Spierenburg, Dirk Pieter (1909-2001)

 
English | Nederlands

SPIERENBURG, Dirk Pieter (1909-2001)

Spierenburg, Dirk Pieter, diplomaat; (Rotterdam 4-2-1909 – Wassenaar 27-8-2001). Zoon van Dirk Pieter Spierenburg, assurantiemakelaar, en Maria Jacoba Johanna Cramerus. Gehuwd op 14-8-1937 met Milja Ilic (1912-1993). Uit dit huwelijk werden 3 zoons geboren.

afbeelding van Spierenburg, Dirk Pieter

Dick Spierenburg groeide op in Rotterdam als zoon van een assurantiemakelaar. Hij doorliep de HBS, waar hij toneelspeelde en de drijvende kracht was achter de debating club. Vervolgens ging Spierenburg in 1926 economie studeren aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool in zijn woonplaats, maar enige tijd na het kandidaatsexamen, op 30 november 1928, hield hij de studie voor gezien. In 1930 kreeg hij een betrekking bij de NV Handelsvereeniging 'Amsterdam' te Amsterdam.

In 1935 trad Spierenburg in dienst van het departement van Handel en Nijverheid, waar hij kwam te werken op de afdeling Handelsakkoorden. Hij maakte er snel promotie en werd al in 1937 - 28 jaar oud - alleen naar Belgrado gestuurd om te onderhandelen over een nieuwe handelsovereenkomst. Tijdens zijn reizen leerde hij de Joegoslavische Milja Ilic leren kennen, met wie hij in augustus 1937 in Pancevo nabij de Servische hoofdstad trouwde. Uit dit huwelijk zouden drie zoons geboren worden, van wie er twee gehandicapt waren.

Toen de Duitsers in 1940 Nederland bezetten, had Spierenburg op het departement al sinds januari van dat jaar de leiding over het bureau Zuidoost Europa. In januari 1941 werd hij directeur van het Rijksbureau voor de Metalenverwerkende Industrie.

In augustus 1945 werd Spierenburg op het departement van Handel en Nijverheid - sinds juli 1946 departement van Economische Zaken geheten - bevorderd tot directeur bij het directoraat-generaal voor de Buitenlandse Economische Betrekkingen (BEB). Onder zijn leiding werden de eerste naoorlogse handelsovereenkomsten gesloten. De hopeloze toestand waarin de Nederlandse economie verkeerde, maakte dat Spierenburg in de onderhandelingen vaak niet meer te bieden had dan een handvol Limburgse steenkool. Desondanks wist hij gunstige akkoorden af te sluiten.

Snel raakte Spierenburg overtuigd van de noodzaak van Europese samenwerking. Alleen langs die weg zouden vrede en welvaart mogelijk zijn. Deze overtuiging stoelde niet op idealisme, maar kwam voort uit een welbegrepen nationaal eigenbelang: Nederland kon het zich volgens hem niet veroorloven afzijdig te blijven van de ontwikkelingen op het continent. Om dezelfde reden zette hij zich ook in voor de vorming van de Benelux douane-unie. Samen zouden de drie kleine landen in internationaal verband sterker staan.

Vanaf juni 1947 was Spierenburg betrokken bij de internationale onderhandelingen in Parijs over het Marshallplan: de hulpverlening door de Verenigde Staten aan de door de Tweede Wereldoorlog ontwrichte West-Europese landen. Hij was tweede man in de Nederlandse delegatie die onder leiding stond van H.M. Hirschfeld, regeringscommissaris in algemene dienst. In deze onderhandelingen speelde Spierenburg gaandeweg een prominente rol. Zo werd hij in de herfst van 1947 voorzitter van een studiegroep voor een Europese douane-unie. In juli 1948 werd hij zelfs lid van een groep van vier Europese 'wijze mannen' die de - veel te ruime - hulpaanvragen van de deelnemende landen tot aanvaardbare proporties moest terugbrengen. Na de oprichting in april 1948 van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking werd Spierenburg benoemd tot permanente vertegenwoordiger bij die organisatie. Terzelfder tijd volgde, op aanraden van Hirschfeld, zijn benoeming tot plaatsvervangend regeringscommissaris in algemene dienst.

In mei 1949 verliet Spierenburg zijn post in Parijs na te zijn benoemd tot directeur-generaal van de BEB. In december 1949 kreeg hij de leiding over het economische en militaire hulpprogramma, zoals de Marshallhulp toen was gaan heten; vanaf 1950 had de Amerikaanse steun namelijk vooral een militair karakter. Dat Spierenburg inmiddels een centrale positie in Den Haag innam, bleek uit zijn rol bij de opbouw van de Nederlandse defensie in de Koude Oorlog. Begin 1951 was het advies van een ambtelijke commissie onder zijn leiding cruciaal in het - al bij de formatie genomen - besluit van het tweede kabinet-Drees (1951-1952) om na het begin van de Korea-oorlog de defensie-uitgaven te verdubbelen.

Enkele maanden eerder had Spierenburg, samen met minister van Economische Zaken J.R.M. van den Brink, het kabinet overtuigd van de noodzaak deel te nemen aan de onderhandelingen over het Franse voorstel tot oprichting van een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Spierenburg leidde de Nederlandse delegatie in 1950/1951. In stevige onderhandelingen slaagde hij erin, met steun van Belgische en Luxemburgse collega's, de Franse onderhandelaar Jean Monnet te overreden dat het supranationale karakter van de EGKS moest worden beperkt door de instelling van een intergouvernementele raad van ministers met uitgebreide bevoegdheden tegenover de supranationale Hoge Autoriteit. In 1952 werd Spierenburg lid van het laatstgenoemde in Luxemburg gevestigde college, en vanaf oktober 1957 was hij hiervan vice-president. Hij ging er voortvarend te werk. Het domein waarop hij zich met meest profileerde, was de vestiging van de interne markt voor de zware industrie.

In januari 1963 werd Spierenburg benoemd tot permanent vertegenwoordiger bij de Europese Economische Gemeenschap (EEG) in Brussel. Met zijn Europese ervaring en zijn kwaliteit als onderhandelaar was hij daar de juiste man op de juiste plaats. Gedurende de jaren zestig kreeg 'Europa' langzaam maar zeker vorm: de douane-unie kwam geleidelijk tot stand en de betrekkingen met de geassocieerde landen in Afrika werden geïntensiveerd. Bovendien ging er in Brussel steeds meer geld om, vooral naarmate het landbouwbeleid vanaf 1962 gestalte kreeg. Een en ander had tot gevolg dat de onderlinge verhoudingen verhardden en dus het overleg werd geïntensiveerd. Hierdoor werd de positie van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers - dat tot taak had de werkzaamheden van de Raad van Ministers van de EEG voor te bereiden - steeds belangrijker.

Als permanent vertegenwoordiger werd Spierenburg al snel de spil van het Nederlandse Europabeleid. Vanaf 1957 was de controle over dat beleid een twistpunt tussen de ministeries van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken. Tot in de jaren zeventig ging men van het ene wankele compromis naar het andere. Mede hierdoor kreeg de Permanente Vertegenwoordiging noodgedwongen een centrale rol in de coördinatie van de besluitvorming aan Nederlandse kant. De krachtige persoonlijkheid van Spierenburg was daarbij een belangrijke factor. Dat bleek allereerst door zijn rol in de Raad voor Europese Zaken, een onderraad van de ministerraad waar het beleid werd voorbereid. Daar wist hij in de meeste gevallen voldoende marges voor de onderhandelingen te bewerkstelligen. Desnoods greep Spierenburg vanuit Brussel in. Legendarisch waren zijn telefoontjes naar Den Haag wanneer een instructie hem niet beviel. Deze interventies hadden meestal het gewenste effect. Ook schrok de permanente vertegenwoordiger er niet voor terug tijdens onderhandelingen in te grijpen. Zo veegde hij in 1966 minister van Economische Zaken J.M. den Uyl op een bijeenkomst van de EEG-Raad de mantel uit: 'Klootzak, je hebt weer veel te laag ingezet' (De waterdragers, 246).

Spierenburg speelde niet alleen een grote rol in de totstandkoming en de verdediging van het Nederlandse Europabeleid. Evenals in de EGKS, zette hij zich in Brussel in om het college waarvoor hij werkte, het Comité van Permanente Vertegenwoordigers, slagvaardiger te maken. Hij trok daarbij veel op met zijn Franse collega en vriend Jean-Marc Boegner. Samen maakten zij jarenlang de dienst uit in het Comité. Het tweetal voerde allerlei innovaties door om de besluitvorming te verbeteren.

Vanaf januari 1971 was Spierenburg nog drie jaar permanent vertegenwoordiger bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO). Na zijn pensionering in 1974 kreeg hij een aantal bijzondere opdrachten. Zo vroeg het kabinet-Den Uyl (1973-1977) hem de leiding op zich te nemen van een commissie die moest adviseren over de toekomst van de Europese samenwerking. Haar rapport, dat in 1975 verscheen, beklemtoonde dat de mogelijkheden voor integratie vooral op het economische vlak lagen en niet in - toen populaire - plannen voor samenwerking op de terreinen van buitenlandse politiek en defensie. Het rapport kan daarmee worden gezien als een samenvatting van de Europese en Atlantische tradities in het buitenlandse beleid van Nederland, zoals deze mede door Spierenburg waren opgebouwd.

Enkele jaren daarna verscheen een tweede belangrijk rapport dat later eveneens als 'het rapport-Spierenburg' zou worden aangeduid. In 1979 bleek dat men Spierenburg ook in Brussel nog niet was vergeten. De president van de Europese Commissie, de Brit Roy Jenkins, benoemde hem tot voorzitter van een groep onafhankelijke deskundigen die moest adviseren over de rol van de Europese Commissie. Al na enkele maanden stonden de aanbevelingen op papier: de positie van de Commissie moest worden versterkt door een vermindering van het aantal commissarissen en een versterking van de positie van de president. Het rapport stuitte echter van verscheidene zijden op verzet, zodat de aanbevelingen niet werden uitgevoerd. Hoe dan ook weerspiegelde het rapport Spierenburgs pragmatische opvattingen over de Europese integratie: niet alleen waren kleinere lidstaten gebaat bij sterke communautaire instellingen, omdat deze bescherming boden tegen de grotere landen; bovendien kon een daadkrachtige Commissie de noodzakelijke knopen doorhakken op het voor Nederland zo belangrijke gebied van de economische samenwerking.

In 1980 deed de Nederlandse regering nog éénmaal een beroep op de inmiddels 71-jarige Spierenburg. Het ging om de delicate kwestie van de herziening van de langlopende contracten voor levering van Gronings aardgas aan Duitsland, België, Frankrijk en Italië. Het eerste kabinet-Van Agt (1977-1981) wilde de prijzen aanpassen aan de stijgende olieprijzen. Ondanks enig begrip voor de noodzaak van een prijsstijging reageerden de vier landen weinig enthousiast op de Nederlandse plannen. In juni 1980 werd Spierenburg aangesteld als regeringscommissaris voor de aardgasprijzen. Hij moest niet alleen meer geld binnenhalen, maar ook een zodanige prijsformule overeenkomen dat er in de toekomst niet weer een groot verschil zou ontstaan tussen de olie- en de gasprijs. Er volgden vier maanden van harde onderhandelingen. Toen de resultaten in oktober bekend werden, bleek dat Spierenburg bijzonder succesrijk was geweest: de prijzen waren aanzienlijk verhoogd, en de indexering was geregeld. Het jaar daarop bleek dat Nederland 2,1 miljard gulden aan extra inkomsten zou krijgen; op termijn zouden deze oplopen tot 3 miljard op jaarbasis. Dat was meer dan het kabinet-Van Agt had gehoopt. Andermaal had Spierenburg zijn reputatie als Nederlands grootste onderhandelaar waargemaakt.

Een goede onderhandelaar moest volgens Spierenburg vooral beschikken over geduld en uithoudingsvermogen. 'Je hebt alle tijd van de wereld', hield hij zijn medewerkers steeds voor, 'laat je trein vertrekken, laat je vliegtuig vertrekken, laat je vrouw haar kussen in de slaapkamer nat huilen omdat je zo lang wegblijft… je hebt alle tijd. Zijn we er nog niet uit, mensen, we gaan morgen verder of overmorgen of volgende week. Maar haast je niet om een besluit te nemen of een compromis te sluiten dat je eigenlijk niet wilt' (Asbeek Brusse en Bergman, 240). Degenen die met Spierenburg hebben samengewerkt, beklemtonen twee andere elementen van zijn optreden. Allereerst noemen zij zijn acteertalent. 'Hij was een geboren toneelspeler. Tijdens lastige onderhandelingen kon hij in grote woede ontsteken. Daarna vroeg hij mij fluisterend en met een glimlach of het wel was overgekomen', zo herinnerde zich een van Spierenburgs assistenten later (Leistra). Ten tweede kon Spierenburg op een on-Nederlandse manier hard zijn: hij onderhandelde altijd met het mes op tafel.

Hard was Spierenburg ook voor zijn medewerkers: 'Hij was wellevend, maar hij kon ook uitermate bruusk zijn', aldus een van hen (Leistra). Wie de dossiers onvoldoende kende, kon rekenen op een forse uitbrander. Een andere ondergeschikte noemde hem 'een typische draufgänger, keihard en door weinigen geliefd'. Hij vergde het uiterste van zijn medewerkers en was berucht om het moordende tempo waarmee hij hen voortjoeg (Ammerlaan, 38). Maar ook al was Spierenburg egocentrisch en weinig populair, zijn kwaliteiten waren onmiskenbaar, en hij was voor een generatie jongere ambtenaren een invloedrijke leermeester.

Spierenburg wilde geen memoires schrijven. Die vond hij meestal getuigen van te veel ijdelheid. Toch voelde hij de behoefte een bijdrage te leveren aan de geschiedschrijving. Zo gaf hij interviews aan historici en schreef hij samen met de Franse historicus Raymond Poidevin, Histoire de la Haute Autorité de la Communauté européenne du Charbon et de l'Acier. Une expérience supranationale (1993). Spierenburg overleed in 2001 op 92-jarige leeftijd.

Met zijn gedrevenheid en grote kennis van zaken leverde Dick Spierenburg in een cruciale periode een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse internationale politiek. Tegelijkertijd drukte hij in Parijs, Luxemburg en Brussel zijn stempel op de Europese integratie. Zonder overdrijving kan Spierenburg een van de grootste Nederlandse diplomaten van de 20ste eeuw worden genoemd.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicatie: Europese Unie. Rapport van de adviescommissie Europese Unie ('s-Gravenhage 1975); Voorstellen tot hervorming van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en haar diensten. Rapport opgesteld op verzoek van de Commissie (Brussel 1979).

L: Behalve necrologieën o.a. door J.M. Bik, in NRC Handelsblad, 31-8-2001 en door Gerlof Leistra, in Elsevier, 8-9-2001: interview door E. Tiedemann, in Elsevier, 19-12-1998; interview door W. Asbeek Brusse en F.H. Bergman, in Voor Nederland en Europa. Politici en ambtenaren over het Nederlandse Europabeleid en de Europese integratie, 1945-1975. Onder red. van A.G. Harryvan [e.a.] (Amsterdam 2001) 261-283; Robbert Ammerlaan, Het verschijnsel Schmelzer. Uit het dagboek van een politieke teckel (Leiden 1973); Jean Monnet, Mémoires (Parijs 1976); De waterdragers van het Nederlandse Europabeleid. Terugblik op 40 jaar DGES. Onder red. van Hans Labohm ('s-Gravenhage 1997); Walter H. Salzmann, Herstel, wederopbouw en Europese samenwerking. D.P. Spierenburg en de buitenlandse economische betrekkingen van Nederland, 1945-1952 ('s-Gravenhage 1999); Jan-Willem Brouwer, 'La coordination par la concertation. L'élaboration de la politique européenne des Pays-Bas et le fonctionnement de la représentation permanente à Bruxelles dans les années 1960', in Les administrations nationales et la construction européenne. Une approche historique (1919-1975). Onder red. van Laurence Badel [e.a.] (Brussel 2005) 357-376.

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 39282 [Spierenburg in augustus 1980].

J.W.L. Brouwer


Bovenstaande biografie weerspiegelt de stand van het onderzoek tot aan het jaar van publicatie in het gedrukte deel van het BWN. Dit jaar is hieronder weergegeven. Alle daarna verschenen literatuur is niet in de tekst verwerkt en wordt evenmin vermeld in de literatuuropgave (onder L).

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013