Swaanswijk, Lubertus Jacobus (1924-1994)

 
English | Nederlands

SWAANSWIJK, Lubertus Jacobus (1924-1994)

Swaanswijk, Lubertus Jacobus (pseudoniem Lucebert), dichter en schilder (Amsterdam 15-9-1924 - Alkmaar 10-5-1994). Zoon van Lubertus Jacobus Swaanswijk, kelner, huis- en letterschilder, en Johanna Kalf, buffetjuffrouw. Uit een relatie met Sylvia Sluijter werd 1 zoon geboren. Gehuwd op 13-12-1954 met Antonia Wilhelmina Koek (1927-2011). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

afbeelding van Swaanswijk, Lubertus Jacobus Bertus Swaanswijk werd geboren aan de Amsterdamse Lauriergracht in een gezin met veel problemen: er waren voortdurend geldzorgen en zijn ouders hadden een slecht huwelijk. Toen Bertus twee jaar was, verliet zijn moeder het gezin, haar echtgenoot en drie zoons achterlatend. Na vier moeilijke jaren hertrouwde de vader met de Brabantse huishoudster Hendrika Johanna Wilsens. Tot zijn dertiende woonde Bertus in de Amsterdamse Jordaan. Na de lagere school bezocht hij de driejarige Handels-ULO, waar twee van zijn leraren grote invloed zouden hebben op zijn verdere ontwikkeling. G.F.J.C. Bering, zijn leraar Duits, wekte zijn liefde voor de literatuur, vooral de poëzie van de Duitse Romantici, terwijl zijn tekenleraar, de schilder, graficus en klarinettist Johan van Hell, de begaafde leerling gratis privé-lessen gaf.

Direct na de ULO, in de zomer van 1939, moest Swaanswijk zijn vader helpen met schilderen en behangen. Toen hij eens op een kale muur een grote tekening had gemaakt, werd zijn talent opgemerkt door een voorbijganger die ervoor zorgde dat hij werd toegelaten tot het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam. Daar raakte Bertus zeer onder de indruk van de nieuwe directeur, de internationaal bekende architect, meubelontwerper en Bauhaus-docent Mart Stam. Deze opende zijn ogen voor kunststromingen als Dada en het surrealisme, die in Nederland nauwelijks werden opgemerkt. Na vier maanden vond vader Swaanswijk dat zijn zoon - tot diens woede en verdriet - een baan moest gaan zoeken om bij te dragen aan het gezinsinkomen. In de jaren die volgden, werkte hij een hele reeks kantoorbaantjes af. Het langst hield hij het uit als retoucheur bij een fotograaf. Veel voldoening vond hij in de contacten met zijn vrienden, onder wie de dichter Johan van der Zant - die later bekend zou worden onder het pseudoniem Hans Andreus - en Wim Kraaijkamp. Zij vormden een clubje van geïnteresseerden in literatuur, kunst en filosofie. Zijn leven lang zou Swaanswijk, als begaafde autodidact, deze belangstellingsgebieden in zichzelf blijven voeden.

Na de Duitse inval in mei 1940 hernam het leven aanvankelijk zijn gewone gang. Swaanswijk en zijn club vrienden en vriendinnen organiseerden wekelijks hun bijeenkomsten met boekbesprekingen, toneelspel en muziek. Dat veranderde toen de twintigjarige Kraaijkamp zich begin 1943 aanmeldde voor de tewerkstelling in Duitsland en de zeventienjarige Van der Zant kort daarna dienst nam in het Vrijwilligerslegioen Nederland. In juni 1943 gaf ook Swaanswijk, inmiddels achttien jaar oud, gehoor aan een oproep voor de Arbeitseinsatz. Hij vertrok naar Apollensdorf in Saksen-Anhalt en werkte daar als 'Lübert J. Swaanswijk' als kantoorbediende ('Kontorist') op een springstoffenfabriek. Aanvankelijk beviel het hem uitstekend. Hij genoot van zijn bezoeken aan het naburige Wittenberg en aan de openbare bibliotheek in Dessau en schreef opgetogen brieven en romantische gedichten. Toen hij, beschuldigd van sabotage, in de fabriek terechtkwam en ziek werd, mocht hij in mei 1944 met verlof naar huis. Daar dook hij onder bij zijn oudste broer in Amsterdam.

Na de bevrijding probeerde Swaanswijk als kunstenaar aan de slag te komen. Hij verbleef steeds minder bij zijn ouders thuis, zwierf veel rond, bracht hele dagen door in de openbare bibliotheek, logeerde vaak bij vrienden en soms bij de Brabantse familie van zijn stiefmoeder. Hij tekende en schreef vrijwel onafgebroken, waarna hij het werk meermalen op zijn logeeradres achterliet. Niet alleen verkocht hij soms een tekening, ook kreeg hij enkele keren een opdracht voor een wandschildering. Zo beschilderde hij begin 1947 de kapel van het Sint Franciscushuis aan de Amsterdamse De Wittenstraat met religieuze afbeeldingen en werkte hij in de winter van 1947/1948 aan een grote opdracht in het Franciscanessenklooster te Heemskerk. Zijn religieuze inspiratie bleek ook uit zijn doop in de rooms-katholieke Krijtbergkerk in Amsterdam in december 1947.

Omstreeks 1947 raakte Swaanswijk bevriend met de schilder Karel Appel en de journalist en dichter Gerrit Kouwenaar. Aan hen stelde hij zich voor als 'Lucebert', op zijn Nederlands uitgesproken als: 'Loetsjebert' naar het Italiaanse woord voor licht ('luce') en het Germaanse woord voor stralend, schitterend ('bert'). Die naam zou hij de rest van zijn leven als eigennaam gebruiken. In de zomer van 1948 verbleef hij met de Nederlandse schilder Anton Martineau in Les Pavillons-sous-Bois nabij Parijs, waar beiden het trappenhuis van een school mochten beschilderen. Tijdens dit verblijf kwam Lucebert tot een nieuwe wijze van dichten, met 'veel vrijheden, zowel in de woordkeuze als in de grammatica', zoals hij aan een vriendin schreef: 'De revolutie die zich hier aan mij voltrekt is van een heel bijzondere aard'. Hiermee was de experimentele dichter Lucebert geboren.

Na terugkeer in Amsterdam hielden Lucebert en Martineau in september en oktober 1948 een eerste tentoonstelling van hun tekeningen. Lucebert werd bij die gelegenheid door Kouwenaar voorgesteld aan de dichter Jan Elburg, en hij ontmoette toen ook de schrijver Bert Schierbeek. Aan Kouwenaar en Elburg liet Lucebert zijn eerste experimentele gedichten horen. De vrienden herkenden onmiddellijk zijn talent: zó moest de nieuwe dichtkunst klinken! Zij betrokken Lucebert bij de Experimentele Groep in Holland, die in december 1947 was opgericht door de schilders Appel, Corneille (pseudoniem van C.G. van Beverloo) en Constant (A. Nieuwenhuys), die vonden dat naast schilders ook experimentele dichters bij de Groep hoorden.

In november 1948 richtte dit drietal, samen met Belgische en Deense kunstenaars, in Parijs een nieuwe beweging op: CoBrA, naar de beginletters van Copenhague, Bruxelles en Amsterdam. Ook het - Franstalige - tijdschrift van de beweging zou die naam dragen. Daarmee kwam een einde aan het tijdschrift Reflex van de Experimentele Groep. In het tweede en laatste nummer daarvan - verschenen in februari 1949 - stond Luceberts opzienbarende debuut: 'Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia', een vlammend protest tegen de tweede politiële actie van het Nederlandse leger in december 1948. Zo vestigde Lucebert, anders dan hij altijd had verwacht, zijn naam allereerst als dichter en niet als schilder. Vanaf dat moment bestonden de poëzie en de beeldende kunst steeds naast elkaar. Bij de CoBrA-tentoonstelling van november 1949 in het Amsterdamse Stedelijk Museum was Lucebert - evenals Kouwenaar, Elburg en Schierbeek - als dichter betrokken. In het bij die gelegenheid verschenen Holland-nummer van CoBrA stond Luceberts beroemd geworden gedicht 'Verdediging van de 50-ers'. Hiermee voorzag hij de dichters van een blijvende groepsnaam en schiep hij afstand tot de kunstopvatting van de Tachtigers en hun volgelingen.

Ondanks zijn naamsbekendheid lukte het Lucebert niet als beeldend kunstenaar erkend te worden en een gemeentelijke uitkering te ontvangen. Ook vond hij geen uitgever bereid zijn gedichten te publiceren. Het door de schrijvers Remco Campert en Rudy Kousbroek begin 1950 opgerichte tijdschriftje Braak bood die gelegenheid wel. In dit blad kon hij met velerlei illustraties ook zijn beeldende talent tot uiting brengen. In hetzelfde jaar maakte Lucebert kennis met Simon Vinkenoog, die op uitnodiging van uitgever A.A.M. Stols een selectie uit de nieuwste Nederlandse dichtkunst samenstelde. Diens bloemlezing Atonaal verscheen in het najaar van 1951 en bevatte een aantal gedichten van elf 'Vijftigers', waaronder vier van Lucebert.

Korte tijd later bracht Stols Luceberts debuutbundel Triangel in de jungle, gevolgd door De dieren der democratie (1951) uit. Intussen lag zijn eigenlijke debuut, Apocrief / De analphabetische naam, nog steeds bij 'De Bezige Bij' op de plank. Het zou pas in de zomer van 1952 worden gepubliceerd door toedoen van Bert Schierbeek, lid van de redactiecommissie van deze uitgeverij. De bundel bevat de hermetische cyclus 'Romeinse elehymnen', waartoe een reis naar Rome, begin 1949, hem had geïnspireerd.

Bij Stols verscheen in 1952 De Amsterdamse school en een jaar later Van de afgrond en de luchtmens, door Lucebert zelf zijn 'meest afgeronde, meest complete, meest gave dichtbundel' genoemd (Betlem). Hierna volgden bij 'De Bezige Bij' nog Alfabel (1955), Amulet (1957) en Val voor vliegengod (1959). Met deze zeven bundels vestigde Lucebert - ondanks de scherpe kritiek van collega-dichters als Bertus Aafjes en Hendrik de Vries - voorgoed zijn naam als de 'Keizer der Vijftigers'. Die eretitel werd hem oorspronkelijk toegekend door de criticus Rudy Romke (in: De Groene Amsterdammer, 29-8-1953), die als een der eersten in Lucebert een groot vernieuwer van de poëzie herkende. In het 'proefondervindelijk gedicht' - een term van Lucebert - is de dichtkunst niet zozeer een uitdrukkingsmiddel met herkenbare metaforen, maar eerder een proces van de geest. Dat levert een stroom van meerduidige beelden, associaties en een grote klankrijkdom op, te vergelijken met de jazzmuziek met haar kleurrijke improvisaties en themawisselingen.

Een doorbraak naar erkenning was de toekenning in 1953 - en nogmaals in 1956 en 1962 - van de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam. Voor de uitreiking van de prijs, op 27 maart 1954 in het Stedelijk Museum, besloot Lucebert in hofstijl, verkleed als keizer met zijn gevolg, de plechtigheid bij te wonen. Het bonte gezelschap werd echter in de hal van het museum door de suppoosten tegengehouden en vervolgens door de politie naar buiten gewerkt.

Uit een kortdurende relatie met Sylvia Sluijter was in 1950 een zoon geboren. Deze droeg wel de naam Swaanswijk, maar woonde bij de moeder. In 1952 ontmoette Lucebert in het Amsterdamse café Eylders zijn latere echtgenote, Tony Koek, die in haar onderhoud voorzag als huishoudster en naaister. In 1953 vestigden Lucebert en Tony zich in het Noord-Hollandse Bergen, waar zij een jaar later in het huwelijk traden; Tony's in 1949 uit een vorig huwelijk geboren dochtertje kwam toen bij hen wonen. Samen kregen Lucebert en Tony in 1953 een zoon en in 1955 en 1956 twee dochters.

In Bergen kreeg Lucebert in 1954, door de toelating als 'werkend lid' tot het Kunstenaars Centrum Bergen, officieel erkenning als beeldend kunstenaar. Hierdoor ontving hij, tegen inlevering van werk, wekelijks een geringe uitkering van de gemeente, wat enige verlichting van zijn constante geldzorgen betekende.

In 1954 aanvaardde Lucebert een uitnodiging van toneelschrijver en theatermaker Bertolt Brecht om als 'Meisterschüler' met een beurs voor twee jaar te worden toegevoegd aan zijn gezelschap in Oost-Berlijn. Het verblijf aldaar met Tony en hun beider kinderen zou echter slechts kort duren: van september 1955 tot maart 1956, onderbroken door een reis naar Bulgarije in oktober 1955. Lucebert voelde zich in het communistische land namelijk niet op zijn plaats. De bevoorrechte positie die hij dankzij Brechts bescherming genoot, had eerder een verlammende dan een stimulerende invloed op zijn creativiteit. De Berlijnse ervaring zou overigens niet van invloed zijn op zijn linkse engagement. Zijn leven lang voelde Lucebert zich verbonden met de machtelozen en verdrukten, wat ook in veel van zijn gedichten en schilderijen tot uitdrukking komt.

Terug in Bergen vergrootte Lucebert in de volgende jaren zijn creatieve veelzijdigheid door te gaan fotograferen, lithograferen, etsen, zeefdrukken en schilderen met olieverf. De laatstgenoemde techniek - die hij zich voorheen vanwege de kosten niet had kunnen veroorloven - ontwikkelde hij vooral nadat hij in 1957 de beschikking had gekregen over een atelier en woning aan de Boendermakerhof in Bergen. Daar zou hij tot aan zijn dood blijven wonen en werken. In 1958 kreeg Lucebert zijn eerste eenmanstentoonstelling in galerie 'Espace' in Haarlem en het jaar daarop in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Eveneens in 1959 werd hem door de Union méditerranéenne pour l'Art moderne een prijs toegekend op de eerste 'Biennale de la jeunesse' in Parijs en nam hij deel aan de belangrijke internationale tentoonstelling van moderne en hedendaagse kunst 'Documenta II' in Kassel. Vanaf dat moment volgde een jarenlang durende stroom van exposities in binnen- en buitenland, soms wel acht per jaar, wat mogelijk was door Luceberts veelzijdigheid als beeldend kunstenaar, zijn gedisciplineerde leven en zijn hoge werktempo.

In 1960 ging Lucebert een zesjarig contract aan met de - op het gebied van de moderne kunst vooraanstaande - Marlborough Gallery in Londen, wat hem voor het eerst enige financiële zekerheid bood. Lucebert ontwikkelde in korte tijd vanuit de CoBrA-achtergrond een eigen schildertrant. Waren zijn doeken aanvankelijk vooral bevolkt met fantasiewezens, geïnspireerd op de kindertekening, allengs schilderde hij steeds nadrukkelijker de wereld der mensen, in al haar verschrikkingen en kwetsbaarheid. Hij ontving in 1962 de prestigieuze Premio Marzotto in Milaan en in 1964 de Premio Carlo Cardazzo op de Biënnale van Venetië voor zijn grafiek.

Naast zijn beeldend werk bleef Lucebert zijn dichterschap levenslang trouw. Toen in 1965 Simon Vinkenoog de Gedichten 1948-1963 samenstelde uit Luceberts eerste zeven bundels, voegde de laatstgenoemde de verspreid gepubliceerde gedichten uit 1960-1963 samen tot de bundel Mooi uitzicht en andere kurioziteiten. In 1965 ontving hij voor zijn poëtisch oeuvre de Constantijn Huygensprijs en in 1967 de P.C. Hooftprijs. Lucebert maakte zelf deel uit van de werkgroep die in 1974 de Verzamelde gedichten verzorgde, een wetenschappelijk verantwoorde uitgave van al zijn tot dan toe geschreven gedichten.

De belangstelling en waardering voor Luceberts gedichten groeide met de jaren, wat blijkt uit het toenemende aantal studies over zijn poëzie. Bij het grote publiek werden vele losse regels van hem bekend als gevleugelde woorden, zoals: 'alles van waarde is weerloos'; 'het besef / een broodkruimel te zijn op de rok van het universum'; 'wie wil stralen die moet branden'; 'lyriek is de moeder der politiek'; 'er is alles in de wereld het is alles'; 'ik bouw nauwgezet en wanhopig'; 'overal zanikt bagger'.

Tussen 1965 en 1980 schreef Lucebert slechts enkele gedichten per jaar, vaak bedoeld voor speciale gelegenheden als exposities van eigen werk of dat van anderen. Een aantal daarvan werd in 1981 samengebracht in de bundel Oogsten in de dwaaltuin. Hiermee keerde Lucebert terug op het literaire podium. In de volgende jaren verschenen nog de bundels De moerasruiter uit het paradijs (1982), Troost de hysterische robot (1989), Van de roerloze woelgeest (1993) en het postuum gepubliceerde Van de maltentige losbol (1994). In totaal publiceerde Lucebert een kleine duizend gedichten. In 1983 ontving hij uit handen van de Belgische koning Boudewijn de Prijs der Nederlandse Letteren. Luceberts werk werd vertaald in meer dan tien talen, waaronder het Duits, Engels, Spaans, Frans en Pools.

Vanaf 1965 verbleef Lucebert een deel van het jaar in Jávea bij Alicante in Spanje. Ook daar werkte hij voortdurend en gedisciplineerd aan de verdere uitbreiding van zijn oeuvre. Luceberts werk werd meermalen geëxposeerd in Spanje, ook na zijn dood. In Duitsland, Frankrijk, België en Scandinavië bestond eveneens veel belangstelling voor zijn werk. In 1986 verwierf het Amsterdamse Stedelijk Museum de Groenendijk-Voûtecollectie met ruim 800 werken van Lucebert en exposeerde die het jaar daarop samen met de werken uit de eigen collectie. Daarnaast maakte Lucebert in de loop der jaren nog verschillende wandschilderingen - onder meer in 1983 voor het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag - en in de laatste jaren van zijn leven ook keramische sculpturen. Grote keramische beelden werden na zijn dood geplaatst in Beverwijk en Bergen.

In 1991 - een jaar na ontvangst van de Jacobus van Looyprijs die het Frans Halsmuseum te Haarlem elke vijf jaar toekent aan een dubbel begaafd kunstenaar - werd bij Lucebert lymfeklierkanker geconstateerd. Desondanks produceerde hij in zijn ateliers in Bergen en Jávea in een laatste golf van creativiteit nog een stroom van schilderijen, tekeningen en gedichten, totdat zijn dood op 69-jarige leeftijd in 1994 in een ziekenhuis in Alkmaar hieraan een einde maakte.

Lucebert behoorde tot het kleine groepje dichters dat de Nederlandse poëzie van de 20ste eeuw ingrijpend heeft beïnvloed. Hij speelde een uniek en sprankelend spel met de taal in een geslaagde poging te ontkomen aan de traditionele taalregels en de daarmee verbonden vanzelfsprekendheden. Zo trachtte hij 'op poëtische wijze / de ruimte van het volledig leven / tot uitdrukking te brengen'. Luceberts betekenis als tekenaar en schilder ligt eveneens in de verwerping van vastgeroeste patronen, zoals die al was ingezet door bewegingen als Dada en het surrealisme. Op zeer persoonlijke wijze bouwde hij voort op de weg die was ingeslagen door zijn CoBrA-vrienden. De figuren op zijn schilderijen zijn vaak confronterend en schokkend, omdat ze vraagtekens zetten bij alle overgeleverde wetmatigheden van schoonheid en harmonie. Zij weerspiegelen op deernisvolle wijze zowel het monsterlijke als het machteloze in de mens die voorgoed verbannen is uit het paradijs van het naïeve geloof in de vooruitgang.

A: Brieven en manuscripten van Lucebert in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage. Het Lucebert-archief en een grote verzameling beeldend werk van Lucebert in het Stedelijk Museum te Amsterdam. De complete collectie beeldend werk van de Stichting Lucebert in het Instituut Collectie Nederland (Amsterdam/Rijswijk).

P: Lucebert in het Stedelijk. Catalogus van alle schilderijen, tekeningen, gouaches, aquarellen en prenten in de verzameling. Samengest. door Ad Petersen (Amsterdam 1987); Lucebert. Verzamelde gedichten. Samengest. door Victor Schiferli (Amsterdam 2002).

L: Behalve necrologieën o.a. door Guus Middag, in NRC Handelsblad, 11-5-1994 en door Rob Schouten, in Vrij Nederland, 21-5-1994: interview door Bibeb, 'in Vrij Nederland, 8-8-1964; interview door Trix Betlem, in Avenue, sept. 1968; interview door Jan Brokken, in HP, 22-4-1978; interview door Lien Heyting, in NRC Handelsblad, 11-3-1994: Anja de Feijter, 'Apocrief / de analphabetische naam.' Het historisch debuut van Lucebert in het licht van de intertekst van Joodse mystiek en Hölderlin (Amsterdam 1994); Licht is de wind der duisternis. Over Lucebert. Onder red. van Hans Groenewegen (Groningen 1999); Jan Oegema, Lucebert, mysticus. Over de roepingsgedichten en de 'Open brief aan Bertus Aafjes' (Nijmegen 1999); Jens Christian Jensen, Lucebert schilder. Wording en analyse van zijn schilderkunst [Vert. uit het Duits] (Nijmegen 2001); Peter Hofman, Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert [Biografie] (Amsterdam 2004); Cyrille Offermans, Vlek als levenswerk. Lucebert op papier (Groningen 2006); De lezende Lucebert. Bibliotheek van een dichter. Onder red. van Lisa Kuitert (Nijmegen 2008); Theo Salemink, Een andere Lucebert. Op het snijvlak van avant-garde en katholicisme (Nijmegen 2008).

I: Lucebert. Schilder, dichter, fotograaf. Samengesteld door Diana A. Wind (Nijmegen [etc.] 2007) [Tentoonstellingscatalogus] omslagfoto. [Foto: Fritz Pitz, omstreeks 1967].

Peter Hofman


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013