Vogel, Albert Theodore Leonard Carel (1924-1982)

 
English | Nederlands

VOGEL, Albert Theodore Leonard Carel (1924-1982)

Vogel, Albert Theodore Leonard Carel (door naamstoevoeging bij KB d.d. 18-2-1933 nr. 30 gewijzigd in Anthing Vogel; bekend onder de naam Albert Vogel jr.), voordrachtskunstenaar en publicist ('s-Gravenhage 2-3-1924 - Leiden 30-4-1982). Zoon van Louis Albert Vogel (door naamstoevoeging bij KB d.d. 18-2-1933 nr. 30 gewijzigd in Anthing Vogel; bekend onder de naam Albert Vogel sr.), voordrachtskunstenaar en publicist, en Ellen Buwalda (bekend onder de naam Ellen Vareno), voordrachtskunstenares. Gehuwd op 9-1-1945 met Maria Joanna Ursinus van Straaten (geb. 1922). Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. Na echtscheiding (24-2-1949) gehuwd op 30-8-1952 met Evertine Gerrie Muller (geb. 1931), pianiste. Na echtscheiding (6-11-1957) op 23-7-1958 gehuwd met Elisabeth van Welzenis (1932-2005). Na echtscheiding (6-4-1959) op 7-12-1960 gehuwd met Elisabeth Henriëtte van Hasselt (geb. 1927). De drie laatstgenoemde huwelijken bleven kinderloos.

afbeelding van Vogel, Albert Theodore Leonard Carel

Albert Vogel groeide samen met zijn twee oudere zusters, Tanja en Ellen, op in het mondaine milieu van een gevierd kunstenaarsgezin. In hun monumentale huis aan de Haagse Frankenslag ontvingen zijn ouders de culturele elite van die tijd. Toen Albert negen was, overleed zijn vader onverwachts aan een hartaanval. Door de economische depressie van de jaren dertig raakte het gezin volledig aan de grond. Vogel bezocht het Gymnasium Haganum, maar hij was een lastige leerling. Toen hij in 1940, op zestienjarige leeftijd, van school werd gestuurd, had hij maar één wens: in zijn vaders voetsporen treden.

Vogels carrière begon tijdens de Duitse bezetting, toen hij thuis - 'tussen de schuifdeuren' - zijn eerste voordrachten gaf. Van 1941 tot 1943 bezocht hij de Toneelschool in Amsterdam, maar ook deze opleiding maakte hij niet af. 'Het samenspel remde me', vertelde hij later. In 1943 debuteerde Vogel, negentien jaar oud, in de aula van het Haagsche Gemeentemuseum als voordrachtskunstenaar onder de artiestennaam Peter van Velzen met Sophocles' Electrain de vertaling van P.C. Boutens. Om aan tewerkstelling in Duitsland te ontkomen moest hij het jaar daarop onderduiken. Hij vond een schuiladres bij de Haagse familie Van Straaten.

Na de bevrijding maakte Vogel snel naam als voordrachtskunstenaar. Zo werd hij in 1946 door het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen uitgezonden om op te treden voor landgenoten in Nederlands-Indië. In de jaren veertig en vijftig droeg hij in schouwburgen in het hele land voor uit werk van onder anderen Louis Couperus, Anton Tsjechow, Gustave Flaubert, William Shakespeare, Hans Christian Andersen, Edgar Allan Poe, Federico García Lorca en Albert Helman. Aanvankelijk concentreerde Vogel zich op het voordragen van het werk van de schrijvers zelf. In de jaren zestig introduceerde hij 'litteraire one-man-shows', naar Brits voorbeeld. In deze gespeelde conferences lichtte hij een schrijverspersoonlijkheid psychologisch door of riep hij een cultureel tijdperk op. Zo ontstond in 1962 Van en over Couperusen in 1964 Portret van Andersen. In Dagboek van Europauit 1966 bracht hij brieven en dagboekfragmenten van prominente Europeanen, van Napoleon tot Joseph Goebbels en van James Boswell tot Albert Camus. In het laatstgenoemde jaar ging ook In Vogelvluchtin première, een overzicht uit twintig jaar eigen voordrachtskunst.

Met zijn programma's maakte Vogel vele buitenlandse tournees. In 1955, 1956 en 1970 trad hij opnieuw op in Indonesië, en in 1960 en 1966 ging hij naar de Nederlandse Antillen. In de jaren vijftig en zestig bereisde hij België, West-Duitsland, Italië en een aantal landen in het Midden-Oosten, Afrika en Zuid-Amerika. Uitgezonden door de Nederlandse overheid gaf Vogel overal voordrachten voor de daar woonachtige Nederlanders. Aan optredens in een vreemde taal waagde hij zich liever niet. Bovendien vond hij het pretentieus om voor buitenlanders voordrachten te houden uit hun eigen literatuur.

Volgens Vogel was de essentie van de voordrachtskunst de suggestie. 'Een acteur beeldt uit, een voordrachtskunstenaar roept op', zei hij graag. Zo bracht hij geheel alleen een gesprek tussen verschillende personen, een atmosfeer of een dramatische gebeurtenis tot leven, zonder kostuum en met nauwelijks rekwisieten. In 1959 verscheen het in samenwerking met neerlandicus Antal Sivirsky geschreven School der voordrachtkunst. Vogel legde zich tevens toe op het onderwijs in zijn vak, ook om hiermee, naast zijn optredens, in zijn levensonderhoud te voorzien. Tussen 1947 en 1962 verzorgde hij op middelbare scholen in heel Nederland 'schoolconcerten', waarbij hijzelf voordroeg en Willem Hielkema piano speelde. Van 1948 tot 1964 was hij leraar voordrachtskunst aan het Koninklijk Conservatorium voor Muziek in Den Haag, terwijl hij tevens in deze stad welsprekendheid doceerde aan de Hogere Krijgsschool. In 1966 was Vogel medeoprichter van de Academie voor Podiumvorming in Den Haag, een algemene beroepsopleiding met specialistische mogelijkheden voor toneel, cabaret, show, musical en televisie. Ook hier onderwees Vogel de voordrachtskunst.

In het dagelijks leven presenteerde Vogel zich als een 'gentleman-kunstenaar'. Erudiet, ironisch, en altijd onberispelijk gekleed speelde hij graag de dandy. Zijn aantrekkingskracht op vrouwen was legendarisch. Zijn eerste echtgenote, Joan van Straaten, was een dochter van de familie bij wie hij tijdens de bezetting zat ondergedoken. Het was een gedwongen huwelijk, dat niet lang stand hield. De twee daaropvolgende huwelijken waren evenmin een succes: met de pianiste Tientie Muller was hij vijf jaar getrouwd, terwijl het huwelijk met Elisabeth van Welzenis al na ruim acht maanden werd ontbonden. Slechts bij Liesje van Hasselt vond hij een langduriger echtelijk geluk. 'Ik heb wat slordig geleefd', placht Vogel zelf hierover te zeggen. Het was dezelfde ironie waarmee Vogel de vraag beantwoordde waarom hij, als rasechte Hagenaar, in 1955 naar Wassenaar was verhuisd. Omdat hij graag 'op het platteland woonde', zei hij dan.

Zijn grootste bekendheid verwierf Vogel met het voordrachtprogramma Van en over Couperus, dat hij vanaf 1962 duizenden malen in binnen- en buitenland op het toneel heeft gebracht. Zijn liefde voor het werk van de Haagse romancier was zowel gebaseerd op een persoonlijke verwantschap als op een grote bewondering voor wat hij aanduidde als 'Couperus' diep-menselijke oeuvre'. Al in 1946 stond De naumachieop zijn programma. Vanaf 1961 kwamen grammofoonplaten uit met voordrachten, getiteld Van en over Couperus, De naumachieen Een afscheid(uit Couperus' Der dingen ziel). Vogels niet aflatende pogingen Couperus' werk bredere bekendheid te geven ligt ten grondslag aan de herleefde belangstelling voor zijn boeken in de jaren tachtig en negentig van de 20ste eeuw. In 1973 - vijftig jaar na de dood van de schrijver - verscheen De man met de orchidee. Het levensverhaal van Louis Couperus. In het daaropvolgende jaar stelde Vogel het programma samen van het aan de schrijver gewijde Boekenbal in 'Puchri Studio' in Den Haag. Hij adviseerde bij de televisieseries die naar de romans van de auteur werden gemaakt: De kleine zielen(1968/1969), De stille kracht(1974) en Van oude mensen, de dingen, die voorbijgaan(1975/1976). Postuum, in mei 1982, verscheen nog het door Vogel samengestelde Van week tot week. Intieme impressies van Louis Couperus.

De laatste tien jaren van zijn leven trad Albert Vogel jr. nauwelijks meer op. Hij was ervan overtuigd dat 'declameren' een uitstervend vak was. In de jaren zeventig werd het voordragen van literatuur als een elitaire bezigheid bestempeld. Naast het publiceren wijdde Vogel zich meer en meer aan de moderne beeldende kunst. Van 1964 tot 1971 leidde hij samen met Leo Verboon in Den Haag de Internationale Galerie 'Orez' - omkering van het woord 'Zero', een toenmalige kunststroming - , waar werk van internationale avant-garde kunstenaars werd geëxposeerd. Van 1972 tot zijn dood was hij in Den Haag directeur van de Internationale Projectstudio 'Ornis', eveneens een kunstgalerie. Vogel overleed op 58-jarige leeftijd in het Academisch Ziekenhuis in Leiden aan een hersenbloeding.

A: Archief-Albert Vogel jr. in het familiearchief (Anthing) Vogel in het Gemeentearchief te 's-Gravenhage. Persdocumentatie betreffende Albert Vogel jr. in het Theater Instituut Nederland te Amsterdam.

P: Overzicht van de 'voornaamste geschriften' van Albert Vogel jr. in de onder L genoemde publicatie van De Westenholz in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 164. Behalve de in de tekst genoemde grammofoonplaten: Breeroen Rotterdam(78-toeren platen, ca. 1946); Multatuli, toespraak tot de hoofden van Lebak(Amsterdam 1960); Albert Vogel - Louis Couperus(Amsterdam 1972) en Verzen van vroeger(Amsterdam 1975). Compact disc: Van en over Couperus(Amsterdam [etc.] 1998).

L: Behalve necrologieën door o.a. Rico Bulthuis, in Haagsche Courant, 1- 5-1982; K. Schippers, in NRC Handelsblad, 3-5-1982; Frédéric Bastet, in Kringkrant Haagse Kunstkring(juni 1982) 1; Caroline de Westenholz, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde 1982-1983(Leiden 1984) 156-164; eadem, in Jaarboek Geschiedkundige Vereniging Die Haghe 1983('s-Gravenhage 1984) 214-216: interviews o.a. door G.R. Kruissink, in Weten. Algemeen Ontwikkelend Maandblad, 1-8-1955; B. Roest Crollius, in Burgerrecht. Nationaal Weekblad, 30-7-1960 en 24-8-1960; Ischa Meyer, in Het Parool, 20-3-1971; Frans van Lier, in NRC Handelsblad, 5-5-1972 (Cultureel Supplement); Betty van Garrel, in Haagse Post, 3-11-1973; Jan Juffermans, in Tableau. Tijdschrift over beeldende kunst, museumaktiviteiten en kunsthandel3 (1980) 479-481; Caroline de Westenholz, Albert Vogel. Voordrachtskunstenaar (1874-1933) (Amsterdam 2003); Tonko Dop (interviews) en Anneke Muller (biografie), Ellen Vogel. Een hommage (Amsterdam 2007).

I: Jaarboek Geschiedkundige Vereniging Die Haghe 1983 ('s-Gravenhage 1984) 215.

Caroline de Westenholz


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013