. Nederland, economisch sterk afhankelijk van de Amerikaanse Marshallhulp, wenste de VN niet verder te bruuskeren. In het kabinet stond Sassen nu alleen, en op 14 februari werd hem op verzoek ontslag verleend. Hoewel Romme het met zijn partijgenoot eens was, wenste hij geen kabinetscrisis. Het door de KVP voorgestane Indië-beleid was niet realistisch gebleken. Sassen, als voornaamste uitvoerder, had hiervoor de politieke verantwoordelijkheid genomen.

Na deze politieke, maar ook persoonlijke teleurstelling nam Sassen zijn werk als advocaat weer op. Zijn rol in de politiek leek uitgespeeld. Slechts weinigen, ook in zijn eigen partij, hadden nog vertrouwen in hem. Een uitzondering vormde zijn partijgenoot en voormalig minister M.P.L. Steenberghe, die hem introduceerde in het bedrijfsleven, waar hij verscheidene commissariaten ging vervullen. Steenberghe was tevens de initiator van een pressiegroep die binnen de KVP kritiek uitoefende op het - volgens hem - al te dirigistische sociaal-economische en financiële beleid van het kabinet-Drees. Sassen sloot zich hierbij aan. Naar de mening van de groep was de KVP te zeer van haar eigen christelijk-sociale beginselen afgeweken ten gunste van de door staatsbemoeienis en centralisme gekenmerkte beleid van de PvdA. Het optreden van de Groep-Steenberghe beoogde, naar eigen zeggen, geenszins de eenheid in de KVP te verstoren. Sassen, die tot 1957 lid van het partijbestuur bleef, plaatste zich met zijn deelname aan de Groep-Steenberghe wel steeds meer op de rechtervleugel van de KVP. Tegelijk valt er in zijn opstelling een grote mate van consistentie te bespeuren. Een organische maatschappij bleef immers zijn ideaal.

Van december 1949 tot maart 1958 had Sassen wederom zitting in de Provinciale Staten van Noord-Brabant. Nadat hij in april 1950 lid was geworden van de Centrale Raad van Beroep, de hoogste beroepsinstantie voor ambtenaren, werd hij op 15 juli 1952 lid van de Eerste Kamer. Hij zou hier tot 4 februari 1958 zitting hebben. Ondertussen had zijn aandacht zich verplaatst naar Europa. Om catastrofes als de Tweede Wereldoorlog in de toekomst te voorkomen was hij een voorstander van Europese samenwerking op bovennationaal niveau. Die samenwerking zou, geheel conform de door hem onverminderd aangehangen katholieke politieke principes, organisch georganiseerd moeten worden op basis van het subsidiariteitsbeginsel. Onnodig centralisme diende ook hier te worden vermeden.

Sassen had reeds als ondervoorzitter van de KVP (1946-1948) de Europese contacten van de partij voor zijn rekening genomen. Zo was hij onder meer in februari 1947 in Luzern aanwezig geweest bij de voorbereidende besprekingen van de organisatie van Europese christen-democraten, de zogeheten Nouvelles Équipes Internationales (NEI). Van 1949 tot 1958 was hij vice-voorzitter van deze christen-democratische internationale, waarvan namens Nederland aanvankelijk alleen de KVP deel uitmaakte. Begin 1954 slaagde hij erin ook de Antirevolutionaire Partij (ARP) en de Christelijk-Historische Unie (CHU) tot de NEI te doen toetreden. Van de vervolgens door de drie partijen geformeerde Nederlandse 'equipe' was Sassen tot 1958 voorzitter. In september 1952 was Sassen lid geworden van de Gemeenschappelijke Vergadering van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, die als embryonaal Europees Parlement dienst deed. Hier was hij onmiddellijk tot voorzitter van de gezamenlijke christen-democratische fractie gekozen. Het mag gelden als bewijs voor het gezag dat hij in internationale christen-democratische kringen genoot.

Zijn nationale en provinciale politieke functies moest Sassen in februari 1958 opgeven toen hij van Vught naar Brussel verhuisde om als het Nederlandse lid zitting te nemen in de commissie van de Europese Atoomgemeenschap (Euratom). In juli 1967 nam Sassen zitting in de nieuwgevormde Europese Commissie, waar hij de portefeuille concurrentiezaken kreeg toegewezen. Toen in juni 1970 een nieuwe Commissie aantrad, waarbij de omvang werd teruggebracht van veertien naar negen leden, trad Sassen terug. Het betekende niet dat hij uit Brussel vertrok, aangezien hij tot zijn pensionering in 1977 permanent vertegenwoordiger van de Nederlandse regering bij de Europese Gemeenschap was. In deze hoedanigheid werd veelvuldig een beroep gedaan op zijn tijdens de Europese jaren tot wasdom gekomen diplomatieke kwaliteiten. Sassen kreeg in deze 'Europese fase' van zijn carrière veel waardering. Volgens tijdgenoten had dit veel te maken met het gegeven dat hij in de persoonlijke omgang niet meer de onhebbelijkheden vertoonde die zijn gedrag als furore makend jong politicus op het nationale plan wel hadden gekenmerkt. De mislukking van zijn ministerschap heeft hier wellicht louterend gewerkt.

Sassen bleef ook na zijn actieve Europese loopbaan in Brussel wonen, waar hij contact hield met zijn Europese vrienden. Daarnaast vertoefde hij - in 1978 was hij voor de tweede maal getrouwd - geregeld op het familiebezit 'Twijnmeer' in het Oost-Brabantse Gemonde. Ook in deze jaren onderhield hij een aantal in vorige decennia vergaarde commissariaten in de Nederlandse ondernemerswereld. De contacten met werkgevers en werknemers die hieruit voortvloeiden, heeft hij steeds gewaardeerd. Kort voor kerstmis 1995 overleed Sassen op 84-jarige leeftijd in een ziekenhuis in 's-Hertogenbosch.

Verwijzend naar zijn pleidooien voor een 'vernieuwde', op het personalisme gebaseerde christelijke politiek tijdens en vlak na de Duitse bezetting en zijn rol op het Europese toneel liet Sassen zich er geregeld op voorstaan een van de eerste Nederlandse christen-democraten te zijn geweest. Zijn omarming van de aloude neothomistische ideeën, waarbij hij een meer corporatistische interpretatie van de democratie als staatsvorm prefereerde, maken hem echter eerder tot een van de laatste traditionele katholieke politici.

A: Persoonlijk archief-E.M.J.A. Sassen in familiebezit.

L: C. Smit, 'Mr. E.J.M.A. Sassen', in idem, De dekolonisatie van Indonesië. Feiten en beschouwingen (Groningen 1976) 131-140; Jan Bank, Opkomst en ondergang van de Nederlandse Volksbeweging (NVB) (Deventer 1978); Madelon de Keizer, De gijzelaars van Sint Michielsgestel. Een elite-beraad in oorlogstijd (Alphen aan den Rijn 1979); Peter F. Maas, Indië verloren, rampspoed geboren. Het moeizame afscheid van Indië van Van Mook, Stikker en Sassen (Dieren 1983); Jan Bank, Katholieken en de Indonesische revolutie (Baarn 1983); Ronald Gase, Beel in Batavia. Van contact tot conflict. Verwikkelingen rond de Indonesische kwestie in 1948 (Baarn 1986); Henk Termeer, 'Het geweten der natie'. De voormalige illegaliteit in het bevrijde Zuiden, september 1944 - mei 1945 (Assen 1994); interview door Hennie Corman, in KUzien 42 (winter 1994/1995) 5-7; J.A. Bornewasser, Katholieke Volkspartij, 1945-1980. I: Herkomst en groei (tot 1963) (Nijmegen 1995); Het kabinet-Drees-Van Schaik (1948-1951). Onder red. van P.F. Maas en J.M.M.J. Clerx. Band C: Koude Oorlog, dekolonisatie en integratie (Nijmegen 1996); Annemarie van Heerikhuizen, 'E.M.J.A. Sassen', in idem, Pioniers van een verenigd Europa. Bovennationaal denken in het Nederlandse parlement (1946- 1951) (Z.pl. 1998) 131-142; Wichert ten Have, De Nederlandse Unie. Aanpassing, vernieuwing en confrontatie in bezettingstijd, 1940-1941 (Amsterdam 1999).

I: CD/Actueel, 17-2-1996.

Alexander van Kessel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013