Terruwe, Anna Alberdina Antoinette (1911-2004)

 
English | Nederlands

TERRUWE, Anna Alberdina Antoinette (1911-2004)

TERRUWE, Anna Alberdina Antoinette, psychiater (Vierlingsbeek 19-8-1911 - Deurne 28-4-2004). Dochter van Johannes Theodorus Terruwe, koopman, later bemiddelaar van een technische handelsmaatschappij, en Catharina Theresia Ernestina Huberta Korbmacher, verloskundige.

afbeelding van Terruwe, Anna Alberdina Antoinette Anna Terruwe groeide samen met een twee jaar jongere broer op in een rooms-katholiek middenstandsgezin. In 1921 verhuisde het gezin van Vierlingsbeek naar Deurne, waar het in een herenhuis aan de Stationslaan ging wonen. Vanaf 1923 tot 1930 volgde Anna de opleiding gymnasium-B aan het St. Catharina Lyceum in Eindhoven. In datzelfde jaar later ging zij aan de Rijksuniversiteit te Utrecht geneeskunde studeren. Nadat zij in 1938 haar artsendiploma had behaald, specialiseerde ze zich in de psychiatrie bij professor H.C. Römke.

Tijdens de Duitse bezetting werkte Terruwe gedurende een half jaar als assistente chirurgie in het ziekenhuis 'Sint Annadal' in Maastricht, en daarna als inwonend assistente in de psychiatrische inrichting 'Voorburg' in Vught. Vervolgens specialiseerde zij zich in Nijmegen bij professor J.J.G. Prick tot zenuwarts. In 1945 werd zij geregistreerd als specialist in 'zenuw- en zielsziekten' en begon zij in Nijmegen een eigen praktijk voor psychotherapie.

Op 9 november 1949 promoveerde Terruwe aan de Rijksuniversiteit te Leiden bij professor E.A.D.E. Carp op het proefschrift De neurose in het licht van de rationeele psychologie. Daarin knoopte zij weliswaar aan bij de these van S. Freud dat neurosen ontstaan door verdringing, maar ze plaatste deze in het kader van de 'rationele' psychologie van Thomas van Aquino. Terruwe werd daarbij geïnspireerd door De verdringingstheorie beoordeeld van thomistisch standpunt, een geschrift uit 1935 van de jurist en moraaltheoloog W.J.A.J. Duynstee. Zij had deze pater redemptorist medio jaren dertig tijdens haar studietijd persoonlijk leren kennen. In haar keuze voor de combinatie van thomistische psychologie en freudiaanse psychoanalyse werd Terruwe nadrukkelijk gesteund door de Nijmeegse hoogleraar in de psychologie, professor P.J.A. Calon. Zij promoveerde in Leiden, omdat in Nijmegen nog geen medische faculteit was en de Utrechtse hoogleraar Römke zich onvoldoende thuis achtte in de thomistische psychologie.

In de jaren veertig, een tijd waarin men in de katholieke wereld zeer negatief stond tegenover de psychoanalyse - onder andere vanwege Freuds nadruk op seksualiteit als bron van psychische stoornissen - poogden Terruwe en Duynstee de psychoanalytische methode zodanig aan te passen dat zij ook voor katholieken aanvaardbaar zou worden. Zij hoopten op die manier een theoretisch en praktisch antwoord te vinden op het groeiende aantal katholieke neurotici, veroorzaakt door het klimaat van angst en krampachtigheid rondom seksualiteit. Waar Freud meende dat de moraal de verdringing van lustvolle gevoelens veroorzaakt, stelden Terruwe en Duynstee dat het vooral gaat om een verkeerd begrepen moraal. Bij neurosen is er niet zozeer sprake van een spanning tussen lust en moraal, maar van verdringing van de ene passie (lust) door de andere (angst), waarna de verdrongen passie op een onbewust niveau voortwoekert, buiten controle van het verstand en de vrije wil. Door in de behandeling een permissieve houding aan te nemen tegenover strevingen die uit alle macht worden afgeweerd, kan een proces van zuivering ontstaan, waardoor het verdrongen affect weer onder leiding van de rede kon komen te staan, aldus Terruwe.

Faquino De publicatie van Terruwes proefschrift in 1949 - gevolgd door verscheidene herdrukken in de jaren vijftig - verscherpte de naoorlogse controverse tussen conservatieve en vernieuwingsgezinde katholieken over de beoordeling van 'zondig gedrag'. Laatstgenoemden huldigden het standpunt van de moderne psychologie en psychiatrie dat er - bijvoorbeeld bij dwangmatige masturbatie - in objectieve zin wel sprake kon zijn van zondige handelingen, maar dat de geesteszieke er subjectief niet aansprakelijk voor gesteld kon worden. Dit was ook de visie van Terruwe, en omdat zij in haar praktijk veel clerici met neurotische aandoeningen behandelde, sloegen behoudende katholieke geestelijken alarm. Zij suggereerden dat Terruwe immorele seksuele handelingen zou goedkeuren of zelfs aanmoedigen. Een onderzoek door een commissie van moraaltheologen, in 1949/1950, leidde echter tot de conclusie dat zij 'rechtzinnig in de leer en voorzichtig in de praktijk was' (Ter Meulen, 105).

Vooral van de zijde van de jezuïeten bleef men Terruwe echter belagen. Na een jarenlang volgehouden roddelcampagne werd zij het mikpunt van de Nederlandse jezuïetenpater Sebastiaan Tromp, consultor en qualificator van de Congregatie van het Heilig Officie, het hoogste Vaticaans orgaan dat moest toezien op de zuiverheid van het geloof. Tijdens een door hem in 1955 in de Nederlandse kerkprovincie uitgevoerde visitatie verzamelde Tromp bij een selecte groep Nijmeegse hoogleraren informatie over de praktijk en denkbeelden van Terruwe en Duynstee. In november 1956 publiceerde het Heilig Officie een Monitum met kritische kanttekeningen over psychotherapie zoals die door katholieke zenuwartsen werd gegeven. Daarbij was het overduidelijk dat men vooral de praktijk van Terruwe op het oog had. Deze vermaningen gingen gepaard met een verbod voor mannelijke geestelijken zich door vrouwelijke psychiaters te laten behandelen.

Terruwe kwam tegen deze verdachtmakingen in het geweer, maar haar herhaalde protesten bij het Vaticaan stuitten op hardnekkig stilzwijgen. Tegelijkertijd werd op conferenties en in publicaties - ook internationaal - haar naam genoemd als prototype van psychiaters met verderfelijke opvattingen. In de vaste overtuiging altijd in overeenstemming met de katholieke leer te hebben gehandeld, besloot Terruwe in 1964 met de publicatie van Opening van zaken. In usum privatum de gang van zaken en haar visie daarop voor een beperkte kring van betrokkenen en deskundigen uiteen te zetten. Nadat verscheidene dagbladen er uitvoerig uit hadden geciteerd, ontstond er een storm van kritiek op het handelen van de rooms-katholieke kerk ten aanzien van Terruwe en Duynstee. Kardinaal B.J. Alfrink - die positief stond tegenover de methode van de Nijmeegse zenuwarts én goed bevriend was met paus Paulus VI - wendde zijn invloed in Rome aan, waarna Terruwe op 10 april 1965 officieel werd gerehabiliteerd.

Na haar eerherstel - in 1969 werd zij door de paus in officiële audiëntie ontvangen - steeg in de katholieke wereld de ster van Terruwe snel. Weldra bleek echter dat zij niet in alle opzichten tot de vernieuwingsgezinde katholieken gerekend kon worden. Haar opvattingen over celibaat en geboorteregeling waren zelfs ronduit conservatief. Volgens de Nijmeegse rooms-katholieke theoloog professor Willem Grossouw had Terruwe al vóór haar rehabilitatie ook zelf contact met Paulus VI en voerde zij ook therapeutische gesprekken met hem. Grossouw achtte het ook 'waarschijnlijk dat de contacten van dr. Terruwe met de paus van invloed zijn geweest op zijn beslissingen in Humanae Vitae en zijn vasthouden aan het verplichte priestercelibaat' (Grossouw, 267). Paulus VI beschouwde haar boek Geloven zonder angst en vrees (1969) als 'een geschenk aan de kerk' (Van Breemen, 13).

De grootste bekendheid verwierf Terruwe vanaf het begin van de jaren zeventig met haar 'bevestigingsleer'. Deze vloeide voort uit haar publicatie De frustratieneurose uit 1962. Daarin stelde zij dat, wanneer een klein kind wordt gefrustreerd in zijn natuurlijke verlangen naar bescherming en tederheid, naar 'bevestiging van zijn bestaan', er in het gevoelsleven fundamentele onrust, onzekerheid en onbevredigdheid kunnen ontstaan, met nadelige gevolgen voor de contacten met anderen en voor de zelfwaardering. Therapie is dan gericht op het herstellen van de bevestiging.

In 1972 publiceerde Terruwe Geef mij je hand - Over bevestiging, sleutel van menselijk geluk. In dit boek gebruikte zij haar bevestigingsleer voor een fundamentele kritiek op de westerse consumptiemaatschappij, die volgens haar te veel in het teken van onmiddellijke behoeftebevrediging staat. De aldus verwende mens blijft daardoor psychisch gesloten voor zijn medemensen. Wanneer hij zich echter bewust wordt van het belang van de bevestiging in menselijke verhoudingen - ook economisch en politiek - kan het tij nog ten goede gekeerd worden. Wereldconflicten zouden kunnen worden opgelost als wereldleiders elkaar zouden bevestigen. Bevestiging was volgens Terruwe, in Kom uit de boom, Zacheus, ik kom bij je eten. Empirisch-antropologische visie op menselijk samenzijn in kerk en wereld (1974), overigens ook de remedie voor de problemen in de katholieke kerk in de jaren zeventig, die volgens haar werden veroorzaakt door te veel zelfbevestiging.

De bevestigingsleer van Terruwe zou, zowel in Nederland als internationaal, aanhang krijgen. Haar volgeling Conrad W. Baars, een naar de Verenigde Staten geëmigreerde Nederlandse psychiater, zorgde in 1960 voor de Engelse vertaling van haar proefschrift en nam in 1974 het initiatief tot de oprichting van het House of Affirmation, dat was bedoeld om de leer van de bevestiging verder te ontwikkelen en om hulp te bieden aan religieuzen die door de moderne tijd in de problemen waren gekomen. In datzelfde jaar ontving Terruwe voor haar ontdekking van de frustratieneurose een eredoctoraat aan het Anna Maria College te Paxton in Massachusetts. In Nederland trok zij vanaf 1971 volle zalen met haar lezingen over de bevestigingsleer. Haar voordrachten waren ook op grammofoonplaat en geluidscassette verkrijgbaar, en zij verscheen geregeld op radio en televisie. In 1982 verplaatste zij haar praktijk van Nijmegen naar Deurne, waar ze - tot aan haar dood - weer in haar ouderlijk huis ging wonen. Terruwe bleef tot op hoge leeftijd actief. Haar laatste boek, Healing the unaffirmed, verscheen in 2002, twee jaar voor haar overlijden op 92-jarige leeftijd.

In haar theorie en praktijk kenmerkte Terruwe zich door eigenzinnigheid, maar ook door een grote trouw aan de rooms-katholieke kerk. In haar beginperiode als psychiater toonde zij moed en creativiteit door een nieuwe therapievorm te ontwikkelen die bruikbaar was in de behandeling van seksueel verkrampte celibatairen. In haar proefschrift legde zij bovendien uitvoerig rekenschap af van haar denkbeelden. In zekere zin werd zij voor deze principiële en openlijke houding gestraft door de achterklap van conservatieve Vaticaangezinden. Tegelijkertijd werd Terruwes aanpak gesteund door vernieuwingsgezinde psychologen, psychiaters en theologen, iets wat haar moed moet hebben gegeven om haar verzet tegen de verdachtmakingen vol te houden en bovendien een gestage reeks publicaties over psychohygiënische onderwerpen het licht te doen zien.

Het ging Terruwe echter in haar geschriften niet om het stimuleren van kerkelijke vernieuwing, zij meende simpelweg dat haar binnen de bestaande verhoudingen onrecht was aangedaan. In wezen was zij tamelijk traditioneel, wat na haar rehabilitatie steeds duidelijker werd. De groeiende weerklank van haar ideeën in katholieke kring heeft zij persoonlijk als een 'bevestiging' ervaren, zo blijkt uit haar latere geschriften. Messiaanse trekken waren haar niet vreemd. Toen er tijdens een reis in een vliegtuigje boven Frankrijk een motorstoring optrad, zei ze geruststellend tegen de stewardess: 'Mijn taak is nog niet af, wij gaan geen ongeluk tegemoet' (Van Breemen, 20). Verzoeken om haar lange toespraken te bekorten, legde zij naast zich neer: zij vond dat haar toehoorders er recht op hadden dat haar leer grondig en degelijk werd uitgelegd. Naast haar sterke, charismatische persoonlijkheid en haar alles omspannende 'positieve psychologie', hebben het conflict met Rome en het eerherstel daarna bijgedragen aan de goeroeachtige status die zij in sommige kringen verwierf.

A: Archief-A.A.A. Terruwe bij de Dr. Anna Terruwe Stichting te Molenhoek.

P: O.E.L. van Breemen, 'Bibliografie dr. Anna A.A. Terruwe over de jaren 1945-2003', in Bevestiging. Erfdeel en opdracht. Anna Terruwe, bevinding en perspectief. Onder red. van Herman Vekeman (Budel 2004) 19-39.

L: H. Ruygers, 'Zielzorg en psychotherapie. Kritische beschouwing van een document', in Tijdschrift voor Theologie 5 (1965) 60-81; Katholieke Universiteit Nijmegen, 1923-1973. Een documentenboek. Onder red. van A.F. Manning [e.a.] (Bilthoven 1974) 114-115, 181-189; L.G.M. Winkeler, 'Verdringing van de moraal. De discussie rond het proefschrift van mevr.dr. A.A.A. Terruwe', in Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum 10 (Nijmegen 1980) 118-134; W. Grossouw, Alles is van u. Gewijde en profane herinneringen (Baarn 1981); R. Abma, 'De katholieken en het psy-complex', in Grafiet 1 (1981-1982) 156-197; Ton van Schaik, 'Het begon met bevrijding en eindigde met Haarlemmerolie. De elitaire leer van Anna Terruwe', in Hervormd Nederland, 10-10-1987; R.H.J. ter Meulen, Ziel en zaligheid. De receptie van de psychologie en de psychoanalyse onder de katholieken in Nederland, 1900-1965 (Nijmegen [etc.] 1988); Octavia van Breemen, Wie is dr. Anna Terruwe? Een beschrijving van het leven en levenswerk van dr. Anna Terruwe, zenuwarts, aan de hand van authentieke gegevens in chronologische volgorde (Deurne 1993); J.B.A.M. Brabers, De Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Katholieke Universiteit Nijmegen, 1923-1982 (Nijmegen 1994) 277-284; Hanneke Westhoff, Geestelijke bevrijders. Nederlandse katholieken en hun beweging voor geestelijke volksgezondheid in de twintigste eeuw (Nijmegen 1996).

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2A9372 [Foto: De Gelderlander].

Ruud Abma


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-02-2015