Stekelenburg, Johannes (1941-2003)

 
English | Nederlands

STEKELENBURG, Johannes (1941-2003)

Stekelenburg, Johannes, vakbondsbestuurder en burgemeester (Maarssen 31-10-1941 - Tilburg 22-9-2003). Zoon van Willem Stekelenburg, metaalarbeider, en Maagje Verhoeff. Gehuwd op 21-9-1966 met Alida Gerritsen (geb. 1942). Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. Na echtscheiding (31-10-1985) gehuwd op 26-11-1993 met Helena Martha Hoekstra (geb. 1955), administratief medewerkster. Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Stekelenburg, Johannes

Johan Stekelenburg werd geboren als helft van een eeneiige tweeling in een uiteindelijk negen kinderen tellend, Nederlands-hervormd gezin. Hij groeide op in Tienhoven bij Utrecht. Zijn vader, van boerenkomaf, was na allerlei ongeschoold werk in de jaren dertig werkzaam in ploegendienst als omwalser en kwaliteitscontroleur bij de NV Nederlandsche Staalfabrieken Demka in Utrecht. Het loon was onvoldoende om alle monden te voeden. De gezinsleden zorgden voor diverse neveninkomsten, onder meer door het rondbrengen van leesportefeuilles. Door de crisisomstandigheden van de jaren dertig groeide de sympathie van Johans ouders voor het socialisme. Na de Duitse bezetting stapten zij over van het Christelijk-Nationaal Vakverbond naar het Nationaal Verbond voor Vakverenigingen (NVV) en van de Christen-Democratische Unie naar de in 1946 nieuw opgerichte Partij van de Arbeid (PvdA), al bleven zij kerkelijk.

Johan bezocht samen met zijn tweelingbroer Jan - levenslang zijn beste kameraad - in Utrecht de christelijk-nationale lagere school. Hij was een sportieve, wat gesloten jongen. 'Praten over emoties of, nog erger, ze tonen, hoorde niet bij ons soort mensen. Zo waren we opgevoed,' zei hij hierover later. (Dresselhuys). Op zijn twaalfde werd tuberculose vastgesteld, waardoor hij 22 maanden in Sanatorium 'Hoog-Blaricum' op de Gooise Hei doorbracht. Door dit onvrijwillige verblijf buitenshuis, verstoken van de eigen gezinsomgeving, leerde hij voor zichzelf op te komen. Ook werd hij er wat opener. Vanaf 1955 deed hij de HBS-B op het Christelijk Lyceum. Na zijn eindexamen in 1962 koos Stekelenburg voor de Nederlands-Hervormde Sociale Academie 'De Horst' te Driebergen, waar hij op kamers ging wonen. Hij volgde er de opleidingen personeelswerk en sociaal-cultureel werk.

In deze jaren was het geloof voor Stekelenburg een duidelijke inspiratiebron. Tijdens de zomervakanties beoefende hij in de Zeeuwse badplaats Renesse de zogeheten 'fuik-evangelisatie': overdag trok hij jongeren met door hem georganiseerde spelen en activiteiten, op zondag volgde daarop een preek. Na zijn studie brak Stekelenburg met de kerk, naar hij later verklaarde, omdat hij daar 'de veranderingsgezindheid, de vernieuwing, de echte solidariteit met de zwaksten in de samenleving' miste (Dresselhuys). In 1966, het jaar van zijn afstuderen, werd hij lid van de PvdA.

Stekelenburg begon zijn carrière op 1 augustus 1966 als bedrijvenmedewerker van de Algemene Nederlandse Metaalbedrijfsbond in Leeuwarden, vanaf 1968 Metaalbedrijfsbond NVV geheten. Eveneens in 1966 trouwde hij met Lideke Gerritsen, die hij op 'De Horst' had leren kennen. In de Friese hoofdstad deed Stekelenburg van zich horen in de Werkgroep voor een Maatschappij-Kritische Vakbeweging - opgericht in 1970 - , die de arbeidersbeweging wilde democratiseren. Tevens was hij actief binnen de lokale PvdA-afdeling. Zijn spaarzame vrije tijd besteedde hij aan het - samen met tweelingbroer Jan - rijden van autorally's en aan watersport op de Friese meren. Zeilen zou zijn favoriete vrijetijdsbesteding blijven.

Stekelenburgs opmars binnen de vakbeweging, vooral het resultaat van hard werken, ging ten koste van zijn gezinsleven. Toen hij, na zijn Friese periode, van 1972 tot 1977 districtsbestuurder van de Industriebond FNV in Arnhem was, begon Stekelenburg een verhouding met de hier op het bondskantoor werkzame Heleen Hoekstra. In 1980 strandde zijn huwelijk - waaruit twee zoons waren geboren - definitief. Eind 1993 zou hij met Hoekstra trouwen. Stekelenburgs vakbondscarrière verliep ondertussen voorspoedig. Vanaf 1977 was hij FNV-districtshoofd in Den Haag, daarna - van 1979 tot 1983 - vervulde hij dezelfde functie in Rotterdam. In september 1979 liep hij bij een stakingsactie bij de olieraffinaderij van Shell in Pernis klappen op, toen de bedrijfsleiding met inzet van knokploegen een stakingsactie beëindigde. Stekelenburg beoordeelde dat later als 'het meest dramatische moment in mijn vakbondsloopbaan' (FNV Magazine, 20-3-1997). Zelf sprong hij steeds behoedzaam om met het stakingsmiddel. 'Hou in de gaten', zei hij, 'dat het om mensen gaat die een heel fundamentele stap zetten: in opstand komen tegen hun werkgever' (ibidem). Stekelenburg zocht de oplossing van conflicten eerder in overleg. Binnen de vakbondswereld werd hij daarom nog wel eens 'te lief, te soft' bevonden (NRC Handelsblad, 15-7-1991).

In de Industriebond ontstonden in deze jaren steeds meer fricties tussen de oude, centralistisch denkende vakbondstop onder leiding van Arie Groenevelt en nieuwkomers als Stekelenburg. Het kwam tot een uitbarsting bij de strijd om de opvolging van Groenevelt. Laatstgenoemde schoof in 1982 Dick Visser naar voren, waarop Stekelenburg de tegenkandidaat van de 'moderne' richting werd. Een harde, persoonlijk getinte campagne volgde. Om verdere schade voor de FNV te voorkomen trok Stekelenburg zich terug. In ruil daarvoor werd hij in 1983, als coördinator voor de chemiesector, in het bondsbestuur gekozen.

Kort daarop, in het najaar van 1983, stelde Stekelenburg zich ook beschikbaar als opvolger van Wim Kok, toen die zijn aftreden aankondigde als voorzitter van de vakcentrale FNV. Door een gezamenlijke actie van de Industriebond en de ambtenarenbond AbvaKabo werd evenwel Hans Pont benoemd om Kok in 1985 op te volgen. In oktober 1984 werd Stekelenburg wel lid van het federatiebestuur; een jaar later werd hij vice-voorzitter. Toen Pont plotseling naar het ministerie van Binnenlandse Zaken vertrok, kon Stekelenburg hem op 26 april 1988 alsnog als voorzitter van de FNV opvolgen.

Stekelenburgs communicatieve gaven kwamen voor de vakcentrale op het juiste moment. Deze kampte in de jaren tachtig met gepolariseerde verhoudingen met de werkgevers, interne tegenstellingen - vooral tussen de bonden van ambtenaren en industriearbeiders - en een afnemende maatschappelijke invloed, met een krimpend ledental als gevolg. De FNV moest volgens Stekelenburg 'dienstverlenender, offensiever en ook vrolijker' worden (Akkermans, 131). Op 8 oktober 1988 bezorgde Stekelenburg de vakbeweging onmiddellijk nieuw elan en zelfvertrouwen met een massale demonstratie van 150.000 mensen in Amsterdam tegen het beleid van het confessioneel-liberale kabinet-Lubbers II (1986-1989), onder de leuze 'Het kan anders, beter'.

Het toetreden van de sociaal-democraten tot het derde kabinet-Lubbers, in november 1989, leidde niet tot de gehoopte soepeler samenwerking tussen kabinet en vakbonden. In de zomer van 1991 leidden de regeringsplannen met betrekking tot de Wet Arbeidsongeschiktheid (WAO) tot een botsing. Het door Stekelenburg in de Sociaal-Economische Raad (SER) bereikte compromis werd afgewezen door zijn bonden, waarna hij tegenover de minister van Financiën, zijn voorganger en partijgenoot Kok, kwam te staan. Het kabinet week niet; Stekelenburg noemde het WAO-drama later zijn 'voornaamste nederlaag' (Akkermans, 143). Over het door liberalen gedomineerde eerste kabinet-Kok (1994-1998) was Stekelenburg eveneens zeer kritisch.

Stekelenburgs voorzitterschap van de FNV viel samen met de herleving van het internationaal geroemde 'poldermodel', waarin overheid, werkgevers en werknemers door overleg tot afspraken komen. Van 1985 tot 1988 was hij lid, daarna tot 1997 vice-voorzitter van de SER, het centrum van de overlegeconomie. Tussen 1988 en 1997 was hij voorzitter van de werknemersdelegatie in de Stichting van de Arbeid.

Tijdens het voorzitterschap van Stekelenburg boekte de FNV een aanzienlijke ledenwinst: het ledental groeide van 900.000 in 1986 naar bijna 1,2 miljoen in 1998. Onder de achterban genoot Stekelenburg dan ook grote populariteit. Hij vormde de FNV om tot een pragmatische, op overleg gerichte maar ook zelfbewuste organisatie. Toch lukte het hem niet te tornen aan de vanouds dominante positie van de Industriebond. Ook van de pogingen om centraal afspraken te maken kwam weinig terecht, mede door tegenwerking van zijn eigen bonden.

Inmiddels was Stekelenburg, na drie decennia vakbondswerk, toe aan verandering. Op 1 juli 1997 werd hij burgemeester van Tilburg. Door de voorkeur te geven aan een sociaal-democraat brak het kabinet met de christen-democratische bestuurstraditie van deze stad. Bij zijn aantreden kampte Tilburg met hoge werkloosheidscijfers, achterstandswijken, financiële tekorten en wegtrekkende bedrijven. Stekelenburg begon zijn burgemeesterschap met bescheiden ambities: 'Ik ben geen burgemeester die zijn stempel op de stad wil drukken. Het is belangrijk dat Tilburgers zich prettig voelen in de stad' (Wansink). Stekelenburg genoot vanwege zijn benaderbaarheid en onmiskenbare charme al snel een grote populariteit onder de 'gewone' Tilburgers. Hij maakte zich gezien door zijn betrokkenheid bij voetbalclub Willem II, de vermaarde zomerkermis en het plaatselijke carnaval. Als collegevoorzitter toonde hij zich een uitstekende teamleider, die zich bediende van veelvuldig vooroverleg om tegenstellingen op te heffen.

Stekelenburg vervulde naast zijn burgemeesterschap ook een groot aantal nevenfuncties, zowel op maatschappelijk terrein als in het bedrijfsleven. Dit kwam hem wel op de kritiek te staan dat hij te weinig tijd zou besteden aan het burgemeesterschap. 'Ik blijf door die nevenfuncties op de hoogte van wat er speelt in de maatschappij', luidde zijn verweer. In eigen linkse kring werden hem de extra inkomsten kwalijk genomen. Stekelenburg wimpelde de verwijten weg: 'Het geld, ach, ik vaar er een leuke boot van' (Broertjes en Van Zijl). Bovendien, zo wees hij erop, was hij in deze gremia door de ondernemingsraden gevraagd als werknemers-commissaris.

Stekelenburg had ondertussen op 8 juni 1999 voor de PvdA zitting gekregen in de Eerste Kamer. Zijn ster binnen de partij was rijzende. Hij werd genoemd voor het burgemeesterschap van Rotterdam en Amsterdam. In 1999 deed zijn naam de ronde voor de opvolging van partijleider en premier Kok, die in 2002 afscheid zou nemen van de politiek. Een gebrek aan 'Haagse' politiek-bestuurlijke en internationale ervaring vormden echter een handicap. Uiteindelijk werd fractievoorzitter Ad Melkert aangewezen als opvolger. Deze zag zich echter gedwongen in mei 2002 af te treden, nadat de PvdA zware nederlagen had geleden bij de verkiezingen voor de gemeenteraad en de Tweede Kamer. De populariteit van Stekelenburg onder de sociaal-democratische achterban was intussen verder toegenomen. Op 12 november 2002 werd hij, na een ledenraadpleging, door een overweldigende meerderheid gekozen als 'lijsttrekker' voor de Eerste-Kamerverkiezingen. Kort voor de vervroegde Tweede-Kamerverkiezingen van januari 2003 werd hij - evenals de Amsterdamse burgemeester Job Cohen - door de top van de PvdA benaderd voor het minister-presidentschap, mocht de PvdA de grootste partij worden.

De kwestie werd academisch toen terzelfder tijd bij Stekelenburg slokdarmkanker werd vastgesteld. Over zijn ziekteproces was hij openhartig. Na een operatie leek hij hersteld, maar in maart 2003 keerde de ziekte terug in diverse uitzaaiingen. Stekelenburg bleef zo lang mogelijk werkzaam; op 1 juli begon hij aan zijn tweede burgemeesterstermijn. Zijn ziekte bemoeilijkte zijn werk echter steeds meer. Zijn overlijden, nog geen drie maanden later, op 61-jarige leeftijd, werd in zeer brede kring betreurd. Op de herdenkingsdienst voorafgaand aan zijn crematie, op 29 september 2003, waren meer dan duizend genodigden aanwezig, uit alle lagen van de bevolking. Omdat de St. Dionysiuskerk in Tilburg te klein was voor alle belangstellenden, was de dienst ook te volgen via een scherm in de plaatselijke schouwburg. Nog eens 115.000 kijkers volgden de herdenkingsdienst op televisie.

Hoe aimabel en populair Johan Stekelenburg ook moge zijn geweest, een grote visie bezat hij niet. Met inzet van zijn sociale vaardigheden was hij vooral gericht op praktische resultaten. Zijn weinig dogmatische opstelling en herkenbare imago van 'gewone' vakbondsvoorman maakten hem populair bij het sociaal-democratische electoraat. Mede door zijn vroegtijdige overlijden bleef hij politiek een onvervulde belofte.

A: Archief-Johan Stekelenburg in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam.

P: 'Het rapport Peters en corporate governance vanuit werknemers-perspectief', in Corporate governance in perspectief. Onder red. van S.C.J.J. Kortmann [e.a.] (Deventer 1998) 59-64; 'Lobbyen tegen de WAO-voorstellen van Lubbers III', in Lobbyen in Nederland. Progressie en profijt. Onder red. van M.P.C.M. van Schendelen en B.M.J. Pauw ('s-Gravenhage 1998) 197-211.

L: Behalve necrologieën o.a. door Gijs Herderschee, in de Volkskrant, 23-9-2003, door Max van Weezel, in Vrij Nederland, 27-9-2003, in Tilburg Magazine, okt. 2003 [Special over Johan Stekelenburg]: interview door C. Dresselhuys, in Opzij. Feministisch Maandblad (apr. 1994) 84-91; Folkert Catz en Bas Linders, Een beetje boegbeeld. Johan Stekelenburg. Drie decennia vakbondsleven van een aanvaller (Amsterdam 1997); interview door Tino Wallaart en Max van Weezel, in Vrij Nederland, 29-5-1999; Tinie Akkermans en Henk Kool, Redelijk bewogen. De koers van de FNV, 1976-1999. Van maatschappijkritiek naar zaakwaarneming (Utrecht 1999); interview door Hans Wansink, in de Volkskrant, 29-4-2000; interview door Coen Verbraak, in Vrij Nederland, 28-6-2003; interview door Pieter Broertjes en Frank van Zijl, in de Volkskrant, 26-7-2003; Heleen Stekelenburg, Drie stappen vooruit, één stap terug (Amsterdam [etc.] 2005); Jeroen Terlingen, Allemansvriend. Het levensverhaal van Johan Stekelenburg (Loenen aan de Vecht 2005).

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 49030 [Johan Stekelenburg in april 1988].

Alexander van Kessel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013