Schokking, François Marie Anne (1908-1990)

 
English | Nederlands

SCHOKKING, François Marie Anne (1908-1990)

Schokking, François Marie Anne, burgemeester (Dordrecht 5-5-1908 - 's-Gravenhage 1-8-1990). Zoon van Jan Schokking, Nederlands-hervormd predikant en politicus, en Adriana Suzanna Claudine Metelerkamp. Gehuwd op 14-5-1938 met Catharine Cornelie Françoise Metelerkamp (1911-1999). Dit huwelijk bleef kinderloos. Zij hadden 1 pleegzoon.

afbeelding van Schokking, François Marie Anne

Frans Schokking groeide op als de jongste in een gezin van vier zoons. Hij bezocht het gymnasium in Leiden, de stad waar zijn vader tot 1918 Nederlands-hervormd predikant was en daarna, als Tweede-Kamerlid voor de Christelijk- Historische Unie (CHU), was blijven wonen. Hier ook ging hij in 1927 rechten studeren. Na op 17 februari 1933 het doctoraalexamen in de publiekrechtelijke richting te hebben afgelegd, kwam Schokking als tijdelijk ambtenaar op het Landbouw-Crisisbureau van het departement van Economische Zaken. Vanaf april 1934 was Schokking vier jaar lang werkzaam als secretaris van de Commissie van Advies, bedoeld in het Crisis-Organisatiebesluit van 1933, een functie die hij aanvankelijk combineerde met het secretariaat van nog twee andere commissies die eveneens verband hielden met de uitvoering van de Landbouw-Crisiswet van 1933. Zijn superieuren noemden hem ijverig en nauwgezet.

Schokking - evenals zijn vader lid van de CHU, maar niet actief - werd op 16 januari 1938 burgemeester van 's-Gravenzande in het Westland. Ruim twee jaar na de inval van de Duitsers, op 14 augustus 1942, werd hij, evenals de meeste burgemeesters in de kuststreek, door de bezetter uit zijn ambt ontslagen. In verband met een mogelijke geallieerde invasie vanuit zee wilde deze hier alleen betrouwbare functionarissen aan het hoofd van de gemeenten zien. In het geval van Schokking kwam daar nog bij dat hij een aanvaring met de Duitsers had gehad over een door hem ontslagen NSB-ambtenaar, die hij, ondanks herhaald aandringen van de bezetter, niet opnieuw in dienst had genomen. Het incident vormde voor de Duitse autoriteiten echter geen belemmering hem vrijwel onmiddellijk na zijn ontslag het waarnemend-burgemeesterschap van Hazerswoude aan te bieden, een aanbod dat hij na grote aarzeling aanvaardde.

In deze plattelandsgemeente ten oosten van Leiden zat het joodse echtpaar Pino met hun elfjarig dochtertje ondergedoken. Omdat zij zich bedreigd voelden door een onbetrouwbare dorpsveldwachter, zochten zij de bescherming van de burgemeester. Na de gebeurtenissen in 's-Gravenzande vermoedde Schokking - naar hij later beweerde - achter dit ongewone verzoek een provocatie van de kant van de Duitsers. Bovendien zou het gezin zich onvoorzichtig hebben gedragen en daardoor andere onderduikers in Hazerswoude in gevaar hebben gebracht. Hoe het ook zij, een kettingreactie volgde, waarbij het gezin werd gearresteerd en de Sicherheitsdienst (SD) werd gewaarschuwd, mogelijk door Schokking zelf. Het gezin werd gedeporteerd, en niemand zou de oorlog overleven.

Na de bevrijding hield Schokking vast aan de provocatietheorie, en het gebeuren in Hazerswoude speelde slechts een kleine rol bij zijn zuivering. Deze bleef ook om onbekende redenen in procedurele kwesties steken. Schokking heeft bij volgende sollicitaties de zaak-Pino altijd zelf bij de commissaris der Koningin in Zuid-Holland ter sprake gebracht, maar deze tilde hier niet zwaar aan. Daar kwam bij dat zijn verdere staat van dienst tijdens de bezetting voorbeeldig werd genoemd: hij had verschillende onderduikers geherbergd en bij dreigende arrestaties gewaarschuwd. Op zijn bestuurlijke loopbaan had de kwestie-Pino dus voorlopig geen nadelige invloed, al speelde die van tijd tot tijd wel op, omdat zij in kleine kring wel bekend was. Op 1 juni 1945 keerde Schokking terug naar 's-Gravenzande om er opnieuw het burgemeestersambt op zich te nemen. Hij bleef er niet lang, want op 11 november 1946 werd hij burgemeester van Alphen aan den Rijn. Deze benoeming was al - gezien zijn oorlogsverleden - niet geheel onomstreden.

Op 27 oktober 1949 werd Schokking, het prototype van de rechtschapen regent, benoemd tot burgemeester van Den Haag. In deze functie heeft hij zich bijzonder ingespannen voor de wederopbouw en uitbreiding van de stad. Zo werd tijdens zijn ambtsperiode het gebombardeerde Bezuidenhout hersteld, de wijk 'Moerwijk' aangelegd en het stadhuis aan het Burgemeester De Monchyplein gebouwd. Voor de autoriteiten gold Schokking als een uitstekende burgemeester, terwijl hij ook in Den Haag zelf een zekere populariteit genoot vanwege zijn onkreukbaarheid en onverstoorbare beminnelijkheid. Op 1 december 1955 werd hij dan ook van harte herbenoemd.

Niettemin nam het politiek links georiënteerde deel van de Haagse burgerij aanstoot aan het regenteske beleid van Schokking. Opmerkelijk in dit verband is wel dat de kritiek zich juist richtte op de pogingen van de burgemeester tot reorganisatie van het slecht functionerende politiekorps, dat in de bezettingstijd zo overijverig was geweest bij het ophalen van joden. Schokking begon met het ontslaan van twee populaire commissarissen, van wie één er dubieuze praktijken op nahield, terwijl de ander de reorganisatie tegenhield. Tegen deze achtergrond moeten de gebeurtenissen worden gezien die ruim een jaar na Schokkings herbenoeming plaatsvonden.

Op 1 februari 1956 publiceerden twee journalisten van het Haagsch Dagblad - dat deel uitmaakte van de Parool-groep - een artikel waarin de zaak- Pino gedetailleerd uit de doeken werd gedaan. Noch in deze publicatie noch in de vele die erop zouden volgen, werd er overigens vanuit gegaan dat de burgemeester de familie met voorbedachten rade in handen van de bezetter zou hebben gespeeld. Door de affaire-Pino, waarbij Schokking in een vlaag van paniek zou hebben gehandeld, zo uitvoerig en nadrukkelijk onder de aandacht van het publiek te brengen wilden de journalisten aantonen dat hij niet de vereiste vastberadenheid bezat om aan het hoofd te staan van een grote stad. Onder de burgemeesters die in bezettingstijd vergelijkbare misstappen hadden begaan, was Schokking overigens de enige die daarop later alsnog werd aangevallen.

Intussen moest er wel iets gebeuren. In opdracht van minister van Binnenlandse Zaken, tevens minister van Justitie ad interim, L.J.M. Beel, werd een commissie van advies benoemd onder voorzitterschap van J. Donner, president van de Hoge Raad, die moest nagaan of Schokking als burgemeester van Den Haag kon worden gehandhaafd. In haar rapport uitte de commissie lichte twijfel of hij voldoende had geverifieerd of de arrestatie van de familie Pino voor hem inderdaad een valstrik had betekend. Maar zij meende ook dat in het oordeel van de critici de wijsheid achteraf meespeelde. Mede gezien zijn verdere houding tijdens de Duitse bezetting kon Schokking daarom, naar het oordeel van de commissie, als burgemeester aanblijven. Een debat in de Tweede Kamer over de affaire op 5 en 6 juli 1956 bevestigde deze uitkomst. Maar het ging toen al lang niet meer om een oorlogsaffaire en eigenlijk ook niet meer uitsluitend om Schokking. Onder journalisten was irritatie ontstaan, omdat de pers het verwijt had gekregen dat zij op onrechtmatige wijze de competentie van een vooraanstaande burgemeester in het geding had gebracht, en daar legde men zich in voortgaande commentaren niet bij neer. Schokking koos daarom in juli 1956 voor een vrijwillig ontslag.

In augustus 1957 werd Schokking benoemd tot dijkgraaf van het hoogheemraadschap van Rijnland, nadat hij vanuit Hazerswoude, waar hij zijn populariteit had behouden, kandidaat was gesteld. Zijn technische kennis op waterstaatkundig gebied was weliswaar gering, maar dit tekort wist hij te compenseren met zijn bestuurlijke kennis en ervaring. Schokking heeft vooral een belangrijke rol gespeeld in de bestrijding van de verontreiniging van het oppervlaktewater. Al sinds enkele decennia ging men dit probleem te lijf door de bouw van inrichtingen voor waterzuivering, maar de bestuurlijke afbakening van deze taak was door gebrek aan wetgeving nog niet duidelijk. Schokking heeft er vooral voor geijverd dat de provincie in het gebied van Rijnland - dicht bevolkt en zwaar geïndustrialiseerd - deze taak aan het hoogheemraadschap toebedeelde. Het was geen gemakkelijke opgave, omdat in deze tijd van wederopbouw waterzuivering geen populair onderwerp was. Schokking slaagde erin door bevlogen en zelfs profetische redevoeringen de gevaren van verontreiniging en verzilting onder de aandacht te brengen. In 1974 nam hij vrijwillig ontslag als dijkgraaf. Hij verliet toen het herenhuis aan het Leidse Rapenburg, waar hij sinds 1959 woonde, en vestigde zich weer in Den Haag. Hier overleed hij op 82-jarige leeftijd.

Men mag veronderstellen dat zowel zijn fatale beslissing in bezettingstijd als het oprakelen daarvan Schokking diep heeft aangegrepen, want onder zijn stijve deftigheid was hij een gevoelig man. Afstandelijk in de omgang en weinig gemakkelijk voor zijn ambtenaren wekte hij niettemin genegenheid door zijn integriteit en toewijding. Dat hij tot sympathie wist te inspireren, bleek uit de vele steunbetuigingen die hij in 1956, tijdens de affaire, ontving. Het ambt van dijkgraaf, waarin hij door aard en aanleg zo uitstekend paste, heeft hem waarschijnlijk in eigen ogen als bestuurder gerehabiliteerd.

A: Persdocumentatie betreffende F.M.A. Schokking in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam en in het Gemeentearchief te 's-Gravenhage.

L: Verklaring van F.M.A. Schokking voor de Kamer van Onderzoek van de Adviescommissie voor de Zuivering van de Koninklijke Marechaussee in het district 's-Gravenhage, 14-8-1945 (Dossier 31), in Algemeen Dagblad, 18-2-1956 (p. 1); 'Nota naar aanleiding van de publikaties in verschillende bladen betreffende de burgemeester der gemeente 's-Gravenhage', in Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, zitting 1955-1956, bijlage 4271 (nrs. 1- 4); H.J.A. Hofland, 'Schokking', in idem, Tegels lichten of ware verhalen over de autoriteiten in het land van voldongen feiten (2de gew. dr.; Amsterdam 1972) 96- 105; J.R. Soetenhorst, in Jaarboek Geschiedkundige Vereniging Die Haghe (1991) ('s-Gravenhage 1991) 274-275; Ludy Giebels, 'Van waterverversing tot afvalwaterzuivering. Rijnlands bemoeienis met de hoedanigheid van het boezemwater van 1927 tot 1965', in Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis 2 (1993) 10-20; L.J. Giebels, Beel, van vazal tot onderkoning. Biografie, 1902-1977('s-Gravenhage [etc.] 1995) 386-389; Gerard Mulder en Paul Koedijk, Léés die krant. Geschiedenis van het naoorlogse Parool (Amsterdam 1996).

I: Jaarboek Geschiedkundige Vereniging Die Haghe 1991 ('s-Gravenhage 1991) 275.

Ludy Giebels


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013