Weber, Max Wilhelm Carl (1852-1937)

 
English | Nederlands

WEBER, Max Wilhelm Carl (1852-1937)

WEBER, Max Wilhelm Carl, dierkundige (Bonn (Pruisen) 5-12-1852 - Eerbeek (Gld.) 7-2-1937). Zoon van Hermann Weber, kunsthandelaar, en Wilhelmina van der Kolk. Gehuwd op 27-3-1883 met Anne Antoinette van Bosse (1852-1942), plantkundige. Dit huwelijk bleef kinderloos. Bij Wet van 27-12-1887 (Staatsblad nr. 2) tot Nederlander genaturaliseerd.

afbeelding van Weber, Max Wilhelm Carl Max Weber, zoon van een Duitse vader en een Nederlandse moeder, groeide op in Bonn. Hij was nog geen twee jaar oud toen zijn vader overleed. Van 1862 tot 1865 verbleef hij op een kostschool in Oberstein an der Nahe. Later beweerde hij tijdens die drie jaar niet veel meer te hebben geleerd dan krabben vangen in de rivier, forten bouwen in de sneeuw en op zondag de klok luiden in de kleine rotskapel. Toen al openbaarde zich zijn liefde voor de natuur. In een kast op zijn kamer stalde hij zijn natuurhistorische verzameling uit. Ook op het progymnasium in Neuwied bracht Max veel tijd door in de natuur. Het gymnasium volgde hij in zijn geboorteplaats. Na het eindexamen verbleef hij enige tijd in Nederland bij zijn familie, die hij als kind al vaak had bezocht.

Van 1873 tot 1875 studeerde Weber aan de Universiteit van Bonn medicijnen en zoölogie, in de overtuiging dat een dierkundige de anatomie in zijn vingers moest hebben. Vooral de anatoom F. Leydig heeft een grote invloed gehad op Weber, die gedurende vier semesters zijn assistent was. De vergelijkende anatomie die Leydig doceerde, zou later zijn favoriete vakgebied worden. In de winter van 1875-1876 volgde hij in Berlijn colleges bij de zoöloog E. von Martens, die in Oost-Azië had gereisd en daar planten en dieren had verzameld. Webers liefde voor reizen en onderzoeken werd door hem in belangrijke mate gestimuleerd, en hij zou zijn leven lang met Von Martens bevriend blijven. In deze tijd verscheen ook zijn eerste wetenschappelijke verhandeling, over de voeding van de elft, een haringachtige. Het werk werd bekroond. In 1877 promoveerde Weber aan de universiteit van Bonn op een proefschrift over een familie van hagedissen: Die Nebenorgane des Auges der einheimischen Lacertidae. Het jaar daarop volgde zijn bevordering tot arts.

Nadat Weber in Duitsland zijn dienstplicht had vervuld, stelde de Universiteit van Amsterdam hem in 1879 aan als prosector. Een jaar later volgde een aanstelling als lector in de menselijke anatomie aan de Universiteit van Utrecht. De belangrijkste wetenschappelijke ervaring die Weber in zijn Utrechtse jaren opdeed, was zijn deelname, van begin mei tot eind oktober 1881, als medicus-zoöloog aan de vierde expeditie van de kleine schoener 'Willem Barents' naar de Noordelijke IJszee. Deze wetenschappelijke onderneming was een particulier initiatief, georganiseerd door het zogeheten Hoofd-comité voor een Nederlandsche Pooltocht. Weber had zich contractueel verplicht de resultaten van de expeditie binnen één jaar na terugkomst te publiceren.

In 1883 werd Weber aangesteld als buitengewoon hoogleraar in de vergelijkende ontleedkunde en zoötomie (: anatomie van de dieren) aan de Universiteit van Amsterdam. De combinatie van een Zoölogisch Museum met een rijke verzameling en de tuin van het Koninklijk Zoölogisch Genootschap 'Natura Artis Magistra' bood hem de mogelijkheid levende dieren te observeren en dode te ontleden. Na een jaar werd Webers aanstelling omgezet in een gewoon hoogleraarschap in de vergelijkende ontleedkunde, de zoötomie en het zoölogisch deel der paleontologie. De zoogdieren werden zijn studieobject.

Niet alleen vakmatig, maar ook op het persoonlijke vlak was 1883 voor Weber een belangrijk jaar. Hij trouwde met de jonge weduwe Anna van Bosse, een algendeskundige. In de jaren daarna maakten zij samen talloze wetenschappelijke reizen. Drie zomervakanties bracht het echtpaar door op het walvisstation van Tromsö, in het noorden van Noorwegen: hij voor het bestuderen van walvissen, zij voor het verzamelen van kalkalgen. In een korte biografie beschrijft Weber-van Bosse een anekdote die typerend is voor haar mans gedrevenheid. Op een avond in Vardö ontving de zoöloog het bericht dat een walvisvaarder zojuist een reusachtige baleinwalvis had binnengebracht. Hij kreeg toestemming sectie te verrichten op de hersenen van het dier. Weber, die zich onwel voelde, had echter kort tevoren van een geconsulteerde arts het dringende advies gekregen in bed te blijven. Rond middernacht zag Weber-van Bosse haar echtgenoot echter met grote laarzen aan op het enorme beest rondstappen, spek wegsnijden en hameren en zagen in de schedel. Al haar protesten waren tevergeefs. Het resultaat na Webers urenlange inspanning was echter teleurstellend: de hersenen van het dier waren al bedorven (Typoscript: Biografische notities tot 1898).

Webers onderzoek naar de walvissen in Noorwegen vormde de basis voor het eerste deel van zijn Studien über Säugetiere, dat in 1886 verscheen. Daarmee werd hij de grondlegger van de vergelijkende anatomie van de walvissen. In de jaren daarna verschenen verschillende publicaties van zijn hand, waaronder studies over vissen en een verhandeling over de pissebedden die tijdens de Barents-expeditie van 1881 waren verzameld.

Een grote wens van Weber bleef evenwel nog onvervuld, namelijk het onderzoeken van de Nederlands-Indische wateren. Bij het echtpaar thuis was het een dagelijks onderwerp van gesprek: 'hoe komen we naar de Oost?'. Hun plannen kregen vaste vorm in 1887, toen zij bij toeval kennismaakten met de botanicus Melchior Treub, directeur van 's Lands Plantentuin in Buitenzorg bij Batavia, die op verlof was in Nederland. In 1888 reisde Weber met zijn echtgenote en Treub naar Indië, om daar de zoetwaterflora en -fauna van Sumatra, Java, Flores en Celebes te bestuderen, een onderwerp dat tot die tijd vrijwel was genegeerd. Weber besefte dat dit onderzoek van belang was voor de oplossing van zoögeografische vraagstukken betreffende het eilandenrijk: de verspreiding van de dieren en de verklaring daarvoor. Op Flores verzamelde Weber niet alleen dieren maar ook een grote hoeveelheid etnografica. Na terugkeer in 1889 zou hij ruim vijf jaar dagelijks bezig zijn met het uitwerken van de in Indië vergaarde 'buit'. Uiteindelijk leidde dit tot de vierdelige publicatie Zoologische Ergebnisse einer Reise nach Niederländisch Ost-Indien (1890-1907). Onder de verschillende wetenschapsbeoefenaren die hieraan meewerkten, bevond zich ook Webers vroegere leermeester Von Martens.

In 1894 ondernamen de Webers op eigen kosten een reis naar Zuid-Afrika, waar opnieuw de zoetwaterflora werd bestudeerd. Zij bezochten Natal, Transvaal en de Kaapkolonie. Helaas was de periode niet erg geschikt. Er was nog maar weinig regen gevallen en veel rivieren waren gedeeltelijk of zelfs geheel drooggevallen. Weber bood de plaatselijke San en Khoikhoi tabak en bont bedrukte stoffen aan in ruil voor dieren. Daarnaast verzamelde hij ook hier etnografica. Al met al vielen de resultaten van de reis tegen. Webers wens om terug te keren naar Zuid-Afrika zou echter nooit worden vervuld.

In 1896 bracht Weber een voorstel in voor een nieuwe expeditie naar Nederlands-Indië bij de Maatschappij ter Bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandsche Koloniën, waarvan hij zelf in 1890 een van de oprichters was. De Maatschappij nam de voorbereiding op zich, en drie jaar later kreeg Weber de supervisie over de eerste grootschalige Nederlandse oceanografische expeditie in Nederlands-Indië. Gezien het vele werk dat een dergelijke onderneming met zich bracht, verleende de Universiteit van Amsterdam Weber in 1898 eervol ontslag als hoogleraar en werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar. Bovendien kreeg hij een aanstelling als directeur van het Zoölogisch Museum.

Weber wilde in Indië onderzoek doen naar de flora en fauna van zowel de diepe bekkens als de talrijke koraalriffen in het oostelijke deel van de archipel. Zijn doel was de theorie van de Britse zoöloog en zoögraaf A.R. Wallace over een scherpe scheiding tussen het Aziatisch en Australisch continent te toetsen en zo mogelijk te weerleggen. Het Nederlands-Indische Gouvernement stelde hiertoe de kanonneerboot 'Hr.Ms. Siboga' ter beschikking, die werd aangepast voor oceanografisch werk en voor het doen van dieptemetingen. Webers echtgenote maakte deel uit van de zeskoppige wetenschappelijke staf; zij nam het botanische werk voor haar rekening. De resultaten van de Siboga-expeditie, die bijna een jaar - van 7 maart 1899 tot 26 februari 1900 - duurde, overtroffen alle verwachtingen en leverden een schat aan kennis op over het leven in de Indische wateren. Zo werden bijvoorbeeld 131 nieuwe vissoorten ontdekt. Gedurende de jaren die volgden bracht Weber het Siboga-materiaal bij tientallen biologen in binnen- en buitenland, om vervolgens de door hen op grond hiervan bereikte onderzoeksresultaten samen te brengen en te publiceren.

Na de Siboga-expeditie volgden Webers publicaties elkaar in hoog tempo op. Eens in de veertien dagen reisde hij vanuit zijn landgoed in Eerbeek naar Amsterdam om daar op maandag twee uur college te geven. In 1904 verscheen het standaardwerk Die Säugetiere. Einführung in die Anatomie und Systematik der recenten und fossilen Mammalia. Het is zijn belangrijkste wetenschappelijke publicatie, waarvan in 1927-1928 - in samenwerking met de paleontoloog O. Abel en de anatoom H.M. de Burlet - een uitgebreide editie zou verschijnen. Zeven jaar later volgde het - samen met anderen geschreven - Lehrbuch der Biologie für Hochschulen (1911). Daarnaast wijdde Weber zich voornamelijk aan het beschrijven van de zoetwatervissen van de Indo-Australische archipel. Na de Siboga-expeditie was bij hem het plan gerijpt een volledige visfauna van dit gebied samen te stellen. Tussen 1911 en 1936 verschenen de zeven delen van The fishes of the Indo-Australian archipelago, waaraan hij werkte met zijn assistent L.F. de Beaufort.

Naast het zuiver wetenschappelijke werk had Weber ook oog voor de praktische kanten van zijn vak. Zo was hij jarenlang lid van het College voor de Zeevisscherijen en vertegenwoordigde hij Nederland verschillende malen als gedelegeerde op conferenties van de International Council for the Exploration of the Sea. Hij was lid van tientallen verenigingen op zijn vakgebied in binnen- en buitenland en verwierf verscheidene erelidmaatschappen. In 1924 ontving hij een eredoctoraat in de exacte wetenschappen van de universiteit van Manchester.

Max Weber overleed in 1937 op 84-jarige leeftijd in Huis Eerbeek, een landgoed dat hij in 1895 had gekocht en waar hij zich na zijn emeritaat in 1922 met zijn echtgenote definitief had gevestigd.

Weber was een van de grootste zoölogen van zijn tijd. De laatste decennia van de 19de eeuw waren de hoogtijdagen van de vergelijkende anatomie en embryologie. Biologen zochten naar voorbeelden en bewijzen van Darwins evolutieleer en stelden stambomen op van elk levend wezen. Webers carrière stond in het teken van die beschrijvende zoölogie. Met theorievorming hield hij zich niet bezig: daarvoor was de tijd volgens hem nog niet rijp. Er moest immers nog zoveel praktisch onderzoek worden verricht, dat het tijdverspilling was te filosoferen over het hoe en waarom van de evolutie. In de enorme hoeveelheid verzamelde gegevens ligt dan ook Webers grootste verdienste. Wat opvalt aan zijn wetenschappelijke publicaties is de grote verscheidenheid aan onderwerpen. Over vrijwel alle grote diergroepen heeft hij geschreven.

Weber heeft belangrijk werk verzet op het gebied van de zoögeografie, een nieuwe tak van biologie. Zijn diepgaande analyse van de fauna van de Indische archipel leidde tot de conclusie dat het gebied een mengeling is van deels Aziatische en deels Australische oorsprong. Daarmee ontkrachtte hij de theorie van Wallace volgens welke deze gebieden scherp van elkaar zouden zijn gescheiden. Het grensgebied tussen beide faunagebieden lag volgens Weber bovendien meer in de richting van Australië. De 'Lijn van Weber', waarover biologen tot op heden spreken, doet dus eigenlijk geen recht aan de theorie. De ontwikkeling van de zoögeografie werd sterk gestimuleerd door de vele expedities die in die tijd werden gemaakt. De Siboga-expeditie was daarvan de belangrijkste. Op het moment van zijn overlijden in 1937 was ongeveer 95 procent van het 37 jaar eerder verzamelde materiaal beschreven.

A: De bibliotheek en het archief van Max Weber (o.a. correspondentie met vakgenoten, familiebrieven en logboeken van zijn reizen) en Anna Weber-van Bosse, Biografische notities tot 1898 [Typoscript] in de Artis Bibliotheek te Amsterdam.

P: Bibliografie in het onder L genoemde artikel van L.F. de Beaufort, pp. 128-135. In De Visser 1984, p. 12 nog enkele aanvullingen.

L: Behalve necrologieën o.a. door L.F. de Beaufort, in Vakblad voor Biologen 18 (1937) 7 (mrt.) 125-135; J.H. Schuurmans Stekhoven, in Nieuwe Rotterdamsche Courant, 8-2-1937; M. Boissevain, in Algemeen Handelsblad, 5-9-1937 en 8-9-1937; D'Arcy Wentworth Thompson, in Obituary Notices of Fellows of the Royal Society of London 2 (1938) 347-352; Jaap de Visser, De zoölogische ideeën van Max Wilhelm Carl Weber zoals ze uit zijn onderwijs naar voren komen [Doctoraalscriptie bijvak geschiedenis van de biologie, aanwezig in de Artis Bibliotheek] (Amsterdam 1984); Florence F.J.M. Pieters en Jaap de Visser, 'Materiaal voor een wetenschappelijke biografie van Max Wilhelm Carl Weber (1852-1937)', in Historische sprokkelingen uit de Universiteit van Amsterdam, aangeboden aan mevrouw dr. M. Feiwel … (Amsterdam 1985) 65-74; idem, 'The scientific career of the zoologist Max Wilhelm Carl Weber (1852-1937), in Bijdragen tot de Dierkunde 62 (1993) nr. 4, 193-214; In kaart gebracht met kapmes en kompas. Met het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap op expeditie tussen 1873 en 1960. Onder red. van Arnold Wentholt (Heerlen [etc.] 2003).

I: Foto in het bezit van de Artis Bibliotheek te Amsterdam.

Andrea Kieskamp


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013