Scholte, Hijman (1902-1983)

 
English | Nederlands

SCHOLTE, Hijman (1902-1983)

Scholte, Hijman (bekend onder de naam Bob Scholte), liedjeszanger en omroepmedewerker (Amsterdam 21-2-1902 - Amsterdam 3-11-1983). Zoon van Barend Scholte, diamantbewerker, en Grietje Borstel. Gehuwd op 1-9-1921 met Martha Monnickendam (1904-1945). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na haar overlijden gehuwd op 17-1-1950 met Cornelia Diana van Asperen (1910-1975). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Scholte, Hijman

Hijman Scholte werd geboren in de Amsterdamse jodenbuurt, als de op één na jongste in een gezin met acht kinderen, van wie er twee al vroeg overleden. Zijn vader was een liberaal-joodse diamantslijper, zoals velen in die buurt. Zijn moeder stierf al in 1906, waarna Scholte senior opnieuw in het huwelijk trad en nog eens vijf kinderen kreeg. Op latere leeftijd zou Hijman weinig mooie herinneringen bewaren aan zijn vroegste jeugd: zijn vader dronk en zijn tweede moeder beschikte niet over veel huiselijke kwaliteiten. Hij leek zich zelfs enigszins te generen voor zijn afkomst. Toen een vriend hem suggereerde zijn memoires te schrijven, weigerde hij: 'Dan moet je ook alles schrijven. Ik vind het zo akelig, die armoede die ik heb meegemaakt' (Poelman, 3).

In 1909, toen Hijman zeven was, verhuisde het gezin naar Antwerpen, omdat zijn vader daar meer kon verdienen. Vijf jaar later, toen België bij het begin van de Eerste Wereldoorlog door de Duitsers werd bezet, keerde men terug naar Amsterdam. Daar deed Hijman, in de synagoge aan de Rapenburgerstraat, zijn bar mitswa. Toen hij, hoog en zuiver, het bij die gelegenheid behorende fragment uit de thora zong, kreeg hij van de cantor het advies aan het Nederlandsch-Israëlietisch Seminarium een opleiding tot voorzanger te volgen. De jonge Scholte, die zelf veel liever operarepertoire wilde zingen, bleef er anderhalf jaar studeren. Langer hield hij het niet vol: 'Je moet als voorzanger niet alleen goed kunnen zingen; je moet ook erg vroom zijn. En dat was ik niet' (Boelen).

Een impresario die Scholte op het Seminarium hoorde zingen, bracht de veertienjarige in contact met Nap de la Mar, de leider van het Hollandsch Operettegezelschap, die een jongenssopraan zocht voor een uitvoering van De Marskramer van Franz Léhar. Zo maakte hij in 1916 zijn debuut in theater Carré in Amsterdam, met de achttienjarige Fien de la Mar, dochter van de regisseur, als tegenspeelster. Zijn optreden werd met gejuich ontvangen. Het wonderkind veranderde zijn voornaam in 'Bob', wat vlotter en minder joods klonk. Twee jaar lang was hij als 'de kleine Caruso' in het hele land een populaire attractie. Tot de baard in de keel kwam, stond hij als solozangertje, en af en toe ook als duo met Fien de la Mar, in allerlei variétéprogramma's.

Om in zijn levensonderhoud te voorzien, ging Scholte daarna als regenjassenplakker werken bij een confectionairsbedrijf, terwijl hij in de avonduren zang-, piano- en slagwerklessen volgde. Enkele maanden na de geboorte van hun zoon Ab, in 1921, trouwde hij met zijn vriendin Martha Monnickendam. Twee jaar later volgde een dochter, Greetje. Inmiddels werkte Scholte overdag als magazijnbediende, terwijl hij 's avonds emplooi zocht in de lichte muziek. Zijn droom operazanger te worden had hij intussen opgegeven: zijn stem en zijn positie als gezinshoofd leenden zich daartoe niet. In 1927 wist Scholte een baantje als drummer te bemachtigen bij een dansorkestje, dat in Amsterdamse cafés speelde. Om op te vallen, begon hij er refreintjes bij te zingen door een megafoon.

In 1928 vroeg tekstschrijver Ferry (van Delden) Scholte een grammofoonplaat te maken, de eerste van de honderden die hij in de loop der jaren heeft volgezongen. Zijn groeiende bekendheid leverde hem in 1931 zijn doorbraak: een engagement als 'huiszanger' bij de AVRO-radio. Scholte werd vocalist bij het populaire radio-orkest van Kovacs Lajos en behoorde vanaf 1936 tot de vaste bezetting van het wekelijkse amusementsprogramma De Bonte Dinsdagavondtrein, waarvan hij het titellied vertolkte. Bovendien zong Scholte op omfloerste toon het lied 'Goedenacht en welterusten', dat indertijd door de omroep aan het eind van elke uitzendavond ten gehore werd gebracht: 'De AVRO gaat nu sluiten. Welterusten, goedenacht...'.

Zo was Scholte gedurende de jaren dertig, met een paar radio-optredens per week, een nationaal idool. Tot zijn bekendste liedjes behoorden 'Vriendinnetje', 'Oh Kovacs', 'Breng eens een zonnetje', 'Ik ben in Parijs geweest', 'Ik heb een huis met een tuintje gehuurd' en 'We gaan naar Rome', dat iets te voorbarig vooruitliep op de kansen van het Nederlands elftal om door te dringen tot de finale van het wereldkampioenschap voetbal in 1934. Scholte zong, naar de mode van die dagen, met een hoog, ietwat geknepen geluid zonder veel vibrato, en met een zeer zorgvuldige dictie, die ieder woord verstaanbaar maakte. Zijn repertoire, veelal geschreven door routiniers als Alex de Haas, Max Tak, Ferry (van Delden) en Jacques van Tol, was veelzijdig. Het omvatte vrolijke operettemelodietjes in een Nederlandse vertaling, charmezang en meezingnummers in marstempo.

Ook buiten de radiostudio's werd de steevast in smoking geklede Scholte een veelgevraagd artiest. Met zijn korte, gedrongen gestalte, zijn zware hoornen brilmontuur en zijn geprononceerde neus en onderkaak beantwoordde hij weliswaar niet aan het schoonheidsideaal van die dagen, maar zijn zoetgevooisde zang beroerde vele vrouwenharten. En bij het mannelijke deel van het publiek wekte hij de indruk één van hen te zijn: een gewone man met een ongewoon stemgeluid.

In 1939 besloot Scholte zijn werkzaamheden voor de AVRO te minderen om in te kunnen gaan op de vele aanbiedingen die hem uit België bereikten. Bij de vele Vlamingen die naar de Nederlandse radio luisterden, was hij minstens even populair als in eigen land. Men waardeerde hem hier mede vanwege zijn onberispelijke uitspraak van het Nederlands, die voor velen een lichtend voorbeeld vormde. Steeds vaker trad Scholte nu op in Vlaanderen, hoewel hij met zijn gezin in Hilversum bleef wonen, waar hij zich in 1933 - met het oog op het radiowerk - had gevestigd. Toen de Duitsers in mei 1940, tegelijk met Nederland, ook België binnenvielen, kwam aan deze werkzaamheden een einde. Op de fiets keerde hij vanuit Antwerpen, waar hij toen optrad, terug naar Hilversum.

De eerste maanden van de bezetting werd Scholte nog min of meer ongemoeid gelaten bij zijn optredens, maar in februari 1941 sloeg het noodlot toe. Terwijl hij thuis zijn 39ste verjaardag vierde, werd in Amsterdam zijn zoon Ab opgepakt. Later dat jaar kwam het bericht dat de jongen - die tot de beste tafeltennissers van het land behoorde - in oktober 1941 in het concentratiekamp Mauthausen om het leven was gekomen. Kort daarna viel ook dochter Greetje in Duitse handen. Zij werd eind september 1942 in het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau vermoord. Zelf waren Bob en Martha Scholte inmiddels ondergedoken. Eerst in Tilburg, maar daar moesten ze weg toen een kind van het gastgezin vol trots aan een vriendje vertelde dat de grote Bob Scholte bij hem thuis was ondergedoken. Vervolgens hielden zij zich schuil in Amsterdam, waar zij in 1943 uiteindelijk toch het slachtoffer van de jodenvervolgingen werden. Wanneer dit precies gebeurde, is niet meer te achterhalen. Wel staat vast dat Scholte zijn vrouw sinds die dag niet meer heeft gezien.

Scholte werd aanvankelijk opgesloten in het concentratiekamp Vught, waar hij dwangarbeid verrichtte voor de NV Philips' Gloeilampenfabrieken. 's Avonds, bij het eten in de barak, vermaakte de zanger zijn medegevangenen met liedjes en moppen. Daarmee voerde hij de gedachten van zijn publiek 'uit een dampkring van drukkende zorgen, angst en verdriet, door en over het prikkeldraad naar ons heerlijke Mokum' (Furth). Via vier andere kampen belandde Scholte uiteindelijk in Auschwitz-Birkenau, waar hij werd geslagen en onder dwang voor de kampleiding moest zingen. Veel meer heeft hij er nooit over willen vertellen. Na de bevrijding van het kamp, begin mei 1945, lukte het hem per trein terug naar Nederland te komen. Tijdens die terugreis kreeg hij te horen dat zijn vrouw Martha in april 1945 in het Kommando Lustigslust in Mecklenburg om het leven was gekomen.

Na een kort verblijf in Hilversum vestigde Scholte zich in 1946 in Amsterdam. Hij vond er opnieuw onderdak in het huis waar Martha en hij tijdens de bezetting als onderduikers woonden. De vrouw des huizes, Corry van Asperen, was inmiddels weduwe en zocht een vader voor haar enig kind. Scholte trad in 1950 met haar in het huwelijk, naar eigen zeggen niet alleen 'vanwege het burgerfatsoen', maar vooral omdat hij het als een dure plicht ervoer 'die vrouw die zo goed voor ons gezorgd had toen we ondergedoken waren te helpen' (Poelman, 12).

Hoewel hij al op 30 juni 1945 zijn comeback maakte in het variété- programma met Heintje Davids, voelde Scholte zich toch niet meer thuis in Amsterdam. 'Ik had er te veel herinneringen aan mijn vrouw en mijn kinderen', zei hij (Verhoye). Toen er een uitnodiging kwam om in Vlaanderen op te treden, besloot hij daar voortaan te blijven werken. In oktober 1950 vestigde hij zich met zijn tweede vrouw en haar kind in Borgerhout bij Antwerpen, de stad die hij als jongen al had leren kennen. 'Ik heb er geen spijt van gehad, ik heb veel succes gehad in België', verklaarde hij (Dull). Hij werkte er voor de radio, organiseerde populaire muziekavonden in de grote theaters en maakte weer veel platen. Ook nadat Scholte - ondanks alles door heimwee gedreven - in 1958 weer in Amsterdam was gaan wonen, bleef België een belangrijk werkterrein voor hem.

Hoewel zijn vrolijke Nederlandse meezingliedjes aan het einde van de jaren vijftig allengs uit de mode raakten, vond Scholte nog steeds veel gehoor, al werd zijn publiek langzaam maar zeker ouder. Zijn emplooi zoekend in de nostalgische hoek had en hield Scholte een scherp oog voor de commerciële kant van zijn vak. Hij zong wat het publiek graag van hem wilde horen, ook als die liedjes nauwelijks strookten met zijn eigen neiging tot zwaarmoedigheid. Steeds stond hem voor ogen dat hij werd betaald om het publiek te vermaken, en die taak vatte hij heel ernstig op. Niet gespeend van ijdelheid liet hij zich in deze nadagen van zijn carrière af en toe graag grootscheeps huldigen.

Na de dood van zijn tweede vrouw, in 1975, viel het Scholte echter steeds zwaarder om zijn zorgeloze liedjes te blijven zingen. Ondanks de vriendinnen en buurvrouwen die hem gezelschap hielden en huishoudelijke taken verrichtten, voelde hij zich eenzaam. En rijk was hij van zijn successen niet geworden. Scholte had steeds behoorlijk de kost verdiend, maar voor de tekstdichters en componisten van zijn repertoire bleef de kassa langer rinkelen dan voor hem. Hij raakte depressief, en ook de herinneringen aan de bezettings- en kamptijd, die hij zo lang had verdrongen, kwamen steeds vaker terug. Bovendien kon hij, nu hij een eindweegs in de zeventig was, nauwelijks nog concurreren met zijn jongere collega's. 'Weet u wat ik zelf nu, achteraf, misschien nog wel het liefste doe?' zei hij. 'Joodse liederen zingen, op joodse feesten en plechtigheden, met het keppeltje op' (Dull).

Bij zijn overlijden op ruim 81-jarige leeftijd was Bob Scholte voor het grote publiek een vrijwel vergeten artiest. Dat gold niet voor de zeer vele collega's, vrienden, kennissen en vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap die hem bij zijn begrafenis de laatste eer bewezen. Scholte werd er geprezen als een zanger die zijn vak met grote toewijding uitoefende en als een man die zelfs onder de allermoeilijkste omstandigheden vreugde had gebracht in de harten van zijn toehoorders. De stoet verliet de aula onder de tonen van 'Goedenacht en welterusten'. Die woorden - 'zijn' woorden - werden ook aangebracht op zijn graf.

A: Archief-Bob Scholte en persdocumentatie over hem in het Theater Instituut Nederland te Amsterdam.

P: Rinus Blijleven, 'Voorlopige discografie van Bob Scholte', in De Weergever 14 (1992) 52-79. Een selectie van 26 liedjes op de CD Amusement Klassieken: Bob Scholte (FAV 1-95199; 1997), uitgegeven door het Theater Instituut Nederland te Amsterdam.

L: Interview door Frans Boelen, in De Tijd, 7-5-1966; Hanneke Meerum Terwogt, 'Bob Scholte', in Het Parool, 13-5-1966; interview door Han van der Meer, in de Volkskrant, 14-5-1966; interview door Bert Verhoye, in De Nieuwe Gazet, 19-2-1972; interview door Dick van Reeuwijk, in Algemeen Dagblad, ?-?- 1972; interview door Ben Dull, in Het Parool, 22-5-1976; Ben Poelman, 'Bob Scholte. Van 'kleine Caruso' tot gevierd radiozanger', in De Weergever 14 (1992) 3-20; Jacques I. Furth, 'In herinnering: Bob Scholte', ibidem 14 (1992) 85.

I: De Weergever 14 (1992) voorkaft.

Henk van Gelder


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013