Willekens, Petrus Johannes (1881-1971)

 
English | Nederlands

WILLEKENS, Petrus Johannes (1881-1971)

Willekens, Petrus Johannes, rooms-katholiek bisschop in Nederlands-Indië (Reusel 6-12-1881 - Djokjakarta (Indonesië) 27-1-1971). Zoon van Adrianus Willekens, gemeentesecretaris, later burgemeester, en Johanna Borrenbergen.

afbeelding van Willekens, Petrus Johannes

'Peerke' Willekens groeide op als burgemeesterszoon in het Oost-Brabantse Reusel. Al op twaalfjarige leeftijd werd hij naar het elitaire jezuïetencollege in het Belgische Turnhout gestuurd, waar hij zich - ondanks een zwak gestel en veel ziekte - ontpopte tot een vlugge leerling met leiderstalent. In 1900 deed Willekens eindexamen op het kleinseminarie 'Beekvliet' in Sint Michielsgestel, waarna hij intrad in het noviciaat van de jezuïeten 'Mariëndaal' bij Grave. In 1904 begon hij een studie filosofie, maar hij moest deze om gezondheidsredenen twee jaar later afbreken. Willekens werd daarop in 1910 surveillant op het Nijmeegse Canisius-college. In 1912 hervatte hij alsnog zijn studie, die hij op 24 augustus 1915 afsloot met de priesterwijding.

Twee jaar later werd Willekens novicenmeester in 'Mariëndaal', een functie die hij in september 1925 verruilde voor die van rector van het Theologisch College in Maastricht. Hierna rees zijn ster snel. Al in oktober 1925 werd hij adviseur van de Nederlandse jezuïetenprovincie en in december 1927 socius (: rechterhand) van de provincieoverste. Deze werkzaamheden moest Willekens evenwel onderbreken toen de Congregatie voor de Verbreiding van de Geloofsleer (Propaganda Fide) in Rome hem van januari tot november 1928 naar Java zond om te rapporteren over het missiewerk aldaar. Zeer tevreden met de zowel doortastende als diplomatieke wijze waarop deze 'kloosterling-gentleman' zich van zijn inspectietaak kweet, belastten zijn superieuren hem tussen 1931 en 1934 met visitaties van jezuïetenprovincies in Brits-Indië, Frans Indo-China, Hongarije en Groot-Brittannië. Toen de bisschopszetel van Batavia vrijkwam, was Willekens - hoewel een niet uit de missie voortkomende buitenstaander - hiervoor de aangewezen persoon. Op 3 oktober 1934 werd hij, 52 jaar oud, in Batavia tot bisschop gewijd.

In het islamitische Nederlands-Indië van die dagen had de rooms-katholieke geloofsgemeenschap nauwelijks betekenis. De kolonie telde niet meer dan een paar honderdduizend katholieken, wat neerkwam op slechts een half procent van de bevolking. Het bisdom Batavia - dat West- en Midden-Java bestreek en in 1940 circa 61.000 gelovigen omvatte (34.000 Europeanen en 27.000 Indonesiërs) - was weliswaar niet het grootste, maar wel het meest prestigieuze kerkdistrict. Bovendien lag het bestuurlijke machtscentrum van de kolonie in dit bisdom, wat Willekens tot primus inter pares binnen de bisschoppelijke hiërarchie in Nederlands-Indië maakte. Als bisschop van Batavia was hij tevens voorzitter van het dagelijks bestuur van het Centraal Missiebureau, zodat hij zijn stempel kon drukken op de gemeenschappelijke missiebelangen in de archipel.

Stelde de rooms-katholieke kerk getalsmatig niet zoveel voor in de kolonie, als institutie genoot zij wel groot aanzien bij zowel het landsbestuur als de inheemse bevolking. In die zin was Willekens' gezag groter dan dat waarop zijn simpele machtspositie stoelde, te meer daar hij informeel ook optrad als apostolisch delegaat. Het Vaticaan had namelijk geen vertegenwoordiger in de Nederlandse kolonie, die in diplomatiek opzicht onder de pauselijke nuntius in het Australische Sydney ressorteerde.

Een kundige en krachtige bestuurder als Willekens op de bisschopszetel van Batavia was juist toen van groot belang. De economische crisis had diepe sporen achtergelaten in de kolonie, terwijl de politieke spanningen steeds hoger opliepen door de onstuitbare vrijheidsdrang van de nationalisten. Binnen deze gepolariseerde verhoudingen moest de rooms-katholieke kerk uiterst diplomatiek optreden tussen kolonisator en gekoloniseerden. Bovendien moest binnen de katholieke geloofsgemeenschap rekening worden gehouden met de tegenstelling tussen de blanke Europeaan en de gemengdbloedige Indische Nederlander. De inspanningen van de katholieke kerk om de katholieke (meest Indo-)Europese gemeenschap meer aan zich te binden stuitten op weerstand van het Indo-Europees Verbond (IEV), dat de grootste Europese semi-politieke belangenbehartigingsorganisatie was. Willekens slaagde erin door zijn tactvolle optreden de verhouding met het IEV niet verder te laten polariseren, terwijl hij tevens de interne onenigheid tussen Indo's en blanke katholieken wist te beperken. Verder lukte het hem de kerk neutraal te houden in het conflict tussen het Gouvernement en de nationalisten, overeenkomstig de richtlijn van Rome zich alleen te laten leiden door kerkelijke belangen en geen politiek standpunt in te nemen.

Met zijn broodmagere gestalte in het witte habijt met paarse knopjes, de bleke huidskleur, de kalende schedel en de opvallend grote ogen was Willekens een verschijning in de koloniale samenleving van Batavia die de aandacht trok. De ascetische prelaat met zijn intellectuele, aristocratische uitstraling beantwoordde geheel aan het beeld van de 'deftige' jezuïet. Toch was Willekens geenszins afstandelijk. Hij maakte gemakkelijk contact en toonde zich een innemend, hartelijk en meelevend persoon. Hij bezat een onderkoelde humor en was een vlot, zij het vaak breedsprakig causeur. Als kerkelijk bestuurder was Willekens daarentegen autoritair, streng en veeleisend. Begiftigd met een feilloos geheugen, sneldenkend en nauwgezet had hij weinig geduld met degenen die minder precies en vlug van geest waren en kon hij scherp in zijn oordeel zijn.

Tot aan de Tweede Wereldoorlog was 'de Monseigneur' een weliswaar bekende, maar buiten koloniaal-katholieke kring weinig tot de verbeelding sprekende figuur. Dit veranderde tijdens de Japanse bezetting. Vanwege de diplomatieke betrekkingen met het Vaticaan werden Willekens, als Apostolisch Vicaris, en zijn secretaris niet geïnterneerd. Desondanks poogden de Japanners het kerkelijke leven zoveel mogelijk uit te bannen. Zo verboden zij het preken in het Nederlands en later ook het opdragen van de mis. Vastberaden weigerde Willekens zich hiernaar te schikken. Hij gaf geen gehoor aan de Japanse aandrang zich coöperatief op te stellen en zich in religieus opzicht zo terughoudend mogelijk te gedragen. Waar hij kon, spande Willekens zich in voor de Europese en inheemse bevolking, ongeacht het geloof. Mede door zijn optreden kwamen er voorzieningen van de grond om degenen die zonder inkomsten waren van verpaupering te redden.

Nadat in september 1943 op Java alle blanke geestelijken waren geïnterneerd, kwam de kerkelijke leiding welhaast letterlijk op Willekens schouders neer. Om het kerkelijk leven en de zielszorg zoveel mogelijk overeind te houden, nam Willekens zijn toevlucht tot een versnelling van de al in gang gezette indonesisering van de kerk. Al vóór de Japanse bezetting had hij - geheel in overeenstemming met het Vaticaanse beleid - geijverd voor meer inheemse clerici en had hij seminaries opgericht met als doel de kerk te javaniseren. Ook had door zijn toedoen een Javaanse zuster- en broedercongregatie het licht gezien en was al in augustus 1940, na overleg in Rome, op zijn voorspraak de jezuïet Albertus Soegijapranata - die hij in 'Mariëndaal' al onder zijn hoede had gehad - tot eerste inheemse bisschop. Deze kreeg het van het vicariaat Batavia afgescheiden bisdom Semarang toebedeeld. Tijdens de bezetting werden een tiental Indische kloosterlingen tot priester gewijd, en hiermee hield Willekens tot ergernis van de Japanners de kerk overeind.

Pogingen Willekens in zijn werk te dwarsbomen - waarbij intimidatie, arrestaties en zelfs mishandeling niet werden geschuwd - hadden geen effect. Indachtig zijn aan de apostel Paulus ontleende bisschoppelijk devies 'Scio Cui Credidi' (: 'Ik weet in Wien ik mijn vertrouwen heb gesteld') trotseerde de bisschop de bezetter en fietste hij met om elke mouw de voorgeschreven katoenen band met de Japanse vrijwaring om buiten het kamp te mogen verblijven, demonstratief door Batavia om het pastorale werk te verrichten en de noden van allen die een beroep op hem deden te lenigen. Zijn optreden dwong in zowel Europese gelederen - voor zover die buiten de kampen bleven (overwegend Indo-Europeanen) - als bij de christelijke inheemsen bewondering af.

Na de capitulatie van Japan, in augustus 1945, vroeg de onafhankelijkheidsstrijd opnieuw het uiterste van Willekens bestuurlijke vaardigheden om de kerk veilig door deze chaotische fase te loodsen. Ook nu volgde de bisschop de supranationale koers, waarbij hij - hoewel terughoudend - duidelijk welwillend stond tegenover de nationalistische vrijheidsdrang. Zo verzette hij achter de schermen veel diplomatiek werk, waarbij bisschop Soegijapranata optrad als zijn voornaamste intermediair met de leiders van de Indonesische Republiek. Deze houding werd hem in behoudende Nederlandse politieke kringen, en in het bijzonder door de Katholieke Volkspartij, niet in dank afgenomen. Om op krachten te komen en overleg te plegen met politiek Den Haag en het Vaticaan, vertrok Willekens in juni 1947 naar Europa. Ook na terugkeer, in augustus 1948, werd zijn beleid gekenmerkt door aanpassing aan de nieuwe verhoudingen, waarbij hij de heroriëntatie van het missiebeleid krachtig doorzette. Met het oog op de onafwendbare Indonesische onafhankelijkheid koesterde hij zijn goede relatie met de Indonesische leiders. Zijn accommodatiebeleid wierp na de soevereiniteitsoverdracht vruchten af. Doordat de rooms-katholieke kerk haar indonesiserings-streven met volle overtuiging voortzette - in maart 1951 wijdde Willekens een tweede Indonesische bisschop - kreeg zij alle ruimte van de nieuwe machthebbers om haar missieactiviteiten voort te zetten. Een kwart van alle Nederlandse religieuzen nam zelfs de Indonesische nationaliteit aan. Willekens hoorde daar overigens niet bij.

Begin juni 1952 ging Willekens om gezondheidsredenen - hij had nierklachten - met emeritaat. Hij bleef in Indonesië werken als leraar en geestelijk leidsman. Nog in 1963 werd hij benoemd tot mentor aan het jezuïetencollege te Djokjakarta, waar hij in 1967 meemaakte dat de Javaan Adrianus Djajasepoetra - die hem in 1953 al als bisschop was opgevolgd - tot kardinaal werd verheven. Daarmee zag hij zijn levenswerk, de indonesisering van zijn kerk, werkelijkheid worden. In 1971 overleed hij op 89-jarige leeftijd. Hij werd in het missiebolwerk van de jezuïeten in Moentilan op Midden-Java begraven.

A: Summier persoonlijk archief-Willekens in het Archief van de Nederlandse Provincie der Jezuïeten te Nijmegen; archief van het Apostolisch Vicariaat van Batavia in het Katholiek Documentatiecentrum te Nijmegen

P: Verscheidene brieven als bisschop bestemd voor de gelovigen in Katholiek Archief, 1934-1952.

L: Behalve een necrologie door L. Wevers, in SJ. Bericht van de Nederlandse Jezuïeten, 15-2-1971 en 26-3-1971: B. Sondaal, 'Mgr. P.J. Willekens, S.J., apostolisch-vicaris van Batavia, titulair bisschop van Zorava', in Het Missiewerk 16 (1934/1935) 129-136; P.A. Kerstens, 'Willekens, een kerkvader in Indië', in Sint Claverbond 55 (1947) 73-76; C.W.A. Abbenhuis, 'Een groot Nederlander', ibidem 61 (1953) 1-7; Jan Bank, Katholieken en de Indonesische Revolutie (Baarn 1983); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog XIa-b (Leiden 1984-1985); A.F. Manning, 'De katholieke missie in Nederlands-Indië en de Japanse bezetting. Een verkenning', in Jaarboek van het Katholiek Documentatiecentrum 1987 (Nijmegen 1987) 112-133; K. Middelhoff, 'Brabantse burgemeesterszoon en de Indonesische onafhankelijkheid. Mgr. P.J. Willekens S.J. Apostolisch Vicaris van Batavia/Djakarta', in Bisdomblad 's-Hertogenbosch, 25-8-1995; K. Steenbrink, Catholics in Indonesia, 1908-1942 (Leiden 2003).

I: Jan Bank, Katholieken en de Indonesische Revolutie (Baarn 1983) 498 [Bisschop Willekens in april 1947; foto: Anefo].

Hans Meijer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013