Gerretson, Frederik Carel (1884-1958)

GERRETSON, Frederik Carel (1884-1958)

Gerretson, Frederik Carel (pseud. Geerten Gossaert), historicus en politicus (Kralingen 9-2-1884 - Utrecht 27-10-1958). Zoon van Bartholomeus Johannes Gerretson, handelsman en politicus, en Anna Gesina van den Heuvel. Gehuwd op 26-4-1923 met Christine Elisabeth van Daalen. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (12-11-1930) gehuwd op 12-11-1941 met Christina Elisabeth Harmsen. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Gerretson, Frederik Carel

Frederik Carel Gerretson, genoemd naar zijn grootvader van moederszijde, was evenals zijn vader en grootvader in sterke mate beïnvloed door het Reveil van de negentiende eeuw. De grootvader vond naast zijn arbeid in het verfwarenbedrijf, bekend onder de naam Gerretson & Rutteman, gelegenheid deel te nemen aan christelijk, maatschappelijk, kerkelijk en vooral zendingswerk; de vader stimuleerde de arbeid van de christelijke jongelingsverenigingen en werd bekend als lid van de Tweede Kamer (1913-1918; 1921-1925) voor de Christelijk-Historische Unie (CHU).

Na van 1896 tot 1900 met goed resultaat de handelsschool (Instituut Esmeyer) te Rotterdam te hebben doorlopen, verkeerde Carel Gerretson gedurende een lange periode in onzekerheid inzake de beroepskeuze. Hij volgde eerst de militaire opleiding te Breda, die werd afgesloten met zijn beëdiging van reserveofficier op 7 december 1904; maar tevens werkte hij soms op kantoor bij zijn vader, die hoopte hem in de zaak op te nemen. Om zich voor te bereiden op de universitaire studie werd hij toehoorder van de lessen op het gymnasium te Amersfoort, waar hij de dichter J.C. Bloem leerde kennen. Hoewel hij de gymnasiale opleiding, die hem recht zou geven tot het afleggen van universitaire examina, niet voltooide, getuigen zijn jeugdessays, over o.a. Lucretius, en vooral zijn vertaling van Plato's dialoog Charmides (1906) van de ijver, hartstocht en diepgang waarmee hij de klassieken bestudeerd heeft. Sinds september 1906 vertoefde hij te Utrecht, om colleges wijsbegeerte te volgen bij prof. B.H.C.K. van der Wyck over Socrates en Plato, waardoor hij vertrouwd werd met de socratische methode. Hier leerde hij P.H. Ritter jr. kennen, die voor hem een vriendschappelijke relatie zou blijven voor het leven.

In december 1906 vertrok hij, verkerend in een persoonlijke crisis, plotseling naar Amerika en Mexico, waar hij rondzwierf en lessen Latijn gaf op een Public High School te El Paso (Texas). In oktober 1907 keerde hij naar Europa terug en vestigde zich te Brussel voor de studie sociologie. Daar werd hij aan het Institut Solvay leerling van prof. Emile Pierre Clement Waxweiler, wiens colleges en omgang indruk op hem maakten.

Te Brussel schreef hij verscheidene gedichten, verzameld in zijn unieke dichtbundel Experimenten (1911), die vele malen in sterk uitgebreide en vaak herziene vorm zou worden herdrukt. Zijn gedichten oogstten wegens de directheid en echtheid van zijn gevoelens algemene waardering. Zij werden ervaren als oerhollands én klassiek, mede door de bezielde retoriek; zij gaven uiting aan zijn liefde voor de natuur en getuigden van innerlijke spanningen, opstandigheid en onderworpenheid aan God. Verzen als De Verloren Zoon en Eis Daimona werden als typerende voorbeelden van zijn dichtkunst alom gewaardeerd. Carel Scharten kwalificeerde in De Gids 77 (1913) II, 207 het karakter van zijn dichtkunst met de woorden: 'Door de aardsche hel van Baudelaire is hij tot Bilderdijks heete hemelzucht gestegen.' Gerretsons jeugd werd gekenmerkt door melancholische trekken. Hij zag leed en lijden als achtergrond van alle dichterschap. Volgens hem was de dichter een paria, die dit diende te blijven, die leefde in een droom, welke dan ook, zo nodig 'de droom der natie'. In zijn literaire essays, die hij gedurende zijn gehele leven bleef schrijven, wendde hij zich af van de Tachtigers (eens door hem bewonderd) en schaarde zich met de dichtersgeneratie van 1910, achter Albert Verwey, al ging hij geheel zijn eigen weg.

Te Brussel leerde Gerretson als student de Vlaamse Beweging kennen. Hij werd een vurig aanhanger van de Groot-Nederlandse Beweging en is dat zijn gehele leven gebleven. Gerretsons betrekkingen tot Vlaanderen werden bepaald door een grote gehechtheid aan Nederland, aan de Nederlandse taal en cultuur alsmede door vrees voor politieke en culturele expansie van Frankrijk. Te Gent ontmoette hij in februari 1911 op het 'VIIIe wetenschappelijk Vlaamsch Studentencongres, ter Vervlaamsching der Gentsche Hoogeschool' voor het eerst de jonge historicus P.C.A. Geyl, met wie hij zich levenslang op basis van beider Groot-Nederlandse overtuiging verbonden zou voelen, aanvankelijk in grote vriendschap, die na 1945 bekoelde. In hetzelfde jaar leerde hij P.N. van Eyck kennen. In het begin van de jaren dertig zouden Van Eyck, Gerretson en Geyl te zamen de redactie voeren over het culturele kwartaalschrift Leiding, dat, ondanks of ook juist door zijn zeer gedegen artikelen, slechts twee jaargangen kon voltooien.

In 1911 legde hij 'avec distinction' het doctoraal examen in de sociale wetenschappen af, waarna hij zich enige tijd door voortgaande studie voorbereidde op de promotie. Inmiddels had hij te Brussel reeds herhaaldelijk journalistieke bijdragen geleverd aan het dagblad De Nederlander, waarvan A.F. de Savornin Lohman (die hij als een van zijn weinige leermeesters beschouwde) hoofdredacteur was, terwijl hij tevens diverse artikelen schreef voor het maandblad Ons Tijdschrift, waarvan hij sinds 1911 enige jaren mederedacteur was.

Op 3 januari 1913 werd Gerretson benoemd tot adjunct-commies aan het departement van Koloniën. In de zomer van 1913 publiceerde hij in De Nederlander diverse artikelen ter verdediging van het beleid van gouverneur-generaal A.W.F. Idenburg, die anoniem verschenen en direct daarop gebundeld werden. Tijdelijk moest dit ambtelijk werk in de mobilisatieperiode door militaire dienst onderbroken worden. Maar op 24 januari 1916 werd hij wegens hardhorendheid, waaraan hij reeds sedert 1908 leed, voor voortgaande dienst ongeschikt verklaard en kon hij naar het departement terugkeren. Daar werd hij betrokken bij de departementale voorbereiding van de nieuwe mijnwetgeving, speciaal met het oog op de oliewinning in Nederlands-Oost-Indië.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog steunde hij vanuit Nederland de Vlamingen, en vooral de activisten, die onder de Duitse bezetting de strijd voor de Vlaamse zaak wilden voortzetten. Hij deed dit in de jaren 1915 en 1916 onder meer met het door hem verworven dagblad De Vlaamsche Stem, in nauwe samenwerking met de uitgeweken Vlamingen René de Clerq en Antoon Jacob. Maar hij ging niet tot het uiterste mee met de zelfstandigheidsverlangens van de in 1917 opgerichte activistische Raad van Vlaanderen. Het ideaal van ds. J.D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard, die een soevereine Vlaamse staat voorstond, wees hij af. Ook na de Eerste Wereldoorlog zou Gerretson slechts een federale oplossing bepleiten om de Vlamingen op alle gebieden aan hun gerechtvaardigde verlangens tegemoet te laten komen. Voor zover hij aan een politiek Groot-Nederland heeft gedacht, was het enkel in de vorm van een federatief verband tussen

Nederland en de gehele Belgische staat, want Wallonië bleef hij als onlosmakelijk met de Nederlanden verbonden zien. De ontwikkeling van de Benelux na 1945 zou hij mede daarom positief waarderen; uitgaande van het numerieke overwicht van de Nederlandstaligen in deze constellatie, pleitte hij voor een gematigde tweetaligheid: elkaars taal verstaan.

Hoezeer hij ook in beslag werd genomen door al deze werkzaamheden als ambtenaar en politicus, gelukte het Gerretson toch zijn enigszins grillig verlopen studie af te sluiten met een doctorsgraad, die in het buitenland moest worden behaald. Naar zijn eigen mededeling promoveerde hij op 11 januari 1917 te Heidelberg op een ongepubliceerd proefschrift 'Die Funktion des Staates und die Wirtschaftsform bei den niederen Jägervölkern', onder promotorschap van prof. Eberhard Gothein.

Reeds in 1913 was Gerretson door zijn beschouwingen over de Sarikat Islam en over de Indische onderwijspolitiek bij Idenburg en Lohman opgevallen. Ook H. Colijn, die in 1914 directeur van de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM) was geworden, merkte Gerretsons werkzaamheid voor de oliewetgeving op. Dit had op 1 augustus 1917 zijn benoeming aan de afdeling Algemeene Zaken van de BPM ten gevolge, waar hij zou optreden als secretaris van de directie, in welke functie hij in Londen en Den Haag vooral H.W.A. Deterding en Colijn zou assisteren. In 1919 maakte hij met de directeur jhr. B.C. de Jonge voor de BPM een wereldreis naar Nederlands-Oost-Indië (Sumatra, Java, Bali, Borneo), China, Korea, Japan, Venezuela, Mexico en de Nederlandse Antillen, langs de diverse oliestations. Deze reis, waarbij ook een bezoek werd gebracht aan gouverneur-generaal J.P. graaf Van Limburg Stirum, stelde Gerretson in staat het Nederlandse rijk overzee te aanschouwen, welks geschiedenis hij van 1925 tot 1950 aan de Utrechtse Universiteit met verve zou doceren.

Reeds sedert 1914 werkte hij aan het plan de Briefwisseling van Groen van Prinsterer uit te geven, waarvan het door hem samengestelde eerste deel in 1925 verscheen, terwijl hij met prof. A. Goslinga, H.J. Smit en mevrouw J.L. van Essen lange tijd samenwerkte om de veeldelige uitgave verder voor te bereiden en af te ronden.

Ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig directeursjubileum van Deterding in 1922 nam hij, op initiatief van Colijn, tevens op zich de Geschiedenis der 'Koninklijke' te schrijven, waarvan het eerste deel in 1932, het tweede in 1936 en het derde in 1941 verscheen, terwijl na zijn dood uit zijn nagelaten papieren het vierde en vijfde deel in 1973 werden gepubliceerd. In 1950 zou hij als dichter van de bundel Experimenten en de schrijver van vele belangrijke essays en van de monumentale Geschiedenis van de 'Koninklijke' van de Jan Campertstichting te 's-Gravenhage de Constantijn Huygensprijs ontvangen, die hem op 12 december 1950 door de burgemeester van Den Haag werd uitgereikt.

Op 7 oktober 1925 aanvaardde Gerretson met een rede. De historische vorming van de bestuursambtenaar, het bijzonder hoogleraarschap in 'De oude en jongere geschiedenis van Nederlandsch-Indië en de vergelijkende koloniale geschiedenis, benevens de vergelijkende volkenkunde van Ned. Indië' vanwege het Fonds ten behoeve van Indologische studiën te Utrecht. Zijn nieuwe functie bracht hem tot vele publikaties over Nederlands-Oost-Indië, waarbij hij niet alleen in zijn historische werken maar ook in actuele politieke beschouwingen over koloniaal beleid een geheel eigen standpunt innam, veelal afwijkend van de regeringspolitiek en van de ethische inzichten die te Leiden gedoceerd werden, daarbij het accent leggend op de historische taak van Nederland in de beide Indiën.

Zijn scherpe buitenparlementaire actie tegen het voorgestelde Nederlands-Belgische Verdrag droeg ertoe bij dat dit tractaat ten slotte door de Eerste Kamer werd verworpen, wat op 1 april 1927 tot het aftreden van minister van Buitenlandse Zaken jhr. H.A. van Karnebeek leidde. Bovendien bleef hij in de jaren twintig en dertig door middel van soms provocerende artikelen en spreekbeurten voor het Algemeen Nederlandsch Verbond, de Dietsche Bond en Dietsch Studenten Verbonden ijveren voor de politieke en culturele bewustwording van Vlaanderen en wees hij het Noorden op het feit dat de Nederlandse beschaving niet bij de staatsgrens ophield. Zijn in 1927 gelanceerde idee over Midden-Nederland was bedoeld als een stimulans tot samenwerking op economisch en verkeerstechnisch gebied tussen de beide Limburgen en Brabanden en als een steun in de rug voor de katholieke emancipatie in het Noorden. Daarnaast bleef voor hem in die jaren de barrièrefunctie van België tegen mogelijke Franse expansie bestaan. In dat België diende ter verzekering van Nederland de Nederlandse cultuur, volgens hem, dominant te zijn. Zijn strijd tegen het Belgisch annexionisme na 1918 en de strijd rond het Belgisch-Nederlands Verdrag en het daaruit voortvloeiend verzet tegen een voor Nederland ongunstige Schelde-Rijnverbinding in de jaren 1926- 1933 dienen in dit licht te worden bezien.

De inmiddels verkregen politieke contacten leidden in januari 1925 tot het oprichten van de Nationale Unie (oorspronkelijk een studieclub), waarbij Gerretson zich ten doel stelde de al te scherpe tegenstellingen tussen de partijen, gevolg van Kuypers politieke antithese, te verminderen en tot bezinning op de democratie op te roepen. Gedurende Gerretsons voorzitterschap (1932-1934) trad de Nationale Unie met allerhande opkomende groeperingen (waaronder de Algemeene Nederlandsche Fascistenbond van Jan Baars) in bespreking, iets wat geen praktische gevolgen kon hebben, omdat de Nationale Unie door het kabinet-Colijn in 1934 voor militairen en ambtenaren verboden werd, een maatregel die Gerretson zelf achteraf als 'onvermijdelijk' typeerde. Hij nam ontslag als voorzitter en steunde de politiek van Colijn, omdat hij deze de bekwaamste staatsman achtte om Nederland door de zware economische crisis van de jaren dertig heen te helpen. Inmiddels naderde de Tweede Wereldoorlog, en deze zou ook voor het universitaire onderwijs gevolgen hebben. Op initiatief van Geyl werd Gerretson nog op 29 juni 1939 te Utrecht tevens benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de constitutionele geschiedenis van het Koninkrijk. Maar na de Duitse bezetting veranderde ook voor Gerretson de omstandigheden. Na een kortstondige gevangenschap vanaf 24 oktober 1940, als gevolg van een represailleactie van de Duitse bezetter, wijdde hij zich gedurende de oorlog aan zijn briefwisseling (o.a. met Geyl en Van Eyck) en aan het vervolg van zijn Geschiedenis der 'Koninklijke'.

Direct na de Tweede Wereldoorlog ging hij, het verlies van Nederlands-Oost-Indië aanstonds voorziende, in nauwe samenwerking met P.S. Gerbrandy, H.G. Winkelman, J.W. Meyer Ranneft en Ch.J.I.M. Welter, in felle oppositie tegen het Indiëbeleid van de regering, waarover hij honderden uiterst kritische artikelen schreef, vooral gericht tegen het beleid van luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook. Om de kracht van zijn geschreven woord tegen de regering te vergroten, aanvaardde hij in 1951 (tot 1956) voor de CHU een wel zeer zelfstandig uitgeoefend lidmaatschap van de Eerste Kamer. Velen ergerde hij met zijn scherpe redevoeringen tegen de ministers W.J.A. Kernkamp, W. Drees en L.J.M. Beel, maar ook konden vriend en vijand soms bewondering opbrengen voor de diepgaande kennis die bleek uit zijn zorgvuldig voorbereide, stilistische vaak fraaie betogen.

Na 1950, toen zich de opheffing van de indologische faculteit te Utrecht voltrok, en vooral sinds zijn emeritaat (1954), kon hij zich naast zijn arbeid voor de Geschiedenis der 'Koninklijke' wijden aan zijn iedere zaterdag in het dagblad De Telegraaf gepubliceerde artikelen over actuele, maar ook historische onderwerpen, die ruime bekendheid verwierven, tot hem in de zomer van 1958 de ziekte overviel die zijn einde op 27 oktober 1958 te Utrecht veroorzaakte.

Gerretsons persoonlijkheid laat zich in een opsomming van zijn vele gevarieerde activiteiten slechts onvolkomen vatten. Zijn brede eruditie maakte hij met behulp van zijn aangeboren taalvermogen vaak dienstbaar aan zijn strijdvaardigheid. Hij reageerde als polemist snel en spontaan, waardoor zijn stijl van schrijven zekere overeenkomst vertoonde met zijn conversatie: improviserend, beeldend, chargerend, badinerend, soms ook diep borend.

Zijn aandacht als geschiedschrijver was vooral gericht op de Oranjes, het Verenigd Koninkrijk (1814- 1830), de geschiedenis van de gereformeerde gezindte en de koloniale geschiedenis.

Naast een vrijwel onomstreden dichterschap biedt Gerretson het beeld van een der meest karakteristieke geschiedschrijvers van de Nederlandse gereformeerde gezindte en van een sterk nationalistisch getint politicus, die in een zaak briljante stijl streed voor de erkenning van de historische betekenis van de Nederlandse gereformeerde gezindte.

A: Archief-Gerretson berust op het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Behalve bibliografie tot 1950 in onder L genoemd Gedenkboek...: Experimenten (1911) 16e dr. (Bussum, 1981); Verzamelde werken [Bijeengebr. door G. Puchinger] (Baarn, 1973-1987. 7 dl.); Briefwisseling Gerretson-Geyl. Verzorgd en toegelicht door P. van Hees en G. Puchinger (Baarn, 1979-1981. 5 dl.); Priapaeën (Groenendaal, 1983); Briefwisseling Gerretson-Van Eyck. Verzorgd en toegelicht door P. van Hees en G. Puchinger (Baarn, 1984).

L: J. Haantjes, 'Gossaert-Studiën', in Christelijk Letterkundige Studiën (Amsterdam, 1925) I, 97-125; G.H. 's-Gravesande, Sprekende schrijvers... (Amsterdam, 1935; 's-Gravenhage, 1979); J.A. Rispens, Richtingen en figuren in de Nederlandsche Letterkunde na 1880 (Kampen, 1938); F.J.J. Besier, 'Bij Gerretsons vijfentwintig-jarig hoogleraarschap', in Gedenkboek van de Utrechtsche Indologen Vereeniging 1925-1950 [Red. J. Voerman et al. S.l-, 1950] 28-55; In memoriam Prof.Dr. F.C. Gerretson... Herdenkingsredevoeringen door J.W. Meyer Ranneft [et al.] (Utrecht, 1958); Frank Gericke [ = dr. D.G. Hoek], in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1959-1960. Levensberichten 82-91; R.G.K. Kraan, Ons Tijdschrift 1896-1914 (Groningen, 1962); A.A. de Jonge, Crisis en critiek der democratie (Assen, 1968); G. Knuvelder, Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde (Den Bosch, 1976) IV; H.E.S. Woldring en D.Th. Kuiper, Reformatorische Maatschappijkritiek (Kampen, 1980); G. Puchinger, Ontmoetingen met Nederlandse politici (Zutphen, 1981); idem, Ontmoetingen met literatoren (Zutphen, 1982); J. de Gier, Stichtelijke en onstichtelijke experimenten (Utrecht, 1982); A. Alberts, De Utrechtse herinneringen van A. Alberts (Amsterdam, 1983); Emile Henssen, Gerretson en Indië (Groningen, 1983); Annie Salomons, Herinneringen uit de oude tijd (Amsterdam, 1984) Privé-domein: 99; P. van Hees, 'Frederik Carel Gerretson (1884- 1958) als grootnederlander', in Wetenschappelijke Tijdingen 43 (1984) 36-43 en 75-88; J.W. van Hulst, Gerretson dichterbij (Amsterdam, 1985).

I: J.W. van Hulst, Gerretson dichterbij (Amsterdam, 1985) omslagfoto [Foto: E. de Vries].

G. Puchinger


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013