Tak, Marcus (1891-1967)

 
English | Nederlands

TAK, Marcus (1891-1967)

Tak, Marcus, musicus, componist en journalist (Amsterdam 9-8-1891 - New York (Verenigde Staten) 8-8-1967). Zoon van Joseph Tak, diamantbewerker, en Sara Sondervan. Gehuwd op 8-5-1916 met Ypkje Reiniera Zeinstra (1885-1968), concertzangeres. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. Na echtscheiding (19- 6-1925) gehuwd met Helen Elizabeth Kinney (1909-1997). Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

afbeelding van Tak, Marcus

Max Tak werd geboren in de Halvemaansteeg in Amsterdam, in een familie van joodse diamantbewerkers. Zijn vader getroostte zich 'oneindig veel opofferingen' om de jonge Tak vioollessen te laten volgen, op voorwaarde dat hij ook de driejarige-HBS zou afmaken (Onder de bomen van het plein, 9). Tot zijn leraren behoorden de beroepsmusici William Klein, Sylvain Noach en Johan C. Herbschleb, eerste violist bij het Concertgebouw-Orkest. Al op zijn twaalde werd Max 'buitenlid' van dit nog jonge orkest, de gekscherende benaming voor iedereen die geen toegangskaartje van vijftig cent kon betalen en daarom buiten de omheining meeluisterde naar de openluchtconcerten in de toenmalige tuin achter het Concertgebouw.

Toen Tak in 1906 van school kwam, nam Herbschleb hem mee naar dirigent Willem Mengelberg, bij wie hij mocht voorspelen. Hij werd aangenomen als leerling bij de tweede vioolgroep en kreeg een salaris van vijfentwintig gulden per maand. Ook volgde hij nog lessen aan het Amsterdamsch Conservatorium, bij viooldocent Alexander Schmuller en docent compositieleer Cornelis Dopper. Tak koesterde een diepe bewondering voor Mengelberg en was trots op zijn vaste betrekking bij het beste symfonieorkest van het land, maar werd ook al snel geconfronteerd met het feit dat hij niet veel verdiende. Hij besloot dan ook zoveel mogelijk bijverdiensten aan te nemen, al was het maar omdat hij zich graag goed kleedde. In de amusementssector en in de horeca was toentertijd nog veel vraag naar klassiek geschoolde orkestmusici; de muziek die in zulke strijkjes werd gespeeld, was nu eenmaal geworteld in het klassieke repertoire. Zo trad Tak - op de piano begeleid door zijn zuster Mary - veelvuldig op als vioolsolist tijdens concerten die werden georganiseerd door zangverenigingen en fanfare- en harmonieorkesten. Voorts dreef hij een handeltje in violen en strijkstokken. Tak was, zoals hij zichzelf omschreef, 'een snabbelaar van je welste' (Onder de bomen van het plein, 15).

Zijn eerste schreden op compositorisch gebied zette Max Tak in 1914 - na een optreden van de Franse chansonnière Yvette Guilbert - in de Kleine Zaal van het Concertgebouw. Hij componeerde eigen melodietjes op de teksten in het programmaboek en legde die voor aan de befaamde cabaretleider Jean-Louis Pisuisse. Deze toonde zich geïnteresseerd, maar vroeg of hij ook tekst en muziek voor eigen, Nederlandstalige liedjes kon schrijven. Tak maakte er vier, waarvan De Fancy-Fair en De Gangen van het Concertgebouw (beide 1914) populaire nummers op het repertoire van Pisuisse werden.

Via Pisuisse kwam Tak ook in contact met de directie van het toenmalige Amsterdamse ontspanningscentrum 'Bellevue', waar hij vanaf 1915 met een eigen ensemble populair-klassieke zomerconcerten verzorgde. Door al die nevenactiviteiten wist hij zijn salaris bij het Concertgebouw-Orkest maandelijks te verhogen tot circa tweehonderd gulden. Deze uitbreiding van zijn inkomen was des te noodzakelijker toen Tak in 1916 in het huwelijk trad met de concertzangeres Ypkje Zeinstra. Ruim zes maanden later werd hun dochter geboren. Lang duurde het huwelijk echter niet. Na negen jaar werd het door zijn vrouw beëindigd, toen zij ontdekte dat Tak er verscheidene andere relaties op na hield.

Tot eind 1916 bleef Tak verbonden aan het Concertgebouw-Orkest, de laatste jaren bij de eerste violen. Toen deed de directeur van 'Cinema Palace' in de Amsterdamse Kalverstraat hem een aanbod dat hij niet kon weigeren: 'Je kunt bij mij per maand verdienen, wat je bij het Concertgebouw in een jaar hebt' (Algemeen Handelsblad, 26-10-1961). Tak nam met spijt afscheid van zijn vaste plaats bij Mengelberg en formeerde naar eigen inzicht een bioscooporkest. Wekelijks stelde hij de muziek ter begeleiding van de zwijgende films samen: een behendig weefwerk van thema's uit het populair-klassieke repertoire en eigen verbindende melodielijnen, die de gebeurtenissen op het witte doek extra dramatiek verleenden.

De mare dat het orkest van 'Cinema Palace' het beste bioscooporkest van de stad in huis had, kwam ook ter ore van de Rotterdamse bioscoopexploitant Abraham Tuschinski, voor wie 'het grootste van het grootste'nauwelijks genoeg was. Toen deze in 1921 zijn eigen filmpaleis in de Reguliersbreestraat in Amsterdam opende, stond Tak dan ook voor het orkest. Bijna twintig jaar lang - tot aan de Duitse bezetting - vormde zijn bioscooporkest één van de trekpleisters van het 'Tuschinski Theater', ook toen de levende muziek een minder prominente rol kreeg door de komst van de geluidsfilm. Week in week uit stelde Tak de muziek samen, die hij vervolgens tijdens twee of drie voorstellingen per dag dirigeerde. Bovendien trad hij op als publiciteitschef van het theater. Hij schreef veel programmaboekjes vol, redigeerde het blad Tuschinski Nieuws en was ook de (anonieme) auteur van de daarin gepubliceerde memoires van Abraham Tuschinski.

Naast zijn werk voor het bioscooptheater en een druk liefdesleven vond Tak ook nog tijd voor velerlei andere activiteiten. Hij recenseerde moderne jazz voor De Telegraafen interviewde voor die krant jazzcoryfeeën als Duke Ellington en was jurylid bij menig jazzfestival. Voor de AVRO-radio verzorgde hij concerten met het Tuschinski Theater-Orkest en presenteerde daar een groot aantal grammofoonplatenprogramma's. Tevens was hij lid van de AVRO- programmaraad. Verder voerde hij onder andere de supervisie over een filmoptreden van Mengelberg met het Concertgebouw-Orkest in een Parijse studio, waar het podium van het Concertgebouw was nagebouwd, en regisseerde hij de Nederlandse nasynchronisatie van Snow White and the seven dwarfs (1938), de eerste grote tekenfilm in kleur van de Amerikaanse Walt Disney- studio's.

Tak schreef ook muziek bij veel Nederlandse speelfilms uit de jaren dertig - van Het meisje met den blauwen hoed (1934) tot Ergens in Nederland (1940) - , die door zijn orkest werd uitgevoerd. Daarnaast componeerde hij tientallen liedjes, waarvan er enkele klassiek zijn geworden. Zo hield de acteur Cor Ruys in 1924, in een door Tak geschreven revue, het weemoedige 'Onder de bomen van het plein' ten doop, op tekst van Chef van Dijk. Tot zijn bekendste nummers behoren verder 'Vriendinnetje', 'Amsterdam' ('Er is geen stad die ook maar even aan je tippen kan') en 'Het leven is heus niet zo kwaad', allemaal op tekst van zijn Tuschinski-collega en vriend Alex de Haas. Beiden zorgden ook voor het openingslied van het AVRO-amusementsprogramma De bonte dinsdagavondtrein.

Eind oktober 1940 werd de joodse Tak ontslagen bij het 'Tuschinski Theater', dat inmiddels in Duitse handen was geraakt en de niet-joodse naam 'Tivoli' droeg. Brodeloos geworden vond hij in 1941, zogenaamd als paardenverzorger, aansluiting bij een circusgezelschap dat de rijke vatenfabrikanten Bernard en Oscar van Leer als voorwendsel hadden opgezet om bevriende joodse Nederlanders heelhuids naar het buitenland te laten ontkomen. De groep belandde - via België, Frankrijk en Spanje - op een schip naar Cuba. Tak reisde vervolgens naar Curaçao, waar hij in de zomer van 1941 arriveerde. Hij schreef hier onder meer reclameteksten voor een warenhuis, werkte bij de radio-omroep en was bedrijfsleider van een paar bioscopen. Toen hij genoeg had verdiend, waagde Tak in februari 1943 de reis naar New York. In de Amerikaanse muziekwereld heerste zoveel werkloosheid dat Tak ook daar besloot een andere werkkring te zoeken. Eén van zijn eerste activiteiten was een wekelijks radio-uurtje voor CBS, Nederland in Oorlogstijd, bestemd voor de Nederlandse zeelieden die bleven varen zolang hun vaderland bezet bleef.

Na de bevrijding van Nederland bleef Tak in New York wonen. Hij werd er correspondent voor Elseviers Weekblad, las voor de AVRO-radio wekelijks zijn gesproken brief New York calling voor en verzorgde een wekelijkse rubriek, Het Max Takkwartiertje, voor de Antilliaanse radio. Voorts vestigde hij - zetelend in een kamer in het Nederlandse consulaat-generaal - een eenmans-promotiebureau voor Nederlandse artiesten die in de Verenigde Staten wilden optreden: het Comité voor Nederlandse Muziek. Ook voor dit werk was zijn brede muzikale smaak van groot belang. Niet alleen slaagde hij erin de eerste Amerikaanse tournee voor het Concertgebouworkest te organiseren, maar ook introduceerde hij de zanger Willy Alberti bij het Amerikaanse publiek. Dat diens opname van het lied 'Volare' in 1959 een hit werd in de Verenigde Staten, was daarom mede aan Max Tak te danken. Anderen voor wie hij als trait d'union fungeerde, waren de actrice Georgette Hagedoorn, de moppentapper Max Tailleur en de schilder Jan Wiegers.

Intussen bracht Tak eenmaal per jaar een bezoek aan Nederland, en in het bijzonder aan Amsterdam. Maar hoewel hij tijdens deze bezoeken onder meer als gastdirigent bij het Promenade Orkest werkte, heeft Tak nooit overwogen om weer definitief in zijn vaderland aan het werk te gaan. De amusementswereld was niet meer dezelfde als vóór de Tweede Wereldoorlog; een nieuwe generatie gaf de voorkeur aan nieuwe muziek. Bovendien was hij inmiddels hertrouwd met een Amerikaanse vrouw, bij wie hij eveneens een dochter had. Zij zouden weinig voelen voor emigratie.

Zo bleef Max Tak tot aan zijn dood een man met heimwee, die met succes een nieuwe carrière in een nieuw land had opgebouwd, maar toch graag terugkeek op de tijd dat hij zo'n voorname rol speelde in het Nederlandse amusementsbedrijf. Tak bleef hartstochtelijk gehecht aan zijn Nederlanderschap. 'Jongens uit de Halve Maansteeg moeten nooit een andere nationaliteit aannemen dan de Hollandse', zei hij kort voor zijn dood (Van der Mijn). Tak wilde dan ook in zijn geboorteland worden begraven. Zijn stoffelijk overschot lag opgebaard in het Concertgebouw, werd daarna langs de Halvemaansteeg en het 'Tuschinski-Theater' gereden en werd uiteindelijk op de Israëlitische begraafplaats in Muiderberg te ruste gelegd.

A: Persdocumentatie, geluidsopnamen en bladmuziek in het Theater Instituut Nederland te Amsterdam. Persdocumentatie in de bibliotheek van het Filmmuseum te Amsterdam. Persdocumentatie in het Stadsarchief Amsterdam.

P: o.a. De groote kunstenaars van het witte doek (6 dln.; Amsterdam [1928]); This is New York. Met foto's van Kees Scherer (Londen 1961).

L: Interview in Algemeen Handelsblad, 26-10-1961; Alex de Haas, 'Max Tak, wáár ambassadeur voor ons land, zeventig jaar', in Het Parool, 9-8-1961; interview door Aad van der Mijn, in Het Parool, 23-8-1966; Max Tak, Onder de bomen van het plein (Amsterdam [etc.] 1962); J.E. van de Kamp, Mens, durf te leven! Grote figuren uit het cabaret in en om Amsterdam tot 1940 (Aangevulde reprint; Amsterdam 1978) 165-188; Henk van Gelder, Abraham Tuschinski (Amsterdam 1996); Pauline Micheels, De vatenman. Bernard van Leer (1883-1958) (Amsterdam [etc.] 2002). Op 8-9-1964 zond de AVRO de door Alex de Haas samengestelde televisiedocumentaire Bomen met Takuit.

I: J.E. van de Kamp, Mens, durf te leven! Grote figuren uit het cabaret in en om Amsterdam tot 1940 (Amsterdam 1978) 159 [Max Tak in april 1955. Foto: De Telegraaf, Amsterdam].

Henk van Gelder


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013