Thoenes, Piet (1921-1995)

 
English | Nederlands

THOENES, Piet (1921-1995)

Thöenes, Piet (bekend onder de naam Thoenes), socioloog (Rotterdam 26-8-1921 - Utrecht 12-7-1995). Zoon van Dirk Thöenes, kantoorbediende, en Grietje Elizabeth Schuddebeurs, winkelierster in manufacturen. Gehuwd op 1-10-1947 met Remke Anna Huitenga (1922-2007). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

afbeelding van ThÖenes, Piet

Piet Thöenes was afkomstig uit een middenklassegezin. Zijn vader werkte op kantoor bij Thomsen's Havenbedrijf, een van de voornaamste stuwadoorsbedrijven in Rotterdam. Als gevolg van een ongeluk overleed hij reeds drie maanden na de geboorte van zijn zoon. Als nakomertje groeide Piet hierdoor op in een verarmd gezin, dat, behalve zijn moeder en een inwonende tante, nog een broer en twee zusters telde. In het gezin bestonden een geëmancipeerd klimaat en een links-politieke betrokkenheid. Zo leefde men intens mee met de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Thoenes wilde zich als vrijwilliger aanmelden voor het Republikeinse leger in Spanje, maar was daarvoor te jong. Wel hield hij hieraan een levenslange belangstelling voor militaire zaken over. Hij bouwde later een uitgebreide verzameling boeken op dit terrein op.

Nadat Thoenes in 1940 het diploma-B op de Willem de Zwijger HBS in Rotterdam had behaald, was er geen geld voor een universitaire studie. Hij begon daarom aan een onderwijzersopleiding aan de Kweekschool voor Onderwijzers in zijn woonplaats. Al snel na de inval van de Duitsers ging Thoenes deel uitmaken van een communistisch georiënteerde verzetsgroep, de jeugd-CP. In 1942 gaf hij een eigen illegaal blaadje uit, De Beursbengel. Hiervan konden enige nummers verschijnen voordat hij - mede door de amateuristische organisatie van de verzetsgroep - na verraad op 3 februari 1943 werd opgepakt. Ook zijn moeder en oudste zuster - hoewel niet zelf actief in het verzet - werden bij die gelegenheid gearresteerd. Na een verblijf in strafkamp Vught werden beiden overgebracht naar het vrouwenkamp Ravensbrück, terwijl hijzelf in mei 1944 naar het concentratiekamp Dachau bij München werd gedeporteerd. Zijn moeder overleefde de gevangenschap niet.

Met een beurs van de Stichting 40-45 kon Thoenes in 1945 aan de Universiteit van Amsterdam 'sociografie' (: sociale geografie) gaan studeren bij professor H.N. ter Veen. In deze tijd werd hij lid van de Communistische Partij Nederland (CPN) en van de communistisch gezinde Vereeniging van vooruitstrevende Studenten 'Pericles'. In 1947 trouwde hij met Remke Huitenga, die hij al vanaf zijn HBS- en kweekschooljaren kende. In 1949 studeerde Thoenes cum laude af. Hij bedankte als lid van de CPN, aangezien hij een te zelfstandige geest was om zich in het keurslijf van deze partij te laten dringen.

Thoenes' politieke gezindheid bleek een hindernis bij het vinden van een baan. Na vele sollicitaties kon hij uiteindelijk leraar aardrijkskunde worden op het Gemeentelijk Lyceum in Dordrecht, omdat de rector zijn communistische verleden geen bezwaar vond. Thoenes' collega Nederlands daar was J.P. van Praag, voorzitter van Het Humanistisch Verbond, en onder diens invloed raakte hij betrokken bij de humanistische beweging. In 1950 werd Thoenes gevraagd in dienst te treden van het Centraal Bureau voor de Statistiek in Den Haag, waar hij kwam te werken op de afdeling culturele en educatieve statistiek.

Thoenes behoorde tot de na 1945 in Amsterdam opgeleide sociologen die, nadrukkelijker dan de vooroorlogse generatie, hun vakgebied wilden profileren en professionaliseren. In deze kring, waartoe onder anderen J.A.A. van Doorn en G.J. Kruijer behoorden, werd in 1953 het initiatief genomen tot de oprichting van de Sociologische Gids. Thoenes zou hiervan tot 1960 redactielid zijn. Eind november 1954 was hij een van de oprichters van de Vereniging van Sociaal Wetenschappelijke Onderzoekers, waarbinnen hij zich verdienstelijk maakte voor de ontwikkeling van een beroepscode en het organiseren van congressen.

Toch was Thoenes in zekere zin een buitenbeentje in het sociologenmilieu. Zijn opvatting dat de sociologie veel te conformistisch werd door een eenzijdige oriëntatie op onderzoek met verifieerbare hypothesen - de 'verificateurs' - en zich te weinig ontwikkelde in de richting van een maatschappijkritische macrosociologie, veroorzaakte veel ophef. Ook onderging Thoenes slechts in geringe mate de invloed van het toentertijd opkomende Amerikaanse structureel-functionalisme. Hij bleef meer georiënteerd op de Duitse historische sociologie, met vertegenwoordigers als Karl Mannheim, Theodor Geiger en Hans Freyer.

In 1957 werd Thoenes medewerker van professor F. van Heek op het Sociologisch Instituut van de Rijksuniversiteit te Leiden. Op diens advies promoveerde Thoenes op 4 juli 1962 op een macrosociologisch proefschrift over De elite in de verzorgingsstaat. Sociologische proeve van een terugkeer naar domineesland. Hij betoogde hierin onder meer dat de verzorgingsstaat een nieuwe fase in de geschiedenis van de staat betekende. Het liberale tijdperk met zijn staatsonthouding zou nu worden opgevolgd door een samenleving waarin de staat zich op actieve wijze garant stelt voor het welzijn van zijn burgers. Het kapitalistisch productiesysteem bleef daarbij echter gehandhaafd, met de parlementaire democratie als politieke context. Aangezien in de verzorgingsstaat een functionarissenelite van economen, sociologen en artsen een belangrijke rol zou vervullen, zag Thoenes de parlementaire democratie wel bedreigd. Naar zijn mening zouden niet zozeer politieke, maar technische discussies de boventoon voeren. Hij zag het daarom als de taak van sociologen om op open en ondogmatische wijze de politieke discussie te stimuleren om zo de democratie nieuwe impulsen te geven. Door het proefschrift raakte in Nederland de term verzorgingsstaat in gebruik als vertaling van de Engelse term 'welfare state'.

In zijn Leidse tijd werd Thoenes lid van de Partij van de Arbeid (PvdA), nadat deze partij in 1958 in de oppositie was gegaan. Hij werd overigens nooit echt een partijman. Uit zijn bijdragen aan partijdiscussies blijkt dat hij een kritischer socialisme voorstond dan de PvdA te zien gaf en dat hij, evenals in de sociologie, een eclectisch gebruik van het werk van Karl Marx daarbij zinvol achtte.

In 1964 werd Thoenes buitengewoon hoogleraar sociologische theorie aan het Institute of Social Studies in Den Haag, waarvoor hij al langer colleges verzorgde. Hij vond het belangrijk dat de studenten, die voornamelijk uit de Derde Wereld afkomstig waren, op grond van een overzicht van sociologische theorieën tot een eigen standpuntbepaling kwamen en zelf daaruit selecteerden wat zij in hun eigen land het best konden gebruiken. Voorts richtte hij zich op studies van elites in de Derde Wereld. In 1967/1968 verbleef hij op het Cape Coast College in Ghana om een uitwisseling op te zetten tussen dit College en het Institute of Social Studies.

In 1968 aanvaardde Thoenes het hoogleraarschap in de algemene en theoretische sociologie aan het Sociologisch Instituut van de Rijksuniversiteit te Utrecht, als opvolger van J.P. Kruijt. In deze roerige tijden - die duidelijk maakten dat de zogeheten a-politieke fase van de verzorgingsstaat voorbij was - sympathiseerde Thoenes enerzijds met de studentenbeweging, maar vond hij haar anderzijds in politiek opzicht te ongenuanceerd. Hij pleitte voor engagement zonder dogma en vond dat studenten een grondige kennis moesten hebben van de sociologische theorie. Drie jaar na zijn benoeming in Utrecht, in 1971, verhuisde Thoenes van Leiden naar Oud-Zuilen, waar hij met zijn vrouw de voormalige pastorie 'Swaenen-vecht' betrok. Overeenkomstig zijn opvattingen over samenlevingsvormen woonden zij daar eerst in een woongemeenschap en later in een familieverband van drie generaties.

Als hoogleraar in Utrecht richtte Thoenes zich steeds meer op vragen van toekomst en beleid. Bij de reorganisatie van het Sociologisch Instituut in vakgroepen in 1974 werd hij dan ook voorzitter van de vakgroep planning en beleid. Hij pleitte daarbij voor een 'concrete utopie', die zich niet louter op projecties van verlangens zou baseren, maar uitging van een grondige wetenschappelijke analyse van de samenleving. Als voorstander van een 'ontwerpsociologie' en van de socioloog als maatschappijontwerper besteedde hij samen met zijn medewerkers veel aandacht aan de ontwikkeling van planningsmethoden en scenario's. De vakgroep werkte hierbij onder meer samen met de Rijksplanologische Dienst, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en het Sociaal en Cultureel Planbureau. Getrouw aan zijn eerdere visie stelde Thoenes zich uitdrukkelijk op het standpunt dat planning politieke keuzes en visies veronderstelde, die ook expliciet gemaakt moesten worden. De technocratische benadering, die meende a-politiek te werk te kunnen gaan, wees hij af.

Zelf waagde Thoenes zich aan het ontwerpen van een concrete utopie in zijn Van wetenschap tot utopie. Opstellen voor overmorgen. Daarin schetst hij het beeld van een sterke overheid die zorg draagt voor de basisvoorzieningen, terwijl individuele burgers en groepen de mogelijkheid wordt gegeven de eigen levenssfeer naar eigen voorkeur en inzicht vorm te geven. Zo zal een pluriforme samenleving kunnen ontstaan. Het boek kreeg minder belangstelling dan hij had verwacht en gehoopt. Intussen kostten het onderwijs en het dagelijks bestuur van de vakgroep hem veel tijd. Als hoogleraar legde hij ook de nodige contacten met buitenlandse universiteiten, onder andere in Sussex, Oxford, Dubrovnik en Finland, en maakte hij studiereizen naar Israël, China, Indonesië en Zuid-Afrika.

Naast zijn wetenschappelijk werk was Thoenes vanaf 1960 actief in de humanistische beweging. Het aantal functies dat hij hierin vervulde was zeer groot. Voor afdelingen van Het Humanistisch Verbond en de Nederlandse Vereniging 'Humanitas' voor maatschappelijke dienstverlening hield hij vele lezingen. Verder speelde hij een actieve rol bij de totstandkoming in 1989 van de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. Ten slotte was hij van 1975 tot 1978 een van de voorzitters van de International Humanist and Ethical Union. Humanisme stond voor Thoenes voor kritische zin, emancipatie, tolerantie, gevoel voor pluriformiteit en sociale rechtvaardigheid zonder daarbij een beroep te doen op een heilsleer. Hij meende dat deze stroming diep in de Nederlandse geschiedenis was geworteld en onder het niet-kerkelijke bevolkingsdeel veel aanhangers had, ook al was het merendeel daarvan niet georganiseerd ('volkshumanisme').

Ook na zijn emeritaat in 1984 bleef Thoenes zich in het debat over de verzorgingsstaat mengen en was hij actief op het gebied van sociologie en samenleving. Linkse intellectuelen, mits niet aan ideologische en politieke leibanden lopend, moesten naar zijn mening deel uitmaken van de maatschappelijke voorhoede. Zelf bedankte hij begin jaren negentig als lid van de PvdA uit onvrede over haar rechtse koers.

Piet Thoenes overleed in 1995 op 73-jarige leeftijd in een Utrechts ziekenhuis. Hij was een markante verschijning binnen de Nederlandse sociologie, die aanvaardde dat zijn non-conformisme hem een positie terzijde van de hoofdstroom van de sociologie deed innemen. Het respect dat men hem toedroeg was er niet minder om.

A: Archief-P. Thoenes in het Humanistisch Archief te Utrecht.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicaties, alsmede artikelen o.a. in Sociologische Gids, Rekenschap, De Vrije Gedachte, Socialisme en Democratie, Civis Mundi, Economisch Statistische Berichten, Beleid&Maatschappij, Wetenschap en Samenleving, Politiek en Cultuur: o.a. 'De verloochening van het Marxisme', in Jaarboek [van] de Nederlandse Sociologische Vereniging XV (Assen 1964); Sense and nonsense of general theory [Inaugurele rede Institute of Social Studies] ('s- Gravenhage 1965); Utopie en ratio [Inaugurele rede RU Utrecht] (Meppel 1969); 'Wetenschap als uitdaging; de terugkeer van de tovenaar' [Afscheidsrede RU Utrecht], in De crisis als uitdaging. Opstellen over heden en toekomst van de verzorgingsstaat (Amsterdam 1984) 15-26; De 'permissive society'. Grenzen aan de toegeeflijkheid? [Erasmus-lezing] ('s-Gravenhage 1986); 'Een humanistische visie op burgerschap', in Burgerschap, levensbeschouwing en criminaliteit. Humanistische, katholieke en protestantse visies op de kwaliteit van de huidige samenleving. Onder red. van P.B. Cliteur [e.a.] (Amersfoort [etc.] 1991) 159-173; Over vooruitgang. Overstappen voor een andere bestemming (Amsterdam 1992); Rob Tielman, Humanisme als zelfbeschikking. Levensherinneringen van een homohumanist, z.p. 2016.

L: Behalve necrologieën door Jaap de Berg in Trouw, 15-7-1995; door Aad van Oosten, in Humanist 50 (1995) 8/9 (sept.) 37; door Herman Noordegraaf, in Tijd en Taak, 16-9-1995 en door Howard Radest, in International Humanist News, 3-10-1995: Marja Gastelaars, Een geregeld leven. Sociologie en sociale politiek in Nederland, 1925-1968 (Amsterdam 1985); E. Jonker, De sociologische verleiding. Sociologie, sociaal-democratie en de welvaartsstaat (Groningen 1988); Douwe van Houten en Bart van Steenbergen, 'Piet Thoenes en de missie van de sociologie', in Sociologische Gids 43 (1996), 314-327; Jan Willem Duyvendak, De planning van ontplooiing. Wetenschap, politiek en de maakbare samenleving ('s-Gravenhage 1999); De sociale wetenschappen in Utrecht. Een geschiedenis. Onder red. van Willem Koops [e.a.] (Hilversum 2005).

I: Humanist 50 (1995) 8/9 (sept.) 37

Herman Noordegraaf


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 16-01-2017