Dagboeken

 
English | Nederlands

Dagboek VII

12 november 1918 tot 20 november 1920


dagboekcahier 7

13/11/1918

Woensdag 13 november 1918. Om half een weer ministerraad, ter bespreking van de toestand. De departementen waren bewaakt. We moesten rekening houden met ’t mogelijk optreden van een soldatenraad, die de ministeries zou overrompelen en ons gevangen nemen. De soldaatjes zaten naast mijn kamer rustig kaart te spelen en sigaretten te rooken!

            Ruijs wilde een verklaring in de Kamer afleggen over ’t vrouwenkiesrecht. Behalve Heemskerk waren we daar allen tegen. Zou opgevat worden als ’n concessie, dus als ’n bewijs van zwakheid. Helaas, tegen deze afspraak in, deed Ruijs ’t toch! Dat is de eenige fout, die in deze ernstige week door ons gemaakt is. En ze werd ook terstond door Het Volk als een concessie uitgebazuind. Met vette letters stond erboven: ‘De regeering doet concessies’.

            ’s Morgens had ik bezoek ontvangen van het bestuur van ’t R.K. Vakbureau, die me allerlei vragen stelden, over de arbeidswetgeving. Ik heb alleen die vragen beantwoord, waarop het antwoord  reeds te vinden was in de memorie van antwoord op hoofdstuk I der staatsbegrooting. Dat kòn niet als een concessie worden uitgelegd, omdat de memorie al vóór 10 november verschenen was. ’s Avonds stond ’t geheele onderhoud – door mij gedicteerd – in de bladen, en werkte zeer op de goede stemming onder de katholieke en christelijke arbeiders. Ook gaf ik hun ’t parool uit, waaronder de actie tegen de sociaal-democraten moest worden gevoerd: een protest tegen hun voorstelling, als zouden zij namens de arbeiders spreken. Dat is ook de hoofdtoon geweest. Schitterend is de actie geweest, welke door de katholieke vereenigingen, speciaal de arbeidersvakvereenigingen werd gevoerd. Aan hen heeft Nederland zijn behoud te danken. Dit werd openlijk zelfs door liberalen erkend. Op één dag werd op de Rotterdamsche beurs, voor ondersteuning van de katholieke vereeniging, een ton bijeengebracht!

            In den ministerraad kon ik mededeelen, dat ik via een mijner ambtenaren berichten kreeg van De Zoete, de secretaris van Kolthek, sociaal-revolutionair Kamerlid. Zoo vernam ik, dat Troelstra cum suis zich van ’t spoorwegpersoneel zeker achtten; St. Raphaël zou ook wel meedoen; de christelijk protestanten niet, doch dezen hadden niets te beteekenen. De stadstrams in de groote steden hadden ze ook in handen. Het geheele  verkeer zou stopgezet worden zaterdag a.s.; alleen een beperkte dienstregeling zoude er zijn: enkele personentreinen en treinen voor levensmiddelenvoorziening. Troepen zouden reeds eer[der] geweigerd worden te vervoeren. Ze hadden vertrouwde mannen langs de lijnen gezonden, om na te gaan, of ze van de meerderheid zeker zouden zijn. De minister van Waterstaat telegrafeerde onmiddellijk de spoorwegdirecties, dat ze ’s avonds in Den Haag moesten komen. Toen werden de noodige maatregelen getroffen. De stations werden extra bewaakt.

            Onderwijl zaten we met den ex-keizer en den kroonprins in ons maag. Besloten werd, dat de keizer voorloopig op kasteel Amerongen zou verblijven – de kroonprins zou naar ’t eiland Wieringen worden gebracht.

            Nog een andere moeilijkheid dreigde: tienduizenden in Duitschland vrijgelaten Russische, Fransche, Engelsche en Belgische krijgsgevangenen stonden aan onze grens. Alleen Engelsche 150.000! Wat met hen te doen? Met de Entente-gezanten zou overlegd worden, ze via ons land naar België en Engeland te voeren.

dagboekcahier 7

14/11/1918

Donderdag 14 november 1918. Weer ministerraad, donderdag half een. Heemskerk en Ruijs waren naar de koningin geweest.  Deze wilde absoluut nog den eigen dag een proclamatie tot haar volk richten. Wij moesten de tekst vaststellen, en om vier uur zou Kan bij haar ontvangen worden, om haar de proclamatie te laten teekenen, die dan terstond gedrukt, en ’s nachts overal heengezonden kon worden.

            Ik was er woest tegen. Vooreerst, omdat ’t als een bewijs van zwakheid bij de regeering zou beschouwd worden: men zou meenen, dat wij den toestand niet meer meester waren en nu, als noodschot, de koningin naar voren brachten. Vervolgens: ik zag er iets onridderlijks in. Niet de koningin moest hier optreden – wij moesten vóór de koningin staan, en de slagen opvangen. Tenslotte: een dynastiek gevaar: de koningin kwam in ’t centrum der beweging te staan. De beweging tegen ‘de regeering’ zou zich nu concentreeren tegen haar persoonlijk. Dat zou haar positie later schaden – ze moest boven de partijen blijven staan, ook thans.

            Ik vond bij velen instemming, en ook Heemskerk en Ruijs wankelden. Maar ze hadden ’t de koningin ’s morgens beloofd! Ik moest dan maar om vier uur naar haar toegaan en zien, haar  van meening te doen veranderen. Goed zei ik, maar laat dan een der oudste leden van ’t kabinet met me meegaan, bijvoorbeeld Idenburg.

            Aldus werd besloten. Maar ik had geen hoogen hoed, en maar ’n gewoon jasje aan! En onmogelijk tijd, om me te gaan verkleeden. Idenburg zou dus ook met ’n deukhoedje op komen. Zoo kwamen we om vier uur in ’t Noordeinde aan. De lakeien zullen ’t wel ’t begin der revolutie gevonden hebben, dat twee ministers met ’n deukhoedje op, en ’n gewoon pakkie aan, in het paleis ter audiëntie kwamen!

            We werden terstond ontvangen. De koningin was ernstig, maar vriendelijk. Wel leek ze me wat geagiteerd; ze had een hoogroode kleur. Ik hield een vrij lang, maar – naar Idenburg later in den ministerraad meedeelde: heel duidelijk en klemmend – betoog, om aan te toonen, waarom een proclamatie thans een fout was. Mijns inziens moest de koningin eerst met een proclamatie komen, als de toestand zóódanig was, dat ’t voor iedereen vaststond, dat de regeering de toestand volkomen meester was. Dan had een proclamatie zin: een rustig koninklijk woord, om aan te sporen eendrachtig  de nieuwe toekomst in te gaan.

            H.M. hoorde mij zwijgend aan. Toen ik uitgesproken had, bleek zij zeer onder den indruk mijner argumenten te zijn gekomen. Ze stribbelde nog een weinig tegen. Ik begon toen den inhoud der proclamatie te critiseeren: het was een stuk van de secretaris-generaal, niet het woord der koningin in een gewichtig oogenblik. Dat sloeg in! De koningin nam toen ’t stuk van me over – ’t ligt nog in mijn aanteekeningen van den ministerraad van dien dag: een merkwaardig stuk: een door mij tegengehouden en nooit verschenen proclamatie! Ze ging toen ook aan ’t critiseeren, veel scherper nog dan ik ’t gedaan had. En wat ze ervoor in de plaats stelde, was telkens véél en véél beter: werkelijk ’t juiste woord, en koninklijk! Zij heeft blijkbaar veel taal- en stijlbegrip.

            Vooral had ik aanmerking gemaakt op deze derde alinea: ‘Thans is het oogenblik gekomen, om een nieuw huis boven ons hoofd op te bouwen. De tijden zijn rijp voor ingrijpende hervormingen zoo op wetgevend als sociaal gebied tot stand te brengen, om te verwezenlijken wat in de diepste  lagen van ons volk leeft’. Dat ‘nieuwe huis’ riekt naar geslaagde revolutie. De ‘ingrijpende hervormingen’ zouden op dit moment concessie aan de revolutionaire beweging schijnen. ‘Zoo op wetgevend als sociaal gebied’ was geen tegenstelling. Bedoeld was wellicht: politiek als sociaal. Dit scheen een concessie aan Troelstra’s eisch: afschaffing van de Eerste Kamer. Die ‘diepste lagen’ waren hier onzin: klinkt bolsjewikisch! De koningin was ’t heelemaal met me eens.

            Zelf viel zij vooral op de volgende alinea, waarin stond, dat de Oranjevorsten altijd op de bres stonden voor de bestaande vrijheden. Dat is helemaal onjuist, zei ze. ‘Wij hebben de vrijheid gebracht.’ Het eind was, dat zij zei: die proclamatie deugt heelemaal niet, en wat ’t tijdstip aangaat, ik zal maar geduldig en rustig afwachten, tot de heeren van meening zijn, dat ’t goede moment gekomen is. Ik zei: ‘Majesteit, mag ik ’t eerlijk zeggen? Ik ga met een veel geruster hart van u heen, dan ik gekomen was.’  De koningin stond op, en gaf ons beiden een hand. Het onderhoud had juist een uur geduurd. Idenburg was opgetogen. In de ministerraad ’s avonds bracht hij verslag uit en kamde me geweldig op, omdat ik de zaak zoo krachtig en toch zoo taktvol behandeld had.

            ’s Avonds vergaderden we weer met de afgevaardigden der rechterzijde. De stemming was veel kalmer. ’t Liep nu vooral over de sociale hervormingen, bij welk debat ik vooral veel te vertellen had. Algemeen was de aandrang, krachtig in te grijpen. Ik zei tot slot: ‘Ik hoor met genoegen, dat alle heeren voor krachtige sociale hervormingen zijn. Ik verheug me erover en wil niets liever. Doch op deze ééne voorwaarde: dat als de toestand weer rustig is, en ik er mee kom, de heeren niet terugkrabbelen! De arbeiders vertrouwen ons thans ten volle. Als wij later dat vertrouwen beschamen, is dat erger, dan wanneer nu de revolutie tijdelijk zegepralen zou.’ Daar waren [ze] ’t mee eens. Ik zal ze er later nog wel eens aan herinneren!

            Bij tienen ’s avonds kwam de bode binnen  en zei me: ‘Excellentie, ’t Kabinet van de Koningin is voor u aan de telefoon.’ Ik zat tusschen Ruijs en Heemskerk in. Alle drie dachten we: de proclamatie! De koningin heeft er spijt van! Ik ging naar de telefoon: H.M. heeft me opgedragen, u te verzoeken, morgenochtend kwart voor tien bij haar te komen; doch zij vernam, dat u hedenavond een vergadering had, en vreest dat ’t wellicht erg laat voor u zal worden. Wanneer u dus liever morgen wat later wilt komen moet u ’t gerust zeggen, dan zal H.M. een later uur bepalen.’ Ik zei, dat ik geen bezwaar had, en om kwart voor tien present zou zijn.

dagboekcahier 7

15/11/1918

Vrijdag 15 november 1918. Even half tien was ik in ’t Noordeinde; klokke kwart voor tien werd ik bij H.M. toegelaten. ‘Goede morgen, meneer Aalberse’, zei ze vriendelijk. ‘Neem plaats, alstublieft. Ik heb twee dingen te bespreken. Vooreerst hoorde ik u gisterenmiddag zeggen, dat u deze week velerlei menschen gesproken had, vooral arbeiders en middenstanders, uit verschillende deelen van ’t land. Daar zou ik gaarne nog iets meer van vernemen. En vervolgens, toen u onlangs bij me waart, zijn we blijven steken midden in ons gesprek over uw departement. Ik hoorde toen, wat u voor de  volksgezondheid wilde doen; ik zou thans gaarne nog een en ander vernemen over uw plannen ten aanzien van de arbeiderswetgeving en de sociale verzekeringen.’

            Beide punten hebben we uitvoerig besproken. De koningin vroeg van allerlei; en zei ook vaak haar eigen meening, op resoluut-frissche wijze. Zij hield mij tot half twaalf! ’t Is onmogelijk het heele relaas op te schrijven. Eén typisch gedeeltetje eruit:    we kwamen te spreken over de volkspsyche.

‘Ja, dat is geloof ik de groote fout geweest van mijn ex-collega uit Duitschland, dat hij nooit voeling met het volk zelf had, en daarom ook het volk niet begreep.’

‘Zeker, majesteit, maar ik geloof, dat dit meer de schuld was van zijn omgeving van militairen en jonkers, die geheel buiten het volk staan, en door hún oogen moest hij dus het volk zien.’

‘Dat is wel zoo, maar ’t was toch zijn schuld, dat hij dien kring niet verbrak. Ik heb dat hier ook zoo gevonden. Maar ik voelde mij toen ongelukkig. Ik voelde, dat mij iets ontbrak. Mijn leven bevredigde mij niet. Totdat mij geleidelijk duidelijk werd, dat mijn hofkring me van ’t volk afsloot. Ik heb toen op een dag de ramen wijd opengegooid: ben  onder het volk gegaan, zooveel ik maar kon. En heel den ouden pruikenrommel hier heb ik opgeruimd. Ik heb me omringd met jongere lieden, die begrepen wat ik wilde. En ik heb gezegd: wie ’t hier niet bevalt, hij ga gerust heen. Zoo kreeg ik een heel ander leven, en toen voelde ik mij gelukkig.’

            Terwijl de koningin dit alles zeide, aarzelde zij zoo nu en dan en zei dan: ‘Ja, dat is eigenlijk heel persoonlijk’ – ‘Ja, dit wil ik u toch ook wel zeggen, ’t is eigenlijk heel persoonlijk.’ Het trof mij zeer, dat zij me dit alles zei.

            ’s Namiddags hadden we om vijf uur weer ministerraad. Besloten werd, bij de antwoorden in de Kamer geen enkele toezegging te doen, maar daarna een koninklijke proclamatie te doen verschijnen, waarin hervormingen, vooral op sociaal gebied, zouden worden toegezegd. Het agreement te Londen was voorloopig geteekend. We hebben meer bereikt, dan we verwacht hadden.

dagboekcahier 7

17/11/1918

Zondagmiddag [17 november 1918] twee uur kwamen Ruijs, Heemskerk, De Vries en ik bijeen, om de rede op te stellen, welke Ruijs dinsdag zou houden. We stelden den  algemeenen gang en de voornaamste punten vast. De Vries en ik zouden maandag dit tot een redevoering uitwerken.

            Dien eigen middag was er een grootsche katholieke meeting op Houtrust om tegen de revolutieplannen te protesteeren. De koningin had ’s morgens Ruijs laten roepen; ze wilde er heen gaan. Ruijs had dit ontraden, omdat ’t een katholieke meeting was, en dan op zondag, wat ook protestanten zou ergeren. De koningin wilde dan den volgenden dag te paard op ’t Malieveld verschijnen. Dit moest bekend worden gemaakt op Houtrust, en verder in de stad. Iedereen kon komen.

dagboekcahier 7

18/11/1918

Die maandag [18 november 1918] zal ik nooit vergeten. Om één uur zou de koningin komen. Om half twaalf zagen alle straten, die naar ’t Malieveld voerden zwart van de menschen. Toen wij even voor eenen er ook, in een auto, heentrokken, konden we niettegenstaande de hulp van politie en huzaren niet door de menigte heen komen. Ik zat met Heemskerk, Idenburg en De Vries in een auto. Even vóór de Maliebrug bleven we vastzitten. Toen kwam de koningin voorbij. Zij zag ons zitten, en wuifde ons toe. Heel haar gezicht straalde  van vreugde. Zij had haar zin: ze was onder het volk! Achter haar rijtuig konden we voortgaan. Even later bleef ’t stilstaan. Een troep soldaten spande de paarden af, en trok het rijtuig verder voort. Wij konden niet verder, en stapten ook uit. Tusschen huzarenpaarden door werden we verder geleid, en troffen toen ook Ruijs en Van Karnebeek. We gingen vóór het rijtuig van de koningin loopen, anderhalf uur lang door de dolenthousiaste soldaten getrokken.

            Wat een zee van menschen! Wat een enthousiasme. Nooit heb ik zooiets gezien. ’t Was waarlijk indrukwekkend. Een oud vrouwtje, ’n arme ziel, pakte de hand der koningin en gaf haar een paar rozen, schreiend stamelend: ‘Lieve, lieve koningin.’ Dit treffend momentje typeerde den geheelen toestand. Langzaam gingen wij voort. Wij kregen ook ons deel. Telkens weer juichte het op: ‘Leve de regeering. Leve het ministerie, leve minister Ruijs!’ En als we langs middenstands-, arbeiders- of studentenvereenigingen kwamen, ‘Leve minister Aalberse!’ ’t Was een schitterend gezicht, al die vereenigingen met hare banieren. En – de meerderheid waren roomsche  vaandels!

Eindelijk gingen we terug. Wij steeds voorop, daarachter de koningin, met den prins en ’t prinsesje, steeds door een groot aantal soldaten in hun rijtuig voortgetrokken. En overal zag ’t zwart van de juichende en jubelende menschen. Wie herkende onze kalme, nuchtere Hollanders?

            Zoo kwamen we langs de koningin-moeder. Deze schrikte eerst, toen ze ’t rijtuig zonder paarden zag aankomen. Ze dacht, dat de revolutie was uitgebroken, en dat de koningin door het volk gevankelijk werd meegevoerd. Maar toen ze boven alles uit de juichkreten en ’t Wilhelmus hoorde, begreep ze, wat dit alles beteekende. Ze kwam op ’t balkon en werd even geestdriftig toegejuicht. Weer ging ’t voort. Totdat we aan ’t paleis kwamen. Wat een ontzettende menigte stond daar en daar kwamen nu nog duizenden bij. Dat alles zonder ongelukken is afgeloopen, begrijp ik nog niet. Het rijtuig der koningin kon ook niet verder. Ze stapte maar uit en gaf links en rechts handjes.

            Wij stonden op de trappen van ’t paleis toen zij naderde. ‘De heeren moeten mee naar binnen.’ In de vestibule kregen we allen een  hand van haar. Ze was òvergelukkig. Ook de prins en ’t prinsesje gaf ons een hand. Eensklaps klonk buiten een donderend Io vivat. ‘Dat zijn zeker Leidsche studenten?’ vroeg de koningin mij. ‘Ja, majesteit, maar ook de Delftsche zijn aanwezig.’ Het gejuich buiten werd steeds luider. ‘We zullen naar ’t balkon moeten gaan. Maar de heeren moeten mee.’ De koningin ging voorop de trap op en wij volgden. Ik bleef schuin achter haar staan. Ze keek om: ‘Neen, niet daar, u moet naast ons komen staan!’ En ze pakte me bij den arm en duwde me naar voren, naast den prins. Toen trad zij zelf naar voren. Dat gejuich, gezwaai van handen, zakdoeken en hoeden, het Wilhelmusgezang en vooral die onafzienbare menschenzee – tienduizenden – pal tegen elkaar gedrukt, tot vlak voor ’t paleis, en verder, tot [zoo]ver je zien kon, àl maar hoofden van dolenthousiaste menschen! Het was waarlijk overweldigend. Den prins liepen de tranen langs het gezicht. ‘Dat is een onvergetelijk moment!’ zei de prins tegen mij. Inderdaad. Wat een verschil met precies acht dagen tevoren,  toen de revolutie aangekondigd werd! We wàren er! God zij dank.

            We namen afscheid van de koningin en verlieten door ’n achterdeurtje ’t paleis: vóór was er geen doorkomen aan! Zoo ging ik met De Vries naar zijn departement, waar we de rede voor Ruijs zouden opstellen.

‘Staat jouw hoofd ernaar?’

‘Neen, nu zie ik er ook geen kans voor!’

We zaten een uur over de dag te praten, de geheele redevoering vergetend. Langzamerhand kwamen we tot bedaren en stelden eenige passages vast: wat er wèl en wat er niet gezegd zou worden. ’s Avonds heeft De Vries toen de redevoering geheel uitgewerkt opgeschreven en precies zoo werd zij dinsdag 19 november door Ruijs in de Tweede Kamer uitgesproken. Ze deed daar haar werk.

dagboekcahier 7

19/11/1918

Dinsdag [19 november 1918] om vier uur ministerraad. We constateerden, dat ’t nu voor iedereen duidelijk was, dat de revolutie gebroken was en dat de regeering de baas was en unaniem waren wij van meening dat nu ’t moment er was voor een proclamatie van de koningin. Heemskerk had al een concept opgesteld  dat met eenige wijzigingen en schrappingen werd aangenomen. Ze werd nog denzelfde avond door de koningin geteekend en door ons allen mede-onderteekend. Ze heeft ingeslagen. De revolutie overwonnen!

Zaterdag en zondag had de S.D.A.P. vergaderd. In plaats, dat – zooals bedoeld was – dit de ‘dageraad der volksregeering’ werd, moest geconstateerd worden, dat Troelstra een geweldige misgreep had begaan. En toch – Colijn was juist uit Londen teruggekomen en bracht ’t bericht mee: zoowel in Frankrijk als in België wordt binnen drie maanden revolutie verwacht, zoodra de troepen van het front terug zijn. In ’t leger worden alom soldatenraden opgericht.

Als dat waar is, gaan ook wij hier een ernstige tijd weer tegemoet. Mijns inziens moeten we bij de begrooting flinke sociale hervormingen aankondigen. Ik heb daarom vier nota’s gemaakt, waarin mijn geheele werkprogram voor volksgezondheid, arbeidswetgeving, arbeidersverzekering en ouderdomsrente behandeld is. Besloten werd, voor de [be]handeling daarvan een extra ministerraad te houden, zaterdag  a.s. om twee uur.

Steeds meer noodkreten komen er uit ’t Rijnland waar hongersnood dreigt. Wat moet[en] we doen? Van Karnebeek heeft er den Amerikaanschen gezant op gewezen, tevens erbij voegende, dat wij er groot belang bij hadden, wijl hongersnood beteekende Bolsjewiki-gevaar.

dagboekcahier 7

22/11/1918

Vrijdag 22 november 1918. De gezant te Stockholm deelde mee, dat de Bolsjewiki daar deposito’s hebben van 30 à 40 millioen. Alles voor de propaganda in Europa. Ook in Den Haag is een Bolsjewikisch agentschap. Prof. Brinkman, aan de Duitsche legatie toegevoegd, is ook Bolsjewiek. Besloten werd, om de bewaking der stations, enz. in te trekken.

dagboekcahier 7

23/11/1918

Zaterdag 23 november 1918 werd een buitengewone ministerraad gehouden uitsluitend om mijn sociale plannen, in vier nota’s uitgewerkt, te bespreken. Ze werden alle aangenomen. Sommigen vonden wel dat ’t wat ver ging, maar men begreep dat ’t moest! Ik zou nu overleg plegen met de groepen der rechterzijde, daarna zou ik alles verwerken voor een rede door Ruijs te houden bij de algemeene begrootingsdebatten.

Zaterdag 23 november kreeg ik bericht dat ik maandagochtend weer door de koningin verwacht werd op ’t gewone uur: kwart voor tien. Zondag werd ik door ’t Kabinet der Koningin opgebeld; H.M. had gelast mij mee te deelen dat zij gelijk met mij Van IJsselstein zou ontvangen. Waar zou dat voor zijn?

            Ik was op tijd present. Maar Van IJsselstein was er niet. De koningin liet me vragen of ik even wilde wachten tot hij er ook was. Om tien uur was hij er nog niet en de koningin liet me verzoeken bij haar te komen. We begrepen er beiden niets van waarom Van IJsselstein zonder eenige kennisgeving afwezig was. Juist zou de koningin beginnen, toen hij aangekondigd werd. Hij was bij ’t instappen van de tram gevallen en had zijn lorgnet gebroken (later zei hij me: ook zijn nieuwe pantalon gescheurd). Dus moest hij eerst weer naar huis en dus kwam hij te laat. De koningin was erg vriendelijk en informeerde zeer of hij zich niet bezeerd had.

Toen kwam het. De koningin wilde ons raadplegen over een door haar uitgedacht plan. Zij wilde een groote commissie in het leven roepen, in de geest van het Koninklijk  Nationaal Steuncomité dat door haar initiatief kort na het uitbreken van den oorlog was gesticht – dat zich zou wijden aan het ‘herstel van volkskracht’. Ze wilde een oproep doen tot alle vereenigingen om mee te werken om kinderen, jongelieden, moeders en aanstaande moeders te steunen, de besmettelijke ziekten te bestrijden, speciaal tuberculose, enz. enz.; met andere woorden de slechte gevolgen van de duurte en de schaarschte aan levensmiddelen, kleeding, enz. te bestrijden. Het comité zou niet zelf veel direct moeten doen, maar leiding moeten geven en aansporen om de plaatselijke vereenigingen finantieel te steunen.

Het was een grootsch plan, maar wat vaag. We praatten er eenige tijd over. Zij wilde wel als voorzitster optreden, wij zouden haar als eereleden ter zijde staan. Ze had er al studie van gemaakt, had allerlei statistieken en grafische voorstellingen voor haar liggen, die ze ons liet zien. Het einde was dat wij de zaak gezamenlijk zouden overwegen en haar dan een voorstel doen, in een schriftelijke nota. Na een uurtje vertrokken wij weer. 

dagboekcahier 7

25/11/1918

Maandag 25 november 1918. Een treurige dag: ’s morgens ontvingen we een telegram dat Gé, de eenige zoon, het eenig kind van mijn eenige zuster overleden was, 26 jaar oud, dus juist op ’t moment dat ik bij de koningin was, Spaansche griep met longontsteking. Hij is maar een dag of vijf, zes ziek geweest. Arme, arme zus! ’t Eenige wat zij had, het eenige waarvoor ze leefde was haar ontvallen! Haar man, wiens dood voor haar een verlossing ware geweest, was nu al driemaal zwaar ziek en bediend geweest, maar telkens weer hersteld. Haar eenige zoon, haar vreugde en trots, haar éénige hoop, was nu krachtig en gezond in enkele dagen haar ontvallen! ’t Was een zware gang naar haar toe. Mijn God, welk een diepe, bittere smart. Wij zijn er zelf dagenlang van onder den indruk geweest. Wat zal de toekomst nu nog voor haar brengen? Ik had zoo gehoopt dat het leed hun weer naderbij zou gebracht hebben. Maar ik vrees! … Er is teveel gebeurd. Gé heeft altijd verdriet van zijn vader gehad. Dàt zat hen nu ook dwars en stond een goede verzoening in de weg. Arme, arme zus! God geve haar troost![2]

dagboekcahier 7

26/11/1918

Dinsdag 26 november 1918 weer ministerraad. Besloten werd met ’t oog op de kamerzittingen in ’t vervolg niet meer dinsdag en vrijdag, maar maandag en vrijdag te vergaderen. Als er Kamer is, kunnen we eerst na vijf uur bijeenkomen.

            Ruijs deelde mee dat hij gisteren bezoek van den Franschen gezant had gehad. Deze had hem gesproken over drie punten: ’t doortrekken van Duitsche troepen door Limburg, den keizer en de beweerde stap van Nederland bij de Vereenigde Staten om verzachting van de wapenstilstandsvoorwaarden voor Duitschland te verkrijgen. Door alles schemerde heen dat Allizé – de Fransche gezant – zeer ingenomen was tegen Van Karnebeek: ‘Il est trop excellence.’

            ’t Is duidelijk dat er in Europa een felle campagne tegen ons land op ’t getouw wordt gezet. Men wil grieven hebben. Blijkbaar wil men een sfeer van misnoegen om ons heen scheppen om ’t odium te verzachten wanneer aan ons land een deel van Limburg en Zeeland wordt afgenomen om dit aan België te geven. Die campagne gaat uit van België, gesteund door de militaire partij in Frankrijk.

            De Duitsche keizer heeft nu ook formeel afstand gedaan. Feitelijk had hij ’t reeds gedaan toen hij  ons land binnentufte. Er gaan nu steeds meer stemmen op om hem van ons uitgeleverd te krijgen. Heemskerk heeft ’n commissie benoemd (Loder, Struycken en Bles) om na te gaan, hoe daartegenover onze positie is. Uit berichten uit Duitschland blijkt dat steeds meerdere ’t keizerrijk terug willen, maar niet den keizer noch den kroonprins. In Oostenrijk heet 98% der bevolking nog op de hand van keizer Karel.

            In den ministerraad deelde ik mee, welk plan de koningin had. ‘Deelde ik mee.’ De koningin had dit uitdrukkelijk zóó verzocht: ‘U moet niet aan de heeren vragen of ze ’t goed vinden: daar hebben ze niets mee te maken!’

dagboekcahier 7

27/11/1918

woensdag 27 november 1918

Eindelijk ga ik weer eens wat opteekenen. Hoe jammer dat ik dit wekenlang niet kon doen. Vooreerst wegens de verhuizing. Ik had er eenvoudig geen gelegenheid toe. Daarna, toen na 8 november Nederland bedreigd werd met een revolutie: een weeklang hadden we twee- of driemaal daags ministerraad: elken dag ging ik om half tien van huis, en kwam eerst ’s nachts half twaalf of twaalf uur weer terug. Wat een tijd van spanning is dat geweest! In één week tijd is mijn baard bijna geheel wit geworden. En dan tenslotte: ik was dit dagboek kwijt! Ik begreep er niets van. ’t Lag altijd in ’t linkerbovenlaadje van mijn schrijftafel achter slot. Zoo, gesloten, was mijn schrijftafel vervoerd. Er ontbrak niets in. Alleen … mijn dagboek! Ik had me al een nieuw boek aangeschaft en was daar vanavond in begonnen. Nadat ik twee bladzijden geschreven had, kreeg ik eensklaps ’t idee: de laadjes nog eens uitgehaald en gezien of ’t er niet achteruit  geschoven was en zóó eronder gekomen was. Ik had dit onderzoek al eens gedaan. Maar ziet: daar lag ’t!!

            Ik ben zoo blij, dat ik ’t nu terug heb. Al was ’t alleen maar om wat erin over mijn lieve Gukie staat en de bloempjes uit haar handjes die erin lagen. Ook mijn aanteekeningen over Delft en over de ministerieele crisis – wat betreurde ik ’t, dat ze nu weg waren. Waarheen? Wellicht in verkeerde handen gekomen? … Overal had ik al gezocht. Op de onmogelijkste plaatsen. Steeds vergeefs! En ziedaar, daar ligt ’t nu!

            Morgen zal ik trachten mijn herinnering nog eens op te scherpen en over de laatste weken nog een en ander op te teekenen.[3] Helaas, vandaag nog iets diepdroevigs: maandag is Gerard, de eenige zoon, ’t eenig kind van mijn eenige zuster overleden aan longontsteking. 26 jaar oud! Arme zus! Welk een smart! Nu heeft ze niets, niets meer, zij die al meer dan 25 jaren verdriet heeft gehad. God helpe haar!

dagboekcahier 6

28/11/1918

donderdag 28 november 1918 [1][4]

Vandaag is ’t biddag! Dat is een van onze eerste daden geweest, de kerkgenootschappen te raadplegen over een biddag met ’t oog op den nood der tijden. Onze brief dateert al van 18 october. Na overleg werd de biddag uitgeschreven op 28 november. We zaten toen nog in den oorlog. Thans is ’t meer geworden een dankdag, dank voor het feit dat ons land tot ’t laatste toe buiten den oorlog mocht blijven, dank ook dat de revolutie voor onze grenspalen halt heeft gemaakt. De dag is vanzelf een volkomen zondag geworden. De kerken waren stampvol. Talloozen naderden ter H. Tafel. Om half elf zijn de vier katholieke ministers naar de hoogmis in de Parkstraatkerk geweest. We zaten op ’t altaar. In de voorste stoelen verder de nuntius, mgr. Nolens, de hoofdaalmoezenier, de katholieke leden van Raad van State, Eerste en Tweede Kamer, Hooge Raad, enz. Na de mis werd ’t Parce Domine, en ’t Salvam reginam nostram gezongen. ’t Was een indrukwekkende plechtigheid. Den geheelen dag is ’t verder aanbidding en vanavond lof met Te Deum. God zegene ons land, behoede onze koningin en geve ons wijsheid!

            Juist toen ik voor de kerk was, kwam de koningin met den prins aanrijden. Ze herkenden me beiden en groetten zeer vriendelijk. Vlak daarop ook de koningin-moeder, bij wie ik voor veertien dagen op audiëntie geweest ben: ze hield me tot kwart voor zevenen!

Thans wat aanteekeningen van ’t tijdperk 9 october – 28 november, een tijd die mij levenslang heugen zal![5]

dagboekcahier 6

donderdag 28 november 1918 [2]

Donderdag 28 november was ’t biddag. Dat was een waarlijk verheffende dag. Algemeen als zondag gevierd, maar kalm en waardig. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat waren de kerken stampvol. Wij hadden toen we in october besloten een biddag uit te schrijven – een novum, waar men onder de vorige rechtsche ministeries nooit aangedurfd had! – het oog op den nood der tijden: de wapenstilstand was nog niet in zicht. Thans werd het meer een dankdag omdat wij buiten den oorlog waren  gebleven en omdat de misdadige revolutie in ons land was mislukt. Nadat we ’s morgens in onze eigen kerk in Scheveningen ter H. Tafel genaderd waren, moest ik om half elf officieel de hoogmis in de Parkstraat bijwonen. De vier roomsche ministers zaten op het altaar. De kerk was stampvol, velen konden er niet in. Juist toen ik aankwam, reden de koningin, de prins, ’t prinsesje en de koningin-moeder voorbij die ook naar de kerk gingen. De koningin zag me en groette vriendelijk. An was, geloof ik, wel een beetje trots![6] Eigenlijk was de koningin tegen de biddag. ‘Ik houd niet van bidden op bevel; ik bid, wanneer mijn hart mij daartoe dringt.’ ’s Avonds in ’t lof, een mooie preek van den pastoor, en tot slot … het Wilhelmus!

dagboekcahier 7

29/11/1918

vrijdag 29 november 1918

Met de Duitsche keizer wordt de zaak moeilijker. Graaf Bentinck wil hem niet langer op Amerongen houden. De keizer heeft nu officieel zijn troonsafstand onderteekend; een schriftelijke bevestiging van wat hij mondeling deed vóór hij in ons land kwam. Er is een commissie benoemd: Loder, Struycken en Bles om te onderzoeken, hoe wij zouden moeten staan tegenover een eventueele eisch tot uitlevering.  Uit Amerika en Engeland komen goede berichten, dat men daar ons steunen zal tegen de territoriale eischen van [België].[7]

In Het Volk heeft Troelstra een dankbetuiging gepubliceerd voor hem betoonde aanhankelijkheid. Uit ’t stuk blijkt, dat hij de revolutie wel heeft uitgesteld, niet afbesteld. We moeten op ons qui-vive blijven.

Besloten werd in de Kamer bij de algemeene beschouwingen van de staatsbegrooting aan te kondigen dat wij een commissie willen benoemen voor grondwetsherziening. Aan Ruijs, Heemskerk, De Vries en mij werd opgedragen de punten te formuleeren, waarover de grondwetsherziening zou moeten loopen.

De koningin zal [den] koning van Engeland en Wilson uitnoodigen een bezoek aan ons land te brengen. Van België, Frankrijk en Amerika zijn protesten ingekomen tegen ’t doorlaten van – ontwapende – Duitsche troepen door Limburg. ’t Is ’n Belgische campagne gestuurd door ’t militaire Frankrijk. Doel is tegen ons land een sfeer van antipathie te scheppen om de annexatie van Zuid-Limburg en Zeeuwsch-Vlaanderen minder dégoutant te maken.

dagboekcahier 7

02/12/1918

maandag 2 december 1918

De punten voor de grondwetsherziening werden vastgesteld:  troonopvolging, recht van oorlogsverklaring, sluiten van verdragen, de Staten-Generaal (al of niet afschaffing van de Eerste Kamer, referendum, Tweede Kamer uitbreiden  bijvoorbeeld tot twee- of driehonderd leden, enz.), mogelijkheid van het instellen van publiekrechtelijke lichamen. Dit laatste was vooral door mij voorgestaan met ’t oog op de ontwikkeling der collectieve arbeidscontracten.

            In Amsterdam is ’n Rus wegens zakkenrollerij aangehouden die beweerde dat er een complot gesmeed werd tegen ’t leven van de koningin. Van Ravesteyn heeft in België een conferentie gehad met Liebknecht, den leider der ultrarevolutionairen.

            Van Swinderen deelde mede, dat de Engelsche regeering zich met den ex-keizer wilde gaan bemoeien. In Frankrijk wordt er over gedacht Zuid-Limburg te bezetten. De Fransche pers stookt geweldig tegen ons land; zij is echter in handen van maar ’n paar menschen. De koning van Engeland heeft geantwoord, dat hij wegens gebrek aan tijd ‘in this occasion’ niet kan komen. Van Wilson nog geen antwoord. Garrett, de Amerikaansche gezant, meende dat Wilson de uitnoodiging zou aannemen. De agitatie in Engeland tegen den ex-keizer en ons land is niets dan een verkiezings-cry van Lloyd George. Fijn!

dagboekcahier 7

03/12/1918

dinsdag 3 december 1918

Buitengewone ministerraad. Kan is naar Spa geweest om over de krijgsgevangenen te onderhandelen. De Russen zullen met Duitsche schepen naar Dantzig worden gezonden. In ’t hoofdkwartier was hem gezegd dat de Entente den keizer wou hebben om hem op te hangen. Ze vonden dat dit vanzelf sprak.

            Besloten werd troepen naar Limburg te zenden. Ik vooral was ervoor: de Entente zou zien dat we niet goedschiks een stuk van ons land zouden laten afnemen; en zij zou zich wel tweemaal bedenken eer zij het odium van een nieuwen oorlog – en dan tegen een kleine natie! – op zich zou laden. Ruijs was er tegen, echter alleen op Limburgsche gronden: verkeerd voor de bevolking als er soldaten ingekwartierd werden. Ruijs drong er ook weer op aan dat De Stuers uit Parijs weg moest. Hij is al 78. Maar hij heeft er uitstekende relaties en is zeer bij de Entente gezien.

dagboekcahier 7

06/12/1918

vrijdag 6 december 1918

Ruijs was tamelijk opgewonden. Hij spreekt teveel met de Fransche gezant en komt zóó onder zijn invloed. Reeds vóór den ministerraad deelde hij me mede: de keizer moet weg en Van Karnebeek ook! Ik kalmeerde hem wat en ried hem aan hier niet al te overijld te handelen. In den ministerraad kwam hij er nu ook mee:  eerst heel bruusk: de keizer moet weg! Anders eischt men uitlevering; en dan zitten we ertusschen. Ik merkte op dat als we hem drongen weer naar Duitschland te gaan, de Entente ons dat nóg meer kwalijk zou nemen dan dat we hem hier hielden. Van Karnebeek zei dat men den keizer in Duitschland wel weer terug wilde. Hij zou er ’s avonds met Rosen over praten, den Duitschen gezant.

            Ook over Van Karnebeek begon Ruijs: hij had den indruk dat de Ententediplomaten voor Van Karnebeek óf bang waren, omdat hij hun te handig was, óf hem pro-Duitsch vonden. Van Karnebeek zei terecht: dus zou ik moeten heengaan. Maar algemeen werd dit bestreden: dat was erger dan [Grieksch], wanneer een minister van Buitenlandsche Zaken in ons land aftrad onder buitenlandsche pressie. In ’t algemeen werd dit bruusk optreden van Ruijs in den Raad zeer afgekeurd.

            In Limburg schijnt ’n afscheidingspropaganda gemaakt te worden waaraan zelfs ’t Tweede Kamerlid Henri van Groenendael meedoet. Hij wordt nagegaan.

dagboekcahier 7

07/12/1918

zaterdag 7 december 1918

Buitengewone ministerraad. Alweer over den ex-keizer. Van Karnebeek had met Rosen gesproken. Deze hechtte geen waarde aan de berichten uit Duitschland. Er is geen regeering in Duitschland,  niemand kan er den keizer veiligheid waarborgen. Rosen zei dat hij niets kon doen en zeker ook den keizer niet wilde aanraden naar Duitschland te gaan. Ook niet: zich aan de Entente of Amerika overgeven; dan liever ’n kogel door z’n kop. Aan Van Lynden van Sandenburg werd opgedragen den keizer mee te deelen dat wij een verzoek om uitlevering verwachtten en dat wij vertrouwden dat hij ons land niet in moeilijkheden zou brengen.

Besloten werd, dat ik in de Parkstraat vier huizen, naast elkaar liggende, zou huren, om daar mijn departement te vestigen.

            De Fransche gezant had aan Van Karnebeek meegedeeld dat wij in [den] ministerrraad over den Duitschen keizer hadden beraadslaagd. Hoe wist hij dat?

dagboekcahier 7

09/12/1918

maandag 9 december 1918

Zondagmorgen werd mij telefonisch gevraagd of ik maandagochtend kwart voor tien bij de koningin wilde komen. Ik was op tijd present. ’t Werd een lange conferentie: ze duurde tot kwart voor twaalf! Eerst begon de koningin over de buitenlandsche zaken te spreken, speciaal de kwestie van den Duitschen keizer. Ze verklaarde een grooten strijd in zich zelve gevoerd te hebben of wij wel aan den keizer te kennen mochten geven,  dat ’t beter was dat hij heen ging. Er lag iets onridderlijks in, den man in zijn ongeluk niet wat rust te laten. Maar toch, wij mochten niet risqueeren, dat zijn uitlevering gevraagd werd: deden we ’t, dan blameerden we ons voor eeuwig, deden we ’t niet en werd hij met wapengeweld weggehaald dan beteekende dit in ons land de revolutie. Vaderlandsliefde schreef ons onze harde taak voor.

            Eenigszins bezorgd maakte zij zich erover dat de Fransche gezant wist dat wij in den ministerraad over den Duitschen keizer hadden gedelibereerd. Zou een der ministers een onbescheidenheid hebben begaan? Zij vond ’t een vreeselijke gedachte dat er wellicht één onbetrouwbare onder ons elftal zou kunnen zijn. Ik verklaarde daar geen oogenblik aan te gelooven, maar gaf twee vooronderstellingen: òfwel dat Allizé dit maar gezegd had op goed geluk af om te weten te komen of dit misschien niet waar was, òfwel dat ’t op de agenda had gestaan en dat deze uit een of andere prullemand was gehaald. Op ’t departement gekomen, keek ik dit na en bevond dat inderdaad op een ‘aanvullingsagenda’ van 26 november 1918 gestaan had ‘de Duitsche keizer’. Ik schreef toen een briefje aan de koningin om haar dit mee te deelen. Toen de brief weg was, zat ik eigenlijk  in de penarie of ik niet iets heel geks had gedaan: een particulier briefje aan de koningin te schrijven?! Blijkbaar heeft zij ’t goed opgenomen, tenminste, enkele dagen later kreeg ik namens haar een bedankje van den directeur van ’t Kabinet.

            Na dit gesprek over den Duitschen keizer ging de koningin voort: ‘Ik heb van meneer Ruijs gehoord dat u hem een uitvoerige nota hebt ter hand gesteld, waarin uw geheele werkprogram is aangegeven. Voor hij die nota in de Kamer gebruikt, zou ik zelf wel eens een en ander van u willen vernemen. En – lachend – ging zij voort: ‘Nu moet u me eerst eens zeggen: hoe gaat u met uw sociale wetgeving, gewoon, hard of zeer hard?’ Ik antwoordde: ‘Majesteit, ik ga juist in ’t tempo dat ik weet dat ook u verwacht.’ Toen lachte ze: ‘Zoo, en hoe is dat dan wel?’

‘Bijna zeer hard! Dat wil zeggen wel zeer hard, maar niet onbekookt.’

‘Juist, dat is ’t juist wat noodig is!’

(Ik kwam op dit typische antwoord omdat Heemskerk me voor enkele dagen gezegd had: ‘Ik weet een hooggeplaatste dame die  erg met je ingenomen is.’

‘Zoo, en wie wel?’

De Vries zei: ‘Zeker mevrouw Heemskerk?’

‘Best mogelijk, die ook! Maar ik bedoel toch iemand anders. Ik was vanmorgen bij de koningin die me met veel waardeering over je sprak. Ze zei: Hij is juist de minister van Arbeid, dien wij thans noodig hebben. Hij is heelemaal niet conservatief!’)

            Na deze inleiding vroeg me de koningin mijn plannen eens in bijzonderheden mee te deelen. Ik behandelde toen achtereenvolgens de nieuwe arbeidswet (achturendag), de sociale verzekeringen en daarna mijn plannen betreffende de volksgezondheid. De koningin luisterde met groote aandacht; vroeg er telkens iets tusschendoor of maakte ’n opmerking. Ze bleek er zeer mee ingenomen.

            Tenslotte zei ze: ‘Nu heb ik nog iets. Maar ’t is een beetje eigenaardig onderwerp om ’t te noemen. Maar lees u eens dit berichtje in ’t Handelsblad; dan weet u wel wat ik bedoel.’ ’t Was ’n bericht over … ontluizingsinrichtingen!  We hebben toen ’n heel gesprek gehad over ‘die inrichtingen’ en ‘die diertjes’!

            Tenslotte zei ik: ‘Nu heb ik zelf nog wat. Uwe Majesteit heeft me onlangs met Van IJsselstein ’n opdracht gegeven om u een voorstel te doen betreffende de bijeenroeping van een comité voor herstel van volkskracht. Ik heb uwe majesteit nog geen voorstel gedaan omdat ik hoe langer hoe meer overtuigd werd dat ’t plan te breed was om te slagen. Ik zou u willen voorstellen het te beperken [tot] “voor moeder en kind”’. Dit ontwikkelde ik nader, daarbij ook besprekende de kindersterfte.

            Toen zei ze: ‘Hoor eens, meneer Aalberse, u moet me niet gebruiken om propaganda te maken tegen ’t neo-malthusianisme. U moet me goed begrijpen: ik denk daar net zoo over als u, maar als koningin moet ik me daarbuiten houden. ’t Is helaas ook alweer ’n partijzaak geworden.’ Ik legde haar uit dat ik daarover niet dacht en dat ik in ’t algemeen het onbetamelijk zou vinden haar voor iets te gebruiken zonder  dit precies te zeggen.  ’t Eind van ’t lied was dat we ’t geheel eens werden en dat ze me vroeg haar nu schriftelijk een voorstel te doen, hoe deze zaak aan te pakken. Eerst kwart voor twaalf kon ik gaan! ’t Was een lange conferentie geweest, maar waarin ik versterkt was geworden in mijn meening over het hooge karakter en ’t scherpe inzicht van onze koningin. God spare haar voor ons land!

            ’s Avonds was ’t weer ministerraad. Van Lynden van Sandenburg was aanwezig om rapport uit te brengen over den Duitschen keizer. Hij was gisteren naar Amerongen geweest. Eerst had hij gesproken met een meneer van de hofhouding die telefonisch al een en ander van Rosen gehoord had. Hij deelde hem de boodschap mede. Deze antwoordde dat de keizer absoluut geen idee van den toestand had; dat hij geen kranten las, enz. Een andere dito vertelde juist ’t tegendeel: de keizer was op alles voorbereid. Toen ontving de keizer hem in tegenwoordigheid van de keizerin. Hij deed zijn boodschap.  De keizer luisterde, knikte bij iedere zinsnede, doch zei geen woord. Toen hij geëindigd had, kon hij vertrekken. Daarna dejeuneerde hij met ’t keizerlijk echtpaar dat zeer stil was. Na ’t dejeuner gingen ze onmiddellijk naar boven. De keizer vertelde toen aan baron Bentinck dat hij uit ons land werd gezet. Toch was dit niet gezegd en had de keizer ’t gezegde ook goed begrepen. Onmiddellijk werd naar Den Haag getelefoneerd dat er terstond iemand van ’t gezantschap moest komen. Er was niemand aanwezig. Toen telegram. Uit gesprekken met de hofhouding bleek dat men eerst naar Duitschland gewild had. Maar men zag er bezwaar in, wijl dit onmiddellijk den burgeroorlog zou ontketenen, vooral als de Entente zijn uitlevering zou vragen. Velen zouden dat nooit willen. Anderzijds werd er over gedacht dat de keizer zich ter beschikking van Amerika of Engeland zou stellen en dan aan onze regeering om een oorlogsschip verzoeken. Morgen zal Van Karnebeek een verklaring in de Kamer afleggen. De redactie werd vastgesteld.

            Besloten werd een missie naar Brussel te zenden om den koning te verwelkomen. De koningin  had er nogal bezwaar tegen. Zij heeft ’t land aan koning Albert, omdat zij hem zoo dom vindt. Wie aan ’t hoofd? Papa Ruijs de Beerenbrouck had bedankt wegens zijn gezondheid. Wie dan? Van Voorst tot Voorst (voorzitter Eerste Kamer), Van Leeuwen en Dumonceau? Wilson komt weldra naar Frankrijk. Besloten werd Loudon bij hem te accrediteeren. Ook Rochussen is al naar Parijs gegaan. Colijn gaat naar Londen; later ook Heldring. Besloten werd om voorloopig nog geen troepen naar Limburg te zenden. Er lagen al een 6000 man.

dagboekcahier 7

10/12/1918

dinsdag 10 december 1918

Ruijs hield een groote programmarede in de Tweede Kamer. De helft was door mij opgesteld: mijn totale werkprogram. Het werd in de Kamer blijkens de replieken zeer gunstig opgenomen. Ook de pers was zeer gunstig. Alleen meenden de meeste bladen dat ik teveel hooi op mijn vork nam. De volgende dag kwam Lohman me feliciteeren: ‘Ik heb gelezen, dat u tot minister ad vitam benoemd zijt!’

            De koningin liet me opbellen om te vragen,  of ook de dienstboden en de landarbeiders onder mijn arbeidswet zouden vallen. Ik kon haar geruststellen! De prins liet me ook opbellen: we hadden ook bij hem onze opwachting willen maken; hij zei dat ik ’t veel te druk had voor zulke beleefdheidsbezoeken; dat we elkaar wel eens zouden ontmoeten.

dagboekcahier 7

13/12/1918

vrijdag 13 december 1918

In den ministerraad zaten we de meeste tijd in ’t donker. ’t Electrische licht ging uit. Zoo zaten we bij één kaars te vergaderen. De voorzitter vroeg den ouden kamerbewaarder Merts: heb je nog niet een paar kaarsen? ‘Kaarsies, exsjelensjes, kaarsies? Mijn eigen minister heeft zelfs geen kaarsie om z’n brieven te lakken!’

            Ruijs was weer opgewonden. Hij wilde Amerongen in staat van beleg verklaren. ’t Huis Amerongen zou ’n middenpunt van intriges kunnen worden. De telegrammen en de telefoon worden gecensureerd. Maar de brieven niet; kan niet zonder staat van beleg. Besloten werd, de post in Zevenaar na te zien.

Heemskerk deelde mede dat ’t advies van Loder, Struycken en Bles was ingekomen, over de  mogelijkheid van uitlevering van den Duitschen keizer. In bepaalde gevallen meenden zij dat die mogelijkheid bestond. ’t Advies kwam den meesten onzer vrij zwak voor. Mijns inziens kan ’t niet.

dagboekcahier 7

16/12/1918

maandag 16 december 1918

Voor de variatie nu eens den Duitschen kroonprins! Dat is ’n fijn heer! Zelfs op Wieringen laat hij vrouwen komen. In ’t Duitsche hoofdkwartier moet ’t bij hem ook altijd een zwijnenpan geweest zijn. Op Wieringen had hij zich nu zelfs aan openbare schennis der eerbaarheid schuldig gemaakt, in ’t hôtel. De juffrouw die hij daar had zitten was al verwijderd.

            Van Van Lynden was bericht ingekomen dat de keizer er niet over denkt ons land te verlaten! Hij wilde Belmonte huren. Verkeerd! Bentinck moet hem nog maar wat op Amerongen houden. Van Karnebeek meende dat de keizerquestie door de Entente werd opgeblazen, omdat Wilson hem zou beschermen; ze konden dan Wilson z’n zin geven, mits … voor wat, hoort wat! Bijvoorbeeld Syrië voor Engeland!

            Van Vollenhoven seinde uit Brussel dat de minister van Buitenlandsche Zaken hem had meegedeeld, dat België geen geweld tegen ons wilde gebruiken.  Men wilde met ons alleen in onderhandeling treden over ’n herziening van ’t Scheldetraktaat (1839). Aber – de militaire attaché van Engeland had aan Snouck Hurgronje gezegd: hij waarschuwde ons tegen België dat stukken van Nederland wilde annexeeren. In Engelsche kringen werd gezegd dat men ’t Engeland ten eeuwigen dage kwalijk zou nemen dat ’t België niet geholpen had. In België had men bij hem geïnformeerd naar de sterkte van ons leger, de waterlinie, enz. De hetze tegen Van Karnebeek gaat door. Daar zitten de Fransche en Entente-gezanten achter. Jammer, dat Ruijs zich daardoor bang laat maken. Ook Nolens die vermoedelijk zijn licht bij den nuntius opsteekt.

dagboekcahier 7

20/12/1918

vrijdag 20 december 1918

Ruijs kwam weer met verhalen over ‘intriges’ van den Duitschen keizer. De kroonprins van Beieren, prins Ruprecht, zou in ons land zijn gekomen in een auto van den Spaanschen gezant te Brussel, enz. Hij kon echter zijn zegsman niet noemen. Dat is al herhaaldelijk in de ministerraad gebeurd dat Ruijs komt met verhalen of mededeelingen zonder dat hij zijn zegsman wil noemen. Dit begint groote ontstemming te wekken.  Hij moest dan zulke mededeelingen liever niet doen. Men kan er dan toch geenerlei waarde aan hechten.

            Uit Engeland komen goede berichten. Van Swinderen meldt dat de Engelsche regeering ons standpunt goed kan begrijpen. Ook Colijn berichtte dat de keizerquestie tot geen onvriendelijke actie zal leiden. Oudendijk, die den koning van Engeland had gesproken, kwam tot gelijke conclusie. Colijn meldde ook dat men er in Engeland niet over denkt België in zijn eischen tegen ons te steunen.

            Ik had zeer te klagen over de wijze waarop voor de Fransche vluchtelingen wordt gezorgd. Wat ’t hygiënisch deel betreft ressorteerde dit onder mij. Maar Ruijs had de zaak in z’n hand willen houden. Goed, maar dan moest hij ook zorgen dat er geen zieken of met luizen behepte persoonen vrij in ons land rondgingen. Ik wees vooral op ’t gevaar voor vlektyphus. Ruijs was ’n beetje boos, maar zou de zaak onderzoeken. Ik had veel meer reden om boos te zijn, want toen hem in de Kamer gevraagd werd over de onvoldoende quarantainemaatregelen, had hij geantwoord dat dit onder mij hoorde! En hij had juist deze zaak aan zich getrokken.

dagboekcahier 7

23/12/1918

maandag 23 december 1918

Eerst kwam weer de questie der krijgsgevangenen en vluchtelingen ter sprake. Ruijs had generaal Pop meegebracht die allerlei mededeelingen deed. Deze deelde inderdaad mee dat er veel in voorbereiding was. Toen Ruijs daaruit triomfantelijk concludeerde dat dus alles in orde was, kon ik toch niet nalaten op te merken dat integendeel mijn opmerkingen volkomen bevestigd waren: dat er nog niets in orde was, ofschoon er al vele tienduizenden in ons land gekomen waren. De maatregelen kwamen veel te laat.

De verhouding tot Frankrijk begint ook beter te worden. Allizé, de Fransche gezant, was bij Van Karnebeek geweest en had ook met hem over middelen gesproken om de verhouding beter te maken; bijvoorbeeld ’t zenden van een Nederlandsche missie naar ’t verwoeste gebied om na te gaan, hoe wij konden helpen. Ook uit Parijs komen betere berichten. Onder andere: de keizerquestie is daar dood.

dagboekcahier 7

27/12/1918

vrijdag 27 december 1918

De binnenlandsche toestand blijft zorg baren. Overal worden nu burgerwachten opgericht om bij eventueele woelingen de orde te handhaven.  In Duitschland neemt de invloed van de Spartacusgroep – de ultrarevolutionairen – toe. De nieuwe regeering treedt veel te slap op.  In ons land wordt ook met Russisch geld gewerkt. Wijnkoop had van Joffe in België een chèque van 65.000 M. gekregen. Blijkbaar heeft hij over nog veel meer geld de beschikking. Allerlei propagandalectuur van ’t bolsjewisme komt over de grens.

Uit Engeland weer goede berichten. Van Swinderen heeft lord Hardinge[8] gesproken: deze bleek ook niet tegen ons land te zijn. Hij begreep de keizerpositie, veroordeelde scherp de houding van België, maar meende dat Frankrijk er anders tegenover stond. Engeland zou de integriteit van Nederland niet tot een questie ter conferentie willen maken. Wel zou de Scheldequestie tot een oplossing moeten gebracht worden. De koningin heeft persoonlijk een brief aan de koning van Engeland geschreven om zijn goede gevoelens jegens ons te consolideeren.

Goedgekeurd werd, dat ik aan een staatscommissie zou opdragen de voorbereiding van de ziektebehandeling naast de ziekteverzekering,  en dat ik Koolen zou vragen, daarvan voorzitter te worden.

dagboekcahier 7

30/12/1918

maandag 30 december 1918

Op verzoek deelde ik in de ministerraad mijn werkprogramma voor 1919 mee, en hoe ’t ermee stond:

1. volksgezondheid

            1. keuring van levensmiddelen (memorie van antwoord klaar)

            2. vleeschkeuring (gereed voor openbare behandeling)

            3. gezondheidswet (vóór juli ingediend)

            4. voorziening van Rijnschippers met drinkwater (kan in maart gereed zijn)

            5. rijksvoorschotten voor waterleidingen (memorie van antwoord klaar)

            6. Opiumwet (memorie van antwoord gereed)

2. arbeidswetgeving

            1. wijziging Radenwet (al ingediend)

            2. crediet Radenwet (komt spoedig)

            3. wijziging Invaliditeitswet (september of october gereed)

            4. ouderdomsvoorziening (wat later)

5. herziening Ongevallenwet (bij Raad van State; zal februari of maart worden ingediend)

            6. Zeevaartongevallenwet (kan in april gereed zijn)

7. kleine wijziging Ongevallenwet (f 6,– in plaats van f 4,–; in februari indienen)

8. Arbeidswet (in ontwerp gereed. Eerst Hoogen Raad van Arbeid hooren. Zal vóór ’t zomerreces ingediend worden)

            9. regeling arbeidsgeschillen (vóór zomerreces)

            10. Stuwadoorswet                 (zullen in overeenstemming gebracht moeten

11. Steenhouwerswet              worden met nieuwe Arbeidswet)

            12. Landarbeiderswet (nota van wijziging)

            13. Bakkerswet (zal in arbeidswet worden opgenomen)

3. werkloosheid

            1. wet arbeidsbemiddeling

                                                                       (zal wel einde van ’t jaar worden)

            2. wet werkloosheidsverzekering

            ’t Is een heel program! Maar ik heb toch hoop, als God mij kracht en gezondheid geeft, dat ik ’t in één jaar afwerk. De rest van mijn program komt dan in ’t tweede jaar.

dagboekcahier 7

01/01/1919

1 januari 1919

Mijn eerste nieuwjaarsreceptie bij de koningin. H.M. ontving alleen de ministers en enkele hooge personages. Ieder onzer gaf ze een hand, wenschte ze een gelukkig nieuw jaar en maakte een praatje. Mij vroeg ze of ik ’t niet prettig vond, een paar daagjes vacantie te hebben en in mijn gezin door te brengen. De heele plechtigheid had een intiem karakter, meer huiselijk dan plechtig.

dagboekcahier 7

03/01/1919

vrijdag 3 januari 1919

Engeland heeft laten vragen of zij hare troepen uit België over de Schelde huistoe mag zenden. Goedgekeurd, mits Engeland verklaart dat we verkeeren in een toestand, die geen oorlogstoestand meer is: période de transition (dan staan we meteen sterk in onze questie betreffende ’t doorlaten van huistoekeerende Duitsche troepen via Limburg!), en op handelsschepen. Wilson heeft reeds verklaard geen bezoek aan Spanje en Zwitserland te willen brengen. Wij hebben dus nog kans op zijn komst.

dagboekcahier 7

07/01/1919

dinsdag 7 januari 1919

Goedgekeurd werd, dat ik vier huizen zou huren in de Parkstraat om daarin mijn departement te vestigen.

            De koningin wil persoonlijk uitnoodigingen sturen aan Frankrijk, Engeland, Italië, enz. om eenige heeren naar ons land te zenden op ’t gebied van handel, nijverheid en wetenschap om hier kennis te komen maken. Van Karnebeek was er niet voor. ’t Koninklijk Instituut van Ingenieurs heeft al eenige Amerikaansche ingenieurs, die te Parijs zijn, uitgenoodigd, hierheen te komen. Maar we moeten niet al [te] hard van stapel loopen.

dagboekcahier 7

10/01/1919

vrijdag 10 januari 1919

De berichten over den binnenlandschen toestand blijven tegenstrijdig. In februari, begin maart wordt een stakingsbeweging verwacht. Uit ’s-Hertogenbosch komen berichten dat men de telegraaf wil bemachtigen. In Friesland worden veel opruiende geschriften verspreid. Anderzijds heet ’t weer dat ’t spoorwegpersoneel niet aan staken denkt, enz. ’t Is zaak paraat te blijven. Alles wordt gedaan om vrijwillige landstorm en burgerwachten op hooger peil te brengen.

dagboekcahier 7

13/01/1919

maandag 13 januari 1919

Bespreking over de lijkverbranding. Dat is een der lamste questies waarvoor wij komen te staan. Hoe we ’t ook doen, we doen ’t altijd verkeerd.

Dezer dagen kreeg ik bezoek van jhr. Van Weede, grootmeester van H.M. de koningin-moeder. Het geheele stalpersoneel – ’k meen negen man sterk! – is lid van een sociaal-democratische transportarbeidersbond geworden. ’t Bestuur vroeg nu een conferentie. Wat doen? ’t Leek me veel op ’n operette: dat bestuur in conferentie met jhr. Van Weede! Ik heb zoo goed mogelijk in de zaak geadviseerd en alles is tenslotte op z’n pootjes terecht gekomen.

De berichten uit België zijn zeer slecht: enorme werkloosheid, groote verwildering. In ’t leger gist ’t. Vele officieren zijn vlak voor den wapenstilstand door hun soldaten doodgeschoten. Men verwacht dat binnen twee à drie maanden een revolutie zal uitbreken. Ook ten onzent steeds meer berichten over dreigende stakingen.

dagboekcahier 7

17/01/1919

vrijdag 17 januari 1919

Er komen steeds meer berichten over een komende, algemeene transportstaking: spoor, post, telegrafie en telefonie. Vertrouwde ambtenaren zijn bewapend om op de gevaarlijke uren in de rijksgebouwen te zijn. Vele Russen zijn opgepikt en geïnterneerd; 3500 zijn er naar Dantzig gezonden. Een inlichtingendienst wordt over ’t geheele land georganiseerd. In Amsterdam ziet men de toekomst nogal gunstig in. Wel verwachtte men er een groote staking in de bouwvakken. Ook in Den Haag is de burgemeester gerust. De nieuwe Perzische gezant is ’n bolsjewiek. Zoo ook in Zwitserland en Zweden. Aldus trachten de Russische bolsjewieken in andere landen, via Perzië, door te dringen!

Finantiën wil de toeslagen op de levensmiddelen gaan verlagen. ’t Kost teveel! Met Heemskerk heb ik me daar krachtig tegen verzet. ’t Is nu een veel te gevaarlijk moment. Liever wachten tot juli. Thans alom opgewondenheid, toenemende werkloosheid, nog steeds hooge prijzen; we kunnen alleen hopen dat in de zomer de economische toestand beter wordt.

dagboekcahier 7

20/01/1919

maandag 20 januari 1919

Ruijs sr. is uit Brussel terug met gunstige indrukken. ’t Tegenwoordige kabinet is beslist tegen annexatie. Hymans heeft er te Parijs op aangedrongen dat de eigenlijke vredesconferentie te Brussel zal worden gehouden en tevens – althans zoo bericht De Stuers uit Parijs – dat deelen van Zuid-Limburg en Zeeuwsch-Vlaanderen bij België zullen gevoegd worden! De Engelschman Oppenheimer[9] heeft dit ook aan Loudon meegedeeld.

dagboekcahier 7

24/01/1919

vrijdag 24 januari 1919

De onderhandelingen tusschen spoorwegdirecties en personeel schieten niet op. Besloten werd 25 cts. nog op ’t loon te doen en een loonraad in te stellen. In alle provinciale hoofdsteden zijn radio-installaties opgericht; dus ook bij telegraafstaking blijven we met ’t heele land in verbinding. Ook moesten  particuliere auto’s ter beschikking gekregen voor ’t geval van spoorwegstaking.

            ’t Schijnt toch niet waar dat de Belgische regeering ter vredesconferentie een nota met territoriale eischen heeft ingediend. Cremer zond goed nieuws uit Washington. Door Wilson goed ontvangen. De stemming tegenover Nederland valt heus mee. Rochussen en Heldring berichten ook uit Parijs dat de stemming tegenover ons land beter wordt. Clemenceau – die ’n Hollandsche vrouw heeft! – is ons echter niet gunstig [gezind]. Loudon zal te Parijs contact met Lloyd George zoeken.

            Een aardig feit: 14 december 1914 schreef onze regeering aan de Belgische: dat wanneer de Belgische koning naar ons land wilde uitwijken, hij hier zou ontvangen worden; hij zou zich echter hier van regeeringsdaden moeten onthouden. En nu ’t spektakel, omdat de ongelukkige Duitsche keizer naar ons land vluchtte! Alsof dat van ons de grootste schending van de neutraliteit ware!

dagboekcahier 7

27/01/1919

maandag 27 januari 1919

Uit ’t noorden, vooral de provincie Groningen (Winschoten!) komen steeds meer berichten over bolsjewistische propaganda. Een  belastingambtenaar Krop te Winschoten staat aan ’t hoofd. De wapens zullen overal worden ingenomen. De Duitsche keizer, die heden jarig was, had ’s middags al 20.000 telegrammen uit Duitschland ontvangen, onder andere een van den voorzitter van ’t Herrenhaus! Er gaat ’n missie naar Parijs ‘voor de verwoeste steden’: Joost van Vollenhoven, Lovinck, Van Sandick, Van Hamel en ir. Dinger als secretaris.

dagboekcahier 7

31/01/1919

vrijdag 31 januari 1919

Er moet een burgemeester in Haarlem benoemd worden. De katholieken willen een katholiek. Daar groote herrie tegen. Ruijs wou dat ook wel. Maar hij kwam er niet rond voor uit. Mijn meening was: een katholiek, goed, mits ’t ’n zéér goede is, anders beter van niet. Er werd over gestemd: alleen de vier katholieke ministers vóór; de anderen tegen. Heemskerk en Idenburg zeiden me dat ze tegen hadden gestemd, omdat Ruijs er niet rond voor uit wou komen, wat hij wilde. Zijn kandidaat was jhr. Van de Poll. Heerkens Thijssen wilde hij niet, hoewel deze me verklaarde dat Ruijs hem zelf gezegd had dat hij zijn candidaat was!

            Uit België een beroerd bericht: de secretaris-generaal  van Buitenlandsche Zaken te Brussel, – bij afwezigheid van minister Hymans – had aan Van Vollenhoven meegedeeld dat België ook in oorlogstijd de beschikking over de Schelde wilde hebben; ook voor Limburg zou een oplossing moeten gezocht worden, desnoods door annexatie. ’t Ernstige in dit bericht is dat we nu een soort officieele mededeeling hebben, waarop we moeilijk kunnen zwijgen. Ook de Engelsche gezant deelde mede dat België Zuid-Limburg en Zeeuwsch-Vlaanderen wilde hebben.

dagboekcahier 7

05/02/1919

woensdag 5 februari 1919

Uit Duitschland komen steeds dringender noodkreten wegens den hongersnood. Wij hebben daar ook belang bij, want verbetert de toestand er niet, dan wordt ’t land rijp voor ’t bolsjewisme, dat dan allicht naar ons land overslaat. Maar wij kunnen wegens ’t agreement niets doen.

            Van Vollenhoven bericht, dat zijn gesprek met Orts, den secretaris-generaal van Buitenlandsche Zaken, was ’n particulier gesprek. Jawel! Maar ze zullen er zich later wel op beroepen! Engeland wil troepen door ons land laten trekken. Meent dat dit niet in strijd met de neutraliteit is; ’t is ‘liquidatie van den oorlogstoestand’!

dagboekcahier 7

06/02/1919

donderdag 6 februari 1919

Een grootsche betooging van Maestrichter Staar en Zeeuwsche schoonen in ’t gebouw van Kunsten en Wetenschappen. De koningin, prinses, prins en koningin-moeder waren aanwezig, benevens alle ministers met hun dames. ’t Was ’n enthousiaste avond, waarvan de echo wel in Brussel zal zijn vernomen!

dagboekcahier 7

10/02/1919

maandag 10 februari 1919

Om kwart voor tien moest ik weer bij H.M. de koningin komen. Zij hield me weer tot over half twaalf. Allerlei onderwerpen bracht zij ter sprake, speciaal de arbeidswetgeving. Ook mijn rapport over haar plan: ‘Voor moeder en kind’. Ze kamde het erg af; er deugde niets van: alles van bovenaf. ‘Laat ik ’t u eerlijk zeggen: ik proefde er geheel en al uw collega Van IJsselstein uit.’

            Ik liet H.M. rustig uitpraten. Toen begon ik: ’t was heelemaal niet van Van IJsselstein; maar heelemaal van mij! Daar keek ze vast van op en had blijkbaar spijt dat ze zoo hard van stapel was geloopen. Ik legde haar uit, wat de bedoeling was. En ’t einde was dat ze er heelemaal mee akkoord ging! Den volgende dag bevestigde zij dit nog  door een briefje van haar particulier secretaris!

            ’s Middags moest ik naar Delft waar mijn opvolger, mr. Veraart, zijn inaugurale rede hield. Aan ’t slot hield hij ook een toespraak tot mij. En tegen alle gebruik in Delft in, waar ik nooit onder eenige rede hoorde applaudiseeren, klonk na deze passage uit de studentenrijen eensklaps een luid applaus. Andere proffen deelden me ook mede dat ze zooiets in Delft nog nooit hadden meegemaakt. Ik ben benieuwd, hoe Veraart ’t in Delft maken zal. Ik vrees er een beetje voor. Hij is afschuwelijk pedant en heeft veel minder in zijn mars dan velen denken en vooral: dan hij zelf denkt. En dat hebben studenten zoo gauw in de smiezen! ’s Avonds ’n grandioos diner in ‘De Twee Steden’ dat heel wat beter was dan zijn rede!

dagboekcahier 7

14/02/1919

vrijdag 14 februari 1919

Eindelijk is mijn begrooting in de Tweede Kamer aan de orde. Zelfs de Sociaal-Democraten spreken met waardeering over mijn werkplan en persoon. De toon is zóó gunstig dat ik me eigenlijk  ongerust maak: wat zal ik later tegenvallen! Dinsdag kom ik aan ’t woord. Wat een verschil met mijn armen collega van Marine! Ik vrees dat hij om zeep gaat. De behandeling van zijn begrooting is geschorst om hem tijd van beraad te geven voor zijn antwoord. Ik vrees! Zelf wil hij weg. Toen hij woensdagnamiddag uit de Kamer in zijn departement kwam, riep hij uit: ‘Daar zien ze me nooit meer terug!’

dagboekcahier 7

17/02/1919

maandag 17 februari 1919

Heden de sterfdag van onze lieve Guusje! Gisteren was Lize jarig. Een treurige verjaardag, maar we hebben toch aanstonds ter wille van de kinderen doorgezet om hem als vroeger te ‘vieren’. Moeders verjaardag! Dat mag geen treurdag blijven. Lieve Guusje vierde hem mee als blij engeltje in den hemel.

            In den ministerraad kwam ’t bericht in dat Naudin ten Cate zijn ontslag aan H.M. de koningin heeft aangeboden. ’t Was te verwachten. In den ministerraad was hij uitstekend, in de Kamer deugde hij heelemaal niet . Het  spijt me voor ons vriendelijk en kranig admiraaltje dat ’t zóó geloopen is. Maar ’t was te voorzien. Hij had een onmogelijke taak: de vloot is minderwaardig, ’t personeel onbetrouwbaar; wat is er van te maken? Ruijs zal ad interim waarnemen tot de begrooting is aangenomen. Dan opvolger zoeken.

Een novum in onze verhouding tot België: minister Hymans is ter vredesconferentie te Parijs verschenen en heeft daar een voordracht van drie uur gehouden. ’t Kwam hierop neer: ’t traktaat van 1839 is nu vervallen. België moet dus nieuwe waarborgen hebben voor zijn onafhankelijkheid. De Belgische natie verlangt toenadering tot Luxemburg. ’t Geheele Belgische vraagstuk is aan de mogendheden meegedeeld. Bepaalde eischen heeft Hymans niet gesteld. We kunnen nu onze afwachtende houding niet blijven aannemen. Aan de geallieerde mogendheden en Z.H. den paus wordt ons standpunt via onze gezanten uiteengezet. Van Swinderen zal nu ook naar Parijs gaan. Loudon valt niet mee.

De ministerraad begon met ’n voor mij zeer  onaangenaam incident. Ruijs deelde mede dat bij hem als tijdelijk voorzitter van den ministerraad een brief was ingekomen van ’t Doorluchtig Episcopaat, aldus luidende:

Excellentie!

Met allen eerbied meenen wij ons te mogen veroorloven, het navolgende onder uwe hooge aandacht te brengen.

Tot welzijn van de R.K. georganiseerde arbeiders in Nederland en tot bevordering van de eendracht onder hen hebben wij goedgekeurd en bevorderd, dat zij georganiseerd zijn in eene zogenaamde R.K. standsorganisatie van arbeiders, welke tot taak heeft alle belangen van de R.K. arbeidersstand te behartigen en derhalve ook op te richten noodig blijkende speciale organisaties, waartoe in onze dagen zeker op een der eerste plaatsen moet worden gerekend de zoogenaamde vakorganisatie. De taak dier vakorganisatie beperkt zich uit den aard der zaak tot het behartigen van die speciale belangen, het bestrijden en weren van die speciale gevaren, welke aan de verschillende vakken of bedrijven eigen zijn en welke  tenslotte liggen op die terreinen, waar de macht en de belangen der werkgevers en de rechten en belangen der werknemers elkander ontmoeten; of waar, in een of ander speciaal vak, de belangen der arbeiders van dat vak (bijvoorbeeld de vakkennis) zoo speciale zorgen eischen, dat daarvoor de standsorganisatie der arbeiders of andere reeds bestaande organisaties niet naar behooren kunnen waken.

Waar nu de Nederlandsche regeering blijk geeft, van overheidswege de organisaties van belanghebbenden als adviseerende colleges bij het voorbereiden van sociale wetten en verordeningen te willen erkennen en haar bij de uitvoering daarvan te hulp te roepen, durven wij Uwe Excellentie vragen, rekening te willen houden met den organisatievorm, zooals die door ons voor onze onderhoorige arbeiders is gewenscht.

Wij durven Uwe Excellentie verzoeken, de aandacht van de andere leden der regeering hierop te willen vestigen.

Met gevoelens van eerbied en onderdanigheid hebben wij de eer te zijn Uwer Excellenties dienstwilligen, 

de bisschoppen van Nederland.

In opdracht van HH.DD.HH.,

de aartsbisschop van Utrecht

(w.g.) + H. van de Wetering

Ik zat eerlijk gezegd paf over deze brief. Ruijs had er me niets van gezegd dat deze brief was ingekomen, hoewel ik vlak voor den ministerraad geruimen tijd met hem sprak. De brief was via Ruijs blijkbaar voor mij bestemd. Hij slaat op de oprichting van den Hoogen Raad van Arbeid. De Federatie wil hebben dat ik er hun mannen ook in benoem. Dat kan eenvoudig niet om verschillende redenen. Ik moet de vijf vakcentrales als basis nemen. Inde irae. Henri Hermans dreigde me al: dan zullen wij de bisschoppen op u afsturen!

Een veertien dagen geleden is pastoor Mutsaers  bij Ruijs geweest. In dat gesprek, waarvan ik toevallig een en ander vernam, is ook tegen de Katholieke Sociale Actie saamgespannen om deze meer op den achtergrond te dringen. Daags daarop heeft Mutsaers een conferentie met de vijf adviseurs der Federatie gehad. Daar is onder andere meegedeeld  dat ik zou gezegd hebben dat ik de bisschoppen wel zou dwingen om op hun beslissing betreffende de vakorganisatie terug te komen!

Ik ben zoo voorzichtig geweest om vóór ik in de memorie van antwoord op mijn begrooting meedeelde dat ik alleen de vijf vakcentrales als grondslag zou nemen, eerst de zaak te gaan uitleggen aan mgr. Callier. Deze begreep me volkomen, vond ’t jammer, maar hij zag in dat ’t niet anders kòn. Des te meer stond ik nu verbaasd over ’t schrijven, niet aan mij, maar aan Ruijs, van de vijf bisschoppen. Ik vermoed dat mgr. Callier er volkomen onbekend mee is geweest.

In den ministerraad maakte ’t schrijven bij de niet-katholieke leden een vreemden indruk. ’t Is de eerste keer dat de bisschoppen zich op directe wijze, ongevraagd, met regeeringszaken bemoeien. Een leelijk antecedent, waarin groote gevaren schuilen. Ik zei alleen: ‘Ik begrijp niet, waarom deze brief niet aan mij gericht is. De zaak zelve is al beslist; er kan niet op worden teruggekomen. ’t Beste is dat ik dit antwoord.’ Ruijs meende dat hij ’t moest doen. Ook  goed; ik zal dan hem ’t antwoord wel geven.

Dr. De Visser – eerevoorzitter van de Christelijk Nationale Werkmansbond! – voelde alleen iets voor ’t standpunt der bisschoppen. Natuurlijk, dan kreeg zijn, overigens niets beteekenende bond! ook nog een kansje op een vertegenwoordiger in den Hoogen Raad van Arbeid. Daarmee was ’t incident in den ministerraad afgeloopen. Maar zoodra mijn begrooting aangenomen is, ben ik van plan om mgr. Van de Wetering eens op te zoeken.

dagboekcahier 7

25/02/1919

dinsdag 25–woensdag 26 februari 1919

Verdere behandeling mijner begrooting in de Tweede Kamer. De goede stemming bleef. Ik heb ’t er, geloof ik, goed afgebracht. Hoe ’t geheel is, wordt geteekend door dit feit: ik heb in de Kamer den bijnaam gekregen van l’enfant chéri. Op ’t departement waren ze opgetogen, over de wijze, waarop de begrooting behandeld was. Ook de wijziging van de Radenwet en ’t crediet voor de verzekeringswetten gingen er, evenals mijn begrooting, zonder stemming door!

            In den ministerraad een merkwaardige brief van Van Swinderen: Lord Curzon meende dat aan de voordracht van Hymans geen waarde moest  worden toegekend. Hij lachte ermee. De Britsche regeering heeft zich in geen enkel opzicht tegenover België vastgelegd. De Times staat ook geheel aan onze zijde. Onze taktiek zal zijn: de Belgische zaak wat te verschuiven en van de vredesconferentie af te werken. Aan Engeland is toegestaan troepen over ons land – mits ongewapend – te vervoeren. ’n Mooie pendant van ’t doortrekken van ongewapende, terugtrekkende Duitsche troepen door Limburg!

dagboekcahier 7

22/02/1919

zaterdag 22 februari 1919

Vergadering van de juridische afdeeling van de R.K. wetenschappelijke vereeniging waarvan ik nog voorzitter ben. Na ’t diner ben ik met Kolkman mee naar Nolens gegaan. Kolkman ging tegen elf uur naar huis; ik bleef tot kwart over twaalf. Ik heb Nolens de brief van’t Doorluchtig Episcopaat meegedeeld. Hij was er woest over. Zoo’n ‘stommiteit’ had hij nog nooit gehoord. ’t Bleek dat hij ook van de ‘standsorganisatie’ niets moest hebben.

dagboekcahier 7

25/02/1919

dinsdag 25 februari 1919

Om tien uur buitengewone ministerraad. Het antwoord van België was  ingekomen op onze vraag: wat hebben jullie eigenlijk in Parijs voorgesteld? Het antwoord luidde:

Note.

En réponse à son mémorandum du 18 février courant le ministère des Affaires Etrangères a l’honneur de faire connaître à la légation royale des Pays-Bas que la délégation belge à la conférence de Paris a saisi les représentants des cinq grandes puissances alliées et associées d’une proposition tendant à l’ouverture de négociations en vue de la révision de certaines dispositions des traités du 19 avril 1839.

Ainsi que l’indiquait le communiqué auquel se réfère la légation royale, la délégation belge a exprimé le désir que les Pays-Bas participent à ces négociations, comme signataires des dits traités.

Si la proposition de la Belgique est agréé par la conférence, la délégation aura l’occasion de faire connaître au gouvernement des Pays-Bas le point de vue belge en ce qui concerne les questions qui intéressent particulièrement les Pays-Bas.

(cachet)

Ministère des Affaires Etrangères.

Dus feitelijk een antwoord dat geen antwoord is. Ons wederwoord – tamelijk scherp en uit de hoogte – werd vastgesteld.

dagboekcahier 7

03/03/1919

maandag 3 maart 1919

De voedselnood in Duitschland wordt steeds ernstiger. Wij vreezen voor een invasie van hongerige, plunderende benden in ons land. Zouden wel kunnen helpen, maar mogen nog niet van de Entente. Deze zal aan Duitschland niet te hulp willen komen zoolang het zich niet meer schrap zet. Allizé, de Fransche gezant hier, zegt: ‘Ze hebben nog twee maanden levensmiddelen; die moeten eerst ook nog op.’ Morgen beginnen te Spa de besprekingen over de levensmiddelenvoorziening. Duitschland kan van Amerika krijgen één millioen ton mais. Maar ’t zit vast op de scheepsruimte. Engeland en Amerika zien de noodzakelijkheid van hulp wel in (vooral met ’t oog op ’t doordringen van ’t bolsjewicisme), maar Frankrijk niet.

            De Stuers bericht dat op voorstel van Frankrijk (!) en Engeland de eischen van België door den Conseil des Dix zijn afgewezen. Blijft dus alleen een regeling van de Schelde-questie. Garrett vraagt, of Wilson de Schelde op mag varen. Goed: mits hij onze koningin – bijvoorbeeld te Middelburg – begroet.

dagboekcahier 7

07/03/1919

vrijdag 7 maart 1919

Belangrijke berichten komen uit Indië. De gouverneur-generaal heeft in den Volksraad dingen gezegd, waarmee Idenburg ’t heelemaal niet eens is. Mogelijk is echter dat de toestanden daar in den laatsten tijd zóó veranderd zijn, dat wij ’t van hier uit niet goed kunnen beoordeelen. Colijn is nu verzocht om naar Indië te gaan om rapport over den toestand uit te brengen.

            De linker fracties van de Eerste Kamer hebben gisterenavond vergaderd (zonder de sociaal-democraten): unaniem tegen de afschaffing van de Eerste Kamer! Nu, ik ben daar ook tegen, maar een grondige hervorming – een sociaal hoogerhuis, naast ’t politieke lagerhuis – daar zou ik warm voor zijn!

dagboekcahier 7

11/03/1919

dinsdag 11 maart 1919

De toestand blijft altijd nog gevaarlijk. Gereed gemaakt zijn koninklijke besluiten om Den Haag, Amsterdam en Rotterdam onmiddellijk in staat van beleg te kunnen verklaren. De brand in de Oranjekazerne blijkt aangesticht. De ministers krijgen een aparten, geheimen telefoon op hun slaapkamer, zoodat we steeds te bereiken zijn.

            De Stuers meldt uit Parijs, dat Tardieu alleen over de neutraliteit van België, niet over annexatie wil gesproken hebben. De groote mogendheden blijven tegen annexatie van neutraal grondgebied.

dagboekcahier 7

14/03/1919

vrijdag 14 maart 1919

Er dreigt een conflict met den gouverneur-generaal van Nederlandsch Indië. In de najaarszitting van den Volksraad zijn vrij scherpe beschouwingen gehouden. Oorzaak: voedselschaarschte op Java, revolutionaire propaganda, de gouverneur-generaal gaat ook steeds meer naar links, wantrouwen tegen ’t regeeringsbeleid. De Indische regeering heeft nu zeer positieve toezeggingen gedaan over spoedige staatkundige hervormingen, feitelijk: zelfbestuur met volksvertegenwoordiging en ministerieele verantwoordelijkheid. Idenburg heeft den gouverneur-generaal doen weten dat hij dit niet voor zijn verantwoording zal kunnen nemen

(8 februari). Seinden den gouverneur-generaal dat Colijn zou komen voor een onderzoek. Antwoord: goed, maar bezwaar tegen Colijn. Idenburg zal antwoorden: dan komt er niemand. In de Kamer wil hij de gouverneur-generaal nog voorloopig dekken door de zaak als minder ernstig voor te stellen. Hij ziet den toestand  zwaar in en gaat er blijkbaar zeer onder gebukt.

            ’t Garnizoen in Amsterdam wordt versterkt. Er dreigt een groote staking in de metaalindustrie. Een uitnoodiging is ontvangen voor een niet-officieele conferentie te Parijs over de Volkenbond. De groote oomes willen dus blijkbaar de neutralen ook eens hooren.

            De Stuers seinde:

Sous date 13 mars ministre Affaires Etrangères me communique dans séance 8 mars conseil suprème des Alliés adopta résolutions suivantes:

a. Les traités de 1839 doivent être révisés dans l’ensemble de leurs clauses à la demande commune des puissances qui estiment nécessaire cette révision.

b. La Hollande devra participer à cette révision.

c. Celles des grandes puissances garantes qui ont tenu leurs engagements y doivent être également associées.

d. Les grandes puissances à intérêts généraux représentées à la conférence de la paix  doivent y participer aussi.

e. Le but général de cette révision est, conformément à l’objet de la Société des Nations, de libérer la Belgique de la limitation de souveraineté qui lui a été imposée par les traités de 1839 et de supprimer tant pour elle que pour la paix générale les risques et inconvénients divers résultant des dits traités.

A demande conseil et au nom France ministre invite gouvernement néerlandais désigner des représentants chargés venir exposer ses vues au conseil allié en ce qui concerne la révision traités.’

Ik heb ’n paar woorden onderstreept. Wij zullen antwoorden: we willen wel komen, maar we willen eerst weten, in welke positie we zullen staan. Wat (e) betreft: daar kan België terugkomen op de territoriale questies. Wij moeten de zaak zien te rekken tot over den Volkenbond; ze komt daar in een andere sfeer.

dagboekcahier 7

17/03/1919

maandag 17 maart 1919

De wijziging Woningwet, de nieuwe Gezondheidswet en de Arbeidswet  werden in den ministerraad goedgekeurd en gaan nu naar den Raad van State.

dagboekcahier 7

21/03/1919

vrijdag 21 maart 1919

Uit ’t noorden komen ongunstige berichten. Verwacht worden invallen van Spa[r]takisten uit Duitschland. Uit Emmen had ik vernomen dat er duizenden geweren over de grens gesmokkeld waren. Er dreigt een groote staking onder de veenarbeiders; ze zeggen dat ze uit Duitschland overvloedig geld ontvangen. Nog steeds geen minister van Marine. De Geer zal gevraagd worden.

dagboekcahier 7

24/03/1919

maandag 24 maart 1919

De Geer heeft aanvankelijk niet neen gezegd, maar kwam daarna met ’t voorstel: De Vries Marine en hij dan Finantiën. Begrijpelijkerwijze had De Vries daar geen zin in. Vooral nu op hem nogal scherpe kritiek wordt uitgeoefend zou het den schijn hebben als ging hij aan den haal.

            De Belgische questie begint meer acuut te worden. Ons doel moet zijn zooveel mogelijk met België zelf te onderhandelen en zóó onder de groote mogendheden uit te komen. Voorop moet onzerzijds staan: geen  questie van afstand van grondgebied of aantasting van onze souvereiniteit. We moeten weigeren dat de mogendheden ons, als in 1839, een tractaat opleggen of dat de zaak in de Parijsche commissie vrijwel buiten ons om wordt behandeld.

dagboekcahier 7

28/03/1919

vrijdag 28 maart 1919

Wilson heeft op vriendelijke wijze aan de koningin meegedeeld, dat hij niet kan komen. In Parijs nu ook besprekingen over de Rijnvaartquestie. België, Italië en Engeland wil men nu ook in de commissie opnemen. Ieder land – ook Duitschland – zal maar twee stemmen krijgen, maar Frankrijk acht!

            De Geer blijft erbij dat hij geen minister van Marine wil worden. Wie dan? Van der Voort van Zijp, ’n dominé, dien de Anti-Revolutionairen willen, dat gaat toch niet. Colijn zal worden geraadpleegd.

dagboekcahier 7

29/03/1919

zaterdag 29 maart 1919

Vandaag was Gukie jarig. We gingen allen naar de kerk om met haar haar verjaardag in den hemel te vieren.

            Om kwart voor tien moest ik bij de koningin komen. Zij hield me weer tot half twaalf. Het gesprek ging in hoofdzaak over de Invaliditeitswet en de  Arbeidswet. Zij stelt  daar zeer veel belang in. Ik geloof wel dat ze ’t met me eens is. Tenslotte vroeg ze of ik nog wat te bespreken had? Ik begon over haar groote plan, een commissie ‘voor moeder en kind’ bijeen te roepen. Ik had gehoord, dat ze er weer van af wou zien. Ik deelde haar mee, dat ik advies gevraagd had aan dr. Van Wely, Prof. Kouwer en dr. Meuleman, maar deze adviezen nog niet ontvangen had. Ik zou haar later daaromtrent wel bericht sturen. Dat vond zij goed, maar zei niet dat ze haar plan opgaf.

dagboekcahier 7

02/04/1919

woensdag 2 april 1919

’s Avonds in Binnenlandsche Zaken vergadering over de liquidatie van het Koninklijk Nationaal Steuncomité. ’t Komt hierop neer dat ik al dit werk zal overnemen. Prof. de Vooys zal een viertal wetsontwerpen met toelichtingen gereed maken.

dagboekcahier 7

04/04/1919

vrijdag 4 april 1919

Ik heb voor den ministerraad een uitvoerige nota opgesteld, waarin ik aantoon dat ik voor den Hoogen Raad van Arbeid als basis voor de arbeidersleden niet anders kan nemen dan de vijf vakcentrales. Zelfs dr. de Visser, die zijn Christelijk  Nationalen Werkmansbond gaarne erin vertegenwoordigd had gezien en ’t daarom met ’t schrijven van ’t Doorluchtig Episcopaat eens was geweest, gaf zich gewonnen. Ik beloofde echter dat ik de katholieke en christelijke vakcentrales zou verzoeken overleg te plegen met de standsorganisaties.

            Voor minister van Marine zal gevraagd worden mr. Bijleveld, advocaat te Amsterdam, een ex-associé van mr. de Vries, die hem hoogelijk prees. Hij is pas 35 jaar. Een gewaagde benoeming! Maar er is niemand anders.

dagboekcahier 7

05/04/1919

zaterdag 5 april 1919

Ik ben vandaag naar mgr. den aartsbisschop geweest. Een belangrijk onderhoud dat van tien tot half een duurde. Ik zette uiteen, wat in mijn nota over den Hoogen Raad van Arbeid stond. Ik verklaarde dat ’t me onaangenaam getroffen had, dat ’t schrijven van ’t episcopaat aan Ruijs en niet aan mij gericht was, terwijl deze zaak toch onder mij ressorteerde. Monseigneur zei: dat was mij uitdrukkelijk gezegd dat ik ’t schrijven aan Ruijs moest richten. ‘O ja, dat heeft pastoor Mutsaers u gezegd,’  zei ik, brutaal radend. Monseigneur zei niet neen, maar sprak er omheen. Hij begon geweldig uit te pakken tegen ’t R.K. Vakbureau. Tenslotte werd ’t me te gortig en ik heb ’t met kracht verdedigd en ook ’t noodige over de Federatie van R.K. Arbeidersvereenigingen gezegd. ’t Maakte op monseigneur nogal indruk, vooral toen ik zei dat ik vreesde dat de bisschoppen, opgestookt door Poels, Mutsaers en Van Schaik, door zich zoo fel tegen het Vakbureau te keeren en de Federatie te bevoorrechten, hun invloed op en vertrouwen bij de arbeiders aan ’t verspelen waren. Toen kwam monseigneur ook los en zei: ‘Ik ben ’t daar ook niet mee eens, dat is allemaal drijven van Poels’.

            Ik hoop dat mijn woorden eenigen invloed ten goede mogen hebben! ’t Meest leed doet ’t me dat Ruijs, achter mijn rug om, met Poels en Mutsaers samenwerkt ook om de Katholieke Sociale Actie te knauwen. Dat moest hij niet doen en ’t is ook niet fair. Ik ben zijn grootste steun in het kabinet en ook daarbuiten tegenover de arbeiders.

dagboekcahier 7

07/04/1919

maandag 7 april 1919

De binnenlandsche toestand is nog steeds gespannen. Zelfs de Engelsche gezant schijnt zich daarover ongerust te maken. Allerlei vage geruchten gaan rond dat de Duitsche Spartakisten een inval in ons land willen doen. Vooral in de provincies Groningen en Overijssel maken de communisten groote propaganda. Ook in Gelderland, speciaal Arnhem, vreest men voor ’n inval.

            De verkiezingen voor de Provinciale Staten zijn goed uitgevallen. Overal in alle partijen een opschuiving naar rechts. Alleen in Groningen en Overijssel zijn de communisten vooruit gegaan, overal elders achteruit, vooral zeer sterk in Amsterdam.

dagboekcahier 7

14/04/1919

maandag 14 april 1919

Van IJsselstein wil op 1 mei de broodprijs verhoogen. Ik heb me er sterk tegen verzet. Dit is, juist op dien dag, uitlokken van verzet en oproer. Is uitgesteld tot 15 mei.

            Op 11 april heb ik de nieuwe Arbeidswet bij de Tweede Kamer ingediend. Dat is hard werken geweest! De Raad van State heeft in  acht dagen advies uitgebracht! De koningin heeft ’s morgens vroeg geteekend, zoodat vóór een uur ’t wetsontwerp ingediend was. De Kamer kon toen nog besluiten hem terstond na Paschen in afdeelingen te onderzoeken, zoodat ’t afdeelingsonderzoek reeds voor 1 mei had plaats gehad. Een krachtig agitatiemiddel was zóó den rooden broeders uit handen geslagen!

            Ik ben met deze wet zoover gegaan als mij mogelijk was: achturendag, vrije zaterdagmiddag en 45-urige werkweek voor fabrieken en werkplaatsen en voor kantoren; overal elders tienurendag, met mogelijkheid om bij algemeene maatregel van bestuur tot acht uur te gaan. Wordt dit zoo aangenomen, dan zal onze Arbeidswet de beste van Europa zijn. Mijn socialistische ambtgenoot van Arbeid in Denemarken is niet verder gegaan dan de achturendag in continubedrijven! Er zal wel een storm tegen dit wetsontwerp opgaan, maar ik zal zoo krachtig mogelijk standhouden.

            Nu nog de verzekeringswetten: Invaliditeitswet en Ouderdomswet; daar is ook haast bij, want ze moeten reeds 3 december a.s. in werking treden.

dagboekcahier 7

21/04/1919

Tweede Paaschdag, 21 april 1919

Ik voel me ziek. Zwaar verkouden. Misschien overwerkt? ’t Is de laatste dagen bar koud en guur geweest. Tot voor kort kon ik elken dag gebruik maken van de auto van het departement van Landbouw of van ’t Graanbureau. In den ministerraad hebben De Vries en ik voorgesteld, dat de ministers met drie of vier samen de beschikking krijgen over één auto! Afgestemd. Die van Landbouw kon ik niet meer krijgen. Dùs moest ik trammen. Zoo heb ik vermoedelijk kou gevat. Natuurlijk ook weer ’t spit!

dagboekcahier 7

30/04/1919

woensdag 30 april 1919

Vandaag weer voor ’t eerst op. Sinds vrijdag heb ik te bed gelegen. Ik hoestte erg en had verbazend ’t spit. Echter geen koorts. Vooral last van een neusontsteking. De dokter zegt dat ik er zeker nog wel een dag of acht mee in huis moet blijven. Elken dag komen er een of twee groote tasschen met stukken van het departement, zoodat mijn werk doorgaat.

dagboekcahier 7

06/05/1919

dinsdag 6 mei 1919

Vandaag weer voor ’t eerst naar ’t departement geweest. ’t Was lollig zoo blij de lui waren me weer  te zien. ’t Is werkelijk een ideale verhouding met mijn ambtenaren. Ze werken als paarden.

dagboekcahier 7

09/05/1919

vrijdag 9 mei 1919

Vandaag weer in den ministerraad geweest. In België gaat de annexionistische propaganda almaar door. Zit Frankrijk daar achter? Onze indruk is dat Engeland en Amerika op onze hand zijn. Heden wetsvoorstel-Marchant over vrouwenkiesrecht in de Tweede Kamer aangenomen.

dagboekcahier 7

13/05/1919

dinsdag 13 mei 1919

Er is een uitnodiging gekomen om een gemachtigde naar Parijs te zenden over de herziening van de tractaten van 1839. Van Karnebeek meende zelf te moeten gaan, omdat ’t zal zijn een conferentie van ministers van Buitenlandsche Zaken. Waar alle andere landen door hun ministers van Buitenlandsche Zaken zullen vertegenwoordigd zijn, zou ’t een verkeerden indruk maken als wij ’n minderen god stuurden. Ruijs was daar erg tegen. Hij meende dat Van Karnebeek niet [de] bij de Entente gewilde man was. Ook Heemskerk. Ik was er voor. Mijn overtuiging was dat niemand beter dan Van Karnebeek onze belangen te Parijs zou kunnen behartigen. Er werd een middenweg ingeslagen: eerst zou ’t advies van Van Swinderen gevraagd worden.

            Tot hiertoe heb ik mijn in den ministerraad  gemaakte aanteekeningen kunnen volgen. Ik maakte ze op verzoek van Ruijs: het waren niet-officieele notulen. Ik heb echter geen tijd meer om die aanteekeningen voor hem uit te werken. Daarom heeft Van IJsselstein dit baantje van me overgenomen. Maar ik heb nu niet meer de gelegenheid om aanteekeningen te maken. Ze zouden me vragen: wat doe je daar mee. In ’t vervolg dus maar enkel voorname punten.

dagboekcahier 7

15/05/1919

donderdag 15 mei 1919

Mijn beide wetsontwerpen: wijziging Invaliditeitswet en vrijwillige ouderdomsverzekering werden in den ministerraad goedgekeurd. ’t Heeft heel wat moeite gekost er den minister van Finantiën toe te bewegen. Vooral Ruijs echter ondersteunde me krachtig. Ik heb nog vier millioen bezuinigd, doch bleef nog negen millioen boven ’t aanvankelijk geraamde bedrag.

dagboekcahier 7

19/05/1919

maandag 19 mei 1919

De Amerikaansche gezant heeft ons gepolst of we mee zouden doen aan een blokkade van Duitschland, wanneer het weigerde de vredesvoorwaarden te teekenen.  Dat zou in strijd zijn met onze neutraliteit. Maar we zullen dan wel in een moeilijk parket komen.

dagboekcahier 7

23/05/1919

vrijdag 23 mei 1919

Van Karnebeek is dan toch naar Parijs gegaan met Van Swinderen en Struycken en een aantal technische ambtenaren. Ook Loudon is daar. We komen dus goed voor den dag. Alle onderdeelen zijn in uitvoerige nota’s voorbereid. Van Van Karnebeek komen goede berichten.

De lange rede van den Belgischen minister van Buitenlandsche Zaken, Hymans (de Belgen noemen hem spottend: ‘monsieur Immense’) is niet in goede aarde ontvangen. Het veel meer waardige antwoord van Van Karnebeek heeft een goeden indruk gemaakt. Alle berichten stemmen hierin overeen. België heeft ’n reeks vragen voorgelegd. De voornaamste zijn: of de Schelde en de Maas, zooals deze nu zijn, uit defensief oogpunt voor België geen herziening behoeven? Omtrent Zuid-Limburg wordt een regeling gewenscht ongeveer gelijkend op internationaliseering. Verder een kanaal Antwerpen-Maas-Rijn, en een kanaal Antwerpen-Moerdijk. Van Karnebeek blijft nog te Parijs.

dagboekcahier 7

28/05/1919

woensdag 28 mei 1919

Een heerlijke dag. Onze twee jongsten, Liesje en Joke zijn aangenomen.  Joke is pas zes jaar, maar ze is zóó bijdehand – ze gaat al op school en kan al lezen! – dat ook de pastoor er geen bezwaar tegen had. Ik vergat nog aan te teekenen, dat woensdag 21 mei een van mijn eerste wetsontwerpjes – het mogelijk maken van nachtsluiting in de apotheken – na kort debat werd aangenomen. Alleen Schaper had een amendement dat echter niet werd aangenomen.

dagboekcahier 7

08/06/1919

Pinksteren 8-9 juni 1919

’t Is druk werk aan’t departement: de memorie van antwoord op de Arbeidswet moet met groote spoed gereedkomen; de Tweede Kamer wil dit wetsontwerp nog vóór het reces behandelen. Geheel uit eigen beweging werken de hoofdambtenaren van Arbeidsinspectie en afdeeling Arbeid gedurende de Pinksterdagen door. We zullen klaar komen!

dagboekcahier 7

13/06/1919

vrijdag 13 juni 1919

Heden heeft de Tweede Kamer een aanvang gemaakt met de behandeling der Warenwet, een wet tot keuring van levensmiddelen en waren. De algemeene beschouwingen waren zeer welwillend. We bleven steken in de behandeling van een amendemen-Van der Waerden dat beoogt aan de gemeenten het recht  te geven den melkhandel te monopoliseeren. Verder dan de toelichting van ’t amendement kwamen we niet. Ik heb dus tot dinsdag tijd voor mijn antwoord. Eerst werd de wijziging van de Oorlogszeeongevallenwet aangenomen.

            In den ministerraad kwam ter sprake de opheffing van ’t opperbevelhebberschap. Van Karnebeek was er tegen: de oorlogstoestand kan weer intreden.

dagboekcahier 7

16/06/1919

maandag 16 juni 1919

Von Geusau wil nog meer troepen naar huis zenden. Van Karnebeek is er tegen. De Franschen staan gereed om 22 juni Duitschland binnen te rukken als Duitschland het vredestractaat niet onvoorwaardelijk teekent. Dus nog wat afwachten. Van IJsselstein en ik zullen trachten in de groote staking van de veenarbeiders te bemiddelen.

dagboekcahier 7

17/06/1919

dinsdag 17 juni 1919

In de Tweede Kamer voortzetting van de Warenwet. Eerst nog de behandeling van ’t amendement-Van der Waerden. De Wijkerslooth hield een uitstekende rede. Nadat nog enkele anderen, onder anderen Koolen en Rutgers, gesproken hadden, kwam ik aan ’t woord.

  ’t Ging nogal goed. Van der Waerden was afwezig en daarom nam Schaper de verdediging van ’t amendement over. Hij was zeer fel: wie tegen het amendement waren huldigden de leuze: liever typhus dan socialisatie! De president gaf er hem een flinken uitbrander voor, temeer verdiend, waar hij zelf eindigde met … het amendement in te trekken! De behandeling had verder een goed verloop. Later eindstemming.

dagboekcahier 7

18/06/1919

woensdag 18 juni 1919

Weer in de Tweede Kamer, nu met twee kleine wijzigingen van de Woningwet. De een, om een Woningraad in te stellen, de ander om ’t tegenwoordig Woningcollege op te doeken. Na een kort debat, zonder stemming aangenomen. ’t Loopt gesmeerd!

            ’s Middags in den ministerraad niets bijzonders. Besloten werd morgenavond weer te vergaderen over de regeling van de rechtspositie der ambtenaren. Er is ’n ontwerp van een staatscommissie dat echter rijkelijk ver gaat. Maar ’t is gepubliceerd! Justitie zal ’t verdedigen.

dagboekcahier 7

20/06/1919

vrijdag 20 juni 1919

Heden besloot de Tweede Kamer om reeds woensdag 2 juli a.s. met de behandeling van de Arbeidswet een  aanvang te maken met 43 tegen 20 stemmen. De tegenstemmers wilden eerst de lager onderwijswet in de afdeelingen behandelen. Mijn memorie van antwoord is gisterenavond ingediend. ’t Is hard werken geweest om hem zoo spoedig klaar te krijgen! Ik gebruik nu mijn ochtenden en avonden om thuis aan de Arbeidswet te werken, ’s middags kom ik op ’t departement.

            Daar ik vóór ’t reces ook de invaliditeits- en ouderdomswet nog in de afdeelingen behandeld zou willen zien, zijn ook deze wetsontwerpen met groote spoed behandeld. Ze zijn vandaag gereed gekomen en naar H.M. de koningin gezonden met verzoek ze nog heden bij de Tweede Kamer in te dienen. ’t Is hard werken geweest, de laatste weken. Maar ik maak ’t gelukkig goed.

            In den ministerraad hedenmiddag een zeer onaangename zaak. Is dit een begin van een minder goede verhouding met Ruijs? Ik wil dit daarom wat uitvoeriger opteekenen. Reeds een goede veertien dagen geleden heb ik een suppletoire begrooting aan Ruijs   ingezonden met verzoek haar niet te laten circuleeren, maar haar terstond in den ministerraad te behandelen. Er was groote haast bij, omdat de Kamer haar nog vóór het reces zou kunnen behandelen. Dit was om verschillende redenen dringend noodig. Vooreerst, omdat er een nieuwe salarisregeling voor de Arbeidsinspectie in voorkwam; verder een post voor tuberculosebestrijding, waardoor ik ’t mogelijk maakte, dat ‘Herwonnen Levenskracht’ (een bijwagen van ’t R.K. Vakbureau!) een noodsanatorium van 200 bedden zou kunnen oprichten; verder een post van zes millioen voor middenstandswoningbouw mede ter bestrijding van de werkloosheid. Dus allemaal dingen, waar groote haast bij was. Er kwam ook een post in voor: een subsidie van f 10.000 voor ’t Centraal Bureau van de Katholieke Sociale Actie!

            Ruijs plaatste ’t wetsontwerp echter niet op de agenda. Ik wachtte even af. De volgende ministerraad weer niet. Daags na Pinksteren belde ik mr. Brons op – den ambtenaar, die [de] agenda van den ministerraad behandelt – en vroeg hem, hoe ’t met m’n suppletoire begrooting stond? Hij zei: Ruijs heeft hem naar Finantiën gezonden om advies en mij uitdrukkelijk verboden – hij is met de Pinksterdagen naar Limburg en komt eerst woensdagmiddag terug – dat ik ’t antwoord van Finantiën niet mocht openmaken, maar ’t op zijn schrijfbureau moest leggen. ’t Zal dus vrijdag eerst op de agenda kunnen komen.  Woensdag was ’t ministerraad. – Ruijs zei niets. Vrijdag idem, idem. Ik vroeg toen: hoe staat ’t met mijn suppletoire begrooting? Ruijs deed heel verbaasd alsof hij niet wist dat deze was ingediend. Hij zou ’t terstond onderzoeken. Maandag 16 juni vroeg ik er weer naar: de begrooting circuleerde! En was nog niet terug. Donderdagavond deelde hij mee dat ze terecht was; ze zou vrijdag op de agenda komen.

            En zoo kwam ze vandaag in behandeling. Tot nu toe is er nog nooit over zulk een suppletoire begrooting gesproken. Ze gaan altijd ongezien door. Thans echter vroeg Heemskerk ’t woord, en wel … over de post van f 10.000 voor ’t Centraal Bureau van de Katholieke Sociale Actie, waar hij ernstig bezwaar tegen had: er was ’n neutraal bureau  te Amsterdam; dit kreeg al sinds jaren subsidie. Er was dus geen reden nu een katholiek bureau ook ’n subsidie te geven! Omgekeerd werd de post door de minister van Finantiën verdedigd! Ruijs viel eensklaps scherp tegen hem uit dat hij als minister van Finantiën niet zuinig genoeg was! Van IJsselstein en Van Karnebeek sputterden ook wat tegen. Ik verdedigde de post met klem.

Toen zei Heemskerk: ‘Man, Ruijs, zeg jij je meening eens!’

‘Als voorzitter stem ik ’t laatste!’

            Toen werd er gestemd. Maar onder ’t stemmen zei Van IJsselstein: ‘ik zou toch wel willen weten, hoe de voorzitter erover denkt; is hij niet tegen, dan wil ik geen bezwaar maken.’ Toen moest Ruijs voor den dag komen, en zei: ‘Ja, ’t spijt me wel voor Aalberse, maar ik ben tegen dit subsidie.’ Toen werd ’t verworpen met zeven tegen drie stemmen: vóór stemden De Vries, Von Geusau en ik. Ook König stemde dus tegen. Had Ruijs niet gezegd dat hij tegen was, dan was de post met twee of drie stemmen tegen aangenomen geweest!

            Dit is een heel ergerlijk feit. ’t Is duidelijk, dat Ruijs opzettelijk ’t ontwerp heeft laten circuleeren en dat hij de aandacht van Heemskerk erop  gevestigd heeft; deze zou anders ’t stuk niet hebben ingezien. Dat hij dit op zoo slinksche wijze, achter mij om, deed, zonder er met mij ook maar ’n woord over te spreken, neem ik hem zeer kwalijk. Dit is een wraakneming op ’t Centraal Bureau wegens de oude ruzie van jaren terug! Dat viel me bitter van hem tegen, temeer daar hij zich volkomen bewust moet zijn geweest, hoezeer hij mij daarmee griefde. En dat juist op dit moment, nu ik me half dood werk om een groot stuk sociale wetgeving nog vóór ’t einde van ons eerste jaar in de Tweede Kamer af te handelen!

dagboekcahier 7

23/06/1919

maandag 23 juni 1919

Vanmiddag sprak ik Heemskerk. Ik zei hem dat het me zeer verwonderd had dat hij zich tegen ’t subsidie voor ’t Centraal Bureau van de Katholieke Sociale Actie had gekant. Hij zei toen:

‘Je moet er nog eens met Ruijs over spreken.’

‘Met Ruijs?!’

‘Ja, weet je wat erachter zit? Dat bureau schijnt voor katholieke vakvereenigingen te zijn; Ruijs is voor interconfessioneele; en daarom was hij tegen dit subsidie!’

‘Dus Ruijs  had er tevoren met je over gesproken?’

‘Ja, toen we de vorige week samen naar Rotterdam gingen! Nolens was er ook tegen.’

Dus mijn vermoeden is juist geweest: Ruijs had ’t zaakje van te voren achter me om, opgestookt! Ik vind dat erg min. Dan had hij er met mij over moeten spreken.

            Vanmiddag bezoek gehad van dr. Nouwens, sjoviaal als altijd! Van de week vertrekt hij weer naar Rome.

dagboekcahier 7

24/06/1919

dinsdag 24 juni 1919

Dat is al een zeer onaangename verrassing! Daar ben ik nu onlangs expresselijk naar Utrecht geweest om mgr. den aartsbisschop uit te leggen, waarom ik in den Hoogen Raad van Arbeid alleen vertegenwoordigers van de vakcentrales kan opnemen en niet tevens van de standsorganisaties. Ik meende dat ik hem evenzeer had overtuigd als dr. De Visser in den ministerraad. En daar komt me nu een brief van mgr. Van de Wetering namens ’t geheele Episcopaat om mij mee te deelen dat het de uitdrukkelijke wensch is van ’t Episcopaat, dat ik niet het R.K. Vakbureau, maar de Federatie van R.K. Arbeidersbonden in den Hoogen Raad van Arbeid zich [zou] laten vertegenwoordigen; bij wijze van concessie zouden HH.DD.HH. dan nog wel kunnen goedvinden dat de Federatie ook iemand van ’t Vakbureau aanwees!

            Daar sta ik nu toch paf van. Met geen woord wordt gereageerd op mijn betoog dat ’t zoo niet kan en dat ’t ook, al kon ’t, nog verkeerd zou zijn, maar eenvoudig gezegd: zoo wenschen wij het, dus! Ik zal het schrijven eens aan prof. Aengenent sturen en zien wat hij ervan zegt. Het kàn eenvoudig niet.

dagboekcahier 7

26/06/1919

donderdag 26 juni 1919

Om kwart voor 1 stond ik nog in de Eerste Kamer te oreeren en om 1 uur was ik al weer in de Tweede Kamer ter verdediging van het wetsontwerp op de Waterleidingsdienst. De verwachting was: felle oppositie. ’t Viel mee. Na een niet te lang debat werd ’t wetsontwerp zonder hoofdelijke stemming aangenomen! Peerbolte, de chef der afdeeling Volksgezondheid, stond paf: ‘U schudt maar aan de boom, en de rijpe vruchten vallen zóó in uw mand.’ ’t Is een feit: ’t gaat buitengewoon voorspoedig!

dagboekcahier 7

30/06/1919

maandag 30 juni 1919

De minister van Buitenlandsche Zaken heeft dezen brief van Clemenceau ontvangen, of liever van den Franschen gezant:

Légation de la République Française aux Pays-Bas

La Haye, le 28 juin 1919

Monsieur le Ministre,

J’ai l’honneur de remettre à Votre Excellence au nom des Puissances Associées et Alliées la communication suivante:

Les Puissances Associées et Alliées désirent, dans l’intérêt de la paix, attirer l’attention du Gouvernement Néerlandais sur le cas de l’ex-empereur et de l’ex-prince-impérial d’Allemagne qui, au début de novembre dernier ont cherché refuge en territoire néerlandais.

Les Gouvernements Alliées et Associées ont été très émus par les bruits qui ont été répandues à diverses reprises dans les derniers temps au sujet de l’éventualité dans laquelle l’héritier de la couronne d’Allemagne, qui est officier combattant de grade élevé, viendrait à s’échapper en  violation des lois de la guerre du pays neutre dans lequel il est interné. ( !!) Ils comptent qu’on ne permettra pas que les obligations internationales soient violées dans ce cas, comme dans le cas infiniment plus important de l’ex-empereur. Ce dernier n’est pas seulement un officier allemand qui s’est enfui en territoire neutre; c’était aussi le potentat que le monde entier, à part l’Allemagne, tient pour coupable d’avoir déchainé la guerre, et de l’avoir menée suivant des méthodes de barbarie réfléchie.

D’après les stipulations du Traité de la Paix, qui est sur le point d’être signé avec l’Allemagne, sa conduite fera l’objet d’une mise en accusation judiciaire. Mais il représente encore le parti militaire, dont l’influence a fait la ruine de son pays, et a été pour l’humanité la cause des souffrances infinies. Son évasion relèverait le crédit de ce parti militaire, et raviverait des espoirs sur leur déclin. Elle menacerait  une paix acquise à grande peine, et qui, même maintenant, n’est pas définitivement assurée. Permettre cette évasion serait un crime international, qu’on ne pourrait pardonner à ceux qui y auraient contribué, par leur négligence ou leur complicité.

Les Puissances Alliées et Associées ont la conviction que ces considérations se recommanderont d’elles-mêmes au Gouvernement Néerlandais. Mais elles désirent ajouter qu’au cas où ce dernier aurait le sentiment que, dans les circonstances actuelles, la bonne garde de l’ex-empereur entraîne des responsabilités plus lourdes qu’il n’en peut assumer, les Alliées et Associées sont disposées à prendre cette charge, et à soulager par là un Etat neutre d’une tâche ingrate, qu’il n’a pas recherchée, mais qu’il est dans la plus sérieuse obligation d’exécuter.

(signé) Clemenceau.

Veuillez agréer, Monsieur le Ministre, l’assurance de ma très haute considération,

(werd getekend) Fernand Prévost.

Deze brief is van een leugenachtigheid en onbeschaamdheid dat men er versteld van staat. De oorlogsneurose moet bij deze groote mogendheden, die zulk een toon durven aanslaan tegen een klein land, nog wel sterk nawerken! Wij zullen er op antwoorden met een kort en waardig antwoord, zeer uit de hoogte, dat wij zelf zullen beoordeelen welke plichten wij als souvereine staat te vervullen hebben.

dagboekcahier 7

02/07/1919

woensdag 2 juli 1919

Nadat eerst zonder hoofdelijke stemming de Warenwet was aangenomen, begon de Tweede Kamer heden met de behandeling van de Arbeidswet. Er zijn een massa amendementen ingediend. De verwachting is echter dat het wetsontwerp in twee weken zal zijn afgehandeld. Ik zit er goed in en zie met gerustheid ’t debat komen.

            Het debat werd geopend door Schouten, een Anti-Revolutionair, die een algemeene, principieele rede hield. Daarna kwam Schaper, die namens de sociaal-democraten sprak. Zeer  gunstig! Hij erkende onomwonden dat het wetsontwerp uitnemende qualiteiten had en nog verder ging dan zijn voorstel van november laatstleden.

dagboekcahier 7

04/07/1919

vrijdag 4 juli 1919

Gisteren namen aan de algemeene beschouwingen deel: Bakker (Christelijk-Historisch), Henri Hermans (katholiek), A.P. Staalman, Engels, Kolthek, Dresselhuys, Snoeck Henkemans, Oudegeest, Kuiper. Alleen de revolutionair Kolthek was zeer ongunstig, alle anderen min of meer gunstig.

            Nadat vandaag eerst nog dr. Nolens en Wijnkoop gesproken hadden, kwam ik reeds aan ’t woord. Ik had eigenlijk gehoopt dat ik eerst dinsdag aan de beurt zou komen; dan had ik wat meer tijd gehad om me voor te bereiden. Enfin, ’t ging nu toch ook nogal goed. Ik heb zoowat anderhalf uur gesproken. Daarna nog wat replieken. De algemene beschouwingen zijn reeds gereedgekomen. Dinsdag beginnen we met de artikelen. ’t Is een vermoeiende week geweest; maar … de volgende week zal nog heel wat erger zijn!

dagboekcahier 7

07/07/1919

maandag 7 juli 1919

In den ministerraad voornamelijk een debat over de vermogensaanwasbelasting. Ik blijf er tegen. De meerderheid ging mee. De Vries zal niet veel pleizier van dit wetsontwerp beleven. Het is onaannemelijk. Hoe goed ook bedoeld, practisch moet ’t tot groote onrechtvaardigheden aanleiding geven. En daarmee is ’t mijns inziens absoluut veroordeeld.

dagboekcahier 7

11/07/1919

vrijdag 11 juli 1919

De Arbeidswet is aangenomen met 69 tegen 3 stemmen. ’t Was juist half zeven! Ik zond terstond een telegram aan Jo, die jarig was. Lies was met An bij hem. Net was ze weg, toen mijn telegram aankwam. Maar toen ze ’s avonds in Den Haag kwam, zag ze in alle sigarenwinkels bulletins aangeplakt: Arbeidswet met 69-3 aangenomen! Ze wist ’t dus, toen ze thuis kwam. Jammer, dat ze deze laatste dag niet in de presidentsloge was; ze is verschillende middagen erbij geweest. Maar nu dit slot! Zooiets was nog nooit in de Kamer aangenomen. Toen de president den uitslag der stemming  meedeelde, stonden de sociaal-democraten plechtig op en zongen de ‘achturenmarsch’. Onderwijl stormden de rechterzijde en de vrijzinnigen op me af om me geluk te wenschen. Toen de ‘achturenmarsch’ uit was, hief de rechterzijde even plechtig ’t Wilhelmus aan; en onderwijl kwamen de sociaal-democraten me de hand drukken. ’t Was een merkwaardig oogenblik. Ik voelde me gelukkig en dankbaar! Onze Lieve Heer had me zichtbaar gesteund; nooit had ik gedacht dat ik een zoo groote en moeilijke wet zóó goed verdedigen zou.

            Want ’t is goed gegaan, dat moet ik zelf wel zeggen. Er is maar één amendementje tegen mijn zin aangenomen: van Smeenk, Anti-Revolutionair, die aan de kelners om den zondag een vrije dag wilde geven, ik om de twee zondagen. Het werd met twee stemmen meerderheid aangenomen. Overigens was er zoo weinig in ’t 101 artikelen groote wetsontwerp veranderd, dat er geen tweede lezing noodig was, maar de eindstemming terstond kon plaats hebben.

            ’t Is anders wèl vermoeiend geweest.  Woensdag bijvoorbeeld duurde de zitting van één uur tot over half zes: aan één stuk door niets anders dan artikelen en amendementen. Telkens moest ik terstond antwoorden. Dat was werkelijk een zware dag! Toch heb ik juist dien dag mijn beste redevoering gehouden, namelijk bij ’t amendement-Dresselhuys om de 45- in de 48-urige werkweek te veranderen. Ik hield een rede van een uur tegen dit amendement. En – wat in ons parlement bijna nooit gebeurt – van alle kanten klonken bravo’s, ook tusschen mijn rede. En de sociaal-democraten zelfs deden daaraan mee. Het amendement werd met overgroote meerderheid verworpen. Dat was ’t hoogtepunt der beraadslagingen.

            ’t Meest vermoeiden me de amendementen van rechts. Er waren er verschillende ingediend door katholieken en Anti-Revolutionairen (Smeenk cum suis). Die van de katholieken kon ik, in een door mij gewijzigde redactie, overnemen. Die van Smeenk goeddeels niet. Elken morgen heb ik van elf tot half één met de commissie van rapporteurs – dr. Nolens was voorzitter – over de amendementen vergaderd. Dat was een  heel karwei, vooral omdat Smeenk cum suis, die ik er ook bij gevraagd had, zoo taai waren. Ze gaven letterlijk niets toe. Zoo was ik al moe van ’t praten vóór de zitting begon en had nauwelijks tijd vooraf een broodje met ’n kop koffie te gebruiken. Daar moest ik ’t dan van één tot vijf of half zes op uithouden!

            De sociaal-democraten (Schaper cum suis) hadden een groote reeks amendementen ingediend; allemaal ‘schepjes erop’. De redactie was zeer slecht. Ik heb ze alle door de afdeeling Arbeid in een goeden vorm laten gieten. Ik heb toen Schaper bij me laten komen en zei hem: ‘Kijk eens; het meerendeel uwer amendementen zal ik moeten bestrijden; ik doe dat echter liever op zuiver zakelijke gronden en niet op formeel-redactioneele; ik heb daarom al uw amendementen laten nazien; hier hebt gij een goede redactie, dan behoeven we daarover niet te kibbelen.’ Hij keek me verbaasd aan … ‘Maar – maar – ja, dat vind ik heel aardig van u – ik dank u wel!’ En hij snelde de ministerskamer uit. Hij was er blijkbaar  een beetje door overduveld.

            Eén ding is wel opmerkelijk geweest. Ik kwam terstond na afloop van de Tweede Kamer in den ministerraad. Gewoonlijk houdt Ruijs na aanneming van een groot wetsontwerp een speechje om den betrokken minister geluk te wenschen. Zoo reeds eenige malen bij Finantiën en Onderwijs. Thans zei hij niets. Ook anderen viel dit op die me na afloop van den ministerraad dit meedeelden.

dagboekcahier 7

20/07/1919

zondag 20 juli 1919

Morgen is ’t onze trouwdag, dus vandaag is ’t juist een jaar geleden, dat Nolens me gevraagd heeft om minister van Arbeid te worden.[10] Wat is er in dat jaar veel gebeurd! Deze week heeft ’t telegrammen geregend van allerlei – vooral arbeidersvereenigingen om me te feliciteeren met de aanneming van de Arbeidswet. Maandag kwam ’t geheele bestuur van ’t R.K. Vakbureau bij me op ’t departement om een reusachtigen bloemenmand aan te bieden, zeker anderhalve meter hoog! Dinsdag kwam er nog een thuis van de  Federatie van R.K. Arbeidersbonden. Ook de nabetrachtingen in de – zelfs de liberale – pers zijn bijzonder gunstig geweest.

            Vanmiddag was ik met Lize op een receptie bij Cort van der Linden. Daar ontmoette ik staatsraad Oppenheim, mijn ouden leermeester in het staatsrecht te Leiden. Hij was hevig enthousiast, vooral over de wijze waarop ik de wet mondeling had toegelicht.

dagboekcahier 7

23/07/1919

woensdag 23 juli 1919

Vandaag een zeer belangrijke ministerraad. Von Geusau deelde zijn plannen mee over de reorganisatie van het leger. Vooral Van Karnebeek was er tegen. Nu Frankrijk via België op een militair verbond met ons aandringt, vond hij iedere verzwakking onzer weermacht ongeraden. Von Geusau legde er zich bij neer. Toch kon hem dit uitstel wel eens zijn ministerieele leven kosten! Wij zullen dan solidair moeten zijn. ’t Zou toch jammer zijn, wanneer ik om die stomme militaire questies midden in mijn werk [zou] moeten uitscheiden!

dagboekcahier 7

30/07/1919

woensdag 30 juli 1919

Ruijs en Van IJsselstein waren met vacantie. Ik heb getracht er door te krijgen dat Peerbolte, chef van de afdeeling Volksgezondheid, directeur-generaal zou worden. Idenburg was er tegen en stelde voor dit aan te houden tot Ruijs en vooral Van IJsselstein terug waren. Mislukt!

dagboekcahier 7

31/07/1919

donderdag 31 juli 1919

Vandaag half zes ben ik mijn vacantie begonnen. Ik heb heel wat afgewerkt deze week om ’t zoover te krijgen! En dan, heel veel vacantie zal ’t niet zijn! Er moeten onderwijl zes memories van antwoord uitkomen; ik blijf thuis en krijg dus elken dag de spoedeischende en de teekenstukken. Bovendien heb ik beloofd onderwijl de ministerraden te blijven bijwonen. Heelemaal rustig is dat niet! En zelfs dit kan ik niet langer dan drie weken volhouden, want begin september komt opzettelijk de Kamer terug om nog eenige groote wetsontwerpen van me te behandelen: invaliditeitswet, ouderdomswet,  en liquidatie-Steuncomité (Werkloosheidsverzekeringsnoodwet). Ik moet me daarop voorbereiden.

dagboekcahier 7

04/08/1919

maandag 4 augustus 1919

Een spoed-ministerraad. Idenburg wil om gezondheidsredenen aftreden. We hebben hem overgehaald een paar maanden verlof te nemen en dan ’t nog eens aan te zien. Ik vrees dat ’t niet helpen zal. Hij neemt alles veel te zwaar op; ik heb de laatste tijd nog al eens met hem geluncht en gedineerd op de Witte. Mij trof ’t steeds, hoe hij onder zijn ambt gebukt ging.

            ’t Is heerlijk weer. Peerbolte zei me de vorige week, nadat ’t een paar weken al geregend had: ik neem mijn vacantie gelijk met u; u boft met alles, dus is ’t dan ook goed weer. En zoo waar, vrijdag begon ik mijn vacantie en terstond is ’t weer omgeslagen!

dagboekcahier 7

06/08/1919

woensdag 6 augustus 1919

Vandaag weer ministerraad. We zullen trachten in augustus met één middag per week te volstaan.  ’t Lijkt echter zóó niet erg op vacantie, al is ’t mooi weer! Vanmiddag om twee uur een conferentie met Snoeck Henkemans over de Invaliditeitswet, om drie uur met Van IJsselstein over ’t directeur-generaalschap van Peerbolte (hij had nogal bezwaren, maar was ’t tenslotte toch met me eens), om vier uur ministerraad en vanavond om half negen een groote meeting in den Dierentuin om me te huldigen wegens het aannemen van de Arbeidswet. ’t Was stampvol en veel enthousiasme. Ik kreeg twee groote bloemstukken. Ook De Vries en Heemskerk waren aanwezig. Alles bij elkaar een prachtige avond, die maar  één schaduwzijde had: dat ik zelf ’t lijdend voorwerp was! Ik had alles gedaan om eraf te komen. Maar ’t was me niet gelukt. Al die persoonlijke huldigingen zijn verkeerd. Dat wekt maar jalousie.

dagboekcahier 7

07/08/1919

donderdag 7 augustus 1919

Vanavond is prof. Groenen bij ons geweest. We hebben hem eens gesproken over Frans Bielders, een student  die nogal wel in huis komt, blijkbaar een oogje op An heeft. ’t Is een aardige, flinke jongen, maar we weten zoo weinig van hem. Groenen zou eens naar hem informeeren. Zoo komen de nieuwe zorgen! Ook voor Lou is er een student – eigenlijk al mr. in de rechten en particulier secretaris van Ruijs! – geweest. Hij is 27, Lou 17. We hebben haar maar niets gezegd en hem aan ’t verstand gebracht dat hij dit maar uit z’n hoofd moet zetten.

dagboekcahier 7

11/08/1919

maandag 11 augustus 1919

Een lange bespreking in Justitie met Finantiën, Landbouw en Onderwijs over mijn suppletoire begrooting. Finantiën had er vele bezwaren tegen. ’t Einde was dat ik over de heele lijn mijn zin kreeg!

dagboekcahier 7

13/08/1919

woensdag 13 augustus 1919

Al weer ministerraad. ’t Is zonde van mijn vacantie en van ’t mooie weer! Enfin, ik profiteer er overdag zooveel mogelijk van. ’s Avonds werk ik. Later zal ik dan wel weer eens vacantie houden.

dagboekcahier 7

15/08/1919

vrijdag 15 augustus 1919

Weer ministerraad.

dagboekcahier 7

18/08/1919

maandag 18 augustus 1919

De laatste week van onze vacantie. Met Lize, Lies en Piet zijn we een dagje naar Aengenent geweest. We hebben heerlijk geprofiteerd; wel woei ’t hard, maar in ’t bosch was ’t toch goed.

dagboekcahier 7

20/08/1919

woensdag 20 augustus 1919

Ministerraad. Niets bijzonders. In Parijs loopen de zaken goed.

dagboekcahier 7

24/08/1919

zondag 24 augustus 1919

De laatste dag van mijn vacantie! Ik heb mooi weer gehad en vooral veel van de zee en de boschjes geprofiteerd. Vele concerten op ’t Kurhaus woonde ik bij. Alles bijeen een heerlijken tijd; alleen te weinig rust. Enfin; later beter!

            Vandaag met Lize een lang onderhoud met An gehad. Ze vertelde me dat Frans al vroeger met mij had willen spreken, maar dat zij hem weerhouden had, omdat ze vreesde dat hij dan niet meer in huis zou mogen komen. Dus ’t is al zoo ver! We zullen dus nog eens duchtig naar hem informeeren. En dan, ’k ben nog veel te jong om al grootvader te worden!

dagboekcahier 7

27/08/1919

woensdag 27 augustus 1919

Maandag weer naar ’t departement geweest. Allemaal verheugde gezichten dat ik er weer was. Ik vond ’t ook niet onaangenaam. Trouwens, ook de drie weken dat ik zoogenaamd ‘verlof’ had, kreeg ik elken dag één of twee groote tasschen met stukken thuis. Daarom heb ik ook nu geen achterstand.

            Ik begin nu terstond met de voorbereiding voor de Invaliditeitswet en Ouderdomswet, en voorts de wetsontwerpen betreffende de liquidatie van ’t Steuncomité. Begin september komt de Tweede Kamer opzettelijk terug om deze wetsontwerpen te behandelen. Het vermoeden is dat ze in vier dagen klaarkomen. Arme Talma! in wat een ander tempo werk ik, dan gij, door obstructie geplaagd, hebt kunnen doen!

            Vandaag in de ministerraad ging ’t er definitief door dat Peerbolte directeur-generaal van Volksgezondheid zal worden. Het verheugt me voor hem. Verleden jaar heb ik hem gepasseerd, toen hij secretaris-generaal wilde worden. Thans kan ik dit op deze wijze goedmaken. Hij verdient ’t ook: hij heeft hard gewerkt en steeds  sans rancune. Zoo heb ik ook Nicolaï voorzitter van de Verzekeringsraad kunnen maken; hij verkeerde in ’t zelfde geval. Zijn opvolger is mr. Westhoff; ’t type van een droogkomieke ambtenaar; maar ook hij is ’n puike kracht, die, naast Zaalberg, mijn krachtigste steun was bij de Arbeidswet.

dagboekcahier 7

04/09/1919

donderdag 4 september 1919

Ik moet vertegenwoordigers naar de arbeidsconferentie te Washington benoemen. Als eersten gedelegeerde neem ik dr. Nolens. Toen ik hem polste, zei hij doodleuk: ‘Ja, ik meen, dat ik zoowat de aangewezen persoon daarvoor ben!’ Als tweede prof. De Vooys. Verder één werkgever en één arbeider. De moeilijkheid bij den laatsten is dat ik dan niet anders dan een sociaal-democraat kan nemen; het Nederlandsch Verbond vanVakvereenigingen heeft om de 200.000 leden, dan volgen de katholieken met 125.000. Om dit bezwaar een weinig te ondervangen, zal ik van de andere vakcentralen één man als ‘conseiller technique’ meezenden.

dagboekcahier 7

05/09/1919

vrijdag 5 september 1919

In den ministerraad behandelden wij de troonrede. Voor  mijn deel heb ik de volgende punten opgegeven:

            Wijziging van de Woningwet.

De Steenhouwerswet en de Stuwadoorswet zullen in overeenstemming gebracht worden met de nieuwe Arbeidswet.

            Wetsontwerp tot bevordering van de vreedzame bijlegging van arbeidsgeschillen.

            Landbouw-arbeidswet.

            Landbouw-ongevallenwet.

            Reorganisatie Rijksverzekeringsbank.

            Voorstellen betreffende de ziekenverzorging van on- en minvermogenden.

            Wettelijke regeling van de arbeidsbemiddeling en van de werkloosheidsverzekering.

’t Is een groot program. Eerst had ik er ook nog de regeling van de huisindustrie op staan. Dit heb ik maar naar het derde jaar verschoven.

            Tevergeefs heb ik Ruijs trachten te bewegen dat hij de nieuwe zondagswet in de troonrede zou opnemen, 1. omdat er anders niets specifieks rechts in de troonrede stond en 2. omdat er anders niets van hem in staat. Hij bleef er tegen.

dagboekcahier 7

09/09/1919

dinsdag 9 september 1919

Vandaag begon de Tweede Kamer met de behandeling van de Invaliditeits- en Ouderdomswetten. Op  mijn  verzoek heeft de voorzitter de beide ontwerpen wat de algemeene beschouwingen betreft saamgevoegd. Dit heeft goed gewerkt. Ik kwam vandaag al aan het woord om morgen mijn rede te kunnen voortzetten. Men heeft ’t mij niet moeilijk gemaakt. De toon, ook van de sociaal-democraten, was zeer welwillend. Wat een verschil met de dagen van Talma! Het deed me genoegen dat de rede van Duys mij aanleiding gaf om eenige sympathieke woorden over Talma te kunnen zeggen.

dagboekcahier 7

12/09/1919

vrijdag 12 september 1919

Ziezoo, dat is al weer achter den rug. Alles is aangenomen. Mijn rede woensdag ter beantwoording van ’t algemeen debat was kort en krachtig en maakte blijkbaar een goeden indruk. Er werd van de replieken afgezien!

            Op de Invaliditeits- en Ouderdomswet waren er talrijke amendementen door de Sociaal-Democraten ingediend. Ze werden alle  voorzoover ik ze niet overnam verworpen. ’t Was een zware dag: van één tot half zeven stond ik aan een stuk allerlei amendementen te bestrijden. Daar telkens bijna alleen de voorstellers der amendementen spraken, moest ik steeds terstond antwoorden. ’t Is gelukkig goed gegaan, maar ’t was wel zeer vermoeiend! Na de zitting kwam de president mij zijn verontschuldiging aanbieden dat hij me zóó lang had vastgehouden; maar hij vreesde dat we anders vrijdag niet zouden klaar komen. Donderdag gingen we weer met de Invaliditeitswet door. Daarna kwam de Ouderdomswet. Had Dresselhuys niet een amendement op den considerans ingediend, dan waren we gereed gekomen. Nu bleef nog dit restantje voor heden over. Thans kwam na afhandeling van de Ouderdomswet, de liquidatie van het Steuncomité aan de orde. Deze wetsontwerpen liepen vrij vlot en half vijf was alles afgeloopen. Ik moest weer van alle kanten gelukwenschen in ontvangst nemen.

Met dit al staat ’t nu vast dat op 3 december de Invaliditeitswet in werking kan treden. En daarmee is het politiek moeilijkste punt van mijn program voltooid! Wie had ooit durven verwachten, dat dit alles zóó vlot zou gaan! Er bidden een boel nonnetjes voor me; ik denk dat ik daaraan zooveel voorspoed te danken heb!

            Nu de volgende week weer de Arbeidswet in de Eerste Kamer! Er is een groot voorloopig verslag; de memorie van antwoord is reeds zoo goed als gereed. Stork wilde dat ik hem zou ophouden, daar hij eerst een maand met zijn jonge vrouwtje naar Zwitserland wilde! Ik heb dat geweigerd, maar wel aan den voorzitter meegedeeld dat het bij mij geen bezwaar zou ondervinden, wanneer de Eerste Kamer de Arbeidswet eerst in de tweede helft van october zou behandelen. Ik kan toch onderwijl met de uitwerking der algemeene maatregelen van bestuur doorgaan. En ik heb dan tevens nog ’n maand tijd!  Er is maar één bezwaar: omtrent denzelfden tijd zal dan de Tweede Kamer de Gezondheidswet behandelen.

dagboekcahier 7

19/09/1919

vrijdag 19 september 1919

Dinsdag opening der Kamers. Voor ’t eerst heb ik mijn gala ministerspak aangehad! Verleden jaar, bij de opening, zat ik als minister nog in den kool.

            Vanmorgen weer bij de koningin geweest. Ze was zeer vriendelijk. ‘Ik heb de verschillende heeren eens bij me gevraagd om eens eenige nadere inlichtingen over de verschillende passages in de troonrede nader verklaard te hebben. Bij u is dat niet noodig: u hebt er veel in staan, maar ’t is me alles duidelijk wat u bedoelt. U heeft me in ’t afgeloopen jaar daar al alles van verteld.’

            De koningin vertelde me, dat ze zich vooral voor ’t woningvraagstuk interesseerde: daarover liep dus ons gesprek. Tenslotte vroeg ze mij of ik soms nog iets te bespreken had? Ik zei: ‘Ja, majesteit, ik zou wel graag  even terugkomen, op … op … ja, hoe moet ik ’t noemen? Als ’t niet al te oneerbiedig klonk, zou ik zeggen: op het standje dat ik laatst namens U.M. van den directeur van het Kabinet gehad heb.’

‘Standje?’ vroeg zij en zij bloosde.

‘Ja, majesteit: ik heb u ’t ontwerp “Arbeidswet” en de ontwerpen “Invaliditeitswet en Ouderdomswet” ’s morgens vroeg ter teekening gezonden met verzoek dat die ontwerpen vóór twaalf uur bij de Tweede Kamer zouden zijn ingediend. Namens U.M. is de directeur van het Kabinet mij toen wezen meedeelen dat u dit zeer onbehoorlijk vond, dat ik u als een teekenmachine beschouwde en dat u niet meer bereid was dit te doen.’

‘O ja, maar zóó scherp heb ik ’t niet bedoeld.’

‘Zóó is ’t mij door den directeur van het Kabinet gezegd en ik zou gaarne U.M. deze zaak eens uitleggen.’

‘Heel goed.’

Ik lei toen uit dat ’t buiten mijn schuld om  absoluut noodig was dat de ontwerpen op een bepaalden dag vóór twaalf uur bij de Tweede Kamer moesten ingediend zijn, omdat het anders niet meer mogelijk geweest zou zijn ze tijdig in behandeling te nemen. Zoo was ’t gewenscht dat de Arbeidswet voor 1 mei in de afdeelingen behandeld werd: dit is de oorzaak geweest dat 1 mei zoo rustig is verloopen: het object voor betoogingen was weggenomen. De Invaliditeits- en Ouderdomswet moest zoo tijdig bij de Kamer zijn, omdat het de bedoeling was ze nog voor ’t reces te behandelen. Dit is niet gelukt, maar wel is de Kamer er tijdens ’t reces expres voor teruggekomen. Deze haast was noodig, omdat anders deze wetsontwerpen niet op 3 december in werking zouden kunnen treden.

De koningin luisterde zeer aandachtig. Toen zei ze: ‘U heeft volkomen gelijk gehad met zoo te handelen. En komt ’t weer voor, dan doet u ’t gerust weer zoo. Maar wat is het geval: ik krijg soms den indruk, dat ambtenaren luieren; dan is een zaak niet op tijd gereed en omdat zij dan te laat zijn, moet de koningin maar bij tijd en ontijd gereed staan  om, ongelezen, allerlei stukken te teekenen. Daar bedank ik voor. Dan moeten de heeren maar zelf wat meer actief zijn. Ik dank ervoor om gebruikt te worden, om de fouten door ambtenaren gemaakt weer goed te maken. Maar is er werkelijk haast bij, dan kunt u altijd over mij beschikken, al zoudt u me ’s nachts uit mijn bed laten halen. En nu zou ik gaarne nog wat met u praten, maar ’t is al elf uur en ik moet zoo meteen de heeren van de Eerste Kamer ontvangen die het adres van antwoord komen aanbieden.’ Als naar gewoonte kreeg ik een hand van haar, maar het afscheid was deze keer iets minder vormelijk beleefd, iets meer hartelijk dan anders.

            ’s Middags in den ministerraad was vooral van belang de vraag of van militairen mocht geëischt worden bij ernstige werkstakingen, bij gas- en electriciteitsfabrieken, spoorwegen en dergelijke arbeid te verrichten. Ruijs en ik verdeedigden vooral de meening dat dit in elk geval zeer ongewenscht was. De anderen wilden ze wel dwingen. Zal nog eens behandeld worden.

dagboekcahier 7

22/09/1919

maandag 22 september 1919

Van Karnebeek had een nota in zijn bezit gekregen, waarin de groote mogendheden hun standpunt inzake België-Nederland uiteenzetten. Dit is voor ons niet gunstig. Maar … we weten ook dat Amerika en Engeland ’t er niet mee eens zijn. Schijnbaar houden zij België de hand boven ’t hoofd; maar achterom verzekeren ze ons dat ze dit moeten doen met ’t oog op de publieke opinie, maar dat ze ’t in hun hart met ons eens zijn. Diplomatie is toch ’n fijn ding!

            Nog steeds duren de onderhandelingen te Parijs voort. Gestaag aan winnen wij en ’t einde zal wel goed zijn. Het verheugt me dat mijn oude vriend Struycken in deze zaak zulk een kranig figuur maakt. Feitelijk worden deze onderhandelingen geheel door hem geleid. Al meermalen is hij, al of niet met Van Swinderen, in den ministerraad geweest. Ook Van Karnebeek is ’n groote kracht: zeer resoluut, met vaste overtuigingen en toch uiterst voorzichtig. Het is ’n geluk voor ons land  dat deze twee mannen zoo goed samenwerken.

dagboekcahier 7

25/09/1919

donderdag 25 september 1919

Vandaag is ’t juist een jaar geleden dat ik tot minister van Arbeid ben benoemd. ’t Is een echt campagnejaar geweest dat wel dubbel tellen mag! Ik heb in het eerste jaar meer tot stand gebracht dan men gewoonlijk in het derde of zelfs vierde jaar bereikt! Toen Ruijs op 10 december 1918 in de Tweede Kamer mijn program meedeelde, schreef een der bladen: dat is ’n program niet voor vier, maar voor veertig jaar – en Lohman zei dat ik blijkbaar meende benoemd te zijn tot minister ad vitam! En thans, na ’t eerste jaar, is al bijna de helft van mijn program af! Als ik ’t maar volhoud! Ik voel me goed gezond; alleen heb ik wat last van pijn in mijn linker bovenarm en als ik hoest in mijn hoofd. Rhumatiek? Of zenuwpijn? Als ik tijd heb, zal ik eens den dokter raadplegen.  

              Dinsdag is de eerste Nederlandsche Katholiekendag te Utrecht geopend. Aanwezig waren de vijf bisschoppen en de vier Roomsche ministers.  ’t Was een grandiose vergadering. Jammer dat Poels een veel te lange rede hield en daarbij Ruijs en mij zoo akelig uitbundig opkamde. ’t Was misschien goed bedoeld, maar ’t is allerberoerdst om erbij te zitten! De duizenden aanwezigen hebben ons stormachtig toegejuicht. ’s Avonds zes uur hebben we met ons vieren bij den aartsbisschop gedineerd; er waren zes bisschoppen (ook mgr. Roosmalen), vier ministers en verder de voorzitter der Eerste Kamer en Van Wijnbergen als voorzitter van den Katholiekendag. ’t Was wel een merkwaardig gezelschap in ons ‘Protestantsche Nederland’!!

            Vandaag zijn Ruijs en ik er ook weer heen geweest en hebben wij den tocht naar het Schaepmanmonument meegemaakt. De rede van Kolkman was schitterend. ’s Avonds groot diner, waarbij onder andere König en Von Geusau tegenwoordig waren. Ik heb van dezen Katholiekendag intens genoten! ’t Was nu juist achttien jaar geleden dat ik mijn rede hield over de noodzakelijkheid van ’t houden van een katholiekendag.  Eerst in Den Haag, later in verschillende andere plaatsen hield ik deze rede. Overal werd met groot enthousiasme een motie aangenomen, waarbij de katholieke Kamerclub uitgenoodigd werd het initiatief te nemen. Toen kreeg ik een briefje van Schaepman om bij hem te komen op Rijssenburg. De eerste keer dat ik hem zag en sprak! Hij was er tegen. En toch – van dien dag dateert zijn vriendschap voor mij. Tenslotte is de zaak toen aan ’t Doorluchtig Episcopaat voorgelegd; dit besliste: niet doen. En thans ging ’t initiatief van het Episcopaat uit!

dagboekcahier 7

29/09/1919

maandag 29 september 1919

Nog steeds zit ik met de questie der arbeidersgedelegeerden naar Washington. Ik heb de vijf vakcentralen tot een onderhoud uitgenoodigd. Het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen stond op ’t standpunt dat zij als grootste organisatie het recht had den gedelegeerden aan te wijzen. Ik verdeedigde ’t standpunt: dat de vijf ’t zamen moesten doen. Toen bleek dat ik ze niet  tot elkaar kon brengen, stelde ik voor: benoem ieder één man; laten die vijf dan op 29 september bij mij vergaderen om aan te wijzen, wie hunner gedelegeerde zal zijn en de vier overigen benoem ik tot conseillers techniques.

            Zoo zouden ze dan vandaag komen. Maar ’t Nationaal Arbeids Secretariaat berichtte: we doen niet mee. ’t Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen: wij wijzen Oudegeest aan en wijl wij op ’t standpunt staan dat wij ’t recht hebben den gedelegeerden aan te wijzen, achten wij ’t onnoodig om aan de bespreking deel te nemen: wij gaan toch niet van dit standpunt af.

            De drie anderen waren gekomen. De neutralen zeiden: nu ’t Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen niet wil komen, meen ik dat de op één na grootste centrale moet genomen worden; dus de katholieke! De katholieken waren ’t daarmee eens. De christelijken: ’t is niet de vraag, wie ’t meeste leden heeft, maar wie den besten gedelegeerden aanwijst; en dat doen wij: Smeenk! Daar zat ik.

Vanavond heb ik de zaak in den ministerraad besproken. Vrij algemeen was de  meening: den katholiek aanwijzen. Ik heb daar drie bezwaren tegen:

1. Eigenlijk kan ik ’t Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen als grootste centrale toch niet passeeren.

2. Serrarens, die door ’t Katholiek Vakbureau is aangewezen, is niet representatief: hij heeft in de Nederlandsche vakbeweging geen naam.

3. Er is groot gevaar dat hij op de conferentie geweigerd wordt, als niet de Nederlandsche arbeiders vertegenwoordigend.

Ik zal er nog eens met Nolens over praten.

dagboekcahier 7

30/09/1919

dinsdag 30 september 1919

In de Kamer kwam terstond Oudegeest naar me toe om te vragen wat ik deed. Ik zei: ‘Jelui hebt geheel in strijd met de afspraak niet aan de conferentie deelgenomen; je begrijpt dat ik je nu moeilijk nemen kan! Bovendien: ’t is nog de vraag of de sociaal-democraten aan de conferentie zullen deelnemen: ze stellen als voorwaarde dat ook de Duitschers en Oostenrijkers worden toegelaten; hoe kan ik nu iemand aanwijzen, waarvan ik niet eens weet of hij wel gaan zal?’  Dat viel ’em niet mee. Hij vond ’t ook ’n fout dat ze niet ter conferentie gekomen waren. Hij zou de zaak nog eens bespreken. En donderdag of vrijdag zou de Internationale over de al of niet deelneming door sociaal-democraten beslissen.

dagboekcahier 7

01/10/1919

woensdag 1 october 1919

Vandaag naar Amsterdam geweest: prof. De Groot was 25 jaar professor en werd in den aula gehuldigd. Ook mgr. de aartsbisschop was aanwezig. ’s Avonds aan ’t diner zat ik naast pater De Groot, en werd mij verzocht de eerste rede te houden. ’t Was mij een echt genoegen aan de huldiging van dezen echt geleerden en nederigen man te kunnen meedoen.

dagboekcahier 7

03/10/1919

vrijdag 3 october 1919

Van Oudegeest ontving ik bericht dat ’t Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen goedkeurde dat hij naar Washington zou gaan. Ik heb nu in den ministerraad voorgesteld dat ik hem als gedelegeerde zou aanwijzen, indien: 1. ’t Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen excuses maakte voor ’t wegblijven van de afgesproken conferentie;

2. hij bereid zou zijn voor de conseillers techniques steeds ’t woord te vragen, als zij dit verlangden, desnoods  met beroep op dr. Nolens, als hij ’t onjuist vond;

3. dat hij den katholieken conseiller als zijn plaatsvervanger zou aanwijzen. Daarmee was iedereen ’t eens. Ook Nolens.

            Een ander belangrijk punt kwam in den ministerraad ter sprake: namelijk of in ’t vervolg de ambtenaren vrijgesteld zouden worden van premiebetaling voor hun eigen en voor het weduwenpensioen. De meeningen waren zeer verdeeld. Tenslotte gaf ik den doorslag door op te merken: 1. dat ’t niets duurder was: met de salarissen moesten we er tòch rekening mee houden en 2. dat nu in de Invaliditeitswet de premiebetaling geheel ten laste van de werkgevers kwam, de staat voor zijn eigen ambtenaren toch niet juist andersom kon handelen.

            Van Idenburg kwam geen goed bericht. Hij dacht er ernstig over ontslag te nemen. Jammer! Hij is een der grootste krachten in het kabinet en de eenige band met Kuyper. Bovendien een door en door godsdienstig en in alle opzichten sympathiek man. ’t Zou ons allen spijten, als hij heenging. Maar ik vrees!

dagboekcahier 7

10/10/1919

vrijdag 10 october 1919

Woensdag is mgr. Callier, bisschop van Haarlem, ons in huis komen bezoeken. Hij was in Den Haag om te vormen en kwam nu een kopje thee drinken. Van half vijf tot half zes was hij bij ons. ’t Onderhoud was zeer gezellig en huiselijk. Monseigneur heeft alle kinderen gezegend. Dat had ik toch ook nooit gedroomd, dat de bisschop nog eens bij ons in huis thee zou komen drinken!

            Gisteren heb ik den Raad van Arbeid te ’s-Gravenhage wezen openen. Ik heb in mijn rede nog eens aan Talma herinnerd. Nu ’t mij zoo goed gaat, voel ik te meer aandrang om hem te huldigen.

            De ministerraad was heden zeer belangrijk: Volkenbond, vrijwillige hulp bij stakingen, enz., allemaal belangrijke onderwerpen. ’t Spijt me dat ik geen tijd heb om deze dingen wat uitvoeriger op te teekenen. Vanmorgen zijn Lize en ik meter en peter geweest bij het vormen.

dagboekcahier 7

14/10/1919

dinsdag 14 october 1919

Vanmiddag heb ik een lang onderhoud met dr. Kuyper gehad. Ik heb namelijk ook twee vrouwen gevraagd voor de conferentie te Washington: Suze Groeneweg en Henriëtte Kuyper. De eerste nam terstond aan. Ze bleek er erg lekker mee. Juffrouw Kuyper wilde ook wel, maar … papa Kuyper was er tegen. Ze vroeg of ik hem niet eens wilde bepraten. Goed; ik ben er dan heen getogen. Hij vond dat nogal aardig, maar – hij is tegen den Volkenbond geweest – de conferentie is ’n uitvloeisel van den Volkenbond – dus kon zijn dochter er niet heen. Ook scheen ’t hem nogal dwars te zitten dat mgr. Nolens eerste gedelegeerde was. Maar het eind was anders: hij zou nu de regeering besloten had om tot den Volkenbond toe te treden, zijn verzet laten varen; zaterdag kwam er een artikel van hem in De Standaard: hij maakte eenige reserves. Als de regeering ’t daarmee eens was, dan zou zijn dochter wel kunnen gaan. Ik zei dat ik zoo lang niet kon wachten: de volgende  week vrijdag gaat de boot. Dan zou hij me terstond een vuile proef laten zenden. Goed. Hij liet me zelf uit, omdat hij blijkbaar niet wilde, dat ik nog met zijn dochter sprak! Ze is zoo tegen de vijftig, schat ik, maar hij behandelt haar nog als ’n meisje!

dagboekcahier 7

17/10/1919

vrijdag 17 october 1919

Ik heb ’t artikel van Kuyper met Van Karnebeek besproken. Het blijkt dat de oude heer zich op verschillende punten vergist. Ik heb hem uitvoerig onze meening over ’t artikel geschreven en hem ook op de fouten gewezen. ’k Ben benieuwd of hij er nog wat in verandert! Het resultaat van mijn brief is geweest dat hij zijn verzet heeft laten varen en dat Henriëtte Kuyper naar Washington mag gaan!

dagboekcahier 7

23/10/1919

donderdag 23 october 1919

Gisteren kwam in de Tweede Kamer de Gezondheidswet aan de orde. Ik heb ’t niet moeilijk gehad. Iedereen had me voorspeld: begin er niet mee, gij krijgt ’t er in de Kamer nooit door! En zie:  ’t is zonder hoofdelijke stemming aangenomen! De oppositie was zeer zwak; iedereen was overtuigd dat de toestand nu eenmaal niet blijven kon zooals hij was. Dus dan maar dit wetontwerp aangenomen!

            Ook mijn suppletoire begrooting, waarin allerlei Roomsche posten (onder andere een groot subsidie voor Herwonnen Levenskracht: ze krijgt een noodsanatorium van me van 200 bedden! – f 3000 voor de H. Margaretha van Cortona Stichting te Leiden, enz.) voorkwamen, ging gewoon onder de hamer door. Hoe jammer, dat de subsidie van f 10.000 voor ’t Centraal Bureau van de Katholieke Sociale Actie door Ruijs’ schuld geschrapt was: ze zou nu zonder moeite aangenomen geweest zijn!

            De HAV-Bank heeft me gevraagd commissaris te worden. Ik zou om finantieële reden wel graag willen. Ik kom tekort; alles is even duur en zoo kalm als we leven, een paar duizend  gulden teer ik van ’t jaar beslist in.  Maar ’t leek me toch niet juist en een misbruik maken van de positie van minister. Ik heb echter de zaak in den ministerraad gebracht. Verschillenden zagen er geen bezwaar in. Ruijs echter was ’t met mij eens dat ’t niet juist zou zijn. Dus heb ik bedankt.

dagboekcahier 7

31/10/1919

vrijdag 31 october 1919

’t Is vandaag een merkwaardige dag in mijn leven geweest: op één dag nam de Eerste Kamer aan de Arbeidswet, de Invaliditeitswet en de Ouderdomswet! Gisteren elf uur is ’t debat over de Arbeidswet begonnen. De voorzitters vergaderden ’s avonds door. Zoo heb ik van ’s morgens elf tot ’s nachts half twaalf in de Eerste Kamer gezeten met slechts twee kleine rustpoozen ertusschen om koffie te drinken en te eten. ’t Was van ’t goede wat teveel! En ’t ging om de achturendag!!

            Doch ’t is goed gegaan. Alleen Stork was krachtig in de oppositie. Vandaag heb ik een rede van anderhalf uur  gehouden en om kwart over een werd de Arbeidswet zonder hoofdelijke stemming aangenomen!! Wie had zooiets ooit gedacht! Onmiddellijk daarna kwamen de verzekeringswetten. Om half vijf waren ook deze aangenomen! Dat is dus wel een zeer rijke oogst op één dag! Een parlementair unicum! Voor de Arbeidswet werden ook de wetsontwerpen tot liquidatie van ’t Steuncomité na kort debat aangenomen. Ik heb ’n gevoel van groote opluchting, nu dit alles zoo vlot gegaan is en in elk geval achter den rug is!

            Kon ik nu maar eens een beetje gaan uitrusten. Maar we beginnen 11 november al weer met de begrooting in de Tweede Kamer. De pijn in mijn arm en in mijn hoofd als ik hoest wordt eer erger dan beter. Ik zal toch eens naar den dokter gaan. Ik vrees echter dat hij zeggen zal: rust nemen. En dat kan voorloopig toch niet!

            In den ministerraad is ’t wetsontwerp  tegen de duurte behandeld. Daar ben ik eigenlijk de geestelijke vader van. Ik heb er herhaaldelijk in den ministerraad op aangedrongen. Maar Heemskerk had er geen zin in. Toen de troonrede behandeld werd, heb ik ’t er echter in gekregen. Zoo zat Heemskerk eraan vast!

dagboekcahier 7

05/11/1919

woensdag 5 november 1919

Vandaag hebben wij een ‘sociale studieclub’ opgericht. ’t Initiatief is uitgegaan van mr. Kortenhorst, Aengenent en mij. Ook Nolens verklaarde zich aanstonds bereid mee te doen. In ‘De Twee Steden’ hielden we onze eerste vergadering. Nolens – in Washington! – werd tot voorzitter gekozen, nadat ik verklaard had geenerlei functie te kunnen aannemen omdat ik nooit zeker was een vergadering te kunnen bijwonen. Aengenent werd ondervoorzitter, en Kortenhorst secretaris-penningmeester. Daar ook Veraart lid is, voorzie ik voortdurend gehaspel tusschen die twee. En zoowaar, ’t begon reeds de eerste keer de beste! Besloten werd den eersten maandag van de maand te vergaderen,  en een zeer beperkt – vijftien à twintig – aantal leden te nemen. Naar buiten mag niets van de club uitgaan.

dagboekcahier 7

07/11/1919

vrijdag 7 november 1919

Gisteren mijn eerste ministerieele diner: bij Van Karnebeek; alle ministers en hun vrouwen waren aanwezig. ’t Was goed en ècht gezellig.

            Vandaag een belangrijk besluit in den ministerraad: toevallig was Van IJsselstein in Engeland aanwezig toen daar de groote spoorwegstaking uitbrak. Van nabij had hij kunnen nagaan, wat de Engelsche regeering deed. Zij won den strijd vooral doordat zij de beschikking had over ’n groot aantal auto’s. Wij besloten nu een wetsontwerp in te dienen waardoor de regeering de bevoegdheid krijgt, auto’s te requireeren. Ik vond een mooi motief: wanneer er veel ijs komt, zou de kolen- en voedselvoorziening gevaar loopen! Ik ben benieuwd of de soci’s ’t niet in de gaten zullen hebben dat dit wetsontwerp eigenlijk gericht is tegen een mogelijke nog altijd dreigende transportstaking!

dagboekcahier 7

10/11/1919

maandag 10 november 1919

Nog altijd geen  minister van Koloniën! Colijn heeft bedankt: hij zit te diep in de petroleum! Daarna is Middelberg gevraagd; een Anti-Revolutionair mijningenieur, die zéér bekwaam moet zijn. Hij is de zoon van ’t vroeger Kamerlid. Hij durfde ’t echter niet aan. Nu zal gevraagd worden De Graaff; hij is geen partijman, maar ‘wel rechts’. Zijn vrouw is katholiek!

            Lang werd gepraat over de memorie van antwoord voor de begrooting van Oorlog. Er steekt een storm op zoowel tegen de ministers van Oorlog als van Marine. De Kamer wil meer bezuiniging en wil een vast plan. Von Geusau had al maanden geleden zijn plan klaar. Maar de ministerraad besliste dat hij ’t in zijn memorie van toelichting nog niet uiteen mocht zetten. We zaten toen nog midden in de onderhandelingen te Parijs. Achter België stond de krachtige militaire partij in Frankrijk; men eischte van ons toetreding tot een militaire ‘afspraak’, omdat anders België – dus Frankrijk – niet gevrijwaard zou zijn tegen een nieuwe Duitsche inval via ons land, speciaal via Limburg.  We hebben beslist geweigerd, eenige militaire afspraak te maken, alleen hebben we verklaard – in ’t algemeen – dat een schending van ons territoir voor ons zou zijn een casus belli. Hangende deze questie konden we niet met plannen komen tot vermindering onzer weermacht: dat zou een sterk argument voor het Belgisch-Fransche standpunt geweest zijn!

            Nu komt Von Geusau met zijn plan, echter eerst bij zijn memorie van antwoord. Ik vrees dat ’t nu te laat is, om hem te redden: men zal zeggen: dat is nu afgedwongen onder den invloed van de Kamer. Mijn indruk is dat Ruijs eigenlijk Von Geusau wel kwijt wil. Ik heb Ruijs al meermalen gewaarschuwd: gij denkt te licht over ’t aftreden van een lid van ’t kabinet; zelfs al krijgt gij een betere opvolger terug, dan toch is ’t kabinet erdoor verzwakt. Morgen beginnen de algemeene beschouwingen van de staatsbegrooting.

dagboekcahier 7

14/11/1919

vrijdag 14 november 1919

De eerste vier dagen der algemeene beschouwingen zijn  vrij gunstig verloopen. Vooral Van Karnebeek, De Visser en ik komen er goed af; we hebben heel wat ‘hulde’ in ontvangst te nemen. De kritiek richt zich vooral tegen de twee militaire ministers en tegen Finantiën. Ze zullen ’t alle drie nog hard te verantwoorden krijgen.

dagboekcahier 7

17/11/1919

maandag 17 november 1919

In den ministerraad een pijnlijke geschiedenis met Von Geusau. Hij heeft een voorstel tot regeling der militaire salarissen aan de organisaties verzonden met de bijvoeging dat hij ’t er mee eens was. En dat in strijd met den afspraak dat deze salarissen in overeenstemming zouden gebracht worden met de voorstellen van de salariscommissie voor de burgerlijke ambtenaren. Hij erkende ronduit verkeerd gehandeld te hebben, maar ’t is gebeurd! Hij moet dit nu herroepen, wat zijn positie niet sterker zal maken! De algemeene opinie was wel dat hij zich vrijwel onmogelijk heeft gemaakt. Trouwens, de indruk, die me steeds meer[11]

dagboekcahier 7

30/11/1919

[eind november 1919]

[...] ’t subsidie van f 10.000 aan ’t Centraal Bureau voor de Katholieke Sociale Actie teruggekomen. Ik heb een brief van Van Wijnbergen ontvangen dat hij dit bij mijn begrooting voor 1920 wil voorstellen. Ik bracht de zaak in den ministerraad, omdat ik toch moeilijk dat voorstel kon bestrijden! Dat waren ze met me eens. ‘Ze zullen ’t wel een doorgestoken kaart noemen’, zei Ruijs.

            De koningin had aan Van IJsselstein gezegd: ‘Kunt u mijn man niet eens verbieden, om met die wilde zwijnen door te gaan?’ Besloten werd, Z.K.H. mee te deelen dat we op deze veel schade veroorzakende diertjes een drijfjacht zouden doen houden.

dagboekcahier 7

03/12/1919

woensdag 3 december 1919

Een merkwaardige dag: vandaag treden de Invaliditeitswet en de vrijwillige ouderdomsverzekering in werking! Aan mevrouw Talma heb ik een telegram gezonden om de nagedachtenis van haar man op dezen dag te huldigen. ’s Morgens bezocht ik de afdeeling arbeidersverzekering om de ambtenaren geluk te wenschen en hen te bedanken voor hun werk. ’t Is een treffende gedachte dat nu tòch dit  werk tot stand gekomen is. Ik dank God dat hij mij gebruikte om dezen weldaad aan ons volk te bewijzen.

            Van verschillende voorzitters van Raden van Arbeid verneem ik dat reeds thans ook de vrijwillige ouderdomsverzekering een succes blijkt te zijn. In Amsterdam waren er in vijf dagen 10.000 ingeschreven! Dat overtreft zelf mijn verwachtingen. Waaraan heb ik ’t te danken dat Onze Lieve Heer mijn werk zoo zegent? Ik geloof, omdat er zoovele nonnetjes voor me bidden. En thans vooral oudjes! Eén schreef me dat ze iederen dag een rozehoedje voor me bidden zou!

dagboekcahier 7

05/12/1919

vrijdag 5 december 1919

Gisterenmiddag om vier uur is de Tweede Kamer met mijn begrooting begonnen. En thans is ze, op twee puntjes na, geheel afgehandeld! ’t Is buitengewoon voorspoedig gegaan. Zelfs de Sociaal-Democraten zijn mak tegenover me!

            Jammer, dat wegens de Sinterklaasavond het amendement-Van Wijnbergen  over ’t subsidie aan de Katholieke Sociale Actie werd aangehouden. Anders was ik er àf geweest en was ik morgen voor acht dagen naar Heerlen vertrokken om eens wat uit te blazen. Ik had al van de koningin tot 13 december verlof gekregen! Dus nu dinsdag voortzetting. Dan komt na mij Marine. Ik vrees dat ’t hem niet zoo voorspoedig zal gaan!

dagboekcahier 7

09/12/1919

dinsdag 9 december 1919

Mijn begrooting is zonder hoofdelijke stemming aangenomen! Zelfs de vier revolutionairen hebben dus niet tegengestemd! Hoezeer me dit ook verheugt, toch wordt er een groote schaduw opgeroepen door ’t afstemmen van ’t amendement-Van Wijnbergen betreffende ’t subsidie voor de Katholieke Sociale Actie! Met 45-30 stemmen! Zelfs de twee vrijzinnig-democraten, die ’t mee onderteekend hadden, stemden tegen! Geheel links, versterkt met de Christelijk-Historischen; dus een zuiver antiroomsche stemming! Wat jammer, dat ik door ’t votum van den ministerraad indertijd ’t niet op mijn  suppletoire begrooting had voorgesteld; dan ware ’t zeker aangenomen geweest en ’t Centraal Bureau zou finantieel gered zijn geworden. Wat nu? Ik kan na deze stemming er niet meer op terugkomen. ’t Spijt me vreeselijk, ook voor Tepe.

            ’t Begon zoo mooi met ’n overwinning voor mij. Van Doorn had een motie voorgesteld betreffende de verplaatsing van ’t Serologisch Instituut. Hoewel krachtig verdedigd en door mij niet zoo bijzonder kras bestreden, werd die motie toch verworpen met 40-30 stemmen! Ik had dan maar liever op dat punt een échecje geleden, als de Katholieke Sociale Actie dan maar haar subsidie had gekregen. Maar Onze Lieve Heer wil zeker zèlf dit werk steunen en heeft mij daarbij niet noodig!

            Donderdag ga ik voor een acht dagen naar Heerlen. Eindelijk eens eruit! Ik verlang er ècht naar. Morgen nog een massa werk af te doen, maar dan sluit ik den winkel! Jammer, dat Lize niet meegaat; ze mocht ook wel eens wat rust hebben![12]

dagboekcahier 7

02/01/1920

vrijdag 2 januari 1920

Eerste ministerraad in ’t nieuwe jaar. Ruijs hield een lange rede over de positie van ’t kabinet. Hij meende dat uit de nieuwjaarsartikelen in de verschillende bladen wel gebleken was dat Van Karnebeek, De Visser en ik de drie sterkste posities hadden. (Vooral de Nieuwe Rotterdamsche Courant had met overdreven lof over mij geschreven. Ook Het Vaderland en zelfs de Nieuwe Courant waren vol lof). De twee zwakste steeën waren we nu kwijt; een derde zwakte was De Vries. De Loods, het orgaan van Treub, had al voorspeld dat hij op 7 januari ook over zijn leeningwet zou struikelen en dat dan ’t heele kabinet wel zou opdoeken, om vervangen te worden door een gemengd kabinet – natuurlijk met Treub als formateur! Conclusie: De Vries moest krachtig optreden; het heele kabinet moest achter hem staan. Dan zou hij ’t wel halen.

De moeilijkheid is dat we geen eigenlijke meerderheid hebben. Staalman en Van de Laar zijn niet te vertrouwen; mr. Van Groenendael, door zijn pro-Belgische houding gecompromitteerd, is steeds afwezig. Van Rijzewijk en De Wijkerslooth zijn ziek. In elk geval moeten we 15 mei zien te halen. Dan treedt ’t vrouwenkiesrecht in werking en zal de linkerzijde vooral bevreesd zijn voor kamerontbinding.

            Mijn wijziging van de Woningnoodwet, de onteigening van leegstaande woningen beoogende, kreeg ik er door. Heemskerk had er groot bezwaar tegen gemaakt. Maar de Raad van State had een gunstig advies uitgebracht. Er zal wel een storm over opsteken! Ik heb in de memorie van toelichting eenige krasse – maar zuiver-roomsche – opmerkingen over het eigendomsrecht neergeschreven. Die zullen nogal stof opjagen! Dat kan een mooi principieel debat worden.

            Ruijs had een uitvoerige nota over de defensie. Ze was van Colijn. Hij zal gevraagd worden voor ’t nieuw te vormen departement van landsverdediging. Maar hij zal  wel weigeren om zijn lucratief baantje van directeur der Koninklijke Petroleum Maatschappij op te geven. Men zegt dat hij daar twee ton per jaar mee verdient.

            Er schijnt weer een staking van de transportarbeiders te dreigen. Het gevaar is groot dat de spoorwegmannen dan ook meedoen. En dat, terwijl maar bitter weinig troepen onder de wapenen zijn!

dagboekcahier 7

10/01/1920

zaterdag 10 januari 1920

Vandaag is het vredestractaat geteekend. De vrede is er dus, de oorlog althans is geëindigd. Maar hoe? Het is een vrede van machtsmisbruik en verdwazing door haat en vrees. Vooral Frankrijk treft de schuld van deze onmenschelijke vredesvoorwaarden. Wat zal er het gevolg van zijn? Wie weet, hoe spoedig een nieuwe oorlog, tenzij de volken zelf verstandig genoeg worden om hem te verhinderen en onmogelijk te maken. Ik herinner me dat ’t eerste artikel, dat ik als jongmensch in een krant schreef – in den toen te Leiden verschijnenden Zuid-Hollander – een dertig jaren reeds geleden! – handelde over  algemeene ontwapening. Ik dacht toen dat dit geen utopie was. Zullen thans de oorlogsgruwelen de oogen nog niet openen? Hoe het zij, naar vermindering van bewapening te streven, moet mijns inziens het doel zijn en vooral de katholieken hebben hier een taak te vervullen.

            Gevolg van de vredessluiting voor ons is dat ’t wetsontwerp betreffende onze toetreding tot den Volkenbond, dat reeds sinds lang gereed lag, thans moet worden ingediend; want binnen twee maanden moeten wij ons ja of neen uitspreken. Onze conclusie is geweest: ‘Ja, maar met een bezwaard hart!’ De memorie van toelichting, door Van Karnebeek zelf gesteld, is een mooi stuk werk.  Ik ben het er geheel mee eens, ook met de geopperde bezwaren.

Dinsdagavond hebben we ministerraad gehad uitsluitend over ’t defensievraagstuk. ’t Is een moeilijk punt, ook politiek. De Anti-Revolutionairen zijn veel meer militairistisch gezind dan de katholieken. De groote meerderheid in de Kamer, zeker  70 %, wil groote bezuinigingen. Het moet mijns inziens dien kant op. Maar gaan we al te ver, dan bestaat de kans dat de Anti-Revolutionairen hun steun aan ’t kabinet ontzeggen; dan springt de rechterzijde. Ziedaar ’t dilemma! Alleen wanneer Colijn de portefeuille wil aanvaarden, dan komen we er wellicht uit. Maar anders? Ik vrees echter dat hij niet zal willen. Vandaag komt hij uit Londen over en zal Ruijs hem vragen. De Graaff zal onderwijl zijn vrouw bewerken.

Woensdag ben ik kwart voor zes bij de koningin-moeder geweest. Het was een zeer aangenaam onderhoud. H.M. hield me tot kwart voor zeven! Van IJsselstein, die mij voorafging, was precies een kwartier binnen geweest. Zij sprak over allerlei onderwerpen; vooral de woningbouw en de werkloosheidsverzekering. Onderdoor allerlei huiselijke dingen, onder andere over de opvoeding der kinderen, het heerlijke van een groot gezin, enz. Toen zij zag dat ’t al kwart voor zeven was, zei ze eensklaps: ‘O, wat  heb ik u lang gehouden, maar ik vind ’t zoo prettig eens over al die dingen te kunnen praten; ga u nu maar gauw naar huis, ze zullen wel op u zitten te wachten!’

            Lize heeft een rare geschiedenis gehad. De vrouwen der ministers hebben weer moeten aanvragen hare opwachting te mogen maken bij de koningin en de koningin-moeder. Verleden zaterdag, toen we om half een naar Utrecht vertrokken, om met papa Bielders kennis te maken, kwam om kwart voor twaalf een lakei die den brief bracht, waarin zij verzocht werd dien eigen middag om kwart voor zes bij de koningin-moeder te komen. Ze heeft toen de boodschap doen afgeven dat ze uit de stad was! Met Nieuwjaarsdag zijn we samen naar de receptie bij de beide grootmeesteressen geweest. Die van H.M. de koningin-moeder zei dat zij aan de dienstdoende hofdame vooraf bericht had moeten zenden dat ze uit de stad ging! Ze heeft nu maar een briefje geschreven om haar verontschuldiging  aan te bieden dat zij dit verzuimd had.

            Ook bij Van Karnebeek zijn we op de receptie geweest. Het wemelde er van gezanten met hun dames. Hij stelde ons in ’t bijzonder voor aan den Duitschen gezant, met wien we nog even gepraat hebben. Waar ’n mensch al niet toe komt!

            Donderdag 8 januari was ’t Dies in Delft. Ik had ook een uitnoodiging gekregen voor ’t professorendiner. Ik ben er heen geweest. ’t Was erg gezellig, al die oude collega’s weer eens terug te zien. Er is warm op me getoast en ik heb nogal leuk geantwoord.

dagboekcahier 7

14/01/1920

woensdag 14 januari 1920

Gisteren ben ik bij de koningin geweest. Ik kwam om tien uur en H.M. hield me tot bij half twaalf. Ze begon zeer vriendelijk met eraan te herinneren dat ’t de eerste keer was dat ik bij haar kwam, nadat mijn groote oogst van wetten in het Staatsblad kwam. ‘U heeft buitengewoon veel gedaan, in het afgeloopen jaar.’

            Ik dankte H.M. voor hare vriendelijke  woorden en zei: ‘Na mijne beëediging op Het Loo heeft U.M. mij gezegd dat u hoopte dat ik veel zou kunnen tot stand brengen op sociaal gebied, want dat er veel voor ons volk moest worden gedaan. Aan die woorden van U.M. heb ik in ’t afgeloopen jaar steeds gedacht en ze zijn me steeds een aansporing en aanmoediging geweest.’ Ze lachte heel lief en vond die herinnering blijkbaar wel aardig. Het gesprek ging toen in hoofdzaak over de woningbouw en over de wetsontwerpen waar ik thans mee bezig ben. Tenslotte een uitvoerige gedachtewisseling over het nut van economische studie! H.M. vertelde mij dat zij die studie weer opgenomen had en nu wekelijks één uur per week les kreeg van prof. Bruins van de Handelshoogeschool. ‘Als ik wat meer gevorderd ben, wil ik graag met u eens over eenige actueele vraagstukken spreken.’ Ik vertelde een en ander over mijn colleges in Delft, wat zij nogal  interessant vond. Tenslotte kwam ’t gesprek over dr. Kuypers gezondheid. Ik vertelde toen, hoe ’t gegaan was met de benoeming van Henriëtte Kuyper als vertegenwoordiger ter conferentie te Washington. H.M. lachte luid om mijn ietwat komisch verhaal over mijn bezoek aan Kuyper en de wijze waarop hij me loosde zonder dat ik zijn dochter meer te spreken kon krijgen. Terwijl ze nog lachte, zei ze eensklaps: ‘Maar ’t is al bij half twaalf! Ik heb u veel te lang van uw werk afgehouden!’ Ik stond op, kreeg een handje en toen ik bij de deur was en boog, zei ze nog eens: ‘Dag, meneer Aalberse!’ ’t Is de aardigste audiëntie geweest, welke ik nog gehad heb.

            Vandaag ben ik naar Amsterdam geweest om de gebouwen van de Rijksverzekeringsbank te bezichtigen. De directeuren boden me een lunch aan in de Groote Club op den Dam en om half zes was ik weer thuis. ’t Was interessant.

#19/01/1920

maandag 19 januari 1920

Het zou eerst vandaag geen ministerraad zijn, maar morgen. Toch is ’t nu buitengewone ministerraad geweest. Zaterdagmiddag namelijk heeft ons het verzoek – namens ‘de mogendheden’, onderteekend door Clemenceau – bereikt om den ex-keizer van Duitschland, Wilhelm von Hohenzollern, uit te leveren.

            Onverwacht kwam ’t verzoek niet; alleen had men kunnen denken dat, nu ’t zoo lang duurde en ’t vredestractaat geratificeerd werd, de overwinnaars weer hun gezond verstand zouden hebben teruggekregen. Doch Lloyd George had zich bij de verkiezingen al te zeer vastgelegd: hij had den kiezers het hoofd van den Duitschen keizer – den Hun! – beloofd.

            Volgens ’t vredestractaat zou zijn uitlevering gevraagd moeten worden door ‘de geallieerde en geassocieerde mogendheden’. Doch de vergadering waarin ’t stuk werd opgesteld was alleen bezocht door Clemenceau, Lloyd George en Nitti (Italië). Dus zoowel Japan als de Vereenigde Staten waren er niet bij.  Het verzoek geschiedt dan ook alleen ‘namens de mogendheden’! De secretaris van de vredesconferentie, Dutasta, heeft een ‘note verbale’ overhandigd aan onzen gezant te Parijs, Loudon. Hij voegde er mondeling bij dat hij hoopte dat wij ons antwoord spoedig zouden geven! De heeren willen dus blijkbaar van de zaak af! Ons antwoord kon niet twijfelachtig zijn. Eenstemmig was de meening in het kabinet: het kan niet en het mag niet! Van Karnebeek had al een concept-antwoord klaar. ’t Is kort, raak en waardig. Ik bewaar de stukken bij mijn ‘aanteekeningen ministerraad’ en zal ze dus hier maar niet overschrijven.

Het concept vond algemeene instemming behalve bij Heemskerk. In den grond geloof ik dat hem de loop van de zaak tegenviel. Hij had een formeele uitleveringsaanvrage verwacht. Deze had hij dan als minister van Justitie moeten beantwoorden. Nu ’t op deze informeele wijze gebeurde, moest ’t antwoord wel door Van Karnebeek gegeven worden. Heemskerk had de juridische bezwaren  meer op den voorgrond willen stellen. Wij anderen waren ’t allen met Van Karnebeek eens dat dit fout zou zijn – een kleinen indruk zou maken. We moeten ons, evenals de mogendheden, op een hooger standpunt dan dat van het formeele recht plaatsen. Ik had bezwaar tegen deze passage: ‘Si dans l’avenir, notamment par le moyen de la Société des Nations, on parvenait à constituer une jurisdiction internationale dans des conditions suffisantes d’impartialité, on pourrait peut-être lui attribuer la compétence de juger des faits d’une guerre, mais encore faudrait-il que ce recours judiciaire fut ouvert aux deux parties et que la peine et le délit fussent déterminés par un statut antérieur.’

            Ik voelde hierin een scherpe, volkomen verdiende critiek op het proces dat de mogendheden Wilhelm aandoen: het wijst precies de ernstige juridische fouten aan welke aan hun procedure kleven.  Ik vond ’t onnoodig prikkelend om aan onze weigering op hoogere gronden deze kritiek op hun daad toe te voegen. Van Karnebeek bedoelde echter deze passage juist als een tegemoetkoming: een aanduiding dat wij mits aan bepaalde voorwaarden werd voldaan in den toekomst zulk een internationaal tribunaal wel zouden willen. De anderen waren ’t met hem eens. Om aan mijn bezwaar tegemoet te komen, werden echter de woorden, die ik onderstreepte, geschrapt. Ik blijf van meening, dat ook deze besnoeide zinsnede ons – onnoodig – kwaad zal doen.

            Woensdag gaat ons antwoord naar Parijs; donderdagmiddag wordt het den ex-keizer meegedeeld en ’s avonds in de bladen gepubliceerd. Ik ben benieuwd hoe ’t opgenomen zal worden. Niet in ons land. Men zal ’t eenstemmig met ons eens zijn. Maar in ’t buitenland! Hoe ’t zij, wij komen met schoone handen voor de Geschiedenis, deze zal onze daad goedkeuren.

dagboekcahier 7

20/01/1920

dinsdag 20 januari 1920

In den gewonen ministerraad niets bijzonders. De memorie van antwoord op ’t voorlopig verslag van Eerste Kamer – algemeene begrootingsbeschouwingen – werd vastgesteld. In paragraaf 1 voegde ik nog een passage in, waarin verklaard werd dat met de sociale wetgeving met kracht zou worden voortgegaan.

            Van Karnebeek heeft vanmorgen een belangrijke mededeeling uit Parijs ontvangen. De secretaris van Nitti was bij Loudon geweest en had hem meegedeeld dat Nitti wel vóór het uitleveringsverzoek van den keizer had gestemd, maar in het vaste vertrouwen dat wij de uitlevering zouden weigeren; hij meende dat Lloyd George er evenzoo over dacht; hij zou zich verzetten tegen iedere poging om ons te dwingen; maar wij zouden daarom goed doen, met in ons antwoord mee te deelen dat wij wel bereid waren den keizer hier te houden op een behoorlijken afstand van Duitschland.

            ’t Is mooi! Vermoedelijk werd de heele mededeeling alleen gedaan om ons ’t slot te suggereeren! We denken er niet over – ons antwoord gaat vanavond onveranderd naar  Parijs. De koningin heeft het vanmorgen ook goedgekeurd. Ze had gehoord dat er over gedacht werd om de keizer een wenk te geven ons land te verlaten. Ze was verheugd te hooren dat geen van ons daar ooit over gedacht had: ‘Ik zou dat laf gevonden hebben!’ Onze koningin is niet alleen lief, ook flink!

            Ik vermoed dat op ons antwoord nu een wedervraag zal volgen: of wij den keizer dan zullen willen interneeren? Nederland als cipier aangesteld! Waar zouden wij het recht vandaan halen om dit te doen? Wij wachten rustig af wat komen zal, ons bewust dat onze houding, steunend op het recht en zonder dubbelzinnigheid, ten slotte ieder fatsoenlijk man zal imponeeren.

            Iets geheel anders dat mij zeer bitter stemt. Zoojuist ontving ik van ’t Centraal Bureau van de Katholieke Sociale Actie afschrift van een brief van mr. Kortenhorst die meedeelt dat hem verzocht was op te treden als redacteur van een katholiek sociaal maandschrift; hij stelt nu voor ’t Katholiek Sociaal Weekblad, dat toch weinig  medewerkers van naam heeft, daarmee te vereenigen!

            ’t Is fraai. Zoo wordt achter mijn rug alles afgebroken, wat ik moeizaam heb opgebouwd. Eerst de Katholieke Sociale Actie en het Centraal Bureau – de campagne duurt nog steeds voort. Thans ’t Katholiek Sociaal Weekblad! Je krijgt een bekoring om er alles aan te geven en eenvoudig als advocaat weer te gaan werken om je kinderen een behoorlijk vermogen bijeen te brengen. Ik zal hem vragen eens te komen praten. Misschien kom ik dan wel te weten van wie(n) dit uitgaat. Ik verwed er een lief ding onder dat daar Poels-Mutsaers-Van Schaik weer achter zitten!

dagboekcahier 7

23/01/1920

vrijdag 23 januari 1920

Gisteren namiddag ontving ik een uitnoodiging om vandaag om tien uur bij H.M. te komen. Wat zou dat zijn? Verleden week was ik nog pas anderhalf uur bij haar geweest! Ik vermoedde: de overstroomingen in Brabant en Limburg. En zoo was het. De koningin heeft de overstroomde provincies  bezocht. Nu het water dalende is, dacht ze: hoe komen die menschen weer in hun overstroomde huizen? Ze moeten daarbij geholpen worden. Vrouwen moeten zich beschikbaar stellen om die huizen weer op te knappen en schoon te maken. Hoe zou dat te doen zijn? Kon ik haar niet een katholieke dame, in die streken met de bevolking bekend, aanwijzen aan wie zij dit kon opdragen?

            Ik ried H.M. aan om in Brabant er den R.K. Diocesanen Vrouwenbond voor te spannen en in Limburg de R.K. Vereeniging Het Groene Kruis. Dat vond zij een goed idee. Maar wie was daar voorzitster en voorzitter van? Dat wist ik niet uit mijn hoofd. Ik zei dat ik dat voor twaalf uur zou laten weten. ‘Heel goed. Maar … aan wie zult u dat dan mededeelen? Me dunkt, aan de dienstdoende hofdame?’ … Ze lachte witjes … (’t Schoot me eensklaps te binnen dat ik verleden jaar, ook na een audiëntie, regelrecht een briefje aan de koningin schreef; later hoorde ik dat dit vreeselijk familiair was! Toch liet zij me een bedankje door haar secretaris zenden) … ‘Of neen,  schrijf u ’t maar aan mijn secretaris, dus baron van Geen.’ We maakten nog een praatje over allerlei hygiënische onderwerpen, de opleiding van verpleegsters, de instelling van intercommunale gezondheidsdiensten, waarvoor ik ’n wetsontwerp klaar heb,  enz. Tegen elf uur zei de koningin: ‘Maar ik mag u niet langer ophouden, ik heb u zoo onverwacht uit uw werk gehaald, wie weet wie er op u zitten te wachten!’ en toen ze me bij ’t afscheid een hand gaf, zei ze nog zeer vriendelijk: ‘Ik dank u wel dat u me zoo terstond den weg hebt gewezen.’

            Aardig was ook, toen ze bemerkte dat ik met haar plan zeer ingenomen was en haar vertelde dat ik er ook al twee inspecteurs heen had gezonden om na te gaan of er geen gevaren voor de gezondheid der bevolking waren, dat zij eensklaps zich bedenkende, zei: ‘Maar dan wilt u u wel met die dames in verbinding stellen en de zaak met haar bespreken?’ Hieruit sprak haar gewone vrees dat zij niet heelemaal constitutioneel zou handelen door zelf te doen, wat een  minister zou willen of kunnen doen. Ik zei daarom: ‘Neen, Majesteit, het is een schoone gedachte van u, het is ook een zoo zuiver vrouwelijke idee, ik zou ’t daarom jammer vinden, wanneer U.M. niet zelf deze zaak met de dames besprak. Maar gaarne ben ik daarna bereid, om de dames zooveel ik kan, te helpen.’ Dat was blijkbaar ook naar haar zin: ‘Heel goed; ik zal dan de dames ontvangen en ze daarna naar u zenden; ze kunnen de uitwerking dan verder met u bespreken.’

            Op het departement gekomen, bleek me dat in ’t bestuur van ’t Groene Kruis zit mevrouw Haffmans-Wibaut, de vrouw van ’t Eerste Kamer-lid notaris Haffmans, te Helden –  zuster van den sociaal-democratischen wethouder Wibaut te Amsterdam!  – terwijl freule A. de van der Schueren te Nijmegen voorzitster is van de Bossche Diocesane Vrouwenbond. Ik deelde dit terstond aan baron van Geen mee, zoodat vóór twaalf uur de koningin mijn bericht had. Later belde Van Geen me op om me mee te deelen dat de koningin de dames om half een of half vier te harer  keuze zou ontvangen en ze daarna naar mij zenden. Hij zou me opbellen, zoodra hij wist, wanneer de dames er zouden zijn. Wat een opschudding zal ’t vanmiddag in Helden geweest zijn, toen mevrouw Haffmans telegrafisch bij de koningin ontboden werd! Mijn vrije zaterdagmiddag gaat er weer mee weg. Maar ’k heb ’t er graag voor over; ’t is een bijzonder sympathieke zaak.

            Morgen elf uur komt mr. Kortenhorst bij me. Dat is ’n minder sympathieke zaak!

            Vanavond staat ons antwoord over ’t verzoek om uitlevering van den ex-keizer in de bladen. Zooals ik wel gedacht had, vindt ’t in de heele pers algeheele instemming. Ik ben echter wel benieuwd wat er op volgen zal!

            Tusschen al mijn werk door, heb ik nog drie groote artikelen over de Volkenbond en een artikel over de Invaliditeitswet voor ’t Katholiek Sociaal Weekblad geschreven onder het pseudoniem ‘mr. J. v.d. Bosch’. Voor eenigen tijd heb ik ook drie artikelen geschreven over de duurte onder ’t pseudoniem: ‘Joh. Kerkvliet Asz.’ ter eere van mijn zalige moeder.

dagboekcahier 7

03/02/1920

dinsdag 3 februari 1920

Ik heb veel op te teekenen en weinig tijd. Daarom vandaag alleen ’t àllervoornaamste. Gisterenmiddag in den ministerraad deelde Van Karnebeek dit mede: om half drie was de Engelsche gezant bij hem gekomen die hem mededeelde dat hij zondag de opdracht had ontvangen om onze regeering een ‘mededeeling’ te doen, hierop neerkomende: dat de mogendheden geen genoegen konden nemen met onze weigering den ex-keizer uit te leveren; wanneer bij dit besluit door ons werd volhard, dan zouden zij tot krasse maatregelen overgaan: het afbreken der diplomatieke betrekkingen en economische maatregelen; dus vermoedelijk een blokkade. Hij vond dit zoo ernstig dat hij zijn regeering telegrafisch verlof had gevraagd om ’t doen dezer mededeeling uit te stellen, ten einde te trachten van ons zoodanige voorstellen te ontvangen dat deze mededeeling achterwege kon blijven.

            Van Karnebeek had eruit gekregen, wat  hij daarmede bedoelde: wij moesten aanbieden om den ex-keizer op Java te interneeren. Met welk recht? Dat wist hij ook niet.

            Van Karnebeek vroeg hem: wanneer wij een groote, in plaats van een kleine mogendheid waren, zouden de mogendheden dan ons trachten te dwingen tot datgene, wat wij verklaard hebben in strijd te zijn met het recht en onze traditie? Daarop had hij, verlegen, gezwegen en alleen gezegd dat hij het ook zeer onaangenaam vond dat hij zooiets moest overbrengen. Dezelfde mededeeling heeft hij daarna aan Ruijs gedaan.

            Niemand onzer had dat verwacht en het ook niet kunnen verwachten. Van alle gezanten was bericht ingekomen dat gemeend werd dat de uitleveringsaanvrage maar een formaliteit was; dat men er verlegen mee zou zitten, wanneer wij ’t deden, dat zeker geen dwang zou worden uitgeoefend. Op zeer enkele uitzonderingen na was ook in de geheele wereld de pers van gelijke meening. Wij hadden  verwacht dat men zou zeggen: goed, gij levert hem niet uit, maar dan zijt gij ook verantwoordelijk voor de gevolgen, wanneer hij naar Duitschland terugkeert en zich aan ’t hoofd eener monarchistische beweging stelt. Die verantwoordelijkheid ware te dragen geweest! We zouden desnoods van den ex-keizer een belofte hebben kunnen vragen dat hij niet zonder onze toestemming zijn woonplaats zou verlaten. Maar dit! ’t Is fraai van deze huichelachtige ‘beschermers der kleine naties’!!

            Maar ’t zonderlinge is dit: Amerika en Japan doen niet mee. Dat staat vast. Ze willen van ’t heele keizerproces niet weten. Italië heeft ons uitdrukkelijk verklaard dat het wel mee deed aan ’t verzoek om uitlevering, maar bij weigering geen dwang zou willen aanwenden. ’t Gaat dus alleen van Frankrijk en Engeland uit. De Fransche gezant heeft echter nog niets gezegd.

            Wat nu? Eenstemmig waren we van meening: wat men van ons vraagt,  mag niet, dus kan’t niet. Alleen Heemskerk was ’n beetje aarzelend. De vraag is: is ’t heele verhaal waar? Is ’t niet ’n poging tot politieke chantage om ons tot ’n voorstel te krijgen den keizer op Java te interneeren? De mogendheden zouden zich voor heel de wereld blameeren, wanneer ze ons deze ‘mededeeling’ deden.

            Van Karnebeek geloofde echter aan den goeden trouw van den gezant. Ik niet. Ik vermoed dat hij instructie had om aldus te handelen. Ze zullen gedacht hebben: een tweede blauwtje willen we niet loopen; dus wat stiekume pressie, ze zullen dan wel goedvinden om den keizer naar Java te brengen en dan eischen we dat. Van de pressie wordt dan niets publiek.

            Ook is ’t mogelijk dat ze verwachten dat wij ’t den keizer zullen meedeelen en dat deze om ons niet in moeilijkheden te brengen zich zal overgeven, uit eigen beweging. Dan hebben ze hem! Donderdagavond weer ministerraad. Dan moeten we ’n besluit nemen.

dagboekcahier 7

10/02/1920

dinsdag 10 februari 1920

Nog niets nieuws over de keizerquestie. Ik heb de voldoening gehad dat thans ook Van Karnebeek overtuigd is dat mijn standpunt juist was dat de mededeeling van den Engelschen gezant alleen bedoelde een stiekum dreigement om van ons de toezegging van een concessie – het interneeren van den keizer op Java – af te persen. Beloofden we iets dergelijks, dan zou in de antwoordnota dàt van ons geëischt worden.

            Besloten werd nu hem mee te deelen dat wij in geen enkel opzicht van ons standpunt zouden afgaan, dat we evenmin het recht hadden den keizer op Java te interneeren, dat we dus kalm zouden afwachten welke stappen de groote mogendheden zouden ondernemen, steunend op ons goed recht en overtuigd van de instemming van geheel ons volk.

            Wat we hem niet meedeelden, was dat wij den keizer zullen meedeelen dat wij geen bezwaar zouden hebben hem krachtens de Vreemdelingenwet te interneeren, bijvoorbeeld op het door hem aangekochte landgoed  Doorn. Ik was daar niet voor: ik prefereerde met den keizer een overeenkomst op eerewoord aan te gaan dat hij een bepaalde plaats – bijvoorbeeld Doorn – niet zonder toestemming der regeering zou verlaten. Ik vond dat beter, 1. omdat interneering krachtens de Vreemdelingenwet moet geschieden krachtens Koninklijk Besluit en ik de koningin deze handteekening zou willen besparen; 2. omdat de schijn, alsof we tòch bukten voor de mogendheden, veel beter vermeden werd; 3. omdat wij dan tegenover de mogendheden ons garant konden stellen dat de keizer ons land niet zou verlaten. Dit kunnen we zonder meer niet bij interneering krachtens de Vreemdelingenwet, daar een geïnterneerde vreemdeling het recht behoudt, ons land te verlaten; en ’t is er de mogendheden juist om te doen den keizer uit Duitschland te houden!

            Mijn betoog maakte indruk; Ruijs was’t er mee eens en algemeen knikte men toestemmend. Maar Van Karnebeek  was ’t niet met me eens: de mogendheden moeten een schijn van voldoening hebben na hun eerste échec en deze krijgen ze veel meer bij interneering krachtens de wet! En hij won het.

            Vandaag is nu Kan naar den keizer geweest om hem dit mee te deelen. Hij ging er geheel mee akkoord en was bereid tot alles mee te werken om ons land buiten moeilijkheden te houden.

            Zonderling is de houding der buitenlandsche pers. De Petit Parisien had een bericht dat de mogendheden ons door een blokkade zouden dwingen. In alle landen is de pers daar met kracht tegen opgekomen, zoodat Reuter het bericht officieel voor onjuist verklaarde! Eenige dagen later had een Engelsch blad het precieze bericht: dat de Engelsche gezant een verklaring had gekregen met dreigement, maar dat het stuk niet was overhandigd, omdat de mogendheden er eerst nog eens over moesten denken, wat ze ons zouden antwoorden! De heeren hebben er zich leelijk in gewerkt!

De vorige week algemeene beschouwingen over de staatsbegrooting in de Eerste Kamer, heden afgeloopen. Zeer breedsprakig, maar héél mat. Overmorgen komt mijn begrooting aan de orde. Alleen De Waal Malefijt is nog ingeschreven. Deze zal wel spreken over de werkloosheidsverzekering.

Nu nog iets geheel anders. Vrijdag 23 januari moest ik weer om tien uur bij de koningin komen. Ik was benieuwd waarom, omdat ik 13 januari pas bij haar was geweest. Zij was vol over den watersnood in Brabant en Limburg. Nu ’t water zakte, moesten de huizen worden schoongemaakt. Zij wilde daarvoor in aanraking komen met eenige katholieke dames, in de streek bekend. Wie? Ik noemde freule de van der Schueren, als presidente van den Diocesanen R.K.Vrouwenbond bisdom ’s Bosch, en mevrouw Haffmans-Wibaut, lid van ’t hoofdbestuur van ’t Groene Kruis in Limburg, welke vereeniging een onderafdeeling heeft: ‘hulp in de huishouding’.  H.M. was mij zeer dankbaar dat ik haar zoo goed den weg kon wijzen. Tot elf uur bleef ik praten. Nog denzelfden dag werden beide dames telegrafisch tegen zaterdagmiddag ontboden. H.M. verzocht me, ze, nadat ze bij haar geweest waren, op mijn departement te ontvangen. Aldus geschiedde. De dames waren opgetogen over de vriendelijkheid van de koningin.

            Donderdag 29 januari werd Lize door H.M. ontvangen. Zij sprak haar ook over den watersnood en vroeg of ik er zelf ook heen geweest was.

            Maar zondag 1 februari werd ik om twee uur door den prins opgebeld: ‘Excellentie, dat is een misverstand in Limburg, mag ik eens bij u komen praten?’

‘Ik wil graag bij u komen!’

‘Neen, ik kom bij u, over ’n half uurtje!’

Gauw ’t laatste beetje steenkolen dat we nog hadden gebruikt om de kachel in den salon aan te maken en hij brandde lustig toen de auto om half drie voorkwam. Maar ’t was toch niet de prins zelf, maar zijn adjudant en  dr. Mijnlieff uit Amsterdam, voorzitter van het Oranje Kruis, waarvan de prins eere-voorzitter is!

            Wat bleek nu? ’t Oranje Kruis was al in Limburg werkzaam en nu kwam het Groene Kruis dat zei op last van H.M. te handelen! De situatie was lichtelijk vermakelijk! Ik beloofde de beide kruizen tot samenwerking te brengen!

            Maandagochtend belde ik eerst den particulier secretaris van H.M. op. Deze had ook schik in ’t geval; de prins was om half negen er al bij hem over wezen spreken; hij had er den avond tevoren (dus nadat hij eerst van mij vernomen had, hoe de zaak precies zat!!), met de koningin over gesproken. Ik stelde baron van Geen voor dat ik namens H.M. mevrouw Haffmans-Wibaut zou meedeelen, 1. dat H.M. zeer ingenomen was met de krachtige wijze waarop het Groene Kruis de zaak had aangepakt en 2. dat ’t H.M. aangenaam zou zijn, wanneer ’t Groene Kruis met ’t Oranje dito verder overleg wilde plegen. Hij zou dit aan H.M. voorstellen. Na een uurtje  kwam hij me op ’t departement H.M.’s dank betuigen voor mijn voorstel dat zij volkomen goedkeurde en waardoor de ietwat pikante verhouding tusschen H.M.’s Kruis en ’s prinsen Kruis weer in orde kwam! Aldus deed ik. En de zaak is nu in orde.

            Gisteren kwam de prins bij me om iemand aan te bevelen die solliciteerde voor geneeskundige bij de arbeidsinspectie, maar hij sprak met geen woord over de twee kruizen, hoewel hij een klein halfuurtje bleef praten! Ik ben benieuwd, als ik weer bij H.M. kom of zij er dan over zal beginnen! Ze heeft nogal gevoel voor humor!

            Zaterdag heb ik den Rijkswoningraadgeïnstalleerd. Zaterdag a.s. zal ik den Hoogen Raad van Arbeid installeeren. Ik moet nog een redevoering maken.

dagboekcahier 7

12/02/1920

donderdag 12 februari 1920

Vanavond staat in De(n) Maasbode een lang bericht, waarvan echter de korte inhoud is dat het bisdom ’s Bosch zich van de Katholieke Sociale Actie afscheidt en een eigen centraal bureau gaat oprichten.  Alles, behoudens goedkeuring van den bisschop van ’s Bosch. Maar ’t is niet aan te nemen dat dit bericht zou gepubliceerd zijn, wanneer men niet vooraf van die goedkeuring verzekerd was.

            ’t Is werkelijk fraai! Zoo wordt achter mijn rug om mijn werk van vijftien jaren, gedurende den korten tijd dat ik minister ben, afgebroken. Zoolang ik aan ’t hoofd van de Katholieke Sociale Actie stond zijn al deze pogingen van den aanvang af ondernomen en telkens weer herhaald steeds mislukt. Nu ik ‘weg’ ben, zetten ze door. Dit is de oude oppositie van de tegenstanders der katholieke vakorganisatie. Ik begrijp me maar niet dat de bisschoppen dit niet inzien. Of liever: Haarlem en Utrecht zien ’t wel degelijk goed in, maar zij schijnen de kracht en het doorzettingsvermogen te missen om tegen deze camarilla in te gaan.

            Mutsaers triumfeert! Evenals zijn vader in de dagen van Schaepman de katholieke partij vermoord heeft door de ‘Brabantsche motie’, zoo geeft zijn zoon nu den doodsteek aan onze centrale sociale organisatie.  Waarom? Ik kan er niet bij, tenzij ze nog steeds van plan zijn om tenslotte hun aanval op de katholieke vakorganisatie te richten en door te zetten, dat deze ‘interconfessioneel’ worde! Dan zijn dit niet anders dan voorbereidende maatregelen om mij mijn invloed te ontnemen, tegen dat ik weer ‘terug’ kom! IJdele berekening! Alsof ik daarvoor deze organisatie noodig hadde! Ik heb nu Het Centrum, de Voorhoede en ’t Katholiek Sociaal Weekblad tot mijn beschikking. Zeker, tegen Het Centrum hebben nu deze zelfde heeren de Volkskrant opgericht. Tegen ’t Katholiek Sociaal Weekblad een maandschrift Het Roer. Maar wat zou dat? Tegenover ‘Futura’ werd eerst Paul Brand, nu Teulings gebruikt. Maar wat ze ook doen: Centrum, Voorhoede, Katholiek Sociaal Weekblad en Futura, ze bloeien! En mijn persoonlijke invloed – als mijn arbeid als minister zoo gezegend blijft (Stork, vrij-liberaal, noemde me de vorige week in de Eerste Kamer: de sterkste man in het kabinet!) – dan zal na mijn aftreden mijn invloed eer gestegen dan gedaald zijn. Het stond al  bij me vast wat ik na mijn aftreden ga doen: ik word naast Steenhoff hoofdredacteur van Het Centrum en stel me weer beschikbaar voor de Tweede Kamer. En dan wil ik zien, dat ze iets tegen me doen met al hun achterbaksch gepruts!

            Er dreigt een groote staking in het transportbedrijf. Maandag breekt ze uit, tenzij ik nog bemiddeling kan krijgen. Ik ben al veertien dagen daarmee bezig. De arbeiders willen wel. Vandaag vernam ik dat niet alleen de sociaal-democraten, maar ook de ‘vrijen’ mijn bemiddeling zouden willen. Ook verschillende werkgevers zouden ’t wel graag zien. Alleen – de voorzitter van den Loonraad, Nijgh, schijnt den strijd te willen. Ik heb echter aan beide partijen doen weten dat als ik maar onderhands bericht krijg dat ze mij als bemiddelaar willen, ik bereid ben openlijk de eerste stap te doen en mijn bemiddeling aan te bieden.

            Er is ook een groot conflict tusschen het Mijnfonds en een zestig dokters. Ook daar heb ik op gelijke wijze gehandeld. Eerst wilde het  fonds mij wel, de dokters niet. Nu heeft ’t fonds een ultimatum aan de dokters gesteld dat vandaag afloopt. Nu belde mij zoojuist dr. Sikkel, voorzitter van de Maatschappij van Geneeskunde op die me meedeelt dat ’t fonds het ultimatum handhaaft, en dat nu de dokters me dringend verzoeken als bemiddelaar of arbiter op te treden. Maar ik vrees dat nu ’t fonds niet meer wil!

            Morgen komt mijn begrooting in de Eerste Kamer. Tot vanmiddag was alleen ingeschreven De Waal Malefijt; die komt met allerlei bezwaren over de werkloosheidsverzekering! Ik ben voldoende geladen!

            Zaterdag moet ik den Hoogen Raad van Arbeid installeeren. Gisterenavond heb ik mijn redevoering zelf opgesteld. De secretaris Jitta had ’n concept gemaakt dat me veel te droog leek. Ik heb ’t nu maar zelf gedaan. Mr. Westhoff, chef van de afdeeling Arbeid, dien ik mijn concept vanmorgen liet keuren, was er enthousiast over.

dagboekcahier 7

19/02/1920

donderdag 19 februari 1920

Zaterdag heb ik den Hoogen Raad van Arbeid geïnstalleerd. Ik meen dat 14 februari 1920 een merkwaardige datum in de geschiedenis der Nederlandsche arbeidswetgeving zal blijken te zijn geweest. In mijn installatierede heb ik vooral het karakter van den Hoogen Raad van Arbeid doen uitkomen. De rede sloeg wel in en werd – ongewoon verschijnsel – met applaus beantwoord. Daarna de eerste vergadering, waarin ik als voorzitter optrad. Ook die vergadering is goed verloopen. Er werd niet veel gesproken en er bleek een goede geest. Terstond gaan de negen bedrijfscommissies nu aan ’t werk om rapport over de algemeene maatregel van bestuur van de Arbeidswet uit te brengen.

            Vóór de vergadering kwam Kröller nog bij me; hij hoopte nog op bemiddeling vóór de transportarbeidersstaking uitbrak. Ik vertelde hem, hoe de zaken stonden. Na de vergadering sprak ik nog met Nijgh. Het bleek me dat hij geen bemiddeling wenschte.

            Maandag was mijn Liesje jarig.’t Is voor de kinderen een heerlijke dag geweest.

  Ik ben den geheelen dag erg onder den indruk geweest van hetgeen voor twee jaren op dien dag gebeurde: Guusjes laatste levensdag! … Dinsdagochtend hebben Lize en ik haar afsterven herdacht. Twee jaren … Er is nog geen dag voorbijgegaan dat ik niet aan haar dacht. Terwijl de anderen àl grooter en grooter worden, zal zij de kleine, lieve tienjarige voor ons blijven.

            Aengenent kwam maandag feliciteeren. Hij deelde me mede dat Veraart namens Poels en Mutsaers hem verzocht had om met mij erbij met hen een conferentie over de Katholieke Sociale Actie te [houden][13], waarna we dan gezamenlijk zouden dineeren. Ik heb er niet veel zin in: ’t haalt tòch niets uit! Aengenent had nu ’t oordeel van mgr. de Wit, den vicaris van Utrecht, gevraagd. Zoojuist zond hij me diens antwoord, d.d. 17 februari. Deze schrijft daarin onder andere:

Wegens het onberekenbaar belang der quaestie en wat daaraan vastzit en mede samenhangt, heb ik met Z.D.H. den aartsbisschop nog eens gesproken. Monseigneur is zeer  verontwaardigd over de laatste handelswijze van Den Bosch. Over de aangevraagde conferentie? Monseigneur weet niet, wat daarvan te zeggen, verwacht er weinig of geen heil van en laat het toestaan of niet geheel aan u over.

Maar (maar dit sub rosa, dus zeer vertrouwelijk) Z.D.H. de aartsbisschop raadt u aan een uitvoerig en goed gemotiveerd schrijven aan de vijf hoogwaardige bisschoppen te richten waarin geheel den loop der quaestie, dus de geschiedenis en daarna de motiveering van de aan Den Bosch en Roermond tegenovergestelde opinie, wordt aangegeven; de gronden dus duidelijk worden omschreven en niet te vergeten de handelwijze van het Diocesaan Comité van ’s Bosch, vooral de onbegrijpelijke handelwijze der laatste publicatie, die (onleesbaar: er schijnt te staan: van ontleed)[14] moet worden, het ongemotiveerde daarvan moet worden aangetoond en niet moest worden verzwegen het gebrek aan respect voor het Doorluchtig Episcopaat.

De zaak kan zoo niet blijven rusten.  Daarom zou ik, indien ik ’t mag doen, u den raad willen geven met Zijne Excellentie mr. Aalberse de zaak [te] bespreken. Geen heeft zooveel sociale studies doorgemaakt en erin doorgedacht, geen is (met?) ’s lands toestanden beter bekend, zoodat Z.E. zeker een juisten blik in den toekomst zal hebben. Het kan zijn nut hebben dat de diocesane voorzitters der Katholieke Sociale Actie behalve in ’s Bosch en Roermond natuurlijk het stuk onderteekenen. Dit stuk moet dan minstens in vijfvoud worden opgemaakt aan ieder der vijf bisschoppen, ook aan Z.D.H. mgr. Diepen en Z.D.H. mgr. Schrijnen moet (zóó zeide mgr. de aartsbisschop) een exemplaar worden gezonden. Daarna zal de geheele quaestie door het Doorluchtig Episcopaat worden behandeld, ook de onbeschaamde laatste publicatie van Den Bosch.

Laat dus de naam van Z.D.H. den aartsbisschop onder ons blijven. Z.E. mr. Aalberse mag ’t wèl weten.

Dat is tenminste een frissche brief! Ik zei ’t al aanstonds tegen Aengenent: die publicatie is kostelijk: nu duwen ze de  bisschoppen juist weer onze kant uit!

            Eergisteren ministerraad. Zondagnacht tien minuten over twaalf!! heeft de Engelsche gezant aan Ruijs – dus niet aan Van Karnebeek! – de antwoordnota der mogendheden overhandigd. Een kras stuk, plomp en demagogisch, maar juridisch zwak, met aan ’t slot een dreigement. Feitelijk wordt de uitleveringseisch teruggenomen en interneering gesuggereerd! Maandag of dinsdag zullen wij ’t antwoord vaststellen.

            Vanmiddag een merkwaardig onderhoud gehad met Stenhuis, den voorzitter van ’t Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen. Hij kwam heel vertrouwelijk over de staking praten. De arbeiders willen eraf; maar ’t moet hun mogelijk worden gemaakt. Hij wilde nu verschillende patroonsvereenigingen – [daar in meer bedrijven][15], duurt de staking in de transportbedrijven voort, spoedig werkloosheid zal komen – verzoeken bij mij op bemiddeling aan te dringen. Deed ik ’t dan op hun verzoek, dan was ’t voor hen,  niet voor mij, een échec, als de werkgevers mijn bemiddeling niet aanvaardden. ’t Was niet onaardig gevonden. Ik zei hem dat ik daarvoor te vinden was, omdat 1. de staking ernstige economische gevolgen kon hebben; 2. als de staking verloren werd, de vakvereenigingen een knauw zouden krijgen, wat ik zeer zou betreuren, en 3. er over de heele linie een groote reactie zou intreden, wat ook zijn invloed zou hebben op de verdere arbeidswetgeving.

            Hij bleek zeer opgetogen over deze mijn meening en verdween met een krachtigen handdruk. Dinsdag komt hij terug. Onderwijl zal ik trachten de R.K. Werkgeversvereeniging te bewegen ook op bemiddeling bij mij aan te dringen.

dagboekcahier 7

05/03/1920

vrijdag 5 maart 1920

Vandaag weer bij de koningin geweest. H.M. zag er vreemd uit: in zware rouw wegens het overlijden van den broer van prins Hendrik. Zwart flatteert haar niet, ook was zij stiller  dan anders. Van tien tot kwart na elf was ik bij haar, doch ze liet bijna uitsluitend mij aan ’t woord. Allereerst begon zij over de Hollandsche kinderen in Duitschland en zij vroeg, wat ik voor deze kinderen deed. Zij had een verzoek ontvangen om ook deze kinderen een poosje naar Holland te laten overkomen. Ik zei dat dit niet gaan zou: juist gisteren heb ik aan Ruijs geadviseerd om het doen overkomen van kinderen uit Oostenrijk en Hongarije stop te zetten en daarvoor in de plaats treinen met levensmiddelen te zenden en in de groote plaatsen keukens voor kinderen op te richten, die dan op school een warm maal kunnen krijgen. In Haarlem heb ik honderd Hongaarsche kinderen in een school moeten opsluiten: ze hadden zes dagen en nachten in de trein gezeten; bij aankomst bleken er drie aan roodvonk te lijden; thans hebben vijftig al deze ziekte. Ook andere ziekten komen voor. Vooral ook nu de Spaansche griep in ons land weer sterk toeneemt, zijn we niet verantwoord al deze kinderen bij duizenden in ons land te laten komen.

Daarna sprak de koningin over de staking in de havens. Ik deelde H.M. alles mee, wat ik daaromtrent wist. Nog steeds was er geen kans op bemiddeling.

            Gisteren was Stenhuis weer bij me. Hij deelde me mede dat Wijnkoop geld uit Zweden (eigenlijk uit Rusland) had gekregen. De federatie kon daardoor weer drie weken blijven uitkeeren. Hij moest nu voor den Centralen Bond ook geld krijgen en zou daarvoor de volgende week woensdag een soort vakvereenigingscongres bijeenroepen om door een scherpe rede de menschen wakker te maken. De strijd zou scherper worden; daardoor zou de publieke opinie ook meer aandrang op de regeering uitoefenen om bemiddelend op de treden. Ik sprak zoowat anderhalf uur met hem. Ook verleden week: toen deelde hij me mee dat van eenige aandrang van de zijde der werkgevers niets zou komen. Triebels, de directeur van Werkspoor, zou wel willen optreden, maar dan moest de Centrale Bond afzien van samenwerking met de federatie.  Dat wilde Stenhuis niet. Zijn ideaal was juist, Nationaal Arbeiderssecretariaat en Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen tot één te maken. Ik geloof dat hun dit niet gelukken zal, maar ik begrijp dat hij zich door de werkgevers niet de te volgen taktiek laat voorschrijven.

            Vanmiddag was ook Nijgh bij me, de voorzitter van den Loonraad, de eigenlijke leider van de werkgevers in deze staking. Hij zag ook nog geen licht in de zaak: afwachten bleef ’t parool. Ik wees hem ernstig op de groote gevolgen voor de geheele industrie, wanneer er gebrek aan steenkolen en grondstoffen kwam. Die uitbreiding van het conflict kon ook de binnenlandsche toestand gevaarlijk maken. Hij zag dit niet zoo ernstig in.

            In den ministerraad heb ik telkens rapport uitgebracht. Tusschen Ruijs en mij bestaat eenig verschil. Ik meen dat ik bemiddelen moet, zoodra ik maar eenigszins kans zie een goed resultaat te bereiken. Ik zou ’t betreuren, wanneer de Centrale Bond geknakt uit dezen strijd kwam.  ’t Is beter verkeerd georganiseerd dan in ’t geheel niet georganiseerd. Anders komt er weer een chaotische toestand in de havens gelijk vroeger met alle misstanden die daarvan ’t gevolg zijn. Bovendien acht ik deze staking, duurt ze lang, volstrekt niet ongevaarlijk.

            Ruijs staat meer op ’t kracht-standpunt: uitvechten! De botsing moet toch komen, indien nu niet, dan misschien over drie of vier maanden. Thans is ’t tijdstip voor de arbeiders ongunstig. De kans dat ze deze onder revolutionaire leiding staande staking zullen verliezen is groot. Dus geen einde eraan maken – durchhalten!

            Mij lijkt dit teveel op het uitlokken van de Preventiv Krieg! in strijd een beetje met mijn vertrouwen op de Voorzienigheid. Wij weten niet, wat er over drie of vier maanden zal gebeuren. De toestanden kunnen dan gansch anders zijn dan wij nu verwachten. De toestand van nu is gevaarlijk en wordt elken dag dat hij langer duurt gevaarlijker. Daarom mag mijns inziens  de gelegenheid, biedt zij zich aan om er een einde aan te maken, niet ongebruikt worden gelaten. Het kwade voorkomen zoodra mogelijk is beter dan het opzettelijk te laten voortwoekeren, omdat men meent dat het anders – misschien! – later toch wel zal komen.

            Dit meeningsverschil heeft nog niet tot een botsing geleid, omdat ik erken dat op dit oogenblik de kans dat ik met bemiddeling zal slagen uiterst gering is. Ik wacht daarom af en blijf naar beide zijden voeling houden. Dit alles deelde ik de koningin mede. Zij hoorde toe, maar liet zich niet uit. Ik vermoed dat zij ’t dus niet met mij eens was.

Vandaag is ons antwoord op de tweede nota der mogendheden in zake de keizer-questie aan Lloyd George overhandigd. Ik ben benieuwd hoe ze erop zullen reageeren. Vanavond staat ’t in de bladen, die er gunstig over oordeelen. Morgen spreekt Van Karnebeek den Engelschen gezant. Maandag bespreken wat nu verder te doen.

dagboekcahier 7

10/03/1920

woensdag 10 maart 1920

Morgen heb ik mijn eerste interpellatie in de Tweede Kamer. Mr. Marchant zal twee vragen stellen: welk oordeel de regeering zich gevormd heeft over de eischen der stakers in het havenconflict en of zij dit oordeel aan de Kamer wil meedeelen.

            Ik heb gisterenavond mijn antwoord opgeschreven en ’t getypt aan de ambtgenooten hedenmiddag toegezonden. Morgen om elf uren hebben we er ministerraad over, om één uur is de interpellatie. Als ze ’t niet met mijn antwoord eens zijn, is ’t wèl kort dag! Ik had daarom ’t antwoord op vrijdag willen stellen, maar dan kon Marchant niet. ’t Zal een rumoerige zitting worden! Ik hoop maar dat ik ’t er goed afbreng; er hangt enorm veel van af.

            Maandag belangrijke ministerraad. Weer over de keizer-questie. Maandagmiddag zijn de Engelsche, Fransche en Italiaansche gezant bij Van Karnebeek geweest om een collectieve stap te doen. De drie mogendheden zijn over ons antwoord niet tevreden; ze willen dat we den keizer in onze koloniën opbergen. Dus van de uitlevering  zien ze alvast af. Van Karnebeek heeft ze terstond geantwoord dat daar geen sprake van kon zijn. We missen daartoe het recht en wij willen onze koloniën niet den smaad aandoen ze tot ballingsoord te maken. Maar Doorn was toch verkeerd! veel te dicht bij de Duitsche grens.

            Hierover verschil van meening. Van Karnebeek wil ook op dit punt niets toegeven. Heemskerk en Van IJsselstein willen een buiten op Tholen aanwijzen. Dat is op ’n eiland; dat maakt meer indruk.

            Ook meeningsverschil over de vraag of nu de keizer bij Koninklijk Besluit geïnterneerd moest worden. Ik was daar altijd tegen geweest, maar stond in mijn meening alleen. Thans, nu ’t op de uitvoering aankwam, bleken Van IJsselstein en Ruijs tot mijn standpunt bekeerd. Van Karnebeek aarzelt nog.

            Wel heeft de keizer gisteren een stuk geteekend, waarbij hij een afgegrensd deel van de provincie Utrecht als verblijfplaats aanvaardt, zich verbindt het niet zonder onze toestemming te verlaten en censuur over zijn correspondentie aanvaardt. Daar hecht ik meer aan dan aan een Koninklijk Besluit.

Steeds weer komt de koningin terug met de uitlating dat zij wil aftreden. Juliaantje zou haar dan moeten opvolgen, onder regentschap van de koningin-moeder. Ik zou dit in de gegeven omstandigheden een ernstige ramp vinden. Les rois s’en vont! Ik had ’t dus wel goed, toen ik haar de laatste keer erg stil en bedrukt vond.

dagboekcahier 7

13/03/1920

zaterdag 13 maart 1920

De interpellatie-Marchant is goed verloopen en – misschien – afgeloopen. Donderdagmorgen om elf uur hadden we ministerraad. ’s Avonds tevoren had ik allen mijn concept-antwoord gezonden. Er bleken maar weinig bezwaren tegen te bestaan. Ruijs bracht tenslotte – voor ’t eerst! – me hulde dat ik erin geslaagd was in zoo korten tijd voor zulk een moeilijk antwoord een stuk [op te stellen][16] dat zoo algemeene instemming had kunnen vinden.

            Twee volle dagen heeft de interpellatie geduurd. Behalve onder de rede van Smeenk zijn de verwachte heftige incidenten geheel uitgebleven. Mijn kalme uiteenzetting  werd rustig aangehoord. Geen enkele interruptie. Toen ik geëindigd was, zei Duys: ’t was heel mooi; maar een Lloyd George is u nog niet! Neen, die heeft wat àl te veel bemiddeld!

            Het antwoord van Marchant was vrij kalm. Ook de sociaal-democraten Brautigam, Troelstra en Oudegeest waren nogal mak. Scherp waren alleen de twee revolutionairen Wijnkoop en Kolthek, en … de christelijke democraat Staalman. Deze begon zeer hatelijk; toen hij uit ’n interruptie van me bemerkte dat ik kwaad werd, draaide hij rechtsomkeert en was weer heel vriendelijk!

            Gisteren heeft de zitting van een tot over half zeven geduurd! ’n Heele ruk. Eerst tegen zes uur kwam ik aan ’t woord. Ik stuurde aan op arbitrage. Dit sloeg wel in. De voorzitter wilde na mijn wederwoord ’t debat sluiten. Wijnkoop verzette zich daartegen. Daarover zal nu dinsdag gestemd worden. Dus – misschien – uit! Ik hoop ’t. Het gevolg zal nu wel zijn, dat de werkgevers een beetje meer toeschietelijk worden.

Ter eere van de nagedachtenis van kardinaal Manning, aan wien toen ik nog student was mijn eerste geschrift gewijd was, zou ik ’t wel heerlijk vinden, wanneer het mij gelukken mocht aan deze geweldige staking door bemiddeling of arbitrage een einde te maken. Maar ik geloof ’t niet, tenminste niet op directe wijze. De liberale werkgevers en socialistische arbeiders zullen, als ik ze eenmaal zoover heb, wel achter mijn rug om elkaar de hand reiken.  Mij ook goed, àls ’t conflict maar uit de wereld is.

            Vandaag weer ernstige berichten uit Duitschland: te Berlijn is een tegenrevolutie uitgebroken. Wordt dat de burgeroorlog? Herstel der monarchie? Wie weet! In beide gevallen is ’t ook voor ons ernstig. In ’t eerste geval vrees ik voor den terugslag hier. In ’t tweede geval zal de Entente zich met groote kracht met de keizer-questie gaan bemoeien. En dan komen we er moeilijk tusschen te zitten. – Ons ministerschap valt wèl in een moeilijke tijd!

dagboekcahier 7

22/03/1920

maandag 22 maart 1920

Jammer, dat ik de laatste dagen zoo weinig tijd had om wat op te teekenen. Er is heel wat gebeurd! Vooreerst met de havenstaking. De vorige week had Stenhuis, de voorzitter van het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen, een gemeen artikel in Het Volk. Hij beweerde dat ik ‘op last van werkgevers’ mij van bemiddeling onthield en verder dat de arbeiders mijn voorstel tot arbitrage niet konden vertrouwen, omdat ik herhaaldelijk met Nijgh, den voorzitter der werkgevers, had geconfereerd.

            Ik begreep ’t artikel goed: de Federatie wil geen arbitrage, de Centrale (sociaal-democratische) Bond wèl. Toch wil hij ze bij elkaar houden. Dus moest hij mij verdacht maken. Ik zond hem een telegram om te komen praten. Hij kwam prompt! Ik wees hem op het onware en onwaardige van zijn artikel. Hij krabbelde terug. Zoo was ’t niet bedoeld. Enz.

            Onderwijl werd mijn vermoeden bevestigd dat de zaken zóó stonden als ik dacht. Er werd echter dien eigen dag beraadslaagd om mij een brief te schrijven, waarin men, arbitrage afwijzend, mij om bemiddeling verzocht. Ik  zou dan die bemiddeling kunnen gebruiken om toch tot arbitrage te komen! Die brief kwam zaterdagnamiddag. Ook daarin een gemeenheid: arbitrage kon niet worden aanvaard, omdat ik alleen in mijn kamerrede aan de arbeiders den raad had gegeven om arbitrage te vragen. Dit is ’n leugen. Wel vragen ze mijn bemiddeling.

            ’s Avonds moest ik naar Leiden voor een diner bij prof. van der Vlugt, mijn oud-promotor, die 70 jaar is geworden. Ik had zitting in een comité dat hem zijn door Onnes geschilderd portret zou aanbieden. Thans was door hem dit comité ten eten gevraagd. Verschillenden waren verhinderd, ook de president Oppenheim jr. We waren met z’n achten, onder andere Loeff, Plemp van Duiveland, Krabbe, Meyers, burgemeester Zimmerman. Ik zat rechts van mevrouw, Zimmerman rechts van mij. Van der Vlugt hield een lange rede, waarin hij eigenlijk zijn professoraat een mislukking noemde. Loeff en Zimmerman meenden dat ik, als eenig aanwezig minister en als zittende rechts van mevrouw, moest antwoorden.

Hoewel onvoorbereid heb ik ’t er volgens Loeff goed afgebracht. Ik herinnerde aan mijn promotie, toen hij me voorspeld had dat ik in de politiek zou gaan, waar hij me nooit zou ontmoeten. De eerste voorspelling kwam uit, de tweede niet: onder ’t ministerie Kuyper zaten we beiden in de Tweede Kamer! Ik had het verder over z’n professoraat en meende dat vele zijner leerlingen met piëteit steeds aan hem dachten. Later zei hij me dat mijn speech hem goed had gedaan.

            Aan tafel had ik alle gelegenheid om met Zimmerman over de staking te spreken. Deze meende dat ze de volgende week zou eindigen, mits achter mijn bemoeiingen een punt werd gezet. Daar wachtte men nog steeds op. Hetzelfde werd me vanmorgen ook verzekerd door een controleur der haveninspectie.

            Ik heb daarom naar aanleiding van den van ’t stakingscomité ontvangen brief vanmorgen een brief aan beide partijen geschreven, waarin ik uitdrukkelijk vraag: wilt gij arbitrage, ja of neen; en zoo ja, over  welke punten? In den brief aan de arbeiders heb ik tevens de onjuiste voorstelling van mijn tweede rede in de Kamer rechtgezet. Ik vermoed dat beide partijen met neen zullen antwoorden. Dat is dan wel de punt welke Zimmerman verlangde!

            Vanmiddag in den ministerraad heb ik dit meegedeeld. ’t Werd algemeen goedgekeurd. Vandaag zijn in Amsterdam 200 en in Rotterdam 300 werkwilligen, van elders aangevoerd, aan ’t werk gegaan. De burgemeester van Amsterdam vroeg 1.000 man infanterie aan. Hij kreeg er voorloopig 100 en een 60 man cavallerie. Ik vrees dat er nu wel relletjes zullen komen.

            In Duitschland is de toestand ook slecht. In ’t westen, vlak langs onze grens, zijn de bolsjewieksche arbeiders de baas geworden. De regeering-Kapp is weer verdreven. Maar de verwarring is grenzeloos. Dit werkt ook terug op de mentaliteit onzer arbeiders. De eerstkomende dagen zullen ook bij ons misschien zorgvol worden. De Heer geve ons wijsheid en kalmte!

dagboekcahier 7

26/03/1920

vrijdag 26 maart 1920

Zou er wat schot in komen? Van de arbeiders ontving ik ten antwoord dat ze over mijn vraag betreffende arbitrage zouden beraadslagen, maar dat ze betreurden dat ik niet geantwoord had op hun verzoek om een conferentie. Ik antwoordde: dat deed ik niet, omdat praten over bemiddeling toch niets zou uithalen, maar ik wil u gaarne ontvangen, vrijdagmiddag twee uur.

            Zoo zijn ze vanmiddag geweest. Typisch kwam ’t verschil uit tusschen Bouwman (Federatie) en Brautigam (Centrale Bond). De eerste wilde perse niet van arbitrage weten. Het eind van het onderhoud was – na een uur – dat allen bereid waren om deel te nemen aan een conferentie onder mijn leiding met de werkgevers over de vraag: als er eens arbitrage kwam, over welke punten zou ze dan moeten loopen? Eerst daarna zou dan de vraag: arbitrage of niet, worden besproken en beslist.

            Brautigam meent dat als we ’t eens kunnen worden over de punten van arbitrage dat dan arbitrage niet meer noodig zou zijn,  want dan zou men wel tot ’n compromis komen. Ik hoop ’t, maar zie ’t nog niet.

            Van de werkgevers een zonderling antwoord en erg onduidelijk. Men kan eruit lezen dat ze alleen arbitrage willen van de geheele regeering (de koningin incluis?) Ook: [dat] de regeering in haar geheel de arbitrage moet willen en daardoor de gevolgen ervan voor ’t economisch leven aanvaardt en dat ze dan in principe voor arbitrage zijn, mits men ’t eens kan worden over de  punten.

            In den ministerraad hedenmiddag kreeg ik de machtiging om aan de werkgevers te verklaren dat de regeering van meening was dat ’s lands belang een spoedig einde van de staking eischte; dat dit in de gegeven omstandigheden alleen kan bereikt worden door arbitrage; en dat ik ze uitnoodig om over de punten van arbitrage te confereeren. Ik ben benieuwd, wat ze zullen antwoorden! ’t Wordt weer ’n zware week!

            De interpellatie-Beumer over de Invaliditeitswet is gisteren goed verloopen. ’k Was goed op dreef, al voelde ik me niet lekker.  Ik geloof dat ik een ontsteking in de neusholte heb die ook over mijn gehoor drukt. Voortdurend suizingen en gebrom, terwijl ik rechts alles dubbel hoor. Zeer onaangenaam. Ik heb dat laatst ook gehad, toen was ’t na een paar dagen weer beter.

            Krijg ik moeite in ’t kabinet? Voor ’n week begon Ruijs in den ministerraad De Vries ’n standje te schoppen dat hij niet genoeg op de finantiën lette: ik gaf veel te veel uit, de werkloosheidsverzekering kostte schatten gelds, mijn voorstel betreffende ziekenfondsen was veel te duur; dat kon eenvoudig niet. Van Finantiën kreeg ik reeds twee geharnaste nota’s, één over ’t ontwerp ziekenfondsen en één over de aanvulling van de Invaliditeitswet.

            Wanneer ’t deze kant uitgaat dat ik met mijn sociale werk niet meer voort kan, omdat ’t kabinet mij de gelden weigert, dan weet ik wel, wie spoedig oud-minister van Arbeid zal zijn! Dan dank ik feestelijk voor het baantje. Morgen word ik 49 jaar. Mijn hemel, wat oud al!

dagboekcahier 7

13/04/1920

13 [april]1920[17]

Mijn vermoeden dat ik moeite krijg in het kabinet wordt steeds meer bewaarheid. Nog twee brieven ontving ik van Finantiën: een over een suppletoire begrooting, waarin een paar nieuwe posten voor bestrijding van kindersterfte, en een over woningbouw te Amsterdam en over middenstandswoningbouw in 1921. In alles één toon: dat moet nu maar eens uit zijn; geen enkele nieuwe post meer en de middenstandswoningbouw, waarvoor voor 1920 nog negen millioen is uitgetrokken, moet met 1 januari 1921 stop gezet worden!

            Gisteren is daarbij gekomen in den ministerraad de behandeling van de salarisregeling der rijkswerklieden, voorbereid door een rapport eener commissie waarin naast vertegenwoordigers der bedrijven ook vertegenwoordigers der organisaties zaten. De Anti-Revolutionaire gedeputeerde en oud-wethouder De Wilde was voorzitter. Aan zijn kalme leiding is te danken dat een zeer gematigd rapport werd uitgebracht. De grondloonen zijn lager dan in de groote steden Amsterdam, Den Haag,  Haarlem en Rotterdam. De directeur der Artillerieinrichtingen, die niet bijster arbeiterfreundlich is, had hoogere voorstellen in de commissie gedaan dan deze tenslotte aannam. Ik stelde dus voor, behalve enkele wijzigingen, het rapport te volgen. Dat wil zeggen dat de loonen dan toch nog zeven procent lager zouden zijn dan de commissie voorstelde, omdat de regeering nu eenmaal ook voor de ambtenaren aangenomen heeft dat voor ’t weduwenpensioen zeven procent zal worden afgetrokken (een besluit dat al driemaal in den ministerraad na mijn bestrijding was verworpen, maar dat tenslotte toch terwijl ik in Haarlem was was aangenomen). De commissie had echter bij de vaststelling der voorgestelde loonen gerekend op geen aftrek.

            Gisteren nu is dit rapport in den ministerraad behandeld. We vergaderden van vier tot zeven en van acht tot half twaalf! Op allerlei wijze is op het rapport beknibbeld, zóó dat nu de loonen lager zullen zijn dan de menschen in 1919 ontvingen en dat terwijl de kosten van levensonderhoud nog zijn gestegen!

Nadat dit resultaat verkregen was – vooral van Van IJsselstein ging de oppositie uit en Ruijs stemde gewoonlijk met hem mee– vroeg ik doodkalm: ‘Wie moet nu deze zaak in de Tweede Kamer verdedigen? Alle wijzigingen zijn aangebracht met mijn stem tegen. Ik kan mij met het verkregen resultaat absoluut niet vereenigen. Men kan dus niet van mij vergen dat ik iets verdedig, waar ik ’t hoegenaamd niet mee eens ben. Wordt ’t dus door den minister van Finantiën verdedigd?’ Ruijs gaf me gelijk. Maar Finantiën meende – en terecht – dat de zaak tot mijn ressort behoorde; ik had ook de geheele regeling voorbereid. Dus! ‘’t Is volkomen juist, maar ik dènk er niet over, dit onverdedigbare onding te verdedigen.’ Daar zaten ze. En ’t eind was dat mij verzocht werd de zaak nog eens rustig te bekijken. Verschillenden waren bereid desnoods op de genomen besluiten terug te komen.  Dat is het voorpostengevecht geweest.

            De groote slag zal komen, wanneer de vier brieven van Finantiën zullen behandeld worden. Ik stel dan zonder eenigen twijfel de portefeuillekwestie. We zullen dan zien wat ze aandurven. Laten ze me los, dan ligt binnen een minimum van tijd ’t heele kabinet ondersteboven, omdat het dan geen meerderheid in de Tweede Kamer meer heeft. Driekwart van de katholieken en tweederde van de Anti-Revolutionairen en wel de helft van de Christelijk-Historischen zullen mijn partij kiezen en ’t kabinet hun vertrouwen opzeggen. Nolens staat ongetwijfeld aan mijn kant. Dat weten ze ook wel en ze zullen mij dus wel niet laten gaan. Maar ’t is toch beroerd dat je ’t op die manier moet afdwingen.

            De staking in de havens gaat nog steeds door. Ook mijn arbitragepoging is mislukt. De werkgevers willen niet, de Federatie ook niet. De Centrale Bond wil wèl, maar wil zich niet van de Federatie laten scheiden. Daarop is de zaak vastgeloopen. Wat nu?

dagboekcahier 7

20/04/1920

dinsdag 20 april 1920

Gisteren weer een lange ministerraad van vier tot elf uur met nauwelijks één uur pauze. Toch was er nog geen tijd om de salarisregeling der rijkswerklieden af te doen. Dat komt dus donderdag. Ik heb een nogal krasse nota ingediend om ’t verleden week verkregen resultaat als onhoudbaar aan te toonen.

            Terloops werd even over de werkloosheidsregeling gesproken die, helaas, veel geld kost. In dat verband zei Ruijs weer: ‘Ik heb ’t al meer gezegd, alle wetsontwerpen die geld kosten moeten worden stopgezet. We moeten wetsontwerpen van Justitie behandelen: de strafvordering en dergelijke. De rest moet maar blijven liggen. We loopen spaak met de finantiën.’

            Ik heb hem maar laten praten. Die zaak zal spoedig aan de orde moeten komen en – uitgevochten worden. Maar voor ’t zoo ver is, ga ik eerst eens met Nolens praten.

            Er is in dezen raad nog iets gebeurd, wat me dwars zit. 18 mei viert de aartsbisschop zijn zilveren jubileum. Heemskerk stelde voor  hem dan ’t grootkruis Nederlandsche Leeuw te geven. Ruijs verzette zich daar heftig tegen. Door Heemskerk werd het tamelijk, door De Vries met kracht verdedigd. Ik sloot mij bij hen aan, vooral wijzende op den indruk, die ’t op de katholieken zou maken, wanneer wij niets deden. ’t Werd nogal een scherp debat, waarbij Ruijs de groote fout had ook den persoon van mgr. van de Wetering ter sprake te brengen: hij was geen kardinaal Mercier. Ik moest er daarna wel op wijzen dat hij een krachtige figuur was, in heel katholiek Nederland zéér gezien. Ik voegde er niet bij: ‘behalve bij de groep Ruijs-Poels-Mutsaers’!

            Toen Ruijs zich zoo krachtig bleef verzetten, zei Van IJsselstein, die eerst vóór was geweest, dat hij dan tegen zou stemmen. Ik vreesde de zaak te verliezen en stelde daarom voor: dat tot 31 augustus a.s. aan niemand zonder éénige uitzondering eenige ridderorde zou gegeven worden. Werd dit aangenomen, dan verviel vanzelf de orde voor den aartsbisschop. Aldus werd besloten. ’t Bevredigt mij niet, maar de schijn is nu tenminste gered.

dagboekcahier 7

22/04/1920

donderdag 22 april 1920

Vanmiddag in den ministerraad kwam ’t salarisrapport voor de rijkswerklieden weer aan de orde. Ik had er een krasse nota over ingediend. Gevolg: na eenige discussie heb ik ’t met bijna algemeene stemmen gewonnen. Eigenlijk stemde alleen Van IJsselstein tegen. Ruijs stemde niet; als voorzitter moet hij ’t laatst stemmen. Hij zei echter alleen: dus het voorstel is aangenomen. Blijkbaar was dat niet naar zijn zin. Aan ’t departement zullen ze lol hebben.

            Van morgen stond in de krant dat de Centrale Bond van Rijksambtenaren aan de ambtenaren der Rijksverzekeringsbank geadviseerd had dat geweigerd zou worden overwerk te verrichten. Ik heb ’t bestuur der bank telegrafisch gelast de weigeraars na ernstige waarschuwing terstond te ontslaan (de tijdelijke) of te schorsen (de vaste). Ik heb dit in de bladen meegedeeld. Ik ben benieuwd, wat ’t effect zal zijn. Maar vast ben ik van plan voet bij stuk te houden.

            Over de ziekenverzorgingswet heb ik thans ook een nota bij den ministerraad ingediend. Dat zal de volgende week moeten uitgevochten worden.

dagboekcahier 7

23/04/1920

vrijdag 23 april 1920

Heden morgen weer bij de koningin geweest. Het was in verschillende opzichten een interessant onderhoud. De koningin begon met de vraag: hoe staat ’t nu met de Weensche kinderen? Ik deelde mee dat onze gezant te Weenen, jhr. van Weede, mij verzocht had op mijn besluit terug te komen om die kinderen met ’t oog op de volksgezondheid niet meer toe te laten. ‘Een reden te meer, om ’t niet te doen!’ zei H.M. Blijkbaar heeft ze ’t niet op dien gezant! Ik zei dat ik de zaak nog eens zou overwegen. De koningin noemde ’t ziekelijke philantropie zoolang wij niet eerst zorgen dat onze Nederlandsche kinderen uit de groote steden eens flink gezond werden. Ik zei dat ik op een suppletoire begrooting daarvoor een post had uitgetrokken, maar dat Finantiën er bezwaar [tegen] maakt, evenals tegen een post voor de bestrijding der kindersterfte. ‘Wat?’ riep de koningin uit. ‘Is dat nu een goede finantieele politiek om op die uitgaven te bezuinigen?’ Ik heb haar nog nooit zoo verontwaardigd gezien. De tranen sprongen haar in de oogen.

Ik deelde toen mee dat ik in ’t algemeen vreesde  met Finantiën in botsing te komen; dat mij ook ’t wetsontwerp op de ziekenfondsen, waardoor ik ook op ’t platteland ziekenhuizen wilde verkrijgen, geweigerd werd en dat ik vreesde dat Ruijs ’t met deze houding van Finantiën eens was; dat hij al een paar malen in den ministerraad had gezegd dat ’t nu maar eens uit moest zijn met wetsontwerpen die geld kosten – dat ik mij daar onmogelijk mee vereenigen kon – dat in de programrede van 10 december 1918 een heel ander geluid geklonken had – dat de arbeiders terecht zouden zeggen: zie je wel, nu ’t revolutiegevaar geweken is, is de hervormingsgezindheid van ’t kabinet bekoeld – dat Ruijs echter in diezelfde rede had verklaard dat ik mijn program geheel gereed had vóór mijn optreden en dat ik alleen bereid was als minister van Arbeid op te treden, wanneer vaststond, dat ’t kabinet een krachtige sociale politiek zou voeren – dat ik dus meende niet in ’t kabinet te kunnen blijven, wanneer dit program thans verloochend werd – dat ik niet onverhoeds  zou wegloopen, maar er eerst voor zou vechten.

            ‘U hebt groot gelijk; ik ben ’t geheel met u eens. Maar als u volhoudt, zullen ze u moeten volgen, want als u uit ’t kabinet treedt, heeft het zeker geen meerderheid in de Tweede Kamer; als deze tusschen u en De Vries moet kiezen is de uitslag niet twijfelachtig.’ Toen begon de koningin vrij scherp tegen De Vries uit te pakken; hij miste voldoende economische kennis; heel anders bij Treub – al was hij dan wat wild – en bij Van Gijn – hoewel veel te conservatief – en bij Pierson. Een minister van Finantiën moest voor alles een economist zijn. Enz. Ik zweeg daarop, omdat ik een afwezigen collega niet wilde afvallen. De koningin bemerkte dit en zei: ‘Neem u me niet kwalijk, dat ik zoo over een collega van u spreek. Ik had dat niet moeten doen. Maar dat is mijn gebrek, dat ik mijn meening steeds veel te scherp zeg. Neem u mij niet kwalijk, ik had dat niet moeten zeggen.’ Ik antwoordde: ‘Ik kan het slechts waardeeren dat U.M. zich zoo openhartig  uitspreekt. Ik hoop dat U.M. dit ook tegenover mij zult doen, wanneer u meent dat ik iets niet goed doe.’

            Zoo kwam ’t gesprek weer op de Weensche kinderen en de Hollandsche kinderen in Duitschland. Ik vertelde, wat ik daarvoor deed. Daarna over de havenarbeidersstaking. Toen sloeg de klok elf uur.

‘Het spijt me, dat ik het onderhoud niet meer kan voortzetten: ik moet om kwart voor twaalf den nieuwen Amerikaanschen gezant ontvangen en ik moet mijn speech nog eens overlezen.’

‘Dan vrees ik dat ik U.M. veel te lang opgehouden heb.’

‘O, volstrekt niet, integendeel, ik zou nog veel meer van u willen vernemen. Ik wensch u een aangenamen zomer; begin mei ga ik naar Het Loo; ik voel me moe en moet eens wat uitrusten. Voor dien tijd zal ik u wel niet meer zien.’

En bijzonder hartelijk nam H.M. toen afscheid.

            Toen ik op mijn departement kwam, vond ik een schrijven van den minister van Finantiën, waarin hij meedeelde dat hij zich bij mijn  suppletoire begrooting zou neerleggen. Ook dat is dus gewonnen! Ik heb toen terstond een briefje aan Van Geen, den particulier secretaris van de koningin geschreven, om haar dit mee te deelen. Ik meende, dat ik dat aan De Vries verplicht was.

            Gisterenavond kamerzitting. Ik had drie wetsontwerpen op de agenda, waarin nog wel wat zat. Mijn geheelen woensdagavond had ik besteed om me er weer in te werken. Er werd echter geen woord over gezegd en zonder stemming werden ze aangenomen.

            Vanmiddag om half vier een conferentie op Binnenlandsche Zaken over de werkloosheid, vooral onder de sigarenmakers. En om half vijf met Justitie, Oorlog, Finantiën en Landbouw over de questie-Rink: de koop van ’n huis van f 40.000 te Tiel door den Raad van Arbeid (= Rink) van … Rink. Ik vrees dat deze zaak nog wel een onaangenaam staartje kan hebben. We zullen zien!            Morgen naar ’s-Hertogenbosch: vergadering Katholieke Illustratie! Vandaag Piet tien jaar!

dagboekcahier 7

29/04/1920

donderdag 29 april 1920

’t Is vanmiddag in den ministerraad weer tot een botsing gekomen. De aanleiding was een voorstel van Ruijs om alle vernietigingsbesluiten eerst aan ’t oordeel van Binnenlandsche Zaken te onderwerpen. Dit sloeg op De Visser en mij; de anderen hebben geen gemeenteraadsbesluiten ter vernietiging voor te dragen. Onafhankelijk van elkaar hadden we nota’s ingediend, waarin aangetoond werd dat dit principieel en practisch onmogelijk was.

            Toen Ruijs er niet meer uit kon, wierp hij ’t over de gemeentefinantiën. Daarmee moest rekening worden gehouden en dit was de taak van Binnenlandsche Zaken. Zoo kwam hij weer op de finantiën in ’t algemeen; beweerde weer dat ’t nu maar uit moest zijn met wetsontwerpen die geld kosten; dat Peerbolte, onder den druk van Kan uit, met geld smeet, dat de woningpolitiek onnoodig schatten verslond, enz enz.

            Toen ben ik ook uit mijn slof geschoten en heb Peerbolte krachtig verdedigd. Ik merkte op dat tien jaren lang voor  volksgezondheid en woningpolitiek niets was gedaan; de ministers van Binnenlandsche Zaken lieten door Kan (secretaris-generaal) alles tegenhouden. Geen wonder dat nu de afdeeling Volksgezondheid, onder Kan uit gekomen, bij mij, die wèl voor deze groote volksbelangen veel voel, thans veel geld noodig heeft, zelfs wanneer zij zich tot ’t strikt noodzakelijke beperkt; dat zooveel mogelijk naar zuinigheid en bezuiniging werd gestreefd en dat ik er dus met kracht tegenop kwam dat aan mijn departement met geld gesmeten werd. Ruijs kroop weer in zijn schulp en kon dit doen, omdat de minister van Finantiën meedeelde dat hij juist een nota gereed had over de woningpolitiek. Dat zal weer een lollig kluifje worden.

            Ik geloof dat ’t nu tijd wordt om eens met Nolens te gaan praten. De groote botsing kan nu niet langer uitblijven. Voorshands neem ik ’t geval niet al te tragisch op. Ze kunnen mij niet laten schieten zonder ’t geheele kabinet onmogelijk te maken!

dagboekcahier 7

06/05/1920

donderdag 6 mei 1920

Gisteren zijn de kaartjes van An en Frans verzonden, zondag 16 mei houden we receptie. De kogel is door de kerk. Gaarne had ik dit engagement nog wat uitgesteld, maar zij hadden in Lize een advocate, waartegen ik niet opgewassen ben. Zoo is dan onze eerste dochter verloofd. God zegene haar. Ik zie het met wat geruster hart dan een half jaar geleden. Frans is ’n flinke, degelijke jongen. De lessen in apologie bij rector Witteman volgt hij trouw. De invloed van ons gezin op hem is goed merkbaar. Als ze trouwen hoop ik dat hij een degelijk katholieke huisvader zal worden.

            Vandaag een eigenaardigen brief van de koningin gekregen. Ze heeft van Ruijs een nota ontvangen, waarin hij uitlegt, waarom hij de Weensche kinderen bij voortduring in ons land wil toelaten. Zij is daar mordicus tegen. Blijkbaar vermoedt zij dat Ruijs dit tegen mijn zin heeft doorgezet. Ze vraagt me nu allerlei inlichtingen en zeer positief, hoe ik hierover denk.  De brief is ‘vertrouwelijk’ en ‘persoonlijk’. Ik vermoed dat zij dus bedoelt dat ik er met Ruijs niet over spreken mag. Dit maakt mijn positie nog moeilijker. Enfin, ik zal mij er wel trachten uit te redden!

            Maandag wordt ’t wetsontwerp over de ziekenfondsen in den ministerraad behandeld. Finantiën heeft ’n felle nota ertegen ingediend. Ik heb er kalm maar krachtig op geantwoord. De stemming in den ministerraad is vrij algemeen tegen: ’t kost teveel! Ik ben benieuwd of ik ’t toch weer winnen zal. Verleden week ben ik een avond bij Nolens wezen praten. Hij was ’t geheel met mij eens. Hij ried me echter sterk af de portefeuille-questie te stellen: dat kun je altijd nog doen! Maar wel moest ik, als ’t mis liep, voorstellen een conferentie met de leiders der rechterzijde: daar had deze recht op, wanneer ’t kabinet weigerde het toegezegde program uit te voeren. Ik zou dan ongetwijfeld de heele rechterzijde aan mijn zij vinden. Ik geloof dat dit een goede raad is. Maar beter is ’t, wanneer ook dit niet noodig zal zijn! We zullen zien.

dagboekcahier 7

10/05/1920

maandag 10 mei 1920

De ziekenfondswet heb ik erdoor en al kan ik niet zeggen: met alle stemmen vóór, dan toch wel: met geen stem tegen. Ik heb een uitvoerige rede gehouden, 1. om de politieke noodzakelijkheid aan te toonen, 2. om de sociale dringende wenschelijkheid te betoogen, en 3. om de finantieele bezwaren te weerleggen. Bezwaren werden daarna alleen geopperd door De Visser – die echter uitdrukkelijk verklaarde dat hij ’t ontwerp noodzakelijk vond – en door De Vries, die zijn principieele bezwaren introk, doch finantieele bezwaren bleef houden. Vooral de bepaling dat de staat de gemeenten kon dwingen een ziekenhuis te bouwen, vond aanstoot, en ’t was te bemerken dat verschillenden dit bezwaar deelden. Ik vond ’t daarom taktisch om tenslotte zelf te verklaren dat ik die bepaling niet dringend noodig achtte, maar dat ik toch eerst, voor haar eruit te lichten, mijn deskundigen wilde hooren. De overige finantieele bezwaren wist ik voldoende te bestrijden.

            Tenslotte zei De Vries dat hij met ’t ontwerp mee wilde gaan, mits hij ’t zou mee onderteekenen. Ruijs en Heemskerk schenen ’t daarmee eens te zijn. Toen heb ik grof geschut gebruikt en verklaard dat de ervaringen, met de Woningwet opgedaan van dien aard waren dat ik mij met die medeonderteekening in geen geval kon vereenigen. Het einde is geweest: dat ’t ontwerp naar de Raad van State kon worden gezonden; vooraf zal ik dan met De Vries de questie van de gemeentelijke ziekenhuizen nog eens bespreken. Ik zal dan Koolen en mijn twee hoofdambtenaren daarbij vragen.

            Nu nog de aanvulling van de Invaliditeitswet en dan heb ik over de heele linie de overwinning behaald! ’t Is meegevallen.

dagboekcahier 7

22/05/1920

zaterdag 22 mei 1920

Ik heb ’n bijzonder drukke veertien dagen achter den rug, De crisiswerkloosheid neemt schrikbarend toe, vooral onder de sigarenmakers, de diamantbewerkers en de exportslagers. Daarop zijn de werkloozenkassen niet berekend. Al de betrokken bonden en de vakcentrales komen achter elkaar  op audiëntie om besprekingen te houden. Mijn conclusie was: het Rijk moet aan de kassen voldoende voorschotten geven om de reglementaire uitkeeringen te doen; hebben de leden deze gehad, dan moet voor hen een speciale steunregeling worden geschapen. Ik bracht maandag deze zaak in den ministerraad na er eerst al met Finantiën over geconfereerd te hebben. Daar kreeg ik den wind van voren. Vooral Van IJsselstein en De Vries verzetten zich sterk. Blijkbaar heb ik de zaak goed verdedigd, want het einde was dat ik weer mijn zin kreeg. Zelfs De Vries en Van IJsselstein stemden ervoor.

            Gisteren heb ik hierover ’n interpellatie in de Tweede Kamer gehad. Gelukkig dat mijn voorstellen in den ministerraad waren aangenomen. Ik kon nu een goed antwoord geven dat blijkbaar ook de instemming had der geheele Kamer.

            Zaterdag 15 mei had ik de eerste eigenlijke vergadering van den Hoogen Raad van Arbeid. Ze is goed verloopen: van half elf tot half twee! Vastgesteld werd ’t advies over den grooten algemeenen maatregel van bestuur van de Arbeidswet en het reglement van orde.

            Zondag 16 mei hebben we de receptie gehad van Anni’s verloving. Er zijn 107 menschen geweest, terwijl er 47 bloemstukken waren ingekomen. Onze salon en mijn studeerkamer waren één lustwarande. ’t Was ’n prachtig gezicht. Verschillende ministers kwamen met hun vrouwen. Ruijs en Van Karnebeek waren uit de stad. Heemskerk heeft ’t blijkbaar vergeten.

            Dinsdag zijn Ruijs, König en ik naar mgr. Van de Wetering geweest om hem geluk te wenschen met zijn 25-jarig aartsbisschopschap. Monseigneur was bijzonder vriendelijk en bedankte mij voor alles wat ik in vroeger jaren in de katholieke sociale beweging heb gedaan. Morgen is ’t Pinksteren. Ik ga eens heerlijk twee dagen uitrusten!

dagboekcahier 7

01/06/1920

dinsdag 1 juni 1920

Vandaag had ik een interpellatie-Schaper in de Tweede Kamer over de invoering van de nieuwe Arbeidswet. Ik was behoorlijk geladen. Maar … ’t is niet tot de interpellatie gekomen. Eerst was aan de orde de opmaking van een nominatie voor de Rekenkamer.  Dat duurde wel anderhalf uur. Daarna ‘regeling van werkzaamheden’. De president stelde voor om ’t anti-revolutie ontwerp van Heemskerk aan de orde te stellen. Toen kwam ’t spektakel los! Eerst vroeg Duys nog een nieuwe interpellatie aan over de Invaliditeitswet.

            ’t Was een onwaardig spektakel: de Sociaal-Democraten en Communisten kondigden een felle obstructie aan en … begonnen er terstond mee. Zeven of acht vroegen ’t woord over ’t voorstel van den president. Ik ben tot kwart voor vijf gebleven en toen maar naar mijn departement gegaan. Ik ben benieuwd of ’t nog tot stemming is gekomen. Dan komt morgen mijn interpellatie over de Arbeidswet. Naar ik vernam hadden zich al achttien sprekers opgegeven! Daar gaat dus de heele week mee weg. ’t Is zonde van mijn kostbaren tijd!

            Met België is ’t ook onverwachts spaak geloopen. Alles was gereed, de traktaten zouden geteekend worden en … nu weigeren de Belgen, op grond van de onbeslist gebleven  Wielingenquestie. ’t Is een manoeuvre, meer niet. Jammer dat juist Van Karnebeek naar Zwitserland is, nu kan ons publiek niet naar behooren worden ingelicht.

dagboekcahier 7

02/06/1920

woensdag 2 juni 1920

Het spel is vandaag in de Tweede Kamer weer voort gespeeld. Van een tot half zes heb ik er weer gezeten, maar tot de behandeling der interpellatie is ’t niet gekomen. ’t Is weer een treurige janboel, onder aanvoering van Duys. Den geheelen middag zijn redevoeringen gehouden zonder inhoud, zoogenaamd over de regeling van werkzaamheden, afgewisseld door tallooze stemmingen. Eindelijk is ’t zoover gekomen dat morgen nu met de interpellatie zal begonnen worden. Tenminste als men er niet iets op vindt om toch weer eerst over iets anders te praten, bijvoorbeeld over de notulen. Gebeurt dat, dan ga ik heen onder mededeeling dat ik de vragen wel schriftelijk zal behandelen. Eigenlijk had ik dit vanmiddag al willen doen. Nolens was ’t met me eens, maar de president en De Savornin Lohman ontrieden het. We zullen dus zien!

            ’t Was over half zes, toen ik in den ministerraad kwam die om vier uur begonnen was. Prof. Struycken was aanwezig die verslag uitbracht over de houding der Belgen in Parijs. Morgen wilde Van Karnebeek daarover een verklaring afleggen in de Tweede Kamer. Ik ried dit sterk af; beter was mijns inziens een schriftelijke mededeeling aan de Kamer. Tot zoover had ik juist geschreven, toen Van Karnebeek me opbelde. Hij had met Fock gesproken. Deze had na de zitting met Troelstra en Nolens overlegd, juist over de verklaring van Van Karnebeek. Troelstra had uitdrukkelijk toegezegd dat zijn partijgenooten over die verklaring niets zouden zeggen; hij zelf misschien een kort woord. Om deze reden meende ik dus mijn advies niet te moeten handhaven.

dagboekcahier 7

04/06/1920

vrijdag 4 juni 1920

Zie zoo, de interpellatie-Schaper is afgeloopen niettegenstaande de obstructie. ’t Is zoo nu en dan een ergerlijke vertooning geweest. Schaper was in zijn eerste rede nogal kalm. Ik antwoordde in een rede van ’n goed half uur,  waarin ik overtuigend aantoonde dat er aan mijn departement zoo hard mogelijk gewerkt was. Toen kwam Schaper toch met ’n motie, waarin de Kamer erop aandrong dat de Arbeidswet nog op 1 juli zou worden ingevoerd. Uit mijn feitelijke mededeelingen was duidelijk dat dit absoluut onmogelijk was. Toen gaven zich verschillende sociaal-democraten als spreker op. Het werd vijf uur, toen vroegen ze stemming over de verdaging. Onmiddellijk verlieten ze de zaal, zoodat er maar 42 leden overbleven. Uit!

            Vandaag voortzetting. Het begon weer met obstructie. Duys hield ’n lange rede om voor te stellen een commissie te benoemen om te onderzoeken, wat de oorzaak was van de ziekte van het lid Bakker, die bericht van verhindering had gezonden. Enz. Toen dit ’n uur geduurd had, kwam Schaper in mijn buurt. Ik zei hem: ‘Men kan wel zien dat uw interpellatie ernstig gemeend is! Wat ’n figuur sla je bij de arbeiders!’ Dit sloeg in. Hij vroeg ’t woord en zei dat de obstructie op zou houden – voor vandaag natuurlijk –  wanneer de rechterzijde beloofde geen motie tot sluiting van het debat voor te stellen. De president zei terstond: ik stel voor dat de interpellatie tot half vijf mag duren. Aangenomen! Rechts waren sommigen boos. Ik was er blij mee. Vier dagen heb ik nu in de Kamer zitten verlummelen!

            Toen ging alles vrij goed. Onderwijl kwamen drie sociaal-democraten bij me, Hermans, K. ter Laan en nog een, die mijn bemiddeling vroegen om een eind aan de obstructie te maken! Ik moest vooral niet denken dat men mij onaangenaam wilde zijn! Ik antwoordde: ‘Jelui zijt te ver gegaan; ik zie geen mogelijkheid om na hetgeen gebeurd is eenige inschikkelijkheid van de rechterzijde te verkrijgen; dat zou als een succes voor de obstructie uitgelegd worden; dat mag men niet risqueeren.’ Tenslotte kwam om half vijf de motie in stemming. Allen stemden tegen, behalve de sociaal-democraten.  Ik ben er dus goed tusschen uit gekomen. Maar dinsdag begint de herrie eerst recht!

dagboekcahier 7

11/06/1920

vrijdag 11 juni 1920

De week is bijna om. ’t Is meegevallen. De toestand heeft zich zeer gunstig ontwikkeld. De algemeene werkstaking was tegen dinsdag afgekondigd. Ze is een groot fiasco geworden. Blijkbaar onder den indruk daarvan hebben de socialisten in de Kamer hun obstructie laten varen. Het voorstel van den president dat heden al [de] algemeene beschouwingen zouden moeten afloopen is zonder herrie aangenomen.

            Zoo ziet ’t er thans heel anders uit dan velen verwacht hadden. De vrijzinnigen hebben zelfs weer moed geschept en zullen nu ook voor de anti-revolutiewet stemmen; alleen de vrijzinnig-democraten blijven ertegen. Ik ben nu eigenlijk bang voor iets geheel anders: dat de reactie haar kop zal opsteken. Ik zal daarvan als eerste slachtoffer vallen. Enfin, ook dat komen we wel te boven. Ik heb de roomsche en christelijke arbeiders achter me en daarom zullen ze mij wel moeten ontzien.

dagboekcahier 7

19/06/1920

zaterdag 19 juni 1920

Een warme week achter den rug! In mijn  nieuwe departementsgebouw was ’t ’s middags 83o. Toch veel werk aan den winkel. Ik heb vier wetsontwerpen in staat van wijziging – de wijziging Invaliditeitswet voor de gemoedsbezwaarden, de reorganisatie van de Rijksverzekeringsbank, een wijziging van de Radenwet om de Raden van Arbeid onder de finantieele controle van de Verzekeringsraden te brengen en een suppletoire begrooting van ruim twaalf millioen in hoofdzaak voor de reorganisatie van ’t Staatstoezicht op de Volksgezondheid, welke vier ontwerpen ik hoop dat de Kamer nog vóór ’t reces – dus voor ± 1 juli – zal behandelen. En dan heb ik nog een interpellatie op a.s. vrijdag over de uitsluiting in de bouwvakken. Die zaak zal me nog veel tijd kosten. Tegen woensdag heb ik de werkgevers- en arbeidersorganisaties op mijn departement genoodigd quasi om mij over den toestand voor te lichten met het oog op de interpellatie, maar feitelijk om te zien of er voor mij iets te doen valt. ’t Is toch een gruwel dat thans, nu er zoo groote woningnood is, het geheele bouwbedrijf  gedurende wellicht twee à drie maanden zal worden stopgezet. Maar ook zónder dat is de toestand in dat bedrijf onhoudbaar. De opperlieden, metselaars, timmerlieden verdienen loonen van meer dan f 100,– per week! Aan de bouw van ’t Academisch Ziekenhuis te Leiden verdienen de metselaars thans meer dan voor twee jaar een hoogleeraar! Gevolg: steeds duurder huizenbouw. In Amsterdam gaat een gewone arbeiderswoning al ± f 10.000,– kosten. Die zouden dus een huur van f 16,– per week moeten opbrengen, evenveel als ’n arbeider in 1914 verdiende! De bouwvakarbeiders zijn de oorlogswinstmakers onder de werklieden. Ik zie maar één oplossing: aanzienlijke vereenvoudiging van den bouw en vaststelling van maximumloonen in de bestekken: dus ’t omgekeerde van vroeger toen minimumloonen werden voorgeschreven! Daar zal wel een gebrul: reactie! opgaan als ik dat zeg, maar ’t moet. De woningnood neemt nog steeds toe. Dat is een werkelijke ramp voor ons volk.

            Deze week is er christelijk internationaal vakvereenigingscongres gehouden. Ik ben er een middag geweest. Maar achter de schermen heb ik me er druk mee bezig gehouden. De Duitschers wilden alleen interconfessioneele vakvereenigingen tot de te stichten internationale toelaten en bovendien mocht ’t secretariaat niet in ons land – met zijn katholieke vakvereenigingen! – gehouden worden. ’t Is een heete strijd achter de schermen geweest, maar ze hebben ’t verloren! Goddank!

            Op ’t congres ontmoette ik ook Huszar, den afgetreden minister-president van Hongarije. Ik denk dat hij morgen bij me komt. Ook krijg ik morgen bezoek van mgr. dr. Poels. Ook Jo komt morgen voor drie dagen logeeren. Deze week is prof. Aengenent geweest en de week daarvoor – tien dagen – père de Louw, die voor de Missieweek hier was. ’t Is ’n drukke tijd: al dat bezoek komt me bitter slecht gelegen! Enfin, als de Kamer over veertien dagen op reces gaat, krijg ik tot half september wat meer rust.

dagboekcahier 7

28/06/1920

maandag 28 juni 1920

Vrijdag is de interpellatie niet aan de orde gekomen. Die dus morgen. Ook komen deze week mijn vier wetsontwerpen aan de orde. Daar de Kamer vrijdag op reces wil gaan, zal ’t wel vlot gaan. Gelukkig, want er zitten verschillende netelige questies in.

            De conferentie verleden woensdag met de werkgevers- en arbeidersorganisaties in het bouwbedrijf is voor de helft goed geloopen: om elf uur begonnen had ik de lui om kwart over twee zóó ver dat met algemeene stemmen mijn voorstel aangenomen werd dat ik een commissie van enquête zou benoemen. Ik stelde toen voor om hangende deze enquête een wapenstilstand te sluiten: de uitsluiting en alle partieele stakingen zouden opgeheven worden. Doch op welke voorwaarden zou gewerkt worden? Daarop liep’t vast. Ik schorste de vergadering tot vier uur. Toen duurde ’t tot kwart over zes, maar zonder resultaat.

De uitsluiting is dus doorgegaan. Misschien is dit nog zoo kwaad niet. In de havens is na de staking de werklust der arbeiders ook verbeterd.

            Van de koningin heb ik een aardigen brief  gekregen. Zij deelt mij mede dat de commissie van het Vredesfonds haar alleen heeft voorgesteld dit geld te bestemmen voor de Internationale Academie voor Internationaal Recht en niet – zooals ik had geadviseerd: voor een instituut voor kinderhygiëne. Ze heeft er haar goedkeuring aan gehecht, maar uit ’t feit dat zij zoo vriendelijk is mij dit mee te deelen, blijkt wel dat ze ’t liever anders had gewenscht! Maar die mededeeling is wel een lieve attentie van haar. Moet ik daar nog op antwoorden? Ik zal ’t baron van Geen eens vragen.

            [Allerlei huiselijke zorgen. Onze dienstboden gaan 1 augustus weg, omdat ze dichter bij haar vrijers in Leiden en Haarlem willen zijn! We hadden terstond twee anderen – zusters – die buitengewoon goed waren. We waren al zeer verheugd! Eergisteren sturen ze echter haar ‘Godspenning’ weer terug: ze blijven waar ze zijn! Zoo zitten we waarschijnlijk met 1 augustus zonder dienstboden!

            De vorige week kwam Victor van de Loo, student uit Delft, die ’t volgend jaar klaar is, bij Lize om haar te vragen of ze goed vond,  dat hij wat meer kennis met Lou maakte! Dat is al numero twee. Maar evenals nummer een is hij tien jaar ouder! En gelukkig, onze achttienjarige Lou wil er ook niet van weten. Maar nu komt ze gisterenavond schreiend thuis: ze was weer gevraagd door een student te Leiden, Max van Dam – óók achttien jaar! Maar dan moet ze mee naar Indië. ‘Dat kan ik toch niet doen?’ Maar hij had toen zóó bedroefd gehuild dat ze toch meelij met hem had.’t Is ’n aardige, brave jongen.

            Aber – onze lieve Lou – Lize rediviva! – naar Indië! De hemel beware er ons voor! Er is er nog een – Frits Claassens – die werk van haar maakt. Ook ’n Leidsch student – twintig of een-en-twintig jaar – ’n aardige, knappe jongen. Maar in hem schijnt ze geen zin te hebben. Ik zou ’t niet graag pousseeren, maar ik geloof wel dat dat ’n goeie jongen voor haar zijn zou!

            De voorspelling, zoo dikwijls gehoord, dat wij niet met onze zes dochters zouden blijven zitten begint al aardig in vervulling te gaan. An heeft met Frans de vorige week ’t Leidsche lustrum meegemaakt en natuurlijk enorm veel lol gehad!][18]

dagboekcahier 7

16/07/1920

vrijdag 16 juli 1920

Drukke dagen heb ik achter den rug. Bijna iederen dag twee of drie groote conferenties. Gisteren en vandaag heb ik van tien tot half zes bijna aan één stuk geconfereerd over woningbouw, werkloosheid en vooral over de uitvoeringsmaatregelen van de Arbeidswet. ’t Gaat er nu [om] spannen. Zoowel arbeiders als werkgevers beginnen onrustig te worden. Ik blijf er kalm onder. Naar aanleiding van artikelen in Het Volk en open brieven van Nijverheidsraad en groote werkgeversvereenigingen heb ik in den vorm van een brief aan de redactie in ’t Katholiek Sociaal Weekblad , dat morgen uitkomt, een stuk geplaatst om mijn standpunt nog eens klaar en krachtig uiteen te zetten.

            Zondag 4 juli ben ik naar Arnhem getrokken om maandag en dinsdag 5 en 6 juli de jaarvergadering van de Maatschappij van Geneeskunde bij te wonen. ’t Was de 71ste, maar nog nooit was er een minister geweest. Na de openingsrede van dr. Sikkel hield ik een warme toespraak waarin ik mijn geheele program voor de volksgezondheid uiteenzette met een oproep tot de dokters om medewerking. Dat  sloeg geweldig in. Aan ’t diner op dinsdag heb ik ’n toost op de Maatschappij geslagen. Van verschillende kanten hoorde ik dat ik de harten stormenderhand veroverd had!

            Vrijdag ben ik weer bij de koningin geweest. ’t Onderhoud ging weer over de Weensche en Nederlandsche kinderen, en over ’t woningvraagstuk. Aan ’t slot zei H.M.:

‘En nu gaat u zeker toch ook eens vacantie nemen?’

‘Ik hoop het; ik denk een dag of tien naar Heerlen te gaan; ik kan dan nog eens wat woningbouw zien.’

‘Dat is heel mooi, maar denk er aan: u moet nu ook eens wat rust nemen.’

            Maandag 12 juli vergaderde de Hooge Raad van Arbeid. Goed verloopen. Het werktijdenbesluit en ’t wetsontwerp over de collectieve arbeidsovereenkomst werd behandeld. ’t Duurde van een tot half zes. Maar ’t was ’n goede vergadering.

            Woensdag ministerraad. Ruijs deed mededeelingen over de finantieele toestand van de koningin-moeder. Ze gaat steeds meer achteruit. Willem III liet haar vooral Russische effecten na die nu niets meer waard zijn. H.M. wilde nu aan de staat ’t paleis op de Kneuterdijk,  voor zes jaar nu afgestaan voor een ambtswoning voor de minister van Buitenlandsche Zaken, verkoopen. ’t Zal wel anderhalf à twee millioen waard zijn. Met dit bedrag wil zij dan van haar moeder ’t paleis in ’t Voorhout overnemen. ’t Is toch treurig dat ’t Koninklijk Huis op die manier moet scharrelen om ’t hoofd – finantieel – boven water te houden. Bij de grondwetsherziening willen we de toelagen voor de koningin en voor de koningin-moeder verhoogen. Maar dat duurt nog te lang en is onzeker. De koningin heeft alleen voor haar personeel een half millioen per jaar méér noodig dan in 1914.

            De volgende week komen mijn vier wetsontwerpen in de Eerste Kamer, 28 juli, dan nog Hooge Raad van Arbeid; en dan ga ik in augustus eens wat rust nemen. ’k Voel me goed, maar ’t wordt toch noodig.

Van 21-31 augustus gaan Lize en ik naar Heerlen. Zij mag waarlijk ook wel eens wat hebben. Overigens houd ik mijn vacantie thuis. In deze bar dure tijden valt aan uitgaan niet te denken! Verleden jaar heb ik f 3600,– meer uitgegeven dan mijn inkomen was![19]

dagboekcahier 7

26/07/1920

maandag 26 juli 1920

De Eerste Kamer heeft alleen mijn suppletoire begrooting in afdeelingen behandeld. Maar mijn wetsontwerpen laten liggen! Dat is ook jammer. Nu wordt ’t eind september of begin october! ’t Is anders ’n drukke week geweest. Veel audiënties, hoofdzakelijk over de Arbeidswet. Dinsdagavond ben ik aan ’t diner van den Middenstandsbond geweest, waar ik ’n tafelrede hield. Woensdagmorgen woonde ik de vergadering bij waar ik ook uitgenoodigd werd ‘een woordje te zeggen’. Vandaag vergaderde weer de Hooge Raad van Arbeid. De heele lange agenda werd nu afgehandeld. Zoo zijn nu alle algemeene maatregelen voor de uitvoering der Arbeidswet, althans voor fabrieken en werkplaatsen, gereed.

            Vandaag werd onze kleine Lies negen jaar. Ze heeft veel weg van onze lieve Gukie. Zou er nog wel één dag geweest zijn, dat ik niet aan haar dacht?[20]

            Woensdag ga ik ’t R.K. Sanatorium voor Longlijders van Herwonnen Levenskracht openen. Ik heb het geheele benoodigde bedrag toegezegd en niemand in de Kamer heeft er bezwaar tegen gehad! Nu nog ’t R.K. Sanatorium in Limburg. Dat schiet ook al op.

Woensdag zijn in den ministerraad de ridderorden voor 31 augustus behandeld. Ik heb mgr. Van de Wetering en prof. De Groot er nog op gekregen. Zelf, voor mijn eigen departement, heb ik maar weinig voorstellen gedaan. Onder andere mijn oude vriend Verkuyl te Boxmeer als sociaal werkgever. Hij verdient het! Hij was altijd een trouw bezoeker der Sociale Weken.

dagboekcahier 7

04/09/1920

zaterdag 4 september 1920

[Ziezoo, nu heb ik eens vijf weken vacantie genomen. En ’t is werkelijk grootendeels vacantie geweest. Wel kreeg ik iederen dag een tasch met stukken ter teekening, maar op ’n paar uitzonderingen na had ik toch niet anders te doen dan te teekenen. Veel weer is ’t niet geweest. Maar toch heb ik nogal gewandeld. Verder krantjes gelezen en een paar romannetjes: L’étape van Paul Bourget, Recommencement, ook van Bourget; een bundel novellen, Les yeux qui s’ouvrent van Henry Bordeau, Mon oncle et mon curé van Le Bret.

            Van 21–31 augustus zijn Lize en ik in Heerlen geweest. We logeerden weer bij de  Meulemannetjes. Veel regen, nog meer wijn en nòg meer schik. Dat is zoowat de juiste samenvatting van die tien dagen.][21]

4 augustus kon de ministerraad net doorgaan, we waren juist met zes man. 5 augustus met Aengenent een avond (tot over één uur!) bij Nolens geweest. Hij is toch wel een merkwaardig type. Hij vertelde ons veel over de conferentie te Genua en over zijn bezoek aan Rome.

[16 augustus mijn jaarlijksche wandeling met pastoor Van de Ven gemaakt en ’s avonds met Lize, An en Frans bij hem gedineerd.

17 augustus met Lize naar Voorburg geweest. Arme heeroom! Wat heeft de jicht hem leelijk te pakken. ’t Is zielig om te zien; hij kan bijna niet meer loopen. En dan pas even in de vijftig! De week tevoren waren we samen naar Jo geweest in Haarlem. Die maakt ’t beter!

18 augustus heb ik de Hygiënische Tentoonstelling geopend. ’s Avonds een uitstekend diner op de Witte Brug. Ook 7 augustus heb ik daar gegeten: we hadden toen commissarisvergadering van Futura.][22]

19 augustus ben ik een dag op ’t Hygiënisch Congres geweest en 20 augustus weer met deze congresgasten een diner op ’t Kurhaus.

Den volgenden ochtend kwart voor negen vertrokken we naar Heerlen. Ook daar was ’t als maar eten en drinken. Ik ben deze maand beslist weer dikker geworden. Mijn vesten zijn weer te nauw![23]

Nauwelijks terug, was ’t op 1 september weer ministerraad en op 2 september weer een diner op de Witte Brug, nu met de leden van de Algemeene R.K. Werkgeversvereeniging die vijf jaar bestond. Ook Ruijs en Van IJsselstein waren er. Aan tafel zat ik naast Nolens. Hij beklaagde zich erover dat de Nederlandsche kranten niets vermeld hadden van ’t mooie artikel dat prof. Francke in Soziale Praxis heeft geschreven over zijn werkzaamheden en invloed op de arbeidsconferentie te Genua. Ik heb de nummers dadelijk van ’t departement laten komen, en er vandaag een artikel van gemaakt voor ’t Katholiek Sociaal Weekblad. ‘Joh. Kerkvliet Asz.’,   zoo onderteeken ik tegenwoordig mijn artikelen over sociale wetgeving en woningpolitiek, en ‘mr. J. v.d. Bosch’, die over de sociale verzekering. Voor ik naar Heerlen ging heb ik ook nog ’n artikel geschreven over drankmisbruik en arbeidsduur dat nu door de heele pers de rondte doet. Zouden ze ruiken dat die artikelen van mij zijn?

[Ik begon vast te loopen met mijn finantiën. Hoe zuinig we ’t ook aanleggen, we geven nog steeds meer uit dan ons inkomen is. Alles is ook zoo schrikbarend duur en je wordt nog als minister extra afgezet. Ons groote gezin verslindt sommen! Zoo had ik mijn krediet bij de Hanzebank – f 35.000 – reeds overschreden. Ik heb nu f 11.000 opgenomen op mijn levensverzekeringspolis van de ‘New York’. Ik wilde nu een suppletoire verzekering sluiten, groot f 10.000. Dan komt Lize er later niet tekort mee. Vandaag ben ik gekeurd. Na afloop zei de dokter: ik feliciteer u; alles is in orde; uw longen  zijn totaal genezen; van de vroegere infectie is niets meer te bespeuren; hart en nieren zijn volmaakt in orde en ook geen andere afwijkingen heb ik kunnen vinden.][24] Mijn twee ministerieele campagnejaren hebben me dus althans lichamelijk geen kwaad gedaan.

            Geestelijk wel: met mijn studie ben ik twee jaren ten achteren. Er is absoluut geen tijd, om een boek te lezen of tijdschriften bij te houden. ’t Beetje vrije tijd dat ik heb gaat weg met kranten lezen en artikelen schrijven voor ’t Katholiek Sociaal Weekblad. Enfin. Dat zal ik later wel weer inhalen. Wie weet hoe gauw!

            De algemeene maatregelen van bestuur voor de uitvoering der Arbeidswet zijn nu gereed. Enkele zijn nog bij den Raad van State. Komen ze spoedig terug, dan kan de Arbeidswet, althans voor fabrieken en werkplaatsen 1 october, uiterlijk 15 october in werking treden.  Dan zijn we alle andere landen vóór op dit gebied!

            Wel heb ik voor de twee eerste jaren voor de  textiel- en de metaalindustrie 48, in plaats van 45 uren toegestaan en voor de metaalindustrie bovendien ’t tweeploegenstelsel. Verder durfde ik niet te gaan. ’t Zal wel groote ontstemming bij de arbeiders geven, maar ik mocht niet anders na de gegevens waarover ik beschikte bestudeerd te hebben.

            Evenzeer is al reeds ontstemming gewekt over mijn circulaire betreffende de woningbouw. Ik heb de eischen wat lager gesteld. Ook dat kon niet anders: materialen en arbeidskrachten zijn zóó duur, dat wij finantieel spaak loopen. Begin october zullen nu wel de vier woningwetten behandeld worden. Ik zal me goed prepareeren.

            1 september is de nieuwe Gezondheidswet in werking getreden. Een belangrijk feit, omdat daarmee samenhangt de totale reorganisatie van ’t Staatstoezicht op de Volksgezondheid. ’t Wetsontwerp op de ziekenfondsen heb ik nog vóór augustus  ingediend, dat op de gezondheidsdiensten komt de volgende maand. Dan nog de wijziging van de Wet op de Besmettelijke Ziekten. Wanneer ik dat ook nog voor elkaar krijg, heb ik voor de volksgezondheid in vier jaar tijds méér gedaan dan in de afgeloopen twintig jaar bereikt is! Op medische congressen en in medische tijdschriften krijg ik alsmaar loftuitingen te hooren. Eerst waren ze boos dat ’n jurist minister was en een jurist directeur-generaal van de Volksgezondheid; thans zijn ze bekeerd en zien ze in dat, als we ons maar goed laten voorlichten, wij heel wat weten te bereiken.

            Maandag ga ik weer met frisschen moed aan ’t werk. Maar ’t wordt nog een rommelige week: morgen komt Jo, dinsdag prof. Aengenent, woensdag heb ik beloofd met Lou naar ’t Beethovenconcert te gaan, donderdag heb ik den pastoor beloofd een avondje te komen ‘kletsen’, enz.[25] Maar dan ga ik weer voorgoed aan ’t werk!

dagboekcahier 7

11/09/1920

zaterdag 11 september 1920

Terwijl ik in Heerlen was, heb ik een zeer belangrijke beslissing genomen. Aanvankelijk was mijn voornemen om aan de metaalindustrie geen overgangstermijn naar de 45-urige werkweek toe te staan; wèl haar te vergunnen met twee ploegen te stellen. Begin augustus ontving ik echter belangrijke gegevens, waaruit bleek dat wegens de lage valuta en betrekkelijk lagere loonen, onze metaalindustrie reeds thans maar moeilijk met de Duitsche en Belgische industrie kan concurreeren. Ik zond die gegevens naar den directeur-generaal van Arbeid met verzoek dit nog eens ernstig na te gaan. In juli had de Hooge Raad van Arbeid echter alreeds – trouwens conform mijn toenmalig voorstel – geadviseerd om geen overgangstermijn toe te staan; wèl aan de textielindustrie: gedurende twee jaren 48 uur.

            Terwijl ik in Heerlen was, kwam ’t advies van den directeur-generaal – naar ik later hoorde na overleg met den minister van Landbouw, Nijverheid en Handel: hij durft ’t ook niet meer aan, maar was ook voor de  metaalindustrie voor ’n overgangstermijn van twee jaar, 48 uur. Toen ik hier mijn ‘cf.’ onder schreef, zei ik tot dr. Meuleman, die erbij zat: dat is ’n beslissing, waar ik veel verdriet van zal hebben!

            Omdat ik begreep dat de arbeiders vooral na ’t advies van den Hoogen Raad van Arbeid zeer teleurgesteld zouden zijn, verzocht ik den directeur-generaal de vakvereenigingsbestuurders bij zich te laten komen en hun de zaak uit te leggen.    Hij deed dit eenigszins onhandig. Hij schreef hun: zóó heeft de minister beslist; indien gij de redenen nader wilt vernemen, dan verwacht ik u vrijdag 10 september om twee uur bij mij. Zoowel de katholieke bond als de sociaal-democratische antwoordde erop: dank je wel, we kennen de argumenten der werkgevers allang!

            Maar ’t spektakel tegen mij brak terstond los. Het Volk schrijft er fel over; het Katholiek Vakbureau nam eenstemmig een motie van afkeuring aan en … droeg het bestuur op bij mij audiëntie aan te vragen om me te bewegen op mijn beslissing alsnog  terug te komen. Ik zou ze nu ook kunnen antwoorden: dank je wel, ik ken de argumenten der arbeiders reeds! De ondergrond van deze woede ligt in de loonquestie. De loonen in de metaalindustrie zijn laag. De arbeiders willen nu als basis de 45-urige werkweek; hebben ze deze, dan willen ze dolgraag overuren maken die dan extra betaald worden! Maandag komt Steenhoff van Het Centrum bij me om me te interviewen. Ik zal hem behoorlijk inlichten!

            Bij deze campagne komt nu die tegen de woningpolitiek. Door Finantiën gedwongen, heb ik de eischen voor de woningbouw moeten verlagen. Inde irae! Maar ’t kàn eenvoudig niet anders. En als nu binnenkort mijn – ook door Finantiën! – zoo sterk besnoeide aanvulling van de Invaliditeitswet komt – ook weer een tegenvaller voor de arbeiders! – dan zal ’t spektakel nòg grooter worden.

            Dit zie ik aankomen: als ik me vier jaren lang halfdood zal hebben gewerkt,  zal ik dit bereikt hebben dat ik bij de arbeiders de meest gehate man ben! Ze letten niet op wat je doet, alleen op wat je niet doet. Enfin, dat heb ik vooruit geweten. Ik doe mijn plicht en Onze Lieve Heer zal ’t later wel weer goed maken.

            Woensdag was ’t ministerraad. De sluitingsrede werd vastgesteld. Ik had Ruijs opgegeven, welke wetsontwerpen van mijn departement in ’t  Staatsblad waren gekomen. ’t Was een heele serie! Evenwel, ze zullen niet genoemd worden. Alleen een algemeene frase: verschillende wetsontwerpen kwamen tot stand in het belang der arbeiders van de volksgezondheid en van de volksontwikkeling.

            Met de troonrede kreeg ik moeite. Ik had onder andere ook opgegeven: Landbouwarbeidswet en Scheepsarbeidswet. Vooral Van Karnebeek en Van IJsselstein verzetten zich hiertegen. Ze wilden die wetsontwerpen eerst zien, – ik moest nu eens uitscheiden met sociale wetten maken  – de boeren zouden helsch worden – de productie moest bevorderd worden, niet belemmerd – de scheepsarbeid mocht niet geregeld worden na de negatieve beslissing te Genua, enz. Toen ben ik ook uit mijn slof geschoten en heb ze eens goed de waarheid gezegd. Ongelukkigerwijze zei ik: ‘Of ze in de troonrede genoemd worden of niet genoemd worden, kan me niet schelen, maar ingediend zullen die wetsontwerpen worden en wel zoo spoedig mogelijk!’ Daarvan maakte Ruijs gebruik om te zeggen dat ik dus blijkbaar zelf geen prijs op de vermelding stelde, er stond al genoeg van me in de troonrede, dus. En zoo werden ze geschrapt!

            Van Karnebeek deed belangrijke mededeelingen over België. De minister-president Delacroix had aan onze gezant gezegd dat hij gaarne met ons tot overeenstemming zou willen komen; hij wilde daarvoor zelfs wel naar Den Haag gaan. Ik had ’t zelfde vernomen van pater Cassianus Hentzen die ’t zelfde van een professor te Leuven gehoord had.

            Van de week kwam de voorzitter der Tweede Kamer bij me, mr. Fock. Hij stelde me voor de behandeling der woningwetten op 19 october te beginnen. Ik heb dus nog een goede maand den tijd om me te prepareeren. Voor ’t wetsontwerp op de ziekenfondsen – dat ’n goede pers heeft – wilde hij een speciale commissie benoemen.

            De gouverneur-generaal van Nederlandsch Indië heeft tegen april ontslag gevraagd. We hebben eerst Colijn gevraagd: zooals we verwachtten heeft hij bedankt. Nu wordt Fock gevraagd die wel zal aannemen. Jammer dat we in hem een uitnemenden voorzitter van de Tweede Kamer verliezen. Koolen is zijn aangewezen opvolger. Aber – een katholieke minister-president – een katholieke voorzitter van de Eerste Kamer – en nu weer een katholieke voorzitter van de Tweede Kamer! Dat wordt van het goede teveel!

            Ik ga ’n drukke week tegemoet. Iederen dag vier à vijf conferenties – dinsdag Katholiekendag te Leiden – woensdag woningen zien te Rotterdam! enz.

dagboekcahier 7

20/09/1920

maandag 20 september 1920

Een drukke week is achter den rug. Tal van conferenties met vereenigingsbesturen vooral over werkloosheidsverzekering en Arbeidswet. Vanmiddag nog een met ’t R.K. Vakbureau. Goed afgeloopen; ik geloof dat ik de lui wel overtuigd heb dat ik met de metaalindustrie niet anders kòn handelen. In de socialistische en de vakpers gaat de herrie nog door. Ik had ook niets anders verwacht en voel me er heel kalm onder.

            Dinsdag naar de Katholiekendag te Leiden geweest. Aan tafel een rede gehouden. Vele oude bekenden gezien! Donderdag naar Rotterdam geweest om ’t tuindorp Vreewijk te zien. ’t Is schitterend!

            Morgen opening der Staten-Generaal. De troonrede is kort, ook wat mijn departement betreft. De ministerraad schrapte de scheepsarbeidswet en de landarbeidswet. Toch zullen ze dit jaar ingediend moeten worden. De memorie van antwoord voor de Ongevallenwet kwam deze week gereed,  terwijl ’t wetsontwerp tot instelling van gezondheidsdiensten heden naar den ministerraad werd gezonden. ’t Kost zeven ton! Ik ben benieuwd of ik ’t er door zal krijgen!

            Als morgen de Tweede Kamer bijeenkomt, zou ’t me niet verwonderen of er werd een interpellatie aangevraagd over de invoering van de Arbeidswet. Dat komt slecht uit, daar ik vrijdag naar Heerlen wil gaan, omdat zaterdag H.M. de koningin de eerste steen voor de nieuwe Vroedvrouwenschool komt leggen.

            Donderdag moet ik in de Eerste Kamer zijn voor de behandeling van de Radenwet. ’t Stond ’t laatst op de agenda; op mijn verzoek heeft de president dit veranderd en ’t wetsontwerp nummer 1 gezet. Ik heb daarom aan de voorzitter der Tweede Kamer geschreven dat ik zoo noodig donderdag bereid was deze interpellatie te beantwoorden. We zullen dus maar afwachten.

            Jammer dat ik dinsdag niet in den ministerraad kon zijn. Mijns inziens is het  verkeerde besluit gehandhaafd om de zeven procent aftrek voor weduwenpensioen te handhaven. Wel worden overeenkomstig mijn wensch de kindertoelagen verhoogd en procentgewijze (twee en half procent van ’t salaris, tot een maximum van f 200,– per kind) zonder salarisgrens, vastgesteld. Dit is tenminste een groote verbetering!

dagboekcahier 7

06/10/1920

woensdag 6 october 1920

De verwachte interpellatie over de 48-uur in de metaalindustrie is achterwege gebleven.

            [Met een gerust hart ben ik dus vrijdag 24 september met Lize naar Heerlen vertrokken. Zaterdag kwam de koningin den eersten steen voor de nieuwe Vroedvrouwenschool leggen. Ook mgr. Schrijnen, Ruijs, dr. Nolens en vele anderen waren aanwezig. Aan belangstelling dus geen gebrek. Bij de plechtigheid sprak H.M. me tweemaal aan. Ze was zeer vriendelijk en bleek op de hoogte van mijn plan om nog een paar dagen in Zuid-Limburg te blijven. Om vijf uur was er een diner. Ik zat naast mgr. Schrijnen, tegenover Ruijs. ’t Was goed en gezellig!

            Om negen uur ’s avonds trokken wij met een  auto naar Maastricht, waar we bij mr. Dumoulin, vice-president van de rechtbank, logeerden. Zondag groot diner ter ere van zijn verjaardag. Maandagochtend ben ik met den burgemeester betonwoningbouw wezen zien. Om twaalf uur bij Phons Schmedding geluncht. Heerlijk dat we elkaar weer eens ontmoet hebben! Maandag om twee uur weer per auto naar Sittard, waar ik een vergadering van ’t hoofdbestuur van ’t Groene Kruis bijwoonde. Om half vijf weer terug naar huis. Het waren drukke, doch dolgenoeglijke dagen.

Van mijn verblijf te Maastricht op zondag profiteerde ik ook om pater Schmeits, mijn vroegere leermeester op de vijfde Latijn in Katwijk, te bezoeken die 50 jaar jezuïet was dien dag. Hij was zeer verrast!][26] Donderdag 30 september heb ik ’t Pharmaceutisch Instituut geïnstalleerd.

            Vrijdag 1 october ministerraad tot ’s avonds half elf! Vooral de salarisregeling der ambtenaren, speciaal der postambtenaren, kwam ter sprake. Steeds meer wreekt  zich het domme besluit [over][27] de aftrek van zeven procent van ’t weduwenfonds! Ze hebben zich daarmee vastgewerkt. Ik stelde voor erop terug te komen. Maar behalve bij Heemskerk vond ik bij niemand steun.

            Zaterdag 2 october naar ’s-Hertogenbosch geweest: vergadering Katholieke Illustratie. Maandag 4 october weer ministerraad. Ik kreeg er mijn wetsontwerp op de gezondheidsdiensten door. Finantiën had zich weer verzet. Gisteren – dinsdag 5 october – met Lize naar Katwijk geweest. Sinds lang had ik beloofd eens te komen dineeren. Thans is ’t er eindelijk van gekomen. ’s Avonds thuiskomende, vernam ik dat er een staking bij de post was uitgebroken! Ik had ’t verwacht.

            Vanmorgen om half tien weer ministerraad. Er zijn krasse besluiten genomen. De organisaties hadden Ruijs een telegram gezonden, waarin ze meedeelden dat de staking al weer geëindigd was en hem thans een onderhoud vroegen om half elf. Besloten werd: het niet toe te staan. De Visser en ik waren voor een iets meer toeschietelijke houding.

            Ik vrees dat het gevolg hiervan zal zijn òfwel een nieuwe, meer algemeene staking, òfwel – wat veel erger is – sabotage van den dienst. Vooral Ruijs en Van Karnebeek zijn voorstanders van een stramme houding.

            Morgenochtend moet ik naar de opening van het Kunst Congres – morgenavond naar ’t diner. Daar zal ik wel een speech moeten houden. Maar wàt te zeggen?! Vanmiddag den Gezondheidsraad geïnstalleerd met een betrekkelijk uitvoerige rede. Zaterdag vergadering van den Hoogen Raad van Arbeid. Ik ben benieuwd of er spektakel komt over mijn beslissing betreffende de 48 uur in de metaalindustrie.

dagboekcahier 7

08/10/1920

zaterdag 8 october 1920

Een in verschillende opzichten belangrijke week is achter den rug. Na de mededeeling van Ruijs over de postorganisaties dat hij ze niet wilde ontvangen is in Amsterdam de staking geproclameerd. Onze eerste ambtenarenstaking! Er moest nu krachtig  worden opgetreden. En gelukkig, ’t heeft een goed effect gehad. Gisterenavond is de staking alweer opgeheven, ofschoon we geen enkele concessie of zelfs maar toezegging gedaan hadden. Maar nu moet er ook voor de menschen gezorgd worden. De Vries kwam gisteren met ’n voorstel in den ministerraad dat weer echt ‘Finantiën’ was! Pietepeuterig en ingewikkeld en bovendien principieel gevaarlijk. Verleden jaar hadden we uitdrukkelijk verklaard dat we nu voor ’t laatst ’n extra uitkeering deden.

            Op 1 januari trad de nieuwe salarisregeling in werking. Dus nu moest ’t met die duurtetoeslagen en uitkeeringen maar uit zijn. Toch wilde hij nu weer een uitkeering ineens van f 200,– geven. Dan zitten we er voorgoed aan vast! Ik ben eens flink uit mijn slof geschoten. Ik wees erop dat de grondfout was dat ze in december tijdens mijn afwezigheid teruggekomen waren op ’t vroegere besluit om geheel premievrij pensioen te geven en nu zeven procent voor ’t  weduwen- en wezenpensioen af te trekken. Feitelijk werden daardoor de door de salariscommissie voorgestelde loonen met zeven procent verminderd. Dat inhouden van verdiend salaris werkte verbitterend, vooral bij de nog steeds stijgende duurte. Sinds 1 januari waren de levensmiddelen met ± 7¼% gestegen. Veel beter dan ’t voorstel De Vries was dus mijns inziens om terug te komen op ’t te onzaliger ure genomen besluit. Dat beteekende dus een loonsverhooging van zeven procent – dus toevallig geheel parallel met de gestegen prijzen – , terwijl we konden teruggeven, wat sinds 1 januari was ingehouden. Feitelijk werkte dit dus thans ook als ’n uitkeering ineens, terwijl ’t principieel dit niet was: ’t was niet een gift, maar restitutie. Een der grootste grieven zou daarmee tevens zijn weggenomen. Het eerst viel Van Karnebeek me bij: hij erkende dat achteraf nu gebleken was dat ik ’t altijd bij ’t rechte einde had gehad; ook zou ’t de belastingbetalers minder prikkelen, wanneer ’t in dezen  vorm gegeven werd. Toen kwamen ook De Visser, Heemskerk en Van IJsselstein zich bij mij scharen. Ruijs was ’t er wel niet mee eens, maar hij hield zijn mond. Besloten werd dat Ruijs, De Vries, König, Van IJsselstein en ik maandag half drie bij elkaar zouden komen om voor de ministerraad van vier uren een voorstel te formuleeren. De Vries kon zich er dan ook nog eens over bedenken.

            Donderdag ben ik op ’t kunstenaarscongres geweest; De Visser en ik waren eere-presidenten. ’s Avonds aan ’t diner was ik er alleen en moest ik daar ’n rede houden. Ik was nogal goed op dreef: ik zette mijn opvatting over kunst-kunstenaars uiteen: de kunst de afspiegeling van de absolute schoonheid = God, de kunstenaars de begenadigden onder ons, die deze schoonheid tot ons brengen. In dit mondaine milieu een ietwat gewaagde rede. Maar na tafel kwam er een dame naar me toe die me vroeg me de hand te mogen drukken;  hoewel niet katholiek, had ’t haar goed gedaan dat ik dat woord, dat op ’t heele congres niet gehoord was, daar had uitgesproken. De Visser vertelde me den volgenden dag dat hij van verschillende lui gehoord had dat mijn rede zoo ingeslagen was. Ook wie ’t niet met me eens waren hadden eerbied getoond voor mijn overtuiging.

            Vandaag een belangrijke vergadering van den Hoogen Raad van Arbeid gepresideerd. De verwachte storm bleef totaal uit! Niemand sprak over mijn niet-volgen van ’t advies over de metaalindustrie! De geheele vergadering ging heen met een allerinteressantst debat over de vraag of de verplichte ziekteverzekering moest worden ingevoerd of dat eerst eens onderzocht moest worden, wat reeds bestond; men meende dat de heele wet niet noodig was, maar dat volstaan kon worden met ’n bepaling dat de werkgevers verplicht  waren hun arbeiders tegen ziekte te verzekeren. Hoe, dat moesten ze dan zelf maar weten. De vakvereenigingen zouden dan wel zorgen dat er een goede regeling kwam. Voor dit standpunt waren de werkgevers, de sociaal-democratische vakvereenigingsmannen, prof. Veraart, prof. De Vooys, enz. Tegen de christelijke arbeiders, Nolens, Aengenent, enz. ’t Was achttien tegen veertien. Een belangrijke beslissing!

            In den grond ben ik ’t er mee eens, maar mijn departement niet. Trouwens, alleen als grondslag voor een algemeene herziening der verzekeringswetgeving zou ik dit willen aanvaarden en dan met maatregelen ten gunste der ongeorganiseerden en met waarborgen voor de uitbetaling der renten. Thans komt er ook een politiek element bij: invoering van de ziekteverzekering is een der hoofdpunten van het regeeringsprogram. Zonder overleg met de rechterzijde  zou ik dit punt niet kunnen prijsgeven. Ik vertrouw echter dat ik door ’t aanbrengen van eenige wijzigingen nog wel een flinke meerderheid in den Hoogen Raad van Arbeid bereiken kan. Maar een oponthoud van eenige maanden geeft dit incident wel. En dan komt ’t groote bezwaar dat de invoering van de ziekteverzekering zal komen vlak vóór de algemeene verkiezingen!

dagboekcahier 7

14/10/1920

donderdag 14 october 1920

Maandag in den ministerraad heb ik ’t over de heele lijn gewonnen. Ik had een voorstel voor de salariswijziging der ambtenaren geformuleerd. Dit werd onveranderd met algemeene stemmen aangenomen. Oók … het niet meer inhouden van zeven procent voor het weduwen- en wezenfonds. Ik ben overtuigd dat de meerderheid der ambtenaren met deze regeling – als geheel genomen – zeer in hun schik zullen zijn. Maar de altijd ontevreden minderheid zal schetteren!

            Aan ’t einde van de vergadering, toen De Vries – wiens jongste dochtertje ernstig  ziek was[28] – bracht Ruijs zijn positie ter sprake. Steeds meer komen er stemmen ook van rechts dat men geen vertrouwen meer stelt in zijn beleid. Wat te doen? Hem adviseeren heen te gaan? Wat dan? Een Anti-Revolutionair is moeilijk te vinden. Verschillenden meenden – onder anderen Ruijs – dat ik de portefeuille van Finantiën moest overnemen, Rutgers kon dan in mijn plaats aan Arbeid komen. Ik wees erop dat dit een zeer domme politieke zet zou zijn: de oppositie wordt gevoerd op ’t thema: ’t kabinet dat na november 1918 zeer vooruitstrevend optrad wordt steeds meer reactionair. Ging ik van Arbeid naar Finantiën, dan zou men natuurlijk zeggen: zie je wel, de man van den achturendag wordt ook al verwijderd. Vooral op de katholieke en christelijke arbeiders zou dat een zeer slechten indruk maken. Bovendien: ik zit nu midden in mijn werk: de uitvoering van wat reeds aangenomen is, terwijl verschillende groote wetsontwerpen òf reeds ingediend zijn òf ’t spoedig zullen worden.

            ‘Dat ware de eerste bezuiniging!’ zei  Ruijs. Neen, antwoordde ik, want de dure wetsontwerpen zijn al aangenomen en moeten toch uitgevoerd worden; de andere kosten niet veel of niets, bijvoorbeeld de wijziging van de Wet op de besmettelijke ziekten, de Scheepsarbeidswet, de Landbouwarbeidswet, de Landbouwongevallenwet, enz. Het einde was, dat men algemeen inzag dat ’t een fout zou zijn. Wat Ruijs wel niet verhinderen zal er nog eens op terug te komen!

            Dinsdagavond weer ministerraad. Het belangrijkste was de beraadslaging over de vraag of we de acht ontslagen ambtenaren bij post en telegrafie die ’t sabotagemanifest hadden onderteekend weer in genade zouden aannemen, wanneer ze schriftelijk verklaarden berouw te hebben. Ruijs scheen dit te willen. Toen vrijwel algemeen bleek dat men hier het harde standpunt absoluut noodzakelijk vond, draaide hij om en zei tot aller verbazing: ik denk er net zoo over! En hij was begonnen met ’t tegendeel voor te stellen!

dagboekcahier 7

18/10/1920

maandag 18 october 1920

De ministerraad hedenmiddag was in hoofdzaak gewijd aan de behandeling van de interpellatie-Van den Tempel morgen in de Tweede Kamer over de ambtenarensalarissen en de poststaking. Hij heeft zeven vragen ingediend. Een daarvan betrof de acht ontslagen saboteurs: of we ze terug wilden nemen.

            Tot ons aller verbazing stelde Ruijs voor, daarop te antwoorden: ja, als ze beterschap beloven! Het debat heeft lang geduurd. Ik vond een formule, waarop we ons allen konden vereenigen: ze zijn niet ontslagen als straf, maar omdat uit ’t opstellen van het sabotagemanifest een mentaliteit sprak, welke bewees dat zij ongeschikt waren ambtenaar te zijn, terwijl er sindsdien niets gebeurd was, waaruit bleek dat deze opvatting onjuist was. Hieruit kon men lezen: als ze uit eigen beweging verklaard hadden in te zien dat ze verkeerd hadden gehandeld en zich in de toekomst van een dergelijke daad zouden onthouden – dan zouden we misschien gezegd  hebben: laten we ’t nog eens probeeren!

            Wellicht zal nu in de Kamer gevraagd worden: wat zal de regeering doen, wanneer ze alsnog een dergelijke verklaring afleggen? Ik adviseerde: dan antwoorden: daarop kan de regeering geen antwoord geven; immers zeiden we: dan kunnen ze aanblijven, dan zou een dergelijke weinig spontane, maar met ’t ontslagmes op de keel afgedwongen verklaring, geenerlei waarde hebben. Ook daar waren ’t allen mee eens.

            Vanavond is er ’n meeting in de Dierentuin. Gaan ze daar heftig te keer, dreigen ze andermaal met staking, bijvoorbeeld als de ontslagenen niet worden teruggenomen, dan zullen ze voor ons de positie veel gemakkelijker maken.

            Ik ben benieuwd, hoe deze interpellatie zal loopen. Heelemaal gerust ben ik er niet op. Ik vrees dat Ruijs, die blijkbaar het harde standpunt niet aandurft en daarom maar wat wou toegeven, zich onzeker zal voelen en wellicht vooral bij repliek te weinig krachtig zal zijn. We zullen er maar ’t beste van hopen!

dagboekcahier 7

20/10/1920

vrijdag 20 october 1920

Donderdagavond weer ministerraad gehad in hoofdzaak om den afloop der interpellatie te bespreken. Deze is buitengewoon gunstig geweest: alle moties zijn verworpen, behalve die van Van Rijzewijk, welke den verhoogden kindertoeslag niet op 1 juli, maar op 1 januari wilde doen ingaan. Daar was niets principieels tegen – ’t kost alleen drie millioen extra! Ook de motie om aan de stakers geen straffen op te leggen, werd met ± 50 tegen 30 verworpen! Ten gunste van de acht ontslagen saboteurs werd zelfs geen motie voorgesteld!

            Toch kwam Ruijs nu weer met een voorstel om als ’t ware een brief van verontschuldiging uit te lokken en ze dan weer in genade aan te nemen. Allen waren daar tegen. Hij werd erg boos, maar ’t hielp hem niet. Besloten werd eenvoudig af te wachten, wat de delinquenten zullen doen, zonder ons tegen wien ook uit te laten, wat we zullen doen, als ze een berouwvollen brief schrijven, zelfs geen besluit te nemen, wat we in dat geval zullen doen.[29]

dagboekcahier 7

05/11/1920

[ca. 5 november 1920]

[...] ontslagen postambtenaren dat zij erkenden dat hun sabotagemanifest afkeurenswaardig was en dat, werd ’t opgevolgd, de dienst in de war ware geloopen. Het bestuur vroeg nu een onderhoud bij den minister van Waterstaat aan. Besloten werd dat Justitie, Waterstaat en ik de zaak eens gezamenlijk zouden overwegen en dan een voorstel in den ministerraad zouden doen. ’t Is een moeilijk geval dat zoowel politieke als sociale kanten heeft. Een afwegen van argumenten pro en contra. Woensdag twee uur komen we ervoor bij elkaar.

dagboekcahier 7

20/11/1920

zaterdag 20 november 1920

’t Is de laatste weken zóó druk geweest, dat er niets kwam van opteekenen. Bijna geen enkelen avond was ik thuis.

            Allereerst de moeilijkheid met Finantiën. De algemeene indruk was: de Kamer wil hem laten vallen. Maar wat dan? Allerlei conferenties hiervoor noodig. Heemskerk en Ruijs bleven van meening, dat ik ’t moest  overnemen. Rutgers kon dan in mijn plaats aan Arbeid komen. Ik bleef ernstig bezwaar maken, vooral op algemeene politieke gronden: het zou uitgelegd worden als een bewijs van reactie. Enkele leiders van rechts, onder andere Nolens, door Ruijs geraadpleegd, waren gelukkig van dezelfde meening. Dit is een geluk voor De Vries geweest: hij blijft nu, bij gebrek aan een opvolger!

            Dan de questie der ontslagen spoorwegambtenaren. Allen waren we van meening, dat het ontslag niet moest worden ingetrokken. Alleen Ruijs dacht er anders over. Nu had ’t bestuur van den neutralen bond een audiëntie bij Waterstaat gevraagd. Ik vond deze oplossing: antwoorden, dat, vóór over dit verzoek kon beslist worden, ze eerst moeten antwoorden op deze vraag: hoe denkt de organisatie over ’t sabotagemanifest. Zei de organisatie: dat keuren we af, goed, dan konden de lui blijven, maar ze waren als bestuur onmogelijk en konden geen kwaad meer doen. Was ’t antwoord: wij keuren ’t niet af, dan kon aan de schulderkentenis der ontslagenen geen waarde worden toegekend. Het antwoord is echter geweest: we trekken ons verzoek om een audiëntie als bestuur in, maar  de ontslagenen vragen individueel, om gehoord te worden. Ik had liever willen doorzetten: we wenschen tòch een uitspraak van de organisatie. Ruijs was er weer tegen. In heel deze zaak is hij bijzonder slap. Ik vermoed: omdat hij zich tegenover Dresselhuys verpraat heeft. Eigenlijk tegen den zin der meerderheid werd daarom besloten, dat Waterstaat de ontslagenen zou hooren. Dit is deze week geschied. ’t Rapport kreeg ik zoojuist.

            Dan: de behandeling der vier woningwetten in de Tweede Kamer. ’t Is bijzonder goed gegaan. Ik heb een groote rede van anderhalf uur gehouden over de woningpolitiek. Ze is blijkbaar nogal goed geweest. Lohman kwam van de week nog eens expres zeggen dat hij met groote instemming mijn rede gelezen had. In de Kamer werd ze ook goed opgenomen. Schaper trok een ingediende motie weer in. Ongewoon feit!

            Dr. Kuyper overleden! Met Schaepman en Lohman zeker de merkwaardigste figuur in de laatste 50 jaar. Vrijdag 12 november ben ik hem wezen begraven. Helaas ten koste van een geweldige verkoudheid.

Dan de militaire questie. Deze kon wel eens ons struikelblok worden. De Anti-Revolutionairen, bij wie zich ook een deel der Christelijk-Historischen aansluit, zijn tegen de vermindering van het contingent. Zeker driekwart van de katholieken zijn er voor. En heel links. Dus wij winnen het, maar ten koste van de eenheid! De Anti-Revolutionairen hebben reeds aangekondigd dat zij dan anders tegen[over] het kabinet komen te staan. En Pop wil dan per se aftreden, daar hij beweert door Ruijs misleid te zijn, die hem bij zijn optreden gezegd had dat de heele rechterzijde ’t met ons program eens was.

            Ruijs wil zoo veel mogelijk toegeven. Ik minder. De Anti’s zullen we er door behouden, maar de katholieke partij vervreemden. Moet de coalitie springen, dan zóó, dat de katholieke partij één blijft. ‘Wil je dan een nieuwe partijgroepeering?’ Neen, ik wil de coalitie behouden, maar niet ten koste van de eenheid in de katholieke partij. Treden wij af, dan een zakenkabinet, met een militair program waarmee de Anti’s zich nog veel minder zullen kunnen  vereenigen. Dit moeten deze maar eens goed bedenken. Ook: dat mijns inziens de groote meerderheid hunner kiezers ook niet militairist zijn! We kunnen dus wel wat wagen. Ruijs is nog niet overtuigd, vermoedelijk, omdat hij meer militairist is dan ik ben. En misschien ook, omdat ik in ’t op ons volgend kabinet d’affaires mijn portefeuille zou kunnen behouden, hij niet. De volgende week zal in deze beslissend zijn.

            Nog een ander gevaar dreigt. Er moet een nieuwe salarisregeling voor de onderwijzers komen. De commissie van overleg heeft er een ontworpen, die ruim 70 millioen meer kost. Wij hebben dat niet aanvaard. De Vries maakte er een, die ± 20 millioen kost, De Visser een, die ± 40 millioen zou kosten. We zijn ’t op 32 millioen eens geworden: Finantiën werd overstemd. Nu is die regeling deze week gepubliceerd. Zooals we verwachtten is er een geweldig kabaal losgebroken. Allen – ook de katholieke en christelijke onderwijzers – zijn woest. Vrijdag a.s. interpellatie! We  besloten voet bij stuk te houden. De finantiën laten nu eenmaal niet toe verder te gaan. Een leelijk ding is dat nu gezegd wordt dat de raming van 32 millioen veel te hoog is. Als dit waar is, heeft Finantiën ons misleid.

Deze week algemeene beschouwingen over de staatsbegrooting. Erg mak en saai. Dinsdag komt Ruijs aan ’t woord. Er komt [rechts][30] wat oppositie tegen mij: ik ben te radicaal. Vooral de Arbeidswet gaat te ver, de uitvoering is te streng. Gelukkig zeggen de sociaal-democraten precies ’t tegenovergestelde. Maar er blijkt wel uit dat de reactie veld wint. Dat een man als Treub daaraan mee doet, is al heel kras. In december 1918 verweet hij me dat ik te laat kwam met den achturendag, thans dat ik hem te vroeg invoer! Ik heb Ruijs stevig antwoord gegeven. Ik hoop, dat hij ’t nu eens goed zegt.

Ook is er nog een motie-Van de Laar om de invaliditeitsrenten te verdubbelen. Dat zou maar 38 millioen kosten! Als ik die los kon krijgen, zou ik ze toch liever voor heel andere dingen gebruiken!

dagboekcahier 7

Dinsdag 12 november 1918 [2][1]. ’s Avonds acht uur hadden we een groote vergadering met een groot deel der rechterzijde, ter bespreking van den toestand. Ook Staalman en Van de Laar waren erbij. Allen waren zeer onder den indruk van de feiten. Maar eenstemmig in ’t advies: niets toegeven. Een regeeringsmanifest werd opgesteld, dat den volgenden morgen in honderdduizenden exemplaren door ’t land zou verspreid worden.

            ’t Meest tijdens die vergadering frappeerde me 1. dat de twee uiterste democraten, Staalman en Van de Laar,  ’t krachtigst op groot militair vertoon aandrongen! En 2. dat Van de Laar, die steeds geweigerd heeft, zich bij de rechterzijde aan te sluiten, omdat hij niet met de katholieken wil samenwerken, aanried, dat de regeering en de koningin naar … ’s-Hertogenbosch zouden gaan, omdat ze dan veilig waren!! Ik heb dat enkele dagen later leukweg aan de koningin verteld, dat dus deze felle antipapist van meening was, dat zij onder haar katholieke onderdanen toch maar ’t veiligst was! Zij lachte er eens om, maar vond ’t, geloof ik, toch niet heelemaal leuk! ’t Was over twaalven toen ik thuis kwam, en toen nog  de kranten en ’t Kamerverslag moest lezen, om op de hoogte van de toestand te blijven.

[1] Tweede dagboeknotitie onder deze datum, lopend vanaf het begin van cahier VII.

[2] De passage onder de datum 25 november is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[3] Zie hierna de noot bij het slot van de eerste notitie opgenomen onder 28 november 1918.

[4] De eerste notitie van deze datum is afkomstig uit cahier VI, de tweede uit cahier VII. Doordat Aalberse op 28 november 1918 begon met een retrospectief overzicht van de periode 11 oktober tot 26 november 1918 en daarbij al schrijvende een nieuw cahier in gebruik nam, ontging hem kennelijk dat hij de aantekeningen voor 28 november al eerder had genoteerd. Daarom is deze datum hier tweemaal aanwezig.

[5] Op dit punt beginnen in cahier VI de notities over de periode oktober-november 1918, die overlopen in cahier VII. De retrospectieve tekst over deze weken  (in feite lopend van 11 oktober tot 26 november 1918) is hierboven opgenomen.

[6] De voorgaande zin is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[7] In het manuscript abusievelijk: ‘Engeland’.

[8] In het manuscript abusievelijk ‘Halding’.

[9] Aalberse schrijft: ‘Oppenheim’.

[10] De voorgaande zin is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[11] Hierna zijn twee bladzijden uit het manuscript verwijderd.

[12] Op deze plaats zijn vier bladzijden uit het manuscript verwijderd. Op de volgende pagina staan nog enkele regels van een op eind december te dateren notitie: ‘... is nu al sinds 1913! En steeds even opgewekt! Co was er ook. Toen ze een kwartier voor ons heen ging, barstte ze in tranen uit. Arme zus! Voor haar is ’t wel een vreeselijk jaar geweest!’

[13] In het manuscript ‘halen’.

[14] Tussen haken een toevoeging van Aalberse zelf.

[15] In het manuscript staat: ‘in meer bedrijf’.

[16] Oorspronkelijk: ‘had kunnen opstellen’.

[17] In het manuscript abusievelijk ‘februari’.

[18] De voorgaande passage tussen teksthaken is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[19] De voorgaande alinea is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[20] De voorgaande alinea is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[21] De voorgaande passage tussen teksthaken is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[22] De voorgaande passage tussen teksthaken is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[23] De voorgaande alinea is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[24] De voorgaande passage tussen teksthaken is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[25] De voorgaande alinea is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[26] De voorgaande passage tussen teksthaken is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[27] In het manuscript: ‘om’.

[28] Vermoedelijk is hier weggevallen: ‘de vergadering verlaten had’.

[29] Op deze plaats zijn twee bladzijden uit het manuscript geknipt.

[30] In het manuscript, gezien het vervolg van deze passage kennelijk per vergissing: ‘links’.