Winter, jhr. Pieter Jan van (1895-1990)

 
English | Nederlands

WINTER, jhr. Pieter Jan van (1895-1990)

WINTER, jhr. Pieter Jan van, historicus (Utrecht 2-8-1895 - Groningen 6-3-1990). Zoon van jhr. Pieter Jacob van Winter, notaris, en Clasina Proper. Gehuwd op 21-7-1919 met Anna Hortense Sark (1895-1923). Dit huwelijk bleef kinderloos. Na haar overlijden (14-03-1923) gehuwd op 29-12-1926 met Maria Johanna Spork (1902-1972), secretaresse. Uit dit huwelijk werden 3 dochters geboren.

afbeelding van Winter, jhr. Pieter Jan van

Piet van Winter stamde uit een van de jongere Amsterdamse regentengeslachten, waarvan de leden sinds 1830 een adelspredikaat mochten voeren. Hij groeide op samen met zijn drie jaar jongere zuster en bezocht het Stedelijk Gymnasium in Utrecht, op en neer reizend vanuit Woerden, waar zijn vader indertijd notaris was. Na het eindexamen in 1913 schreef Van Winter zich in aan de Rijksuniversiteit te Leiden voor de studie Nederlands, waarvan geschiedenis toen nog een onderdeel uitmaakte. Binnen het studentencorps vervulde hij verscheidene bestuursfuncties, zoals kroegcommissaris van de sociëteit 'Minerva' (met als bijnaam 'Dolle Piet'). Na de komst van professor J. Huizinga koos Van Winter voor geschiedenis als hoofdvak en op 11 maart 1919 legde hij daarin doctoraalexamen af. Hij was toen al twee jaar voor een klein aantal uren leraar geschiedenis en aardrijkskunde aan het Stedelijk Gymnasium in Leiden.

In Leiden had Van Winter zijn vroegere klasgenote Annetje Sark weer ontmoet, en kort na zijn afstuderen trouwden zij. In verband met zijn huwelijk liet Van Winter zich overschrijven van de Nederlands-hervormde naar de remonstrantse kerk. In 1919 verhuisde het jonge stel naar Groningen, waar Van Winter leraar Nederlands werd aan de Gemeentelijke HBS. Hij was een veeleisende docent, die hechtte aan stiptheid en nauwkeurigheid; ook zijn aristocratische optreden en zijn voor Groningse verhoudingen verfijnd aandoende manier van spreken maakten indruk. Alle overblijvende vrije tijd stak Van Winter in zijn promotieonderzoek. De toevallige vondst van brieven uit Amerika aan zijn voorvader Pieter van Winter vormde de aanleiding voor een onderzoek naar rol die Amsterdamse kooplieden hadden gespeeld tijdens de Amerikaanse Revolutie en de jaren daarna.

Zo goed als Groningen Van Winter beviel, zo slecht beviel die stad zijn vrouw. Zij hield van het uitgaansleven en kon het vaak alleenzijn - vanwege haar mans vele archiefreizen in binnen- en buitenland - moeilijk verdragen. Uiteindelijk kon zij de problemen die hieruit voortkwamen niet meer aan, en in maart 1923 maakte zij een eind aan haar leven. De ontredderde Van Winter vond toen veel steun bij zijn promotor Huizinga, die nog worstelde met het onverwerkte verlies van zijn eigen vrouw. De Leidse hoogleraar spoorde hem aan het werk aan zijn dissertatie weer op te vatten en juist daaruit troost en steun te putten. Ook zocht hij een nieuwe omgeving. Hij werd in 1926 leraar geschiedenis aan het pas opgerichte gemeentelijke Lyceum voor Meisjes in Amsterdam. Kort na zijn verhuizing naar de hoofdstad trad hij opnieuw in het huwelijk, nu met de Rotterdamse Maria Spork. Bij haar - aldus een van zijn leerlingen - vond Van Winter waar hij behoefte aan had: 'enerzijds alle ruimte voor onderzoek, anderzijds een warm en welgeordend huiselijk leven' (Buist, Jaarboek, 169). Inmiddels had hij zich weer laten uitschrijven bij de remonstranten; voortaan was hij, hoewel niet a-religieus, buitenkerkelijk.

In Amsterdam rondde Van Winter zijn proefschrift af, en op 17 juni 1927 promoveerde hij in Leiden cum laude op Het aandeel van den Amsterdamschen handel aan de opbouw van het Amerikaansche Gemeenebest. Omdat een centraal archief ontbrak, had Van Winter de gegevens voor dit onderwerp uit de meest uiteenlopende bronnen moeten putten, maar hij liet zien dat hem dit uitstekend afging. In dit boek - zoals in zoveel ander werk - demonstreerde hij zijn gave om door scherpzinnig en volhardend speuren aan zelfs het onwaarschijnlijkste materiaal informatie te ontlokken en die dan vervolgens in een helder beeld te vangen.

Met dit proefschrift - en een vervolgdeel in 1933 - toonde Van Winter zich een pionier op het terrein van de economische geschiedenis, en hij trok er onmiddellijk de aandacht mee. Al in 1928 bereikte hem het verzoek hoogleraar Cultuurgeschiedenis der Nederlanden aan het Transvaalsch Universiteitscollege in Pretoria te worden. Hij sloeg dit aanbod af, maar zijn belangstelling voor de geschiedenis van Zuid-Afrika was wel gewekt. Zo verscheen in 1937 Onder Krugers Hollanders, het eerste deel van zijn gedenkboek van de Nederlandsche Zuid-Afrikaansche Spoorweg-Maatschappij. Verder werd hij secretaris van de Nederlandsch-Zuid-Afrikaansche Vereeniging en was hij vanaf de oprichting in 1938 redacteur van het maandblad Zuid-Afrika, waarin hij liet zien ook over journalistieke vaardigheden te beschikken.

In 1938 werd Van Winter voorgedragen als buitengewoon hoogleraar vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Door toedoen van de communistische fractie in de gemeenteraad werd echter niet hij, maar Jan Romein benoemd. Toen kort daarop een functie in Groningen vrijkwam, omdat I.H. Gosses om gezondheidsredenen ontslag had gevraagd, werd Van Winter hier op 12 augustus 1939 benoemd tot hoogleraar vaderlandse en algemene geschiedenis van de middeleeuwen en de nieuwere tijd (na 1955 beperkt tot de nieuwe en nieuwste geschiedenis). Op 18 november 1939 hield hij zijn oratie over Engeland en Cromwell, waarin hij betoogde dat de toentertijd van Duitse zijde gemaakte vergelijking tussen Hitler en Cromwell maar zeer ten dele opging. De grote voorzichtigheid en terughoudendheid die Van Winter als persoon en als historicus typeerden, kwamen in deze oratie duidelijk tot uitdrukking.

Voorzichtig en terughoudend was Van Winter ook tijdens de Duitse bezetting. In juni 1940 liet hij zich er nog toe verleiden de nieuwe Beauftragte van de Rijkscommissaris in de provincie Groningen, dr. Hermann Conring, wegwijs te maken in de Nederlandse geschiedenis, maar daarna hield hij zich zoveel mogelijk buiten de controverses. Zo was hij een van de weinige Groningse hoogleraren die in oktober 1940 niet het protest tegen de voorgenomen uitsluiting van joodse Nederlanders ondertekenden. Ook toonde hij weinig sympathie voor de neiging van studenten om openlijk tegen maatregelen van de bezetter te protesteren. Niettemin is Van Winter de naoorlogse zuivering zonder al te veel moeite doorgekomen. Hem werd verweten dat hij in 1944 had meegewerkt aan het opwerpen van verdedigingswerken voor de Organisation Todt, maar hij bleek slechts één dag gespit te hebben en zich toen te hebben laten afkeuren. Toch was het feit dàt hij aangeklaagd werd voor hem al een pijnlijke ervaring, waarop hij later nog vaak zou terugkomen.

Doordat hij - zeker gedurende de laatste bezettingsjaren - vrijwel geen college hoefde te geven, had Van Winter veel tijd voor onderzoek gehad. Na de bevrijding resulteerde dit in een reeks studies over veelal Groningse geschiedenis: over Westerwolde, de Maatschappij van landeigenaren en vastbeklemde meijers in de provincie Groningen en de lijsten der hoogstaangeslagenen in het departement van de Westereems. Maar ook andere onderwerpen trokken zijn aandacht, zoals de geschiedenis van de Nederlandse nationale symbolen, waarvoor hij ook kunsthistorische bronnen exploreerde.

Erkenning viel Van Winter van verschillende zijden ten deel: in 1947 werd hij lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, en in november 1953 nam hij persoonlijk een eredoctoraat van de universiteit van Stellenbosch in Zuid-Afrika in ontvangst. Als aanhanger van de Groot-Nederlandse gedachte hechtte hij zeer aan het contact met de 'stamgenoten' in zuidelijk Afrika, en tot het einde van zijn carrière, toen het onderhouden van vriendschappelijke banden met dat land erg omstreden was geworden, bleef Van Winter het blanke Zuid-Afrika trouw.

Na de bevrijding ontplooide Van Winter zich ook organisatorisch binnen en buiten de historische wereld. Van 1946 tot 1969 leidde hij als betaald redacteur-secretaris de Bijdragen tot de Geschiedenis der Nederlanden en van 1948 tot 1966 maakte hij deel uit van de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis, vanaf 1950 als voorzitter. Verder was hij vanaf 1949 lid van het directorium van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie; vanaf 1955 als voorzitter. Ook had hij zitting in het bestuur van het Nederlands Historisch Genootschap en in 1962-1963 in dat van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijke Onderzoek. In 1953/1954 trad hij op als rector magnificus van de Groningse universiteit. In al deze functies kwamen zijn snel doorzien van de problemen en zijn tot bemiddeling geneigde souplesse uitstekend tot hun recht.

Naast al deze activiteiten stak Van Winter veel tijd in de - nog altijd betrekkelijk weinige - studenten die aan zijn zorgen waren toevertrouwd, onder wie een van zijn dochters, Marietje van Winter. Hij was in zijn verhouding tot zijn studenten altijd bewust paternalistisch. Berucht waren de lange literatuurtentamens, die zich konden uitstrekken over meer dan een dagdeel: 'Boterhammen mee', was het parool. In het kleine gezelschap van geschiedenisstudenten - tijdens colleges, tijdens een excursie naar Amsterdam (Spartaans eenvoudig, met de Drachtster tram en de Lemmer boot) of tijdens bijeenkomsten van het dispuut 'Ubbo Emmius' - domineerde Van Winter volstrekt, door zijn rijzige gestalte, maar ook 'door zijn gedistantieerde voornaamheid en zijn verfijnde spreektrant' (Buist, Jaarboek, 174).

Op 1 september 1965 nam Van Winter officieel afscheid als hoogleraar in Groningen, na al op 21 mei een afscheidscollege over De Chinezen van Europa te hebben gegeven. Maar het onderzoek ging door, ook na het overlijden van zijn vrouw in 1972, toen zijn jongste dochter de zorg voor het huishouden op zich nam. Tot op hoge leeftijd bleef hij publiceren en vergaderingen bezoeken. Ook bij promoties was Van Winter een geziene en tegelijk gevreesde opponent. Als zijn gekromde gestalte zich verhief en zijn snerpende stem door de aula ging, sidderde menige promovendus. Gelukkig hoefde deze dan hooguit met ja of nee te antwoorden. De hooggeleerde opponens werd namelijk geplaagd door toenemende doofheid en zei zelf al geen antwoord op zijn vraag te verwachten.

Niet ouderdom, maar een ongeluk maakte een einde aan het optreden van Van Winter als historicus. In 1988 werd hij vlak bij huis op een zebrapad aangereden, en een niet te opereren bekkenbreuk maakte een langdurige revalidatie noodzakelijk. Nog verscheen hij - in een rolstoel - op recepties en informele bijeenkomsten, maar als een schaduw van zichzelf. Hij boezemde geen vrees meer in, maar wekte deernis op. Na een kort ziekbed stierf hij in 1990. Hij werd in stilte gecremeerd.

Onder de historici van zijn generatie nam Van Winter een bijzondere plaats in. Hij was bij uitstek de vertegenwoordiger van de ambachtelijke richting in de historische wereld. Anders dan voor J.M. Romein, L.J. Rogier of J. Presser, voor wie geschiedschrijving ook een vorm van getuigen was, telde voor Van Winter alleen het historisch handwerk. Het beschouwelijke was hem vreemd, hij bepaalde zich tot het geduldig en vasthoudend bijeenzoeken van gegevens, het ordenen ervan in een helder verband en het optekenen daarvan in eenvoudig proza, vlot, maar zonder literaire opsmuk. 'Zijn passie was het speurwerk' (Kossmann). In combinatie met zijn organisatorisch talent en zijn grote betrokkenheid bij wel en wee van zijn studenten maakte dit hem tot een leermeester, ook van wie niet op zijn pad doorging.

A: Persoonlijk archief P.J. van Winter in Groninger Archieven te Groningen (o.a. dagboeken over de periode 1920-1990); personeelsdossier P.J. van Winter bij de Rijksuniversiteit Groningen.

P: 'Bibliografie' tot 1965 in: Verkenning en onderzoek (Groningen 1965) 434-443. Nadien verschenen: 'De Amerikaanse zaken van C.J.M. de Wolf', in Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie van Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België 32 (1970) 3-39; Oorlogsduur in oorlogsnamen. Over het gebruik van getallen tot steun van historische voorstellingen. Verhandelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, afdeling Letterkunde, Nieuwe Reeks 77, nr. 1 (Amsterdam 1972); De West-Indische Compagnie ter kamer Stad en Lande ('s-Gravenhage 1978); 'Sur l'origine de l'appellation de la Guerre de Cent Ans', in De historie herzien (Hilversum 1987) 237-247; Hoger beroepsonderwijs avant-la-lettre. Bemoeiingen met de vorming van landmeters en ingenieurs bij de Nederlandse universiteiten van de 17e en 18e eeuw. Verhandelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Afdeling Letterkunde, Nieuwe Reeks XIII (Amsterdam 1988).

L: Behalve necrologieën o.a. door E.H. Kossmann, in UK. Weekblad voor de Rijksuniversiteit Groningen, 22-3-1990, door M.G. Buist, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1990-1991 (Leiden 1992) 166-179 en door A.Th. van Deursen, in Levensberichten en herdenkingen [van de] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1992 (Amsterdam 1993) 81-87: E.H. Waterbolk, 'Prof. Van Winter, Groninger historicus, zeventig jaar. Een pluizer, geen peuteraar', in Nieuwe Rotterdamse Courant, 29-7-1965; 'Gesprek met professor Van Winter', in Groniek 1 (1967) 26-34; M.G. Buist, 'Terugblik. De MO-opleidingen en de vernieuwing van de Groningse letterenfaculteit na de Tweede Wereldoorlog', in Nederland en het Noorden. Opstellen aangeboden aan prof.dr. M.G. Buist … Onder red. van K. van Berkel [e.a.] (Assen [etc.] 1991) 224-243; K. van Berkel, Academische illusies. De Groningse universiteit in een tijd van crisis, bezetting en herstel, 1930-1950 (Amsterdam 2005); A.Th. van Deursen, ‘Hooggeleerden en goede boeken’, in Tijdschrift voor Geschiedenis 119 (2006) 525-528.

I: Levensberichten en herdenkingen [van de] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1992 (Amsterdam 1993) 81.

K. van Berkel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013