Schaefer, Johannes Lodewijk Nicolaas (1940-1994)

 
English | Nederlands

SCHAEFER, Johannes Lodewijk Nicolaas (1940-1994)

SCHAEFER, Johannes Lodewijk Nicolaas, politicus en bestuurder (Amsterdam 16-3-1940 – Amsterdam 30-1-1994). Zoon van Johannes Hendrikus Maria Schaefer, banketbakker, en Wilhelmina Sophia van Gemert. Gehuwd op 6-5-1964 met Alberdina Grootes (geb. 1944). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

afbeelding van SCHAEFER, Johannes Lodewijk Nicolaas

Als enig kind werd Jan Schaefer in het Amsterdamse Oud-West – waar zijn vader een banketbakkerij dreef – rooms-katholiek opgevoed, maar niet streng. Vanaf zijn zesde jaar hielp hij in het bedrijf met schoonmaken. Verwacht werd dat hij de zaak zou overnemen. Het huwelijk van zijn ouders was niet harmonieus, en geregeld hadden zij slaande ruzie. In 1951, toen Jan elf was, werd de echtscheiding uitgesproken. Moeder en zoon vertrokken naar een woning in Amstelveen, waar zij in armoe leefden.

Na één jaar MULO ging Jan naar een internaat in Voorhout bij Leiden. Daar bezocht hij van 1953 tot 1956 de banketbakkersopleiding van de Bisschoppelijke Nijverheidsschool. Op zijn zestiende jaar behaalde hij het middenstandsdiploma en ging hij aan de slag als banketbakker in het bedrijf van zijn vader, dat over twee winkels beschikte. Hoewel hij een afkeer van hem had en aanhoudend ruzie met hem had, ging hij daar toch werken, om zo in de nabijheid te zijn van een bedrijfschef – een Vlaming – , die hij vanuit zijn kindertijd kende. Hem beschouwde hij als een vader. ‘Ga boeken lezen, zei die, ga kursussen volgen, en je kan nooit genoeg geleerd hebben’, vertelde hij later over hem (De Rijk).

Die adviezen heeft Schaefer opgevolgd. Hij behaalde in de avonduren het diploma algemene handelskennis en sloot zich aan bij de Algemene Bedrijfsbond Voedings- en Genotsmiddelen. In de vakbeweging viel hij op door spraakzaamheid en een talent in het discussiëren. Veel leerde hij op de kadercursussen van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Gedurende een aantal jaren – vanaf omstreeks 1960 tot circa 1965 – was hij lid van de Communistische Partij Nederland en van de communistische vakbond Eenheids Vakcentrale. Achteraf beschreef hij het daar beleden marxisme als ‘een gesloten systeem met net zoveel symbolen’ als het rooms-katholicisme waarmee hij in zijn jeugd was geconfronteerd (Woltz). Hij nam afscheid van de partij, omdat hij zich niet kon verenigen met haar rigoureuze optreden jegens dissidenten.

Zijn echtgenote, Diny Grootes, modinette op een naaiatelier, leerde Schaefer kennen in een café in de Reguliersdwarsstraat, waar hij ’s avonds achter de bar stond om wat bij te verdienen. Zij trouwden in 1964 en gingen aanvankelijk wonen in een tuinhuisje van een pand in de Reguliersdwarsstraat. Daar werd in 1965 hun oudste kind, Remco, geboren. In de eerste jaren van hun huwelijk was Schaefer een tijdlang actief als assistent-coach bij de Amsterdamse honkbalvereniging OVVO (Op Volharding Volgt Overwinning).

In 1967 verhuisde Schaefer naar de Rustenburgerstraat in ‘De Pijp’, waar zijn gezin drie jaar later werd uitgebreid met dochter Mariska. Hij werd hier chef van een banketbakkerij en ontpopte zich bovendien als een ijverige buurtactivist. Tot aan zijn vertrek uit ‘De Pijp’ in 1973 spande Schaefer zich in om deze wijk door allerlei maatregelen – zoals het inrichten van speelplaatsen en het weren van autoverkeer – te behoeden voor afbraak ten behoeve van nieuwbouw en te doen renoveren. Hij ijverde voor een grotere betrokkenheid van de vakbeweging bij het actiewezen in de stadswijken. Zo had hij namens het NVV zitting in het bestuur van het Wijkcentrum van ‘De Pijp’.

Deze activiteiten brachten Schaefer in contact met Amsterdamse leden van de Partij van de Arbeid (PvdA). Een aantal jaren aarzelde hij om toe te treden, omdat de partij naar zijn smaak te behoudend was. De machtsovername door Nieuw Links in 1969 trok hem over de streep. In de PvdA ging het Schaefer voor de wind. Op politieke bijeenkomsten werd hij in Amsterdam een bekende persoonlijkheid, die luidkeels het woord voerde. Dat leidde tot zijn kandidatuur voor de Tweede Kamer, waarvan hij twee jaar lang – van 11 mei 1971 tot 11 mei 1973 – lid was.

In het parlement viel Schaefer op door zijn voorkomen. Volumineus van stem en postuur, ging hij nonchalant gekleed, in houthakkershemden met een mouwloos vest, in een spijkerbroek die hem strak om de buik spande, en bij voorkeur op slippers. Zijn ruwe imago werd versterkt doordat hij zich indertijd ontpopte als een fervent motorcrosser.

Van 11 mei 1973 tot 8 september 1977 was Schaefer staatssecretaris van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, belast met stadsvernieuwing, in het kabinet-Den Uyl. De bij zijn aantreden pas 33-jarige Schaefer was de eerste bewindsman die principieel de voorkeur gaf aan renovatie van oude stadswijken boven afbraak en nieuwbouw. Voor stadsvernieuwing werd een aanzienlijk hoger budget beschikbaar gesteld, en er kwamen allerlei financieringsregelingen voor gemeentelijke projecten op dit terrein. Vooral de grote steden spoorde hij aan tot renovatie. Aan bureaucratie en langdurige overwegingen had Schaefer een hekel. ‘Een politicus’, zei hij vaak, ‘moet kloten hebben.’ En: ‘In gelul kan niemand wonen’ (Arnoldussen en de Wildt, 162).

Tijdens de formatie van 1977 was Schaefer de beoogde minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in het te vormen tweede kabinet-Den Uyl. Nadat deze formatiepoging mislukt was, bleef hij lid van de Tweede Kamer, waar hij al op 8 juni 1977 opnieuw zitting had genomen. Inmiddels had de Amsterdamse PvdA-afdeling – na jaren van interne conflicten – behoefte gekregen aan een ‘sterke man’ en daarbij het oog laten vallen op Schaefer. Na enige aarzeling stemde deze hierin toe, en bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1978 voerde de partij campagne met de leuze ‘Jan Schaefer komt’. Met zijn spontane optreden, ‘recht voor z’n raap’ als man van het volk, bezorgde dit paradepaardje van de Haagse politiek de PvdA een opvallende winst van 17 naar 19 raadszetels.

Op 6 september 1978 verruilde Schaefer zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer voor het wethouderschap van Amsterdam. Tevens werd hij de leider van de Amsterdamse PvdA. In het college van B & W trok hij onmiddellijk alle politieke macht naar zich toe, en deze positie consolideerde hij vakkundig. Aan het openlijke geruzie binnen het PvdA-gewest maakte hij een einde door een strikte fractiediscipline in de raad toe te passen. Bovendien legde de PvdA onder Schaefer haar wil op aan de overige partijen door het gemeentebeleid begin september 1978 tot in detail vast te leggen in een programakkoord.

De kern van dit akkoord lag in de ingrijpende wijziging van de opvattingen over stadsvernieuwing. In plaats van de visie van de ‘uiteengelegde stad’, waarin de overtollige Amsterdammers zouden moeten worden ‘uitgestrooid’ over de provincie, kwam nu het idee van de ‘compacte stad’ naar voren. De woningen die voor de Amsterdammers in de overloopgebieden waren gereserveerd, moesten voortaan weer in de stad zelf worden gebouwd. Wonen, werken, verkeer en voorzieningen werden niet langer gescheiden behandeld, maar in onderlinge samenhang bezien.

Bij de uitvoering van deze gedachten was Schaefer een spin in het web. Doordat hij de portefeuilles Coördinatie Stadsvernieuwing, Grondzaken, Volkshuisvesting en Bouw- en Woningtoezicht onder zijn hoede had genomen, kon hij het gehele bouwproces domineren. Toen hij aan de slag ging, was de bouwproductie in de stad minimaal: in 1978 werden er 530 nieuwe woningen gebouwd. Maar al spoedig werden de resultaten van de beleidsomslag zichtbaar. Het topjaar was 1984 met een productie van ruim tienduizend nieuwe woningen. Sindsdien bedroeg de nieuwbouw in de woningsector tot 1992 gemiddeld rond vijfduizend per jaar.

Tijdens het wethouderschap van Schaefer waren er herhaalde botsingen tussen het stadsbestuur en de kraakbeweging. Zodra hij de leiding kreeg over het bouw- en woonbeleid, werd een tweeledige strategie ontwikkeld, waarin de gemeente enerzijds hard optrad, anderzijds soepel onderhandelde. In dit kader kregen veel krakers de kans hun pand door de gemeente te laten opkopen of hun woonsituatie te laten legaliseren. Wanneer zij dit echter weigerden en zich bleven verzetten, werd er hard opgetreden. Schaefers beleid had succes: de speelruimte van de kraakbeweging werd er aanzienlijk door verminderd. Tegelijkertijd wierp het beleid van de stadsverdichting zijn vruchten af. Het aantal leegstaande panden nam sterk af, waardoor de gemeente haar imago inzake volkshuisvesting bij de bevolking sterk verbeterde.

Op 29 april 1986 nam Schaefer afscheid als wethouder en wilde hij weer terug naar Den Haag. Zijn politieke imago had inmiddels butsen opgelopen. Zo had het Grondbedrijf een kastekort opgelopen van zestig miljoen gulden waarvoor hij verantwoordelijk werd gesteld. Ook haalde de plaatselijke pers hem geregeld onderuit vanwege zijn pronken met dure auto’s, motorfietsen en zijn hang naar casino’s.

In de Tweede Kamer zat de PvdA-fractie niet op Schaefer te wachten. Onmiddellijk nadat hij hier op 3 juni 1986 zitting had genomen, verkondigde hij partijleider Den Uyl te willen opvolgen, wat hem niet in dank werd afgenomen. Bij de portefeuilleverdeling binnen de fractie werd hem volkshuisvesting en ruimtelijk ordening geweigerd en moest hij genoegen nemen met het midden- en kleinbedrijf. Schaefer raakte verbitterd en werd ziek. Vijf maanden lang, van mei tot september 1987, was hij geveld door een bloedprop in de hersenen. Daarop kreeg hij trombose aan een been en strompelde hij een tijdlang op krukken door het Kamergebouw. In een interview zei hij: ‘Ik heb de rekening gepresenteerd gekregen voor die acht drukke jaren in Amsterdam. Maar ik heb altijd gezegd: ik word liever op een woeste manier veertig dan op een lullige manier tachtig’ (Van Weezel).

Zijn ziekte verzachtte Schaefers temperament niet. Zijn collega’s trakteerde hij op scheldpartijen, zoals ‘de Kamer is een kooi met grijze muizen’, terwijl hij zijn fractiegenoten afdeed als een club ‘geparfumeerde drollen’ (NRC-Handelsblad, 13-2-1988). Door de kritiek op zijn partij raakte hij uitgerangeerd. De strategie van de PvdA was inmiddels op consensus gericht. Schaefer bleef daarentegen polariseren jegens de liberalen en de confessionelen en werd daardoor de Don Quichot van de fractie. Als enige stemde hij in 1989 tegen de toetreding van de PvdA tot het kabinet Lubbers-III.

Nadat hij op medische gronden was afgekeurd, verliet hij op 22 februari 1990 – 49 jaar oud – de Tweede Kamer. Na zijn afkeuring lukte het hem niet rust te nemen. Zo was hij vanaf mei 1990 tot eind december 1991 voorzitter van de Interdepartementale Projectgroep Sociale Vernieuwing. Deze commissie – in de wandeling ‘de Bende van Schaefer’ genoemd – trok het land door om lokale projecten te stimuleren die gericht waren op de verbetering van het arbeidsmarktbeleid voor kansarmen en op de ouderenzorg. In oktober 1991 verraste Schaefer vriend en vijand met de oprichting van een politieke beweging buiten de partijen om – zelf bleef hij overigens lid van de PvdA – onder de naam ‘Democratisch Offensief’. Zijn plan, om door traditionele scheidslijnen te doorbreken, burger en politiek bij elkaar brengen mislukte echter. Vanaf 1992 was Schaefer ook betrokken bij de Gemeente-partij, een lokale Amsterdamse partij die de instelling van een deelraad voor Amsterdam-centrum bestreed.

Jan Schaefer overleed begin 1994 thuis, op de dag dat hij uit het ziekenhuis werd ontslagen, waar hij was opgenomen na een hartaanval. Tijdens zijn gehele carrière bleef deze flamboyante politicus een vertolker van de polarisatiegedachte uit de jaren zeventig en behield hij zijn geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Niet voor niets was Schaefer een opzienbarende figuur in het kabinet-Den Uyl. Zijn glorietijd vormde het wethouderschap in Amsterdam. Daar toonde Schaefer zich een bevlogen stadsvernieuwer, met gevoel voor wat leefde onder de bevolking. Maar eind jaren tachtig was het politieke klimaat dusdanig gewijzigd dat hij met zijn maakbaarheidsidealen geen gehoor meer vond.

A: Persoonlijk archief-J.L.N. Schaefer (1970-1990) en persdocumentatie betreffende hem in het Stadsarchief Amsterdam.

P: samen met Hans Hofhuis [e.a.], in Buurvrouw, mag ik je huisje kopen? Een reisverslag over huren, huurders en huurbazen [Hoorn 1972]; Ekonomie en stadsvernieuwing: of De lange mars naar een welzijnsvast pensioen (Amsterdam 1978); ‘Wie niet woont, zal niet leven. Wonen in Amsterdam, een signalement’, in Wonen tussen utopie en werkelijkheid (Nijkerk 1980) 11-27; samen met Frans van de Ven [e.a.], Plan voor de steden ([Amsterdam] 1981); ‘Democratie is meer dan een systeem, het is een mentaliteit’. Toespraken en uitspraken van Jan Schaefer. Samengest. door Diederik W. Hommes en Hans Stuper (’s-Gravenhage 1994).

L: Behalve necrologieën o.a. door Ed van Thijn, in Het Parool, 31-1-1994, door Wilco Boom, in Algemeen Dagblad, 1-2-1994, door Haro Hielkema, in Trouw, 1-2-1994, door Jaap Boersma, in Vrij Nederland, 5-2-1994, en door Wim Polak, in PRO-Amsterdam, 3 (1994) 2 (mrt.) 21: interview door W. Woltz, in NRC Handelsblad, 23-6-1973; interview door Martijn de Rijk, in de Haagse Post, 24-7-1976; interview door Bibeb, in Vrij Nederland, 25-9-1976; interview door Klaas Peereboom, in Het Parool, 3-2-1977; Nieuw leven in oude huizen. Jan Schaefer en de stadsvernieuwing (Amsterdam 1977); interview door Dick Schaap e.a., in Zero (juli 1978) 121-123; interview door J. van Tijn, in Vrij Nederland, 7-4-1979; interview door H.J. Oolbekkink, in Haagsche Courant , 24-4-1982; interview door Hubert Smeets, in NRC Handelsblad, 3-5-1983 en 13-2-1988; interview door Max van Weezel in Vrij Nederland, 12-11-1988; Corrie Verkerk, ‘Jan Schaefer: politicus (1940-1994)’, in Stadsgezichten. Honderd grote Amsterdammers uit de twintigste eeuw. Samengest. door Paul Arnoldussen en Annemarie de Wildt (Amsterdam 1999) 162-163; H. de Liagre Böhl, ‘De Amsterdamse consternatie’, in Wim Polak. Amsterdammer en sociaal-democraat. Opstellen van en over Wim Polak. Samengest. door Menno Polak en Gerrit van Herwijnen (Amsterdam 2003) 231-246. Op 15 november 2006 zonden de KRO en de Humanistische Omroep de televisiedocumentaire Jan Schaefer. De man van het volk van Maud Keus uit.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: Verhoef, Collectie ANEFO; Jan Schaefer in de Tweede Kamer in april 1978].

H. de Liagre Böhl


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013