Worp, Jacob Adolf (1851-1917)

 
English | Nederlands

WORP, Jacob Adolf (1851-1917)

Worp, Jacob Adolf, letterkundige en historicus (Almelo 21-1-1851 - Utrecht 28-8-1917). Zoon van Johannes Worp, organist en componist, en Maria Wilhelmina Jaeger (1826-1910). Gehuwd op 31-7-1885 met Catharina Agatha Roland Holst (1854-1934). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Worp, Jacob Adolf

In het gezin waar Dolf Worp opgroeide, moet veel muziek hebben geklonken, want vader Jan was een bekend musicus. Hij had veel werken op zijn naam staan, zoals een Algemeene Muziekleer en vele psalm- en gezangenboeken. Zijn bekendste werk was - en is - echter De zingende kinderwereld voor school en huisgezin, waaruit liedjes als 'In een groen groen knollenland' en 'Toen onze mop een mopje was' werden gezongen. Jan Worp, van oorsprong een Noord-Hollander, was met zijn echtgenote naar Almelo verhuisd, waar Dolf zijn eerste zeven levensjaren doorbracht, samen met zijn jongere zuster Maria. In 1858 verhuisde de familie Worp naar Groningen. Vader Jan zou daar van 1877 tot 1891 beiaardier van de Martinikerk zijn. Nadat in 1856 al een zoontje op tweejarige leeftijd was overleden, stierven ook de twee meisjes van de in 1860 geboren tweeling kort na elkaar, enkele maanden na de geboorte. Er moet dus in dit gezin behalve muzikaal vermaak ook veel verdriet zijn geweest om de jong gestorven kinderen.

Dolf volgde in Groningen van 1864 tot 1867 de HBS en daarna het Stedelijk Gymnasium om vervolgens in 1870 te worden ingeschreven als student klassieke letteren aan de Rijksuniversiteit in zijn woonplaats. In 1878, het jaar van zijn doctoraalexamen, werd hij leraar aan het Alexander Hegius Gymnasium in Deventer. Een jaar later, op 3 juli 1879, promoveerde hij in Groningen 'magna cum laude' op Jan Vos, een biografie van de 17de-eeuwse dichter. Enkele weken daarna, op 21 augustus, aanvaardde hij een betrekking als leraar Latijn en Grieks op het Stedelijk Gymnasium in Groningen. In diezelfde stad trouwde hij in 1885 met de Amsterdamse Cateau Roland Holst, een oudere zuster van beeldend kunstenaar en schrijver Rik Roland Holst. Cateau sympathiseerde met de vrouwenbeweging en zou af en toe van zich doen spreken door ingezonden brieven in enkele tijdschriften.

Nadat Worp vanaf 1879 diverse artikelen had gepubliceerd over de toneelgeschiedenis van Nederland, zond hij op 1 december 1888 voor een prijsvraag van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen een stuk in, getiteld De invloed van Seneca's treurspelen op ons tooneel. Omdat Worp zelf lid was van dit Genootschap, werd zijn werk voorgelegd aan een geheime jury. Deze oordeelde vernietigend, waarna Worp het stuk in 1892 - waarschijnlijk op eigen kosten - ongewijzigd liet uitgeven. In de inleiding haalde hij zijn gram: 'Dat de Directie niet bepaald kieskeurig is bij het benoemen harer juryleden, is in mijn geval gebleken. Welnu, de Directie is volstrekt niet verantwoordelijk, de jury is geheim, de Algemeene Vergadering, die zelfs den omslag van het werk niet gezien heeft, spreekt een beslissend oordeel uit en den ongelukkigen inzender wordt op hoogen toon verboden iets bekend te maken van de domheden der juryleden. Caveant cives!' Deze gebeurtenis moet Worp, die nog aan het begin van zijn wetenschappelijke carrière stond, diep hebben gekwetst en zal ongetwijfeld van invloed zijn geweest op het gevoel van miskenning dat hem de rest van zijn leven parten zou spelen.

In 1890 verscheen Worps eerste publicatie over de 17de-eeuwse dichter, geleerde en diplomaat Constantijn Huygens: Lettres du seigneur de Zuylichem à Pierre Corneille. Daarna zouden nog vele andere volgen, terwijl hij tussen de bedrijven door in de jaren 1904-1908 in twee delen ook nog de Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland publiceerde. Deze uitgave geldt nog steeds als een standaardwerk. Intussen had Worp zich helemaal op Constantijn Huygens gericht. Zijn plan diens gedichten naar de handschriften uit te geven, werd met instemming begroet. Van 1892 tot 1899 gaf hij in negen delen De gedichten van Constantijn Huygens, naar zijn handschrift uit. In 1904 bereidde hij zich voor op een volgende bronnenpublicatie over deze in cultureel en politiek opzicht zo belangrijke 17de-eeuwer, namelijk de Briefwisseling van Constantijn Huygens (1608-1687).

Na een uitvoerige correspondentie met de drie jaar eerder opgerichte Rijkscommissie voor Vaderlandsche Geschiedenis werd Worps 'Plan voor eene uitgave der briefwisseling van Constantijn Huygens' bij besluit van 7 januari 1905 door de minister van Binnenlandse Zaken goedgekeurd. Hij werkte hieraan enkele jaren gestaag door, maar op 27 november 1909 sloeg hij alarm, omdat hij had berekend nog elf jaar nodig te hebben om het werk te voltooien. Omdat hij inmiddels al 58 jaar oud was, sprak hij de vrees uit dit niet te zullen halen.

Aangezien het Stedelijk Gymnasium te Groningen, waar hij nog steeds lesgaf, de laatste jaren was 'achteruitgegaan in bevolking' had Worp volstrekt 'geen drukken werkkring'. En omdat het gemeentebestuur van Groningen 'steeds op bezuiniging uit [moest] zijn', suggereerde hij dat hij met medewerking van de Rijkscommissie en het departement op wachtgeld zou kunnen worden gezet om zo de Huygens-uitgave sneller te kunnen afmaken. De Rijkscommissie voelde zich echter niet geroepen zich hiervoor in te spannen en liet de zaak op haar beloop. In november 1910 liet Worp de Rijkcommissie plotseling weten dat hij zijn werk als leraar niet meer kon verrichten, dat hij met ziekteverlof was gegaan en zou worden ontslagen. Op deze manier was het hem dus toch gelukt al zijn tijd aan Huygens te kunnen besteden. Hij verhuisde in 1911 naar Bosch en Duin, waar hij in zes jaar tijd de overige vijf delen bewerkte.

Intussen was Worp vanaf de oprichting in 1913 ook secretaris van de Vereeniging Hofwijck, die ten doel had deze buitenplaats van Huygens aan de Vliet in Voorburg van de sloop te redden. Een groot deel van zijn boekerij betreffende Huygens en diens nageslacht zou hij nalaten aan Hofwijck.

Na het verschijnen van het zesde en laatste deel schreef Worp de Rijkscommissie op 25 mei 1917: 'Mocht er nog eens iets zijn onder de uitgaven der Commissie, dat in mijn lijn valt - ik ben ook nog wel iets anders dan een Huygens-man - dan houd ik mij zeer aanbevolen. Ik heb nog heel wat werkkracht en veel tijd'. Hiermee leek Worp de goden te hebben verzocht, want na een operatie waarvan hij niet meer herstelde, overleed hij drie maanden later in een Utrechts ziekenhuis. Een jaar na zijn dood gaf zijn vriend J.F.M. Sterck het werk Een onwaerdeerlycke Vrouw. Brieven en verzen van en aan Maria Tesselschade uit. Worp had het voor zijn operatie in manuscript voltooid.

Bij Worps begrafenis gaven slechts enkele geleerden blijk van hun belangstelling. A.N.J. Fabius memoreerde dit als volgt: 'Zooals hij geleefd had, werd hij begraven; zonder hulde, zonder eerbetoon, doch zoolang de Gouden Eeuw nog een hoofdstuk in onze geschiedenis zal vormen, zal men den naam van een der eerste figuren uit die periode, van Huygens, niet noemen, zonder er dien van Worp bij te vermelden'.

Dit citaat illustreert nog eens de bescheidenheid van Worp en de miskenning die hem tijdens zijn sobere leven ten deel viel. Toen hij aan de Huygens-briefwisseling werkte, moest hij enkele malen stevige kritiek van voorzitter H.Th. Colenbrander en secretaris N. Japikse van de Rijkscommissie incasseren. Ook schijnt hij enkele malen een hoogleraarsambt en het lidmaatschap van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te zijn misgelopen. Waren het misschien leden van het Utrechtsch Genootschap die vanwege Worps beledigende woorden in 1892 hun invloed hebben doen gelden op de momenten dat een dergelijke benoeming aan de orde kwam?

Jacob Adolf Worp stond en staat bekend als de man van vele omvangrijke publicaties. Nog steeds wordt hij geroemd om de snelheid waarmee hij gigantische hoeveelheden materiaal verwerkte en om zijn grote kennis van bekende en minder bekende personen. Hoewel zijn selectieve - maar aan het begin van de 20ste eeuw zeer gebruikelijke - werkwijze intussen is achterhaald, worden Worps publicaties nog steeds als standaardwerken geraadpleegd en geciteerd, in het bijzonder zijn editie van de briefwisseling van Constantijn Huygens.

A: Archief van de Rijkscommisie voor Vaderlandse Geschiedenis en haar voorgangers 1902-1947 (1950) in het Nationaal Archief te 's-Gravenhage. Brieven van J.A. Worp o.a. in de Universiteitsbibliotheek te Leiden.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicaties en vele artikelen o.a. in Oud-Holland, De Gids, De Nederlandsche Spectator, De Tijdspiegel en Het Tooneel: Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg, 1496-1772 (Amsterdam 1920) [postuum uitgegeven met aanvulling tot 1872 door J.F.M. Sterck].

L: Behalve een necrologie door A.N.J. Fabius, in Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en levensberichten harer afgestorven medeleden, 1918-1919 (Leiden 1919) 117-125: J.G. Frederiks en F. Jos. van den Branden, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde (Amsterdam 1888-1891) 903; Ton van Strien en Kees van der Leer, Hofwijck. Het gedicht en de buitenplaats van Constantijn Huygens (Zutphen 2002); Ineke Huysman, 'Galante woordjes aan het adres eener vrouw van de wereld'. De briefwisseling van Constantijn Huygens en Béatrix de Cusance (1652-1662) getoetst aan de editie van J.A. Worp [Doctoraalscriptie Open Universiteit] (Zoetermeer 2006); Rudolf Rasch, Driehonderd brieven over muziek van, aan en rond Constantijn Huygens (1596-1687) (Hilversum 2007); website familie Worp: http://members.chello.nl/w.spoelderkingma/pagina_52aworp.htm[22-2-2008].

I: Foto zonder bronvermelding in: J.A. Worp, Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg, 1496-1772. Uitgeg. door J.F.M. Sterck (Amsterdam 1920) iv.

Ineke Huysman


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013