Waal, Anna de (1906-1981)

 
English | Nederlands

WAAL, Anna de (1906-1981)

WAAL, Anna de, politica en staatssecretaris (Culemborg 25-11-1906 – Arnhem 22-3-1981). Dochter van Jacobus Wilhelmus de Waal, apotheker, later farmaceutisch inspecteur, en Geertje Sterkenburg.

afbeelding van Waal, Anna de

Anna de Waal groeide samen met haar twee broers op in een niet-religieus apothekersgezin. Toch stuurden haar ouders hun dochter, na zes jaar openbare lagere school, in 1918 naar een rooms-katholieke, door religieuzen geleide MULO in hun woonplaats Culemborg. Toen vader De Waal in 1921 farmaceutisch inspecteur werd in het noorden des lands, vestigde het gezin zich in Leeuwarden. Anna volgde daar opnieuw confessioneel onderwijs op de Christelijke HBS. Niet de gezindte van de school, maar de kwaliteit van het geboden onderwijs stond voor haar ouders voorop.

Anna's ouders vonden haar te jong om na het eindexamen in 1924 uit huis te gaan en lieten hun dochter daarom ter overbrugging de huishoudschool in Leeuwarden bezoeken. In 1926 begon zij - twintig jaar oud - alsnog aan een studie sociale geografie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Op 26 maart 1932 legde zij hier cum laude het doctoraalexamen af.

Nadat zij een jaar aardrijkskundeles had gegeven op de Christelijke MMS in Nijmegen vertrok De Waal in 1932 naar Nederlands-Indië. Daar werd zij lerares aardrijkskunde bij het Gouvernements Middelbaar Onderwijs, eerst in Bandoeng en daarna in Soerabaja. 'Een heerlijke tijd', zou zij deze periode later noemen (De Nieuwe Linie, 14-1-1967).

Na de dood van haar oudste broer, een jaar na haar eindexamen HBS, begon De Waal te zoeken naar zingeving. In Indië ging zij zich hiermee nog nadrukkelijker bezighouden. Na oriëntatie op de theosofie, het boeddhisme, de islam, christian science, protestantisme en spiritisme bekeerde zij zich uiteindelijk tot het rooms-katholicisme. Op paaszaterdag 1935 werd De Waal in Bandoeng gedoopt. Voortaan zou zij ondertekenen met 'A.M. de Waal': Anna Maria. Dogmatisch zou zij nooit worden. Haar ouders zagen geen bezwaar in de overgang van hun dochter tot het katholicisme. 'Als je maar gelukkig bent en een goed mens', zo luidde hun reactie (De Nieuwe Linie, 14-1-1967).

Anna de Waal keerde in 1939 voor verlof terug naar Nederland, waar zij introk bij haar ouders in Wageningen. Zij was hier nog op het moment dat de Duitsers binnenvielen. In juli 1940 werd zij, samen met enkele honderden andere verlofgangers, geïnterneerd als vergelding voor de arrestatie van Duitse ingezetenen in Nederlands-Indië. Zes maanden zat zij vast in het concentratiekamp Ravensbrück in Mecklenburg, waar de zogeheten 'Indische gijzelaars' overigens een betere behandeling kregen dan de 'normale' gevangenen. Nadat zij was vrijgelaten, verzorgde De Waal in Wageningen haar moeder op haar ziekbed. Tegelijkertijd werkte zij aan een proefschrift. Op 28 mei 1943 promoveerde zij - enkele maanden voordat de loyaliteitsverklaring ook voor promovendi verplicht werd - bij professor L. van Vuuren. Haar dissertatie Sociale aardrijkskunde ademt het vooruitgangsgeloof dat haar latere handelen zou bepalen. De Waal geloofde in de maakbaarheid van de samenleving en zag ook een rol voor de aardrijkskunde weggelegd bij het opruimen van archaïsche ideeën en vooroordelen. Na de bevrijding verhuisde De Waal - haar moeder was in november 1943 overleden - van Wageningen naar Utrecht. Daar kreeg zij in november 1945 een baan als wetenschappelijk ambtenaar aan het Geografisch Instituut van de Rijksuniversiteit. Zij werkte er als rechterhand van achtereenvolgens de hoogleraren J. Broek en A. de Vooys en gaf colleges geografie en inleiding in de didactiek.

Ondanks haar rustige aard - haar hobby's waren wandelen, muziek en poëzie - begon De Waal zich geleidelijk aan ook te manifesteren buiten haar werk. Zij sloot zich aan bij het eind september 1946 opgerichte Roomsch Katholiek Vrouwendispuut, dat ijverde voor een prominentere plaats van de vrouw in de maatschappij. Tijdens vele lezingen in het land bepleitte zij die zaak. In februari 1951 werd De Waal bestuurslid van het Vrouwendispuut, een functie die zij tien jaar zou uitoefenen; in 1951-1952 bekleedde zij het voorzitterschap. In een rede bij haar aantreden als bestuurslid maakte zij onmiddellijk duidelijk dat zij deze organisatie als een voorhoede zag.

In 1951 ging De Waal in Utrecht in huis wonen bij Wally van Lanschot, de oprichtster van het Vrouwendispuut. Deze had bewust een relatief onbekende vrouw in huis genomen, omdat 'goede vriendinnen in één huis het gevaar lopen verliefd op elkaar te worden'. De aard van de relatie van De Waal en Van Lanschot is onduidelijk, maar geruchten over een lesbische verhouding waren hardnekkig. Voor de omgeving hielden de twee dat verborgen. De Waal was inmiddels ook actief in de Katholieke Volkspartij (KVP). Van 6 september 1949 tot 1 februari 1953 was zij namens die partij lid van de Utrechtse gemeenteraad. Twee jaar later maakte zij als behartiger van de vrouwenbelangen deel uit van de Nederlandse delegatie voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Het beviel haar matig. Inhoudelijk was zij daar op haar plek, maar het voortdurende netwerken en de scherpe politieke stellingnamen door verscheidene landen stoorden haar.

Op 15 juli 1952 werd De Waal voor de KVP lid van de Tweede Kamer. Haar specialismen hier werden Sociale Zaken en Buitenlandse Zaken. Na eigen aandringen werd daaraan nog Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen toegevoegd. Slechts een half jaar zou zij deze functie uitoefenen. Op 2 februari 1953 trad De Waal namelijk aan als staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen onder minister J.M.L.Th. Cals in het tweede kabinet-Drees (1952-1956). Daarmee werd zij de eerste bewindsvrouw in Nederland.

Als staatssecretaris had De Waal de verantwoordelijkheid voor het voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs en het nijverheidsonderwijs. In 1955 kwamen daar het lager onderwijs, de sociaal-pedagogische opleidingen en het vormingswerk voor de leerplichtvrije jeugd bij. Het waren schrale tijden: het budget van het departement groeide weliswaar, maar schoot tekort om te kunnen voldoen aan de vraag naar nieuwe schoolgebouwen en de salariseisen van het onderwijzend personeel. De Waal werkte ondertussen aan een aantal onderwijswetten en schetste in de samen met Cals gemaakte en in 1955 verschenen Tweede Onderwijsnota de contouren van de latere 'Mammoetwet' (Wet op het Voortgezet Onderwijs van 1963).

De Waals verleden als voorvechtster van vrouwenbelangen speelde geen grote rol tijdens haar staatssecretarisschap. Bij openingen van nijverheidsscholen wees zij er in toespraken wel steeds op dat deze instellingen de meisjes niet alleen huishoudelijke taken dienden bij te brengen, maar hen er ook op dienden voor te bereiden dat zij, zo nodig, op eigen benen zouden kunnen staan. Bovendien werd De Waals opvatting dat het aan een echtpaar zelf was te bepalen of de vrouw na haar huwelijk zou blijven werken binnen haar partij niet door iedereen gedeeld.

Al vóór de Tweede-Kamerverkiezingen van 1956 drongen onderwijsspecialisten binnen de KVP aan op vervanging van De Waal. In de Partij van de Arbeid (PvdA) deelden sommigen die mening. Voor een staatssecretaris was meer nodig - aldus de onderwijsspecialist van die partij in de Kamer - dan iemand die men 'op zijn zachtst gezegd … steeds een vriendelijke juffrouw [kan] noemen' (geciteerd in: Van der Steen, 208-209). Cals kende deze bezwaren en zag ook De Waals zwakke kanten, zoals een geringe besluitvaardigheid en een gebrek aan politiek gevoel. Toch wilde de minister zijn staatssecretaris handhaven, omdat zij in eendrachtige samenwerking samen de grote onderwijswetten door het parlement zouden kunnen loodsen.

Een voornemen van Cals om twee staatssecretarissen op zijn departement te benoemen stuitte op weerstand bij minister-president W. Drees. Dit, alsmede een gezamenlijke verklaring van hoge ambtenaren op het departement dat hun minister op zijn minst onderwijs in zijn portefeuille diende te hebben, werden De Waal fataal. Eind oktober 1956 benoemde Cals R.G.A. Höppener tot staatssecretaris. Deze kreeg de kunsten, de media en het jeugdwerk onder zijn hoede, onderwerpen waarmee de minister zich tot dan toe zelf had beziggehouden. De Waal bleef nog tot 16 maart 1957 aan om Cals vertrouwd te maken met de finesses van haar beleidsterrein. Daarna was zij nog tot 1 november 1963 als raadadviseur-honorair werkzaam op het departement, maar veel stelde het niet voor. Deze ambtelijke werkzaamheden combineerde zij met leidende functies in de vrouwenbeweging. Zo was zij van 1958 tot 1962 voor de tweede keer voorzitter van het Katholiek Vrouwendispuut en van 1959 tot 1966 voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Vrouwenbelangen, Vrouwenarbeid en Gelijk Staatsburgerschap.

Al in 1960 pleitte De Waal, tijdens een audiëntie bij kardinaal B.J. Alfrink, voor een groter aandeel van de vrouw in de rooms-katholieke kerk. Van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) had zij grote verwachtingen, en zij probeerde als presidente van het Katholiek Vrouwendispuut een lobby voor een grotere rol van de vrouw op gang te brengen. Andere katholieke vrouwengroepen konden daar echter weinig enthousiasme voor opbrengen. Later dreven haar standpunten steeds verder af van de officiële kerkelijke leer en vond zij zelfs dat er gepraat moest kunnen worden over vrouwelijke priesters.

Voor de KVP bleef De Waal na haar staatssecretariaat actief als lid van Provinciale Staten van Utrecht van 1 juli 1958 tot 3 juli 1962. In het laatstgenoemde jaar verliet zij de partij vanwege het beleid ten aanzien van Nieuw-Guinea. Dat de KVP lang vasthield aan de laatste kolonie in de Oost en deze zelfs met geweld wilde verdedigen, was voor haar onverteerbaar. Zij trad niet toe tot een andere partij. Bij verkiezingen in de jaren zestig stemde zij vanuit een gevoel van betrokkenheid bij de Derde Wereld en uit afkeer tegen de oorlog in Vietnam op de Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP).

Na haar staatssecretariaat beschouwde De Waal een terugkeer in het onderwijs als een stap terug, maar uiteindelijk kwam zij er toch weer in terecht. Zij bekleedde landelijke bestuursfuncties in het bibliotheekwerk en was medeoprichter van de Bibliotheekacademie in Amsterdam, waar zij van 1 september 1965 tot 1 augustus 1970 werkte als stafdocente.

Vrij snel na haar pensionering begon dementie De Waals verstandelijke vermogens aan te te tasten. Van huisgenoot Van Lanschot, die erg veel tijd besteedde aan haar werk als studentendecaan op de Utrechtse universiteit, had ze niet veel te verwachten. Een vriendin van De Waal verzorgde haar eerst in Nijmegen en daarna in Arnhem. In een verzorgingshuis in de Gelderse hoofdstad overleed zij in 1981 op 74-jarige leeftijd.

Hoewel Anna de Waal als eerste vrouw toetrad tot een kabinet, werd haar naam niet met grote letters in de geschiedenisboeken bijgeschreven. Het nieuws van De Waals benoeming tot staatssecretaris werd begin februari 1953 weggedrukt door de Watersnoodramp in zuid-west Nederland. Bovendien zou de eerste vrouwelijke minister, Marga Klompé, ruim drieëneenhalf jaar later veel meer aandacht weten te trekken. Deze beheerste het politieke spel veel beter. De Waal had daar moeite mee. Zij had haar betekenis vooral als wegbereidster van een aantal onderwijswetten, in het bijzonder de 'Mammoetwet' voor het voortgezet onderwijs. Daarnaast speelde zij een belangrijke rol bij de emancipatie van de vrouw binnen de katholieke zuil.

A: Archief-Anna de Waal in het Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging te Amsterdam.

P: Sociale Aardrijkskunde (Utrecht 1943); Vijftien jaar Katholiek Vrouwendispuut, 1946-1961 ('s-Gravenhage 1961).

L: Interview door M., in Nieuwe Rotterdamse Courant, 7-2-1953; interview in Trouw, 7-10-1966; interview in De Nieuwe Linie, 14-1-1967; Mieke Aerts, De politiek van de katholieke vrouwenemancipatie. Van Marga Klompé tot Jacqueline Hillen (Amsterdam 1994); Marieke Hellevoort, Werken als zuurdesem. Vijftig jaar Katholiek Vrouwendispuut, 1946-1996 (Amsterdam 1996); F. Vogelzang, 'Anna de Waal (1906-1981), eerste vrouwelijke staatssecretaris', in Utrechtse biografieën 5. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Utrechters. Onder red. van W. van den Broeke [e.a.] (Utrecht 1998); Het kabinet Drees III. Barsten in de brede basis. Onder red. van Carla van Baalen en Jan Ramakers ('s-Gravenhage 2001); Het kabinet Drees IV en het kabinet Beel II. Het einde van de rooms-rode coalitie. Onder red. van Jan Willem Brouwer en Peter van der Heiden ('s-Gravenhage 2004); Paul van der Steen, Cals. Koopman in verwachtingen, 1914-1971 (Amsterdam 2004).

I: Website Parlement & Politiek (http://www.parlement.com/9291000/biof/01497).

P. van der Steen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013