Dagboeken

 
English | Nederlands

Dagboek X

3 november 1932 tot 10 mei 1941


03/11/1932

donderdag 3 november 1932

Ziezoo, hiermee begin ik mijn tiende cahier! Helaas, dit dagboek is de laatste jaren zóó slecht bijgehouden, dat het meer lijkt op een maand- , ja op een jaarboek dan op een dagboek! Maar enfin, ik zit nu juist weer in een interessante periode, ik moet trachten daar toch wat van op te teekenen. Dat kan allicht later te pas komen.

            Laat ik nog even voortgaan met het gisteren begonnen overzicht over dit jaar. Daar blijkt ’t best uit, dat ik geen tijd kon vinden om dit dagboek bij te houden. Ik had juni af. Ik begin dus maar in telegramstijl met 1 juli 1932.

1 juli vier uur huldiging van mr. Lietaert Peerbolte, waaraan ik gaarne deelnam: hij is een van mijn voortreffelijkste hoofdambtenaren geweest. Nog steeds komt hij mij in moeilijke gevallen raadplegen.

Zaterdag 2 juli had ik naar Leeuwarden gemoeten om het gouden feest van den Frieschen Katholieken Bond mee te vieren op zondag 3 juli. Helaas kreeg ik ’s morgens een heftige aambeibloeding. Ik telegrafeerde daarom dat ik ‘wegens spit’ de reis niet kon maken. Zoo verviel ook mijn gewone  jaarlijksche deelneming aan de algemeene vergadering van de Maatschappij voor Geneeskunde – waarvan ik het eenige niet-medische eerelid ben – welke op 4 en 5 juli te Zwolle gehouden werd.

Vrijdag 8 juli had ik met Colijn om drie uur een lang onderhoud met minister Verschuur over de nooden van den tuinbouw. Hij was er druk mee bezig.

Zaterdag 9 juli om half elf vergadering Hooge Raad van Arbeid, waarin ik weer met algemeene stemmen als voorzitter herkozen werd. ’s Avonds om zeven uur zat ik weer in Haarlem bij mgr. Aengenent.

Dinsdag 13 juli was ik ’s morgens al om acht uur in Amsterdam in de uitvaartdiensten van den ouden heer de Vilder, den stichter van de Amsterdamsche Ballastmaatschappij voor wien ik altijd een bewonderende sympathie heb gehad. Ik kon niet mee naar het kerkhof omdat ik om één uur weer hier op een receptie moest zijn bij Van IJsselstein wiens dochter trouwde.

Donderdag 14 juli om twee uur weer behandeling van een arbeidsconflict te Born in Limburg.

21 juli waren we 34 jaar getrouwd. We besloten dit te vieren door samen acht dagen in Hôtel Rembrandt te Noordwijk aan Zee te gaan logeeren. Ik had graag onze huwelijksreis langs de Maas tot Dinant nog eens  overgemaakt. Maar Lies bleef liever in het land – in de Borinage was een groote mijnwerkersstaking.

Dinsdag 26 juli moest ik naar Vlissingen voor de behandeling van een conflict in Zeeuwsch-Vlaanderen.

Woensdag 27 juli gaf ik een diner thuis aan de commissarissen en directeur van de Katholieke Illustratie: onze laatste vergadering tevens.

Donderdag 8 juli van twee tot half zeven bespreking met Goseling en Teulings van ’t concept verkiezingsprogram 1933 van de Katholieke Staatspartij. Ze waren ’t met al de door mij voorgestelde wijzigingen eens. Ik kan prettig met hen samenwerken. Tegen Goseling ben ik enkele malen gewaarschuwd dat men hem niet heelemaal vertrouwen kan. Ik heb daar echter nog niets van bemerkt. Integendeel!

Zaterdag 30 juli was ’t 20 jaar geleden dat mijn lieve moeder overleed. We waren toen met de kinderen ook een maand in Noordwijk aan Zee.

Zondag 31 juli trok ik er weer met Lies heen. We hebben er tot zaterdag 6 augustus [1]prettig gelogeerd, hoewel het weer erg slecht was. ’t Was heel knus en rustig. Ik heb er heerlijk uitgerust. 

Zaterdag 6 [augustus] [2] vertrokken we samen naar Heerlen waar we tot maandag 15 augustus bij dr. Meuleman zouden logeeren. Hij was weer geheel hersteld van zijn ernstige ooroperatie. Alleen vond ik hem erg stil. Ik moest daar zijn omdat ik van zondag 7 tot dinsdag 9 augustus de ‘Sociale Week’ te Rolduc moest bijwonen. Ik opende haar zondagmiddag met een rede over de wereldcrisis, van economisch standpunt beschouwd. Ik had op die rede hard gewerkt om bij onze arbeiders eens alle misverstanden en verkeerde meeningen op te ruimen. Ik had er veel succes en ondervond van verschillende kanten groote waardeering.

Dinsdag 9 [augustus] ’s avonds, had ik een bespreking met de werkgevers te Oss waar een groot conflict dreigde.

Donderdag 11 [augustus] had de conferentie met arbeiders en werkgevers om twee uur in ’t raadhuis te Heerlen plaats. Ik slaagde erin een goede oplossing te vinden en ’t conflict werd voorkomen.

Maandag 15 augustus trok ik alleen naar huis om dinsdag [23] augustus met mgr. Aengenent terug te keren. Lies bezweek voor den aandrang en bleef er logeeren. Thuis vond ik een macht achterstallige kranten en brieven.

Van dinsdag [23][3] tot vrijdag 26 augustus was ik weer met mgr. Aengenent in Heerlen en vrijdag gingen we weer naar huis, niet denkende dat dit de laatste keer was dat wij daar in het gastvrije huis van dr. Meuleman gelogeerd hadden.

Zaterdag 27 augustus was ’t een jaar geleden, dat mgr. dr. Nolens overleden was. Ik moest daarom woensdag 31 augustus ’s avonds naar Venlo, waar donderdag 1 september –  den jaardag van zijn begrafenis – een plechtigen jaardienst door de katholieke Kamerclub gehouden werd. Helaas: er waren maar vijf van de dertig katholieke kamerleden aanwezig en van de Eerste Kamerleden maar één, Schoemaker, die nog niet eens als zoodanig beëedigd was! Er was bovendien geen enkele geestelijke aanwezig! Wat zijn de dooden gauw vergeten!

Onderwijl had ik maandag 29 augustus weer een zitting gehad van ’t scheidsgerecht Bonda contra Van de Poel, terwijl dinsdag 30 augustus pater mr. Beaufort om elf uur bij me kwam om hem de hem door dr. Nolens vermaakte breed uitgewerkte aanteekeningen voor zijn lessen te Rolduc en colleges te Amsterdam te overhandigen. Hij bleef tot half drie.

Woensdag 7 september moest ik naar Haarlem om ’t 25-jarig bestaan van De Hanze in ’t bisdom Haarlem, , die ik mede opgericht heb en waarvan ik nu 25 jaar rechtskundig adviseur ben geweest, te vieren. Bij ’t feestdiner kon ik niet blijven, want ’s avonds om half acht had ik hier weer een zitting van ’t Centraal College van Medisch Tuchtrecht te presideeren.

[Donder]dag 8 september een commissievergadering van het wetsontwerp bedrijfsorganisatie, dat Verschuur spoedig behandeld wilde zien.

Vrijdag 9 september was dr. Meuleman 30 jaar getrouwd. We zonden hem in plaats van bloemen f 25,– voor zijn kapelfonds.

Dinsdag 13 september weer commissievergadering wetsontwerp bedrijfsorganisatie voor ’t overleg met den minister.

Maandag 19 september buitengewone vergadering Kamerclub.

Dinsdag 20 september opening der Staten-Generaal en ’s namiddags weer Kamerclub. Bij ’t vaststellen der agenda stelde ik voor om in plaats van de Onderwijswet (wat de regeering wilde) het bedrijfsradenontwerp te behandelen. Dit werd aangenomen. Links plus katholieken tegen Christelijk-Historischen en Anti-Revolutionairen. Colijn was zeer boos. Toch achtte ik dit noodzakelijk om politieke redenen: de katholieke arbeiders verlangen zeer naar dit wetsontwerp. En als we ’t niet nu behandelden, werd ’t februari of maart en dan zou de Eerste Kamer het wel  niet vlak voor de verkiezingen willen behandelen.

Woensdag 28 september twee uur Commissie Drinkwatervoorziening.

Donderdag 29 september om twee uur vergaderde ik met de commissie uit de Kamerclub over de ‘Algemeene beschouwingen’ en om half vijf over ‘Buitenlandsche Zaken’ en vrijdag 30 september om tien uur over Hoofdstuk X. Om twee uur weer vergadering Rijksbemiddelaars.

Maandag 3 october om twee uur Kamerclub, voortgezet ’s avonds acht uur over de begrootingen, die dinsdag 4 october in de afdeelingen behandeld zouden worden. Die behandeling duurde tot vrijdagmiddag 7 october.

Zondag 9 october trokken we al vroeg met alle kinderen en schoonzoons en vier kleinkinderen naar Haarlem om er het gouden feest van Zuster Hermana, Lies’ zuster, te vieren.

Maandag 10 october bracht de post me om acht uur een langen brief van dr. Meuleman. Hij schreef daarin, dat hij weer beter was en dien dag weer aan ’t werk zou gaan. De aanvankelijk gevreesde trombose bleek niet aanwezig te zijn. Om half tien belde me prof. Groenen op: Meuleman was om half acht die morgen plotseling overleden!  Even later werd ik uit Heerlen opgebeld. Ik vernam dat hij om zeven uur nog goed was en voornemens was op te staan. Toen Lies Meuleman om half acht bij hem kwam, lag hij dood te bed, precies zooals hij altijd lag te slapen. Blijkbaar was hij dus zonder eenigen doodsstrijd aan hartverlamming overleden.

            Ik was er zeer van onder den indruk. Clemens was een van mijn oudste en trouwste vrienden. Onze vriendschap dateerde al uit onzen studententijd, toen hij te Amsterdam voorzitter was van St. Thomas en ik te Leiden van St. Augustinus. Na zijn promotie vestigde hij zich op mijn raad als huisarts te Leiden, waar hij weldra een groote praktijk had. We kwamen veel bij elkaar en de twee Liezen werden trouwe vriendinnen. In 1912 trok hij naar Heerlen waar hij de R.K. Vroedvrouwenschool bouwde waarvan hij tot zijn dood de bekwame, sociaalvoelende directeur was. Met de eerstvertrekkende trein trok ik met Piet Groenen naar Heerlen. Die arme Lies, die nu als kinderlooze geheel alleen overbleef. Het was werkelijk hartverscheurend.

            Dinsdag ging ik weer naar huis om woensdag terug te keeren met Lies, omdat Clemens donderdag 15 october begraven werd. ’s Avonds gingen we weer  naar huis. Ik zal dezen trouwen vriend, die mij vaak tot grooten steun is geweest, zeer missen. God beloone hem voor het ontzaglijk vele goeds dat hij in zijn leven deed.

            Dinsdag elf uur (18 october) Kamerclub ter bespreking van onze houding bij de dien dag in behandeling komende Tariefwet. Daar Colijn tegen zou stemmen en naar gezegd werd vier zijner partijgenooten met hem, stond het vast dat ’t wetsontwerp verworpen zou worden, wat mijns inziens noodzakelijk het aftreden van het kabinet ten gevolge zou hebben. Ik verdedigde de meening, dat wij gesloten vóór moesten stemmen, vooral met het oog op de naaste en op de verre toekomst. Op de naaste toekomst: wij hadden geen schuld aan de crisis en zouden dus volkomen vrij staan, terwijl men zonder ons toch niets kon beginnen. De sociaal-democraten zouden zeker weigeren aan eenige kabinetsformatie deel te nemen. Wij hadden dus steeds, omdat zij en wij in de Kamer de meerderheid hebben, de situatie in handen. Mits we altijd één lijn trokken.

            Zonderling genoeg was ook thans Van Schaik  weer van meening, dat ’t beter was niet gesloten te stemmen en nog zonderlinger dat thans Van Wijnbergen ’t met hem eens was. Hij wilde blijkbaar liever tegen ’t kabinet dan tegen Colijn stemmen! Woensdagmorgen 19 october werd de clubvergadering voorgezet. Ik resumeerde de debatten van den vorigen dag en verdedigde nader mijn standpunt, dat tenslotte door allen aanvaard werd. Alleen Van Poll behield zich voor tegen te stemmen. Ik had echter nog meer ’t oog op de verre toekomst. Ongetwijfeld zullen daarin ook in ons land zich voor de katholieken groote moeilijkheden voordoen. Wij zullen ze alleen ’t hoofd kunnen bieden wanneer we alle katholieken in één partij vereenigd houden.

            ’t Waren ingespannen dagen. Toch had ik onderwijl woensdagavond half acht nog weer een zitting van het Centraal College Medisch Tuchtrecht.

            Donderdag 20 october zou de beslissing komen en ze zou geweest zijn: het wetsontwerp verworpen en het ministerie afgetreden. Ik voorzag daarvan niet anders dan ellende, vooral in dezen crisistijd. De boeren zijn opstandig, de ambtenaren woest wegens de voorgenomen salarisverlaging, de gegoeden vertoornd wegens de nieuwe belastingen met  sterker progressie, de arbeiders willen beter regeling van den werkloozensteun, de werkgevers willen loonverlaging en meer steun van de regeering. Enz. Nu zou mijns inziens een nieuw kabinet wel spoedig tot kamerontbinding moeten overgaan. Wat zouden dat voor verkiezingen worden? Een grenzelooze verwarring en verbittering in alle partijen. Tenslotte zouden de sociaal-democraten en de agrariërs er het best bij varen. De middengroepen zouden het gelag betalen, ook in de partijen zelf. Men kreeg dus een nog meer onhandelbare Kamer.

            Ik wilde dus het conflict nog voorkomen. Na overleg met Ruijs, De Geer en Colijn stelde ik tenslotte een motie voor tot schorsing der beraadslagingen tot na de algemeene beschouwingen over de Rijksbegrooting. Dat was dan drie weken tijd gewonnen. Die motie werd met 93 tegen 2 (communisten-)stemmen aangenomen! ’t Was niet aardig van Colijn, die nog vóór mij sprak, om nu zelf met het idee van de schorsingsmotie te komen, het aan andere ‘goedwillenden’ overlatende ze voor te stellen. Daarover waren mijn menschen weer woest. Ze meenden dat ik niet als slippendrager van Colijn kon optreden! Ik heb  me er niet aan gestoord. De uitslag stelde me in ’t gelijk.

            Dien eigen avond had ik weer van acht tot twaalf uur vergadering van de Commissie van Rapporteurs voor Hoofdstuk I tot vaststelling van ’t verslag.

            Ik bemerk daar dat ik me vergist heb. Die debatten waren niet 18-20 october, maar een week later 25-27 october. De Kamerclubvergaderingen zijn wel op de zoojuist aangegeven data gehouden, maar voor de Tariefwet werden ze gehouden woensdag 26 october om elf uur en donderdag 27 october om tien uur, daar om elf uur de afdeelingen vergaderden. Den avond van deze stemming over mijn motie ben ik naar mgr. Aengenent geweest om van hem afscheid te nemen voor zijn vertrek naar Rome 31 october.

            Dinsdagavond 25 october en woensdagavond 26 october weer om half acht Centraal College Medisch Tuchtrecht: de eerste maal, dat we niet op één avond met een zaak klaar kwamen.

            Zaterdag 29 october ging ik weer naar Roosendaal voor een commissarissenvergadering van De Grondwet.

            Zaterdag werden we opgeschrikt door de tijding dat onze beste zwager Conrad Meyknecht bediend zou worden. Hij is al ongeveer zes jaar hulpbehoevend wegens jicht en aderontsteking. 

Dinsdag had ik weer commissarissenvergadering van De Grondwet te Roosendaal.

            Dinsdag 1 november ben ik ’s middags bij Ruijs gaan praten over de crisis en mijn motie. Hij was bereid aan een oplossing mee te werken. Ik noemde drie mogelijkheden: òfwel het tariefontwerp omwerken tot een meer gevarieerde verhooging der posten, bijvoorbeeld op weeldeartikelen en posten, waarbij onze landbouw of industrie belang hebben; òfwel het ontwerp vervangen door enkele belastingen, waarvan de opbrengst ook ± 22 ½ millioen zou bedragen; òfwel dit bedrag voor één jaar leenen. Ruijs ging met alle drie akkoord en zou het ’s woensdags in den ministerraad bespreken. Daarna zou ik met De Geer gaan praten. Donderdag 3 november drie uur kwam ik bij De Geer op zijn departement. Hij achtte alle drie de middelen bezwaarlijk, maar was nog bezig iets anders uit te werken. Hij zou dit liefst meedeelen in een bijeenkomst met de drie rechtsche voorzitters, als ik daartoe ’t initiatief nam. Ik belde Colijn en Snoeck Henkemans op. Goed. Afgesproken, dat we maandag 7 november bij De Geer zouden komen. 

En nu moet ik dit korte relaas sluiten met de droeve mededeeling, dat hedenmorgen onze zwager Conrad overleden is. Het spijt me, al is ’t een geluk voor hem. Hij was een uitstekende kerel; al waren we maar zwagers, we hielden veel van elkaar. Hij ruste in vrede.

dagboekcahier 10

07/11/1932

maandag 7 november 1932

Vanmorgen hebben we Conrad begraven. Vanmiddag om drie uur had de bespreking bij De Geer plaats. Ik presideerde en hield eerst een inleiding. Daarna gaf ik ’t woord aan De Geer. Hij was bereid zijn ontwerp tariefwet te wijzigen: de 30 opcenten zouden alleen geheven worden van artikelen die hier niet worden geproduceerd: dit om strijd met het traktaat van Ouchy te voorkomen, Colijns hoofdbezwaar. De 30 opcenten op bieraccijns zouden blijven, maar tegen verlaging tot 20 opcenten zou hij geen bezwaar maken; maar wel wilde hij de suikeraccijns met 20 opcenten verhoogen. Ook was hij bereid om voor 1 juli met een gewijzigd, technisch herzien, tarief te komen. Colijn, Snoeck Henkemans en ik verklaarden ons bereid daarmee akkoord te  gaan, behoudens bespreking in onze fracties, na opgelegde geheimhouding.

            Vanavond om acht uur heb ik reeds clubvergadering ter bespreking van de algemeene beschouwingen. Ik ben met mijn rede niet klaar. Gisteren zou ik er den geheelen dag aan werken, maar ’s morgens in de kerk kreeg ik zwarte ballen voor mijn oogen en daarna de gewone, zware, schele hoofdpijn. Eerst gisterenavond was ’t wat beter en kon ik een schema in elkaar zetten. Verder ben ik niet gekomen. Vanmorgen uitvaart en begrafenis van Conrad, vanmiddag de vergadering met De Geer. En vanavond weer clubvergadering. Ik ben bang dat mijn rede minder goed zal uitvallen dan verleden jaar. Ik had er toen veel meer tijd voor kunnen nemen. Ik zal nu eerst maar eens hooren wat ze in de Kamerclub vertellen; ik kan er dan morgen en naar ik hoop ook woensdagochtend nog wat aan werken. Nu we met De Geer tot overeenstemming gekomen zijn, is de spanning eruit. 

dagboekcahier 10

14/11/1932

maandag 14 november 1932

Ziezoo, de eerste termijn van de algemeene beschouwingen is achter den rug; morgen is de regeering aan ’t woord. Ik heb donderdagmiddag ’t woord gevoerd onmiddellijk na Colijn. Dit was in zooverre ongunstig, omdat het na een groote rede van een der kopstukken altijd tamelijk rumoerig in de Kamer is. Daar had ik dus aanvankelijk ook mee te worstelen. Maar naarmate ik verder sprak werd het stiller en tegen het einde stonden alle leden om me heen en was ’t muisstil. Alles bij elkaar ben ik dus wel tevreden. Vooral mijn uiteenzetting over mogelijke samenwerking na de verkiezingen in juni a.s. trokken de aandacht. Na afloop kwamen verschillende leden me gelukwenschen, van links zoowel als van rechts; ze schenen vooral zoo te apprecieeren dat ik zoo duidelijk en oprecht had gesproken. Waarom ook niet? Deze week komen nu de replieken. Ik zal dan wellicht op enkele punten nader terug komen.

            En nu weer narigheid: onze An moet geopereerd worden. Ze heeft al herhaalde  hevige aanvallen van galsteen gehad. Dieet, drank van Van Praag, Indische kruiden, niets hielp. Men zal nu de galblaas wegnemen. Hoewel ze in gezegende omstandigheden is, schijnt dat te kunnen. Moge alles goed afloopen! Ik heb ze geschreven – ze wou in ’t ziekenhuis in een kamer met vier bedden gaan liggen – dat ik dat niet wilde. Ze moet een kamer voor haar alleen nemen. Ik zal dan de kosten van de operatie en van ’t ziekenhuis wel betalen.

            Een ander punt van zorgen is de toestand van Lies Meuleman. Clemens heeft niets nagelaten, integendeel. Gelukkig heeft ’t schoolbestuur haar een pensioen van f 1400 toegezegd. Daar kan zij – die ’t zoo enorm royaal gewoon is – zeker niet van leven. Nu wilde ze in de school gaan wonen en daar een baantje hebben. Ik heb dit sterk afgeraden; dat geeft in de toekomst de grootste narigheden. Nu schijnt ze hevig boos op me te zijn. Ik kan ’t niet helpen, maar ’t is zoowel in haar belang als in dat van de school dat dit niet gebeurt. Maar wat dan? Piet Groenen en ik doen ons best om iets te vinden. Maar dat valt niet mee! 

dagboekcahier 10

29/11/1932

dinsdag 29 november 1932

Oef! Wat een week heb ik achter den rug! Behalve de Kamer had ik maandag 21 november een zitting van ’t medisch tuchtrecht, welke van half acht tot twaalf uur duurde. Woensdagochtend Kamerclub en woensdagavond Sociale Studieclub. ’t Was de eerste keer, dat we na Nolens’ dood weer bijeenkwamen. Ze begonnen met mij tot voorzitter te kiezen. Mgr. Aengenent blijft vice-president. ’t Was ’n interessante avond met geanimeerd debat over de passage in Quadragesimo Anno over de maatschap in verband met de arbeidsovereenkomst. Vrijdagochtend de Indische begrooting in de afdeeling. Vrijdagavond om half acht te Haarlem partijraad tot vaststelling van het program. Ik hield er een inleidende rede over de beteekenis van ’t vast te stellen verkiezingsprogram 1933 en over de eenheid. De uitlating van Z.H. de paus aan mgr. Aengenent dat die eenheid bewaard moest blijven ‘vóór alles, na alles, boven alles en ten koste van alles’ was een mooi uitgangspunt. Ik besloot met de vermaning van de apostel Paulus in de aanhef (1-8) van het tweede hoofdstuk van zijn brief aan de Philippenzen. Dit sloeg  zeer in. Als ’t debat eens wat heftig dreigde te worden, riep er een: ‘Denk aan de H. Paulus.’ Groot gelach en de heftigheid was verdwenen. ’t Was een ontzaglijke agenda. Ik handelde echter den vrijdagavond alles af tot aan het conceptprogram. Om kwart over elf kon ik de vergadering tot den volgenden dag schorsen. Zaterdag was er om half negen een H. Mis, waarin ook mgr. Aengenent aanwezig was en om tien uur begon de vergadering die met ’n korte pauze duurde tot kwart na vijf. Ik was dood op. Er waren 116 amendementen. Slechts één is er tegen mijn zin aangenomen. Er was een uitstekende stemming. En bij ’t sluiten bracht Stulemeyer onder luid applaus van de vergadering dank en hulde aan mij en Goseling voor de leiding, waardoor zulk een uitstekend resultaat verkregen was. Ieder was zichtbaar blij dat deze vergadering, waar men met angst tegenop gezien had, zoo buitengewoon goed verloopen was. Ik ging in ’t Hôtel Funkler rustig wat eten en om zeven uur was ik bij mgr. Aengenent om hem verslag te doen. Hij was ook zeer verheugd.  Om tien uur was ik thuis en om elf uur ging ik naar bed. Men liet me rustig slapen en ik werd om tien uur wakker, heerlijk uitgerust. Alleen mijn keel deed me nog pijn.

            Onderwijl was donderdag An geopereerd: de galblaas was weggenomen. Gelukkig is alles goed gegaan en bleef ze tot heden geheel vrij van koorts. Donderdagavond ga ik haar eens opzoeken.

            Maandagavond weer medisch tuchtrecht, half acht tot elf uur. Morgen, woensdag weer Kamerclub en om drie uur liquidatiecommissie van Futura. Donderdag elf uur afdeelingen, om twee uur Commissie Statistiek (bestuursvergadering) en om vier uur met het partijbestuur om ’t program de definitieve redactie te geven. Vrijdag om elf uur Commissie voor de Staatsuitgaven en om half vijf van de twee Seniorenconventen van Eerste en Tweede Kamer. Zaterdag om tien uur Centrale Commissie voor de Statistiek. ’t Is dus weer een overdrukke week!

dagboekcahier 10

05/12/1932

maandag 5 december 1932

Alweer een onmogelijk drukke week achter den rug, maar gelukkig ook weer met een gunstig resultaat geëindigd. Vrijdag kwam in de Kamer aan de orde het wetsontwerp waardoor de regeering  gemachtigd werd om de pensioenpremieaftrek van 3 op 8% te brengen. Dus feitelijk een nieuwe salarisverlaging van 5%. Het georganiseerd overleg was vastgeloopen. Bij de algemeene beschouwingen drong ik erop aan het alsnog te hervatten. De Geer voldeed daaraan. En bijna is men ’t eens geworden. In plaats van met 14½ zou de regeering genoegen nemen met 11½ millioen, in den vorm van een salarisverlaging, voor drie jaren. Donderdagmiddag kwam Marchant bij me (hij schijnt zich al als tot de toekomstige meerderheid te behooren te beschouwen!). Hij deelde mij mee dat de katholieke en christelijke centrales het met de regeering eens waren, de neutrale niet. Hij wilde daarom een amendement voorstellen, waardoor de salariskorting tot 9 à 10 millioen beperkt bleef. Ik wees erop dat ik er niet aan kon meedoen, omdat de katholieke en christelijke centrales reeds met een hooger bedrag genoegen hadden genomen en mijns inziens dus de regeering ook niet lager meer kon gaan. Hij heeft toen echter een brief aan De Geer geschreven om ’t amendement aan te kondigen en had daarbij meegedeeld dat ik gezegd had er niet voor te kunnen instaan dat niet een deel mijner menschen vóór dat amendement zouden stemmen. Verschrikt belde  De Geer me aanstonds op. Ik ben toen naar hem toegegaan en we bespraken den toestand een uur lang. Hij overtuigde mij dat hij niet verder terug kon gaan. Hij meende dat we nu het wetsontwerp moesten aannemen, als stok achter de deur. Ik verzocht hem de zaak ook met Suring te bespreken. Aldus geschiedde en ook deze werd door hem overtuigd. Wij beiden overtuigden toen onze leden en allen stemden voor! Zelfs kon ik Marchant bewegen zijn amendement niet in te dienen en ook zijn groep stemde vóór. Zoo werd ’t vrijdag een groote overwinning voor De Geer: alleen de sociaal-democraten en communisten stemden tegen! Zoo was de regeering andermaal gered. Een volgend moeilijk punt komt bij Justitie: opheffing van vijf rechtbanken en 48 kantongerechten. Ik heb Donner aangeraden de rechtbanken van Almelo, Roermond en Alkmaar niet op te heffen; ik meen dat hij dan het wetsontwerp er wel door krijgt. Maar zoo is er elken dag wat! ’t Is wel een spannende, maar ook inspannende tijd.

            An blijft ’t gelukkig goed maken. Ze heeft in ’t geheel geen verhooging gehad. Morgen ga ik haar eens opzoeken. ’t Wordt tijd, maar ik kon niet eer weg!

dagboekcahier 10

01/05/1933

maandag 1 mei 1933

Helaas, wat heb ik veel verzuimd met sinds 5 december niets meer op te teekenen. Ik zou nu eigenlijk moeten beginnen met een terugblik, waarbij dan vooral beschouwd zouden moeten worden mijn verblijf in Genève in januari, waar ik voor de tweede keer als leider der Nederlandsche afvaardiging op de Internationale Arbeidsconferentie optrad en kon bewerken dat de Conferentie tot een bepaald resultaat kwam. En vervolgens de politieke verwikkelingen in de Tweede Kamer, eindigende met kamerontbinding (juister: twee maanden vervroegde verkiezingen) en daarop gevolgde verkiezingen, die een verschuiving brachten naar links en naar uiterst rechtsch.

            Maar ik vrees dat als ik daarmee begin, ik weer blijf steken. ’t Is van meer practisch belang voor mij thans ’t verloop der ministerieele crisis en kabinetsformatie op te teekenen opdat ik die aanteekeningen verder kan raadplegen.

            De verkiezing had plaats woensdag 26 april. Reeds eenige weken tevoren riep ik ’t bestuur van de katholieke kamerfractie bijeen om te bespreken wat ons te doen zou staan bij de  aanstaande kabinetsformatie. Ik vroeg daarbij ook mr. Van Schaik (een der papabili voor formateur), Kortenhorst en Feber. Ik begon met mijn standpunt uiteen te zetten. Eerst wat wij niet wilden: een ‘koninklijk’ kabinet (verkapte dictatuur), een ‘nationaal’ kabinet (feitelijk een anti-socialistisch blok) en een extraparlementair kabinet (alles wat de werking van ’t parlementair stelsel kan verzwakken dient vermeden). Wat dan wel? Mijns inziens een kabinet voortgekomen uit en steunend op: de Roomsch-katholieke, anti-revolutionaire, christelijk-historische en vrijzinnig-democratische groep. Ik dacht toen nog dat de christelijk-historischen twee zetels zouden verliezen, de anti-revolutionairen en vrijzinnig-democraten ieder één à twee zetels zouden winnen en de Roomsch-katholieken gelijk zouden blijven. De positie zou dan zóó zijn dat de Roomsch-katholieken en anti-revolutionairen nog maar één fractie noodig hadden om een meerderheid te krijgen. Met andere woorden, als we aanstonds met de vrijzinnig-democraten en de christelijk-historischen gingen onderhandelen, zou iedere groep kunnen weten dat we haar niet noodig hadden. Dus zouden wij sterk staan en zou er allicht overeenstemming zijn te bereiken.

            Zoo dachten de anderen er ook over; alleen waren ze sterker dan ik gekant tegen een samenwerking met de christelijk-historischen, ofschoon Van Schaik bij de bespreking van de vraag: wie  moet met de kabinetsformatie belast worden, De Geer bleek te prefereeren boven Colijn. Eigenlijk wilde men geen van beiden. Men stond op ’t standpunt dat allereerst een Roomsch-katholiek met de formatie zou dienen belast te worden: ik, en als ik niet wilde, Van Schaik. Ik was van andere meening. Algemeen wordt in den lande verwacht dat Colijn formateur zal worden. Komt er nu weer een Roomsch-katholiek, dan zal dit bevreemding en ontstemming wekken, terwijl we in dezen moeilijken tijd toch waarlijk er niet happig op behoeven te zijn. Bovendien zal Colijn zich gepasseerd gevoelen en zooal niet tegenwerken dan zeker niet van harte meewerken. Mijns inziens zou de Roomsch-katholieke formateur weinig kans van slagen hebben. Men was echter veel meer dan ik tegen Colijn gekant en wenschte, als ’t geen katholiek werd, dan liever De Geer dan Colijn. Zoo stond ’t voor de verkiezingen.

            De uitslag viel tegen. Alleen de anti-revolutionairen en de communisten wonnen, alle andere partijen liepen terug. De R.K. Staatspartij verloor evenals de S.D.A.P. twee zetels,  christelijk-historischen, vrijzinnig-democraten, Vrijheidsbond ieder één zetel. ’t Staat dus nu zoo: R.K. + Anti-Rev. + C.H. = 52, R.K. + A.R. + V.D. = 48. De sterke positie, door mij zoowel tegenover de C.H. als de V.D. verwacht, werd dus niet verkregen.

            Vrijdag 28 april had ik de nieuw gekozen Roomsch-katholieke leden bijeengeroepen om ze te polsen vóór ik naar de koningin zou gaan om mijn advies te geven.  ’t Stond zóó dat de oudere leden (vooral Ruijs en Verschuur) een ouderwetsch, rechtsch kabinet prefereerden. De groote meerderheid was ’t echter met mij eens dat we aanstonds moesten trachten de vrijzinnig-democraten erin te betrekken. In de voorafgegane bestuursvergadering, waarbij ook weer Van Schaik, Kortenhorst en Feber waren, was ook nog de formateur besproken. Men stuurde nu aan op Van Schaik omdat men mij liever als voorzitter van de kamerfractie behield tenzij ik zelf anders wilde.

            Ik wil niet anders. Vooreerst meen ik veel nuttiger werk te kunnen doen met in de Kamer aan ’t hoofd der fractie te blijven staan dan aan ’t hoofd van een kabinet. Vervolgens acht ik ’t onjuist dat er weer een Roomsch-katholieke formateur optreedt: wij moeten daarvan niet ’n monopolie maken.  Tenslotte voorzie ik een mislukking. Het schijnt echter dat Van Schaik wel wil.

            Reeds zaterdagochtend half tien moest ik bij de koningin op den Ruijgenhoek komen. Zij liet me door haar auto afhalen. Ik werd aanstonds door haar ontvangen en wel bijzonder hartelijk. Ze kwam aanstonds met uitgestrekte hand op mij af: ‘Goede morgen, meneer Aalberse, dat is lang geleden, dat u bij mij kwaamt confereeren!’ en zoo begon het gesprek eerst met het ophalen van oude herinneringen aan mijn ministerstijd, onder andere dat ik ook eens bij haar op den Ruijgenhoek was geweest om haar te zeggen dat ik waarschijnlijk over een week mijn ontslag zou vragen wegens een conflict met den minister van Financiën de Vries. Ze had toen tenslotte gezegd: ‘Nu, maar niet al te tragisch opnemen! Ze begrijpen ook wel dat, als ze u om deze reden laten gaan, ze over een maand allen tegen de vlakte liggen.’

            En toen begon ’t eigenlijke gesprek, heel anders dan ik ’t mij had voorgesteld. Ik had gedacht dat zij mij verschillende vragen achtereenvolgens zou stellen. Dat deed zij niet. Ze zei heel in ’t algemeen: ‘Ik heb u verzocht bij mij  te komen om van u te vernemen hoe u den politieken toestand, zooals deze na de verkiezing is geworden, ziet en uw advies te vragen hoe thans naar uw meening het best door mij gehandeld zou kunnen worden. U moet me nu maar alles zeggen wat u meent dat goed is dat ik het verneem. Hoe breeder u mij inlicht, hoe beter.’     Toen stak ik maar van wal. Hierbij leg ik een korte samenvatting van mijn betoog.[4]

’s-Gravenhage, 29 en 30 april 1933.

Aan Hare Majesteit de Koningin.

Majesteit!

Ingevolge Uwer Majesteits verlangen heb ik de eer, aan Uwe Majesteit eerbiedig aan te bieden onderstaande samenvatting van hetgeen ik de eer had in de mij op zaterdag 29 april verleende audiëntie op de door Uwe Majesteit gestelde vraag, ten deele uitvoeriger, ten deele in korte aanduiding, te antwoorden.

De R.K. Staatspartij heeft bij de jongste verkiezing vooral drie punten op den voorgrond gesteld:

a. krachtige handhaving van het gezag;

b. bevordering van een gezonden volksinvloed, waaronder verstaan werd: onverzwakte handhaving van het parlementaire stelsel, zoo noodig met wegneming van misbruiken en misstanden, welke mochten zijn ingeslopen;

c. loonende arbeid voor ieder, waaronder begrepen werd: bevordering van landbouw, nijverheid, handel en scheepvaart, van werkverruiming en van, zoo noodig ter aanvulling, werkverschaffing.

De taak van het komende kabinet zal voornamelijk op dit drievoudig terrein liggen, waarbij vóórondersteld moet worden, dat er evenwicht worde bereikt in de begrooting van inkomsten en uitgaven.

De finantieele en economische taak zal derhalve bij het te vormen ministerie het meest op den voorgrond treden.

Daarom is het allereerst gewenscht, dat er weder kome een economisch departement naast een sociaal departement. De fout der opheffing van het toenmalig departement van Landbouw, Handel en Nijverheid, in 1922 onder verkeerden bezuinigingsdrang gemaakt, dient hersteld. [2] De afdeelingen Volksgezondheid en Werkloozenzorg, tijdelijk bij het departement van Binnenlandsche Zaken ondergebracht, kunnen dan weer naar het sociale departement terugkeeren.

Daaruit volgt ook dit voordeel, dat, indien de voorzitter van den ministerraad optreedt als minister van Binnenlandsche Zaken, waaronder dan nog alleen de afdeelingen Binnenlandsch Bestuur en Armwezen zullen ressorteeren, hij tijd en gelegenheid krijgt zich meer met den algemeenen gang van zaken te bemoeien en de vaak stroeve onderlinge samenwerking der departementen te verbeteren.

Ik moge hier nog bijvoegen, dat het optreden van den voorzitter van den ministerraad als minister van Finantiën bij de R.K. kamerfractie zeer ernstig bezwaar zou ontmoeten. Zij acht dit staatkundig onjuist en practisch ongewenscht. In Engeland is deze samenvoeging volstrekt uitgesloten. Vooral nu de nieuwe Comptabiliteitswet grootere bevoegdheden dan vroeger aan den minister van Finantiën heeft toegekend, is het noodig dat de voorzitter van het kabinet steeds bemiddelend tusschen den minister van Finantiën en de andere departementshoofden kan optreden en goede samenwerking bevorderen.

In het algemeen is de R.K. kamerfractie gekant tegen alles, wat zweemt naar dictatuur of fascistische allure. Zij acht dit in strijd met historie en karakter van het Nederlandsche volk.

Wat het te vormen ministerie betreft, moge ik vooropstellen dat het dringend noodig is te achten, dat er optrede een normaal parlementair kabinet, een ministerie dus voortkomende uit en steunende op een werkkrachtige meerderheid in de Tweede Kamer, en dat, behalve het grondwettelijke overleg met de Staten-Generaal, [3]  voeling houdt met de meerderheid waarop het steunt. Wat niet uitsluit, dat de leiding blijve bij het kabinet.

Op de vraag, hoe in de gegeven omstandigheden een dergelijk kabinet zou kunnen worden gevormd, moge ik dit antwoorden:

Een krachtige handhaving van het gezag zal het best bevorderd kunnen worden door een rechtsch kabinet, steunende op de drie groote christelijke kamerfracties, bij welke eenstemmig leeft de waarheid dat alle gezag komt van God en dáárom allereerst moet geëerbiedigd en gehoorzaamd worden.

Voor de beide andere in den aanhef genoemde punten (handhaving van het parlementaire stelsel en crisis-aangelegenheden) zouden ook andere fracties tot samenwerking kunnen worden genoodigd.

De R.K. kamerfractie wenscht echter, buiten uiterste noodzaak, geen samenwerking met de sociaal-democratische fractie, noch met de Vrijheidsbondsche, vooral wijl beider beginselen, zoowel op staatkundig als op sociaal-economisch terrein, te ver afliggen van de hare.

Tegen samenwerking tot meerderheidsvorming met de Vrijzinnig-Democratische fractie wordt minder bezwaar gevoeld, mits er degelijke overeenstemming met haar zou kunnen worden bereikt, vooral ten aanzien van ’s lands defensie.

De drie groote christelijke kamerfracties beschikken slechts over 52 stemmen, waarbij tevens dient gedacht aan de meermalen gebleken geringe eenstemmigheid in de Christelijk-Historische kamerfractie, welke bovendien in 1925 en 1933 een crisis deed ontstaan [4] door te stemmen respectievelijk voor de moties-Kersten en -Boon.

Eenige versterking van deze meerderheid, waarop het komende ministerie zou kunnen steunen, ware daarom, indien mogelijk, niet ongewenscht.

Het komt mij daarom voor dat in de gegeven omstandigheden – waarin snel handelen noodzakelijk is – aan den kabinetsformateur een opdracht ware te geven, gelijk Uwe Majesteit in november 1925 gaf aan mr. Marchant: ‘tot vorming van een parlementair ministerie’, zonder nadere omschrijving.

De formateur heeft daardoor de vrijheid zich aanstonds niet alleen tot de drie groote christelijke kamerfracties te wenden, maar ook tot de Vrijzinnig-Democratische. Dezer medewerking wordt dan gevraagd, terwijl de mogelijkheid nog open is gebleven, ook zonder haar tot een meerderheidsvorming te geraken.

Wordt daarentegen eerst getracht een rechtsch parlementair kabinet te vormen en zou dit mislukken, bijvoorbeeld gelijk in 1929 omdat met de Christelijk-Historische kamerfractie geen overeenstemming kon worden bereikt, dan zou de formateur, om althans een parlementair minderheidskabinet (48) te kunnen vormen, zich alsnog tot de Vrijzinnig-Democratische fractie moeten wenden. Deze, aanvankelijk gepasseerd en wetende dat zonder hare medewerking geen parlementair kabinet zou kunnen optreden, zou daardoor in een veel sterker en dus minder toeschietelijke positie komen te staan, waardoor het bereiken van overeenstemming bemoeilijkt zou kunnen worden. [5]

Daarom had ik de eer, Uwe Majesteit te adviseeren, dat aan den formateur opdracht ware te geven tot de vorming van ‘een parlementair kabinet’, zonder nadere omschrijving. Hij zou daardoor de vrijheid verkrijgen, eerst te trachten een kabinet samen te stellen op breedere dan enkele rechtsche basis, en om, zoo deze poging mislukte, zich te beperken tot de vorming van een ministerie, steunende alleen op de drie groote christelijke kamerfracties, of tot de vorming van een parlementair minderheidskabinet, steunende op twee der drie christelijke kamerfracties en de Vrijzinnig-Democratische kamerfractie.

Ten aanzien van elk dezer soorten van parlementaire ministeries is de R.K. kamerfractie bereid loyale medewerking te verleenen en er ernstig naar te streven, om tot overeenstemming te komen omtrent een in groote lijnen op te stellen regeeringsprogram.

In groote lijnen – immers bij de snelle wisseling der omstandigheden zal het toch thans meer dan ooit tevoren vooral erop aankomen, dat er zij onderling vertrouwen en bereidheid tot overleg en samenwerking tusschen ministerie en kamermeerderheid. Er moet een vaste wil zijn om gezamenlijk ons volk door dezen moeilijken tijd heen te helpen en de grondslagen te leggen voor een betere toekomst.

Daarom zal van de zijde van het ministerie noodig zijn: krachtig beleid en beleidvolle kracht. En van de zijde der kamermeerderheid: loyale medewerking en steun, en de moed, kan het niet anders, impopulair te zijn en daarvan de gevolgen te aanvaarden.

Ik heb echter het vaste vertrouwen, dat de gezonde en nuchtere zin van ons volk een aldus gevoerde staatkunde, mits zonder bruuskheid en onnoodige hardheid, zal begrijpen en tenslotte waardeeren.

Met eerbied verblijf ik van Uwe Majesteit de gehoorzame dienaar,

Aalberse

Het was tenslotte toch geen monoloog; herhaaldelijk maakte zij, naar aanleiding van hetgeen ik gezegd had, eenige opmerking waaruit een discussie ontstond. Ik heb om ’t niet te saai te maken ook wel een paar geestigheidjes verkocht waarover ze luid lachte en ook geestig repliceerde.

            Alles bij elkaar was ’t een bijzonder aangenaam onderhoud dat in mij de herinnering wakker riep aan de prettigste uren, die ik vroeger als minister bij haar doorbracht. Ik heb haar in volle oprechtheid en openhartigheid mijn meening gezegd. Alleen omdat de vraag: wie moet formateur worden? mij niet gesteld werd, heb ik haar ook niet meenen te mogen beantwoorden. Wel heb ik uitvoerig gesproken over de taak van den formateur, welke moeilijkheden er waren en wat hij diende te vermijden. Dat  sloeg heel duidelijk op Colijn, zonder dat zijn naam noch door haar, noch door mij genoemd werd. Zij kon eruit begrijpen dat er aan zijn formateurschap groote bezwaren waren verbonden, maar dat, als zij hem aanwees, er onzerzijds loyaal met hem meegewerkt zou worden.

            Nadat ik zoo ruim driekwartier gesproken had, kwamen we op zijwegen en bleef ze nog een kwartier met mij over allerlei dingen napraten. Tenslotte verzocht ze mij mijn advies voor haar op schrift te stellen, maar, voegde ze er lachend bij:

‘Denk erom dat ik die adviezen aan den formateur ter hand stel.’

Ik zei: ‘Zeker in ’t kort?’

‘Zooals u zelf wilt’, was het antwoord, ‘maar u heeft me zooveel interessante opmerkingen gemaakt waaraan ik nog niet gedacht had dat ik ’t toch wel graag een beetje uitvoerig zou hebben.’ Toen kwam ’t afscheid en kreeg ik weer, als bij mijn komst, een hand. Ik heb van deze audiëntie een bijzonder aangenamen indruk overgehouden.

            Gisteren ontmoette ik in den trein Ruijs. Hij vroeg me wat ik van Colijn dacht.  Hij was beslist anti. Colijn vond hij een groot gevaar. Hij zal wel tegen hem intrigeeren. Zou Ruijs werkelijk meenen dat hij nog eenige kans had weer formateur te worden? Dan honderdmaal liever Colijn.

            En indien Colijn niet, wie dan? Als leider van de grootste partij zou ik ’t eerst in aanmerking komen. Moet ik dan neen zeggen en Van Schaik aanbevelen? Mgr. Aengenent heeft er bij me op aangedrongen dat ik voorzitter van de kamerfractie zou blijven om de eenheid te bewaren. Maar toen ik hem daarna vroeg: als er nu een katholiek formateur zou moeten komen? Daarop antwoordde hij: dan moet je ’t doen, de anderen brengen er niets van terecht. Ik zie echter als gevolg dat Ruijs dan voorzitter van de Roomsch-katholieke kamerfractie wordt of dat, als hij ’t niet wordt, hij gaat intrigeeren. Enfin, ik vermoed dat de koningin Colijn wel zal aanwijzen. Ik hoop niet voor het dilemma gesteld te worden.

dagboekcahier 10

03/05/1933

woensdag 3 mei 1933

Gisteren om twaalf uur belde Colijn me op en deelde me mee dat hij zoojuist van de koningin terugkwam die hem opdracht had gegeven tot vorming van ‘een parlementair kabinet’. Hij  wilde nu voor iets te ondernemen graag eens rustig met mij, niet nog als voorzitter der katholieke kamerfractie, maar als vriend tot vriend spreken. Hij wilde daarvoor ’s middags bij mij komen. Ik antwoordde dat ik verheugd was over deze opdracht, zoowel om den persoon aan wien, als om den vorm waarin; ’t was geheel volgens mijn advies aan de koningin: een parlementair kabinet zonder nadere omschrijving; hij kon dus de vrijzinnig-democraten ook in de formatie betrekken en, slaagde hij daarin niet, een zuiver rechtsch kabinet formeeren. Daar hij ’t nu drukker had dan ik, zei ik dat ik om twee uur bij hem zou komen. Prachtig!

            Om klokslag twee uur belde ik bij hem aan en we hebben wederkeerig met volle openhartigheid zaken en personen besproken tot ruim vier uur. Hij had reeds een conceptprogram gereed en gaf mij dit mee om na te gaan wat ik erin veranderd zou willen hebben. Hij zou die veranderingen dan aanbrengen vóór hij ’t stuk naar de fractievoorzitters zond. Hij is van plan geheel over[een]komstig mijn advies aan de koningin te handelen: dus aanstonds de vrijzinnig-democraten in de formatie betrekken. Uitvoerig hebben we den finantieele toestand  besproken, die inderdaad nog ernstiger bleek dan ik me had voorgesteld. Rekende ik op een in 1934 te dekken tekort van 150 millioen, hij kwam op 180 millioen. Voor de tekorten der vorige jaren wilde hij, ter afsluiting, leenen. In de gegeven omstandigheden een te verdedigen politiek.

            Ook spraken we over de personen. En ook hier bleken onze gedachten geheel parallel te loopen. Allereerst vroeg hij mij in het kabinet te treden, ik mocht zelf ’t departement uitkiezen wat ik wenschte te hebben, behalve Binnenlandsche Zaken dat hij, ook volgens mijn advies aan de koningin, voor zichzelf reserveerde. Ik antwoordde hem dat het kabinet sterker zou zijn als ik er buiten bleef dan wanneer ik erin trad. Ik kon hem als voorzitter van de katholieke kamerfractie, beschikkende over 28 stemmen, meer steunen dan als minister. Temeer, omdat mijn opvolger zou zijn òf Van Schaik, die steeds aarzelende is, òf Ruijs, op wien men nooit bouwen kan. Ik heb nu in de twee moeilijke jaren na Nolens’ dood steeds een eenstemmig optreden der katholieke fractie kunnen verkrijgen. Colijn voelde de juistheid dezer redeneering. Wie dan? Als katholieke ministers noemde ik: Verschuur voor Economische Zaken, Deckers voor Defensie, beiden uit ’t zittend kabinet over te nemen. Verder Van Schaik. 

Colijn interrumpeerde me: ‘Maar niet voor Justitie; zijn denkbeelden over ’t huwelijksrecht bevallen me niet’. Hij dacht aan Arbeid en Volksgezondheid. Ik wees erop dat Van Schaik daar in 1929 voor bedankt had, omdat dit departement hem ‘niet lag’; hij wilde alleen Justitie. Verder noemde ik Welter voor Koloniën. Colijn had aan Feber gedacht. Ik zei: in elk geval niet Rutgers, die lijkt ons antiroomsch en slap, terwijl tegenover den sterk antikatholieken goeverneur-generaal een krachtige figuur noodig was. Daarom drong ik aan op Welter. Colijn had hem echter al bestemd voor directeur van een op te richten Zuiderzeemaatschappij die de inpoldering zou afwerken. Beiden dachten we aan Oud voor Finantiën. Hij dacht aan Marchant voor Arbeid en Slotemaker voor Onderwijs.

We hebben alles in de grootste openhartigheid besproken. Gisterenavond heb ik ook mijn opmerkingen op zijn concept regeeringsprogram geschreven en hem die vanmorgen bezorgd. De copie bewaar ik. Toen ik bij Colijn uit de deur kwam, werd ik door vier fotografen onder vuur genomen.[5]

Vanmorgen vroeg werd ik al opgebeld door Bongaerts. Ik zit met hem. Hij wil absoluut weer minister van Waterstaat worden en ik zou  hem gaarne willen helpen. Maar ik vrees dat Colijn hem niet zou willen hebben. Voor Waterstaat dacht hij aan den tegenwoordigen directeur-generaal Ringers om ook één liberaal in ’t kabinet op te nemen. Bongaerts drong erop aan dat er vijf katholieken (op tien!) in het kabinet zouden komen. Toen hij dit in de Kamerclub zei, zaten de lui te lachen! Begrijpelijk, ’t was al te doorzichtig.

Ik wacht nu af wat ik van Colijn te hooren zal krijgen. Ik ben vooral benieuwd of hij met Marchant is kunnen opschieten. Ik zou ’t ook persoonlijk aangenaam vinden als dit gelukt. Reeds 20 jaar geleden heb ik betoogd dat wij naar samenwerking met de vrijzinnig-democraten moesten streven. En nu heb ik dit in november in mijn groote kamerrede en in mijn verkiezingsrede te Almelo voorbereid. De altijd wel niet onbetrouwbare, maar toch steeds onberekenbare christelijk-historischen zouden we daardoor beter in de hand krijgen.

dagboekcahier 10

07/05/1933

zondag 7 mei 1933

’t Loopt mis vrees ik. Wat Colijn nu uitgehaald heeft, is voor mij na ons openhartig onderhoud volkomen onbegrijpelijk. Na hetgeen ik in november in de Tweede Kamer en onlangs te Almelo gezegd heb,  en na mijn op dit punt wel zeer duidelijk advies aan de koningin, moest het toch voor hem vaststaan dat de katholieke Kamerfractie niet bereid was tot samenwerking met de Vrijheidbondsche fractie: 1. omdat wij de vorming van een ‘nationaal’ kabinet zonder de sociaal-democraten vinden misbruik maken van het mooie adjectief nationaal. Het staat niet aan ons 25% van de bevolking buiten de natie te sluiten; 2. omdat dit zou zijn wat de sociaal-democraten plegen te noemen een ‘burgerlijk blok’: zij krijgen daardoor de bijzonder gunstige positie dat zij vormen de eenige oppositie; reeds in november zei ik: dezen onbetaalbaren dienst wensch ik hun niet te bewijzen. En 3. omdat dit kabinet op zoo breeden grondslag uitteraard zwak zou zijn: gemis aan homogeniteit en al te groote gemakkelijkheid voor zwakke kamerleden om hun eigen weg te gaan: er blijven er genoeg over om het kabinet te steunen. Toen ik dinsdag met Colijn sprak, heb ik dit nog uiteengezet en hij was ’t met mij blijkbaar eens. Bewijs: hij vroeg me of ik er ook bezwaar tegen zou hebben om, als hij geen overleg pleegde met de Vrijheidbondsche fractie, toch één liberaal – bijvoorbeeld Ringers, directeur-generaal  van Waterstaat of prof. Bruins in zijn kabinet opnam. Ik zei: liever niet, maar ’t zou wel niet onoverkomelijk bezwaar voor ons opleveren. Ik had dan liever Ringers dan Bruins.

            Ik kon dus niet anders verwachten dan dat hij een kabinet zou formeeren steunende op de Roomsch-katholieken (28), anti-revolutionairen (14), christelijk-historischen (10), dus samen 52 en de vrijzinnig-democraten (6), dus dan 58. Als we ’t dan, speciaal over de defensie, met de vrijzinnig-democraten niet eens konden worden, zouden we altijd nog een rechtsch kabinet (52) kunnen krijgen of als ’t met de christelijk-historischen gelijk in 1929 niet gelukte, een minderheidskabinet van roomsch-katholieken, anti-revolutionairen en vrij-zinnig-democraten (48) kunnen vormen. Hij was ’t daar geheel mee eens. Woensdag sprak hij met Marchant en De Geer en met Knottenbelt, den voorzitter van de Vrijheidsbondsche fractie. Dit was mij echter onbekend. Ik hoorde niets van hem.

            Groot was daarom mijn verbazing, toen ik vrijdagmorgen van hem ’t concept regeeringsprogram ontving met een begeleidende brief, waarin onze steun gevraagd werd voor een kabinet op dat program tot stand gekomen. En in een Post Scriptum stond toen de mededeeling dat hij een dergelijk schrijven ook gericht had tot de anti-revolutionairen, christelijk-historischen, vrijzinnig-democraten en Vrijheidsbond. Ik wist niet wat ik zag!

Zaterdagmorgen belde Colijn me op om me te vragen wat ik bedoeld had met: ‘wijziging van de gezondheidswet’. Ik antwoordde dat ik me vergist had en dat ik bedoeld had: wettelijke regeling van de ziekenfondsen, waarvan ’t ontwerp van mij afkomstig is. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om hem te zeggen dat ’t me onaangenaam verrast had dat hij nu blijkbaar toch aanstuurde op een ‘nationaal’ kabinet, terwijl hij wist dat wij daaraan niet wilden meewerken. Hij antwoordde toen korzelig dat hij niet anders kon, omdat zeven van de negen adviezen aan de koningin in die richting gingen. Dit is een onwaarheid. Althans van Albarda, Marchant, Van Schaik en mijzelf weet ik dat we anders geadviseerd hebben. Bovendien, dan had hij me dit dinsdagmiddag eerlijkheidshalve moeten zeggen. Hij antwoordde dat hij er niet over gedàcht had anders te handelen. Waarop ik zei: dat moet gij zelf weten, maar ik vrees dat nu de geheele formatie misloopt: nòch de vrijzinnig-democraten noch de Roomsch-katholieken willen daaraan meewerken. Uit!

Vrijdagavond van half negen tot half elf uur was Marchant bij me. Hij was ook verstoord en achtte het program ook voor hem onaannemelijk.  Hij begreep ook niet waarom Colijn aldus handelde. Hij wist dat de anti-revolutionairen zelf ook verdeeld waren: een deel wilde niet met den Vrijheidsbond, een ander deel niet met de vrijzinnig-democraten samenwerken. Hij wilde aan Colijn schrijven dat er voor hem op deze grondslagen niet te onderhandelen viel. Hij stuurt aan op een minderheidskabinet: Roomsch-katholieken, anti-revolutionairen en vrijzinnig-democraten (48). Ik zei hem dat wij ook met een rechtsch kabinet (52) genoegen wilden nemen, maar sterk prefereerden een kabinet van de vier fracties: Roomsch-katholiek, anti-revolutionair, christelijk-historisch en vrijzinnig-democratisch (58). Hij heeft me nu zijn advies aan de koningin en ’t concept-antwoord aan Colijn gezonden. ’t Is wel heel openhartig! Ik heb er met belangstelling van kennis genomen.

Gisteren van elf tot zes uur heb ik met de katholieke kamerfractie ’t program en ’t begeleidend schrijven behandeld. ’t Was zooals ik verwacht had. Er was vooral groote ontstemming, omdat Colijn nu met de Vrijheidbondsche fractie heeft aangepapt, terwijl hij weet dat wij met haar niet willen samenwerken. Ook vond men vrij algemeen ’t program te vaag, terwijl er ook enkele voor ons volstrekt onaannemelijke punten in voorkomen.

Ik stelde voor de punten van bezwaar tegen  het program in een nota op te nemen en deze dan aan Colijn toe te zenden met een begeleidende brief van dezen inhoud: Ontvangst brief met bijlage bevestigen. ‘Ontwerpprogram gaf aanleiding tot de opmerkingen, vervat in bijgaande nota. In het algemeen was de kamerfractie van gevoelen, dat, hoezeer in de gegeven omstandigheden begrijpelijk, het conceptprogram bijna over den gehelen lijn uiterst vaag is gehouden. Zelfs wanneer in het op te stellen regeeringsprogram aan de in bijgevoegde nota aangegeven bezwaren en verlangens volledig zou zijn tegemoet gekomen, moet daarom voor onze kamerfractie het antwoord op de vraag: of zij bereid is een door u op de in het aldus gewijzigde program aangegeven grondslagen te vormen kabinet in de komende parlementaire periode steun te verleenen, afhankelijk worden gesteld zoowel van de samenstelling van de meerderheid waarop het kabinet steunt, als van het kabinet zelf.’ 

            Over deze formule is urenlang gepraat. Ruijs verdedigde weer een parlementair rechtsch kabinet. Van samengaan met de vrijzinnig-democraten vreesde hij afval van de partij naar Nationaal Herstel en dergelijke. Hij wees op Maastricht. Ik antwoordde dat we tienmaal meer verloren hadden aan de R.K. Volkspartij en de democratische bond van Veraart!

            Van Schaik wilde een andere redactie, maar ’t was aan niemand duidelijk wat hij wèl wilde. Anderen wilden met name zeggen: wij willen geen samenwerking met de Vrijheidsbondsche fractie. Ik was daar tegen. Misschien worden deze stukken later gepubliceerd (zoo indertijd bij de formaties dr. Bos en mr. Marchant). Nu acht ik ’t juister af te wachten of de Vrijheidsbond zichzelf niet uitschakelt door niet te ondervangen bezwaren tegen ’t program. Ook wil ik niet van Colijn ’t odium overnemen dat er geen ‘nationaal’ kabinet tot stand komt. We kunnen, loopt ’t anders, nog altijd neen zeggen. Eindelijk won ik ’t en werd de door mij voorgestelde formule aanvaard. Alleen zei ik toe dat ik Colijn mondeling zou toelichten hoe ’t stond. Morgen gaan we om twee uur door met de bespreking van ’t conceptprogram. 

dagboekcahier 10

09/05/1933

dinsdag 9 mei 1933

Ziezoo, ik heb vanmiddag het antwoord van de katholieke kamerfractie ter hand gesteld aan den formateur, dr. Colijn. Het zal hem wel niet meevallen.

            Gisteren heeft de katholieke Kamerclub nog van twee tot half zeven vergaderd. Ik had een heele oogst opmerkingen over ’t concept regeeringsprogram. Gisterenavond kwam de secretaris Bongaerts om half negen bij me om nu samen den brief en nota met op- en aanmerkingen op te stellen. We waren er juist om twee uur vannacht mee klaar. ’t Is een lijvig stuk geworden. Vanmorgen heeft Rie het getikt en juist om half één, toen ik naar de openingszitting van de Kamer moest, was ze ermee gereed. In de Kamer heb ik alles nog eens nagezien en het daarna aan Colijn overhandigd. Ik voegde er mondeling bij dat de bedoeling van den brief was om [in] den zachtst mogelijken vorm hem te kennen te geven dat wij niet bereid waren mee te doen aan een meerderheidsvorming met de Vrijheidsbond. Hij moest zich daaromtrent geen enkele illusie maken. Ik was er beslist tegen. Maar ook al zou ik van meening veranderen, de groote meerderheid der kamerfractie zou deze  zwenking zeker niet meemaken. Hij zei toen: goed, ik kan daar inkomen. Maar met de vrijzinnig-democraten zonder den Vrijheidsbond doe ik het ook niet; dan maar een gewoon rechtsch kabinet. Ik antwoordde: wij prefereeren een kabinet op de basis van vier; maar kan dat niet, dan weigeren we niet een kabinet van drie, dus een ouderwetsch coalitiekabinet te vormen. Maar ’t is gevaarlijk: een meerderheid van 52-48 is niet groot, vooral niet omdat er dan tien christelijk-historischen bij zijn die onberekenbaar zijn. Daarmee eindigde ons gesprek. Ik ben benieuwd wat hij op onzen brief zal antwoorden. Ik heb tenslotte scherp deze vragen gesteld:

Ten einde een definitief antwoord op de ons door u gestelde vraag te kunnen geven, zullen wij gaarne van u vernemen

1. hoe het concept regeeringsprogram zal luiden, nadat door u is rekening gehouden met de van de verschillende fracties ontvangen opmerkingen;

2. hoedanig de samenstelling van de meerderheid zal zijn, waarop het door u te vormen kabinet zal steunen en van het kabinet zelf.

           

Aan het slot van de nota nam ik nog veiligheidshalve deze twee opmerkingen op:

Uit de finantieele nota is niet duidelijk of het de bedoeling is in 1934 de salarissen der  ambtenaren en de steunnormen te verlagen. Algemeen werd het gewenscht geacht dat hieromtrent klaarheid werd gebracht om conflicten te voorkomen.

Instemming met het regeeringsprogram wil alleen zeggen: instemming met het beleid in het algemeen, maar niet, dat nu ook iedere uitwerking ervan, hoe dan ook, onvoorwaardelijk zal moeten worden aanvaard. Natuurlijk zal het kabinet op loyale medewerking moeten kunnen rekenen.

Vanmiddag om kwart over één weer Kamerclub, allereerst om het bestuur te kiezen. Alle aftredenden werden met algemeene stemmen op één na herkozen. Dus ik ook, voor de geheele periode; de bestuursleden alleen voor één jaar. Verder werd besproken: nominatie voorzitter Tweede Kamer. Nummer 1 weer: Van Schaik. Vroeger was voor nummer 2 onze candidaat Schaper. De vraag was: moeten we nu ook nog op hem stemmen? Ik voerde ’t pro en contra aan. Maar het pro achtte ik zwaarder; vooral ’t argument dat we de sociaal-democraten niet in den revolutionairen hoek moeten dringen. Na lang debat zegevierde deze meening. 

dagboekcahier 10

10/05/1933

woensdag 10 mei 1933

Vanmiddag van half drie tot half acht een onderhoud met Colijn gehad. ’t Begon heel tragisch. Hij liet me ’t antwoord van de Vrijheidsbondsche fractie lezen: ze accepteerden alles en vroegen niets. Dus juist zooals ik ’t voorspeld had: ze slikken alles, als ze maar in ’t kabinet opgenomen worden. Daartegenover stond nu onze weigering om met hen een meerderheid te vormen. Reeds had ik de concessie gedaan: desnoods een gematigd, niet al te politiek liberaal in ’t kabinet, bijvoorbeeld Buitenlandsche Zaken of Waterstaat. Maar verder konden we niet gaan. Colijn had zich dus nu vastgewerkt. Zonder ons had hij geen meerderheid en wilde hij trouwens ook niet. Dus was hij van plan morgen naar de koningin te gaan en haar te zeggen dat hij niet geslaagd was. Hij zou haar voorstellen dan de opdracht aan mij te geven. Ik ried hem sterk aan dit niet te doen. Ik – of een ander – zou thans ook niet slagen. Zijn eigen fractie zou ontstemd zijn. (Neen, zei hij, wij zullen loyaal meewerken). Maar in ’t land zal men ’t niet begrijpen. Tegen ’t kabinet zal bij velen een vooroordeel bestaan. Waarom, vroeg ik, vormt gij dan niet liever een rechtsch kabinet? ‘Dat nooit! Ik  waag me niet aan een da capo van 1925’ (toen zijn ministerie na vier maanden viel, omdat de christelijk-historischen voor het amendement-Kersten stemden tot opheffing van ’t gezantschap bij den H. Stoel). Maak dan een kabinet van vier: rechtsch plus vrijzinnig-democraten. En ik slaagde erin hem over te halen. Marchant werd geroepen en we beraadslaagden verder met ons drieën. Alles liep vlot. We behandelden ’t heele program en speciaal onze lange nota van opmerkingen. En we werden ’t over alle punten eens. Bij ’t scheiden zei Marchant: alleen Deckers (Defensie) kon niet aanblijven.

‘Is dat ernst?’

‘Zeker, dien branie-mijnheer kunnen wij niet uitstaan.’

‘Maar dat is toch geen reden!’

‘We zijn ’t niet eens met zijn optreden tegen de militaire bonden.’

‘Ik wel’, zei Colijn.

Zoo gingen we uit elkaar en was alles wat ik zoo moeizaam bereikt had, weer vernietigd. Colijn bracht me in zijn auto naar huis. Hij was stil en zag zeer bleek. Ik zei nog: ‘Probeer ’n rechtsch kabinet. In elk geval is dat toch te prefereeren boven ’n extraparlementair kabinet.’ Neen, zei hij. Ik ben benieuwd wat de dag van morgen brengen zal. 

dagboekcahier 10

14/05/1933

zondag 14 mei 1933

Er is al weer heel wat gebeurd sinds woensdag. Donderdag moest ik naar Roosendaal om te bemiddelen in een groot dreigend landbouwconflict in West-Brabant. En om vier uur had ik daar nog commissarissenvergadering van De Grondwet. Ik was dus den geheelen dag uit. Om twaalf uur thuis komende, hoorde ik, dat Colijn opgebeld had en dat hij dit vrijdagmorgen half negen weer zou doen. Ik sliep nog, toen hij me vrijdagmorgen opbelde. Hij deelde me mee, dat hij donderdagmorgen bij de koningin was geweest; anderhalf uur had hij met haar de situatie besproken. Hij had echter nog geen ontheffing gevraagd om mij niet voor ’n fait accompli te stellen, maar hij zou dit zaterdagochtend doen. Hij zou me (en ook Marchant, De Geer en Knottenbelt) dit om half drie schriftelijk meedeelen, met verzoek dit tot zaterdagochtend tien uur geheim te houden. Hij gaf me echter verlof dit schrijven in de Kamerclub, die ik tegen half drie bijeengeroepen had, mee te deelen. Ik vroeg hem of hij ’s avonds thuis was, ik zou hem dan ’t antwoord komen brengen. Afgesproken.

            Om half drie kreeg ik den brief van De Wilde, echter met een tweeden brief erbij om het geheim te bewaren ‘tot nader bericht’. Naar Colijn me ’s avonds meedeelde, was dit op verzoek van de koningin.  

            Ik maakte hieruit op, dat zij en misschien ook hij nog een flauwe hoop hadden, dat ik voor de verantwoordelijkheid van de mislukking der kabinetsformatie door Colijn misschien nog zou terugkrabbelen.

            Om half drie kwam de kamerfractie bijeen. Ik hield – tegen alle clubgewoonten in – een rede van ruim een uur, vooreerst om mee te deelen wat er gebeurd was en vervolgens om zeer ernstig te wijzen op ’t belang van onze beslissing. Kwamen we op ons besluit om niet met de liberalen te willen samenwerken terug, dan beteekende dit mijns inziens in de toekomst: het uiteenvallen van de Katholieke Staatspartij. Immers bij een meerderheid van 65 was ’t voor zwakke en vreesachtige naturen al te gemakkelijk zich bij onpopulaire voorstellen aan vóórstemmen te onttrekken: ’t zou zonder hen ook wel worden aangenomen. Maar dat zou zich eenige malen achtereen herhalen. En ’t zouden vrijwel altijd dezelfden zijn die zich zouden afscheiden. Gevolg: doorwerking in de partij en scheiding bij de eerstvolgende verkiezing. Men denke maar aan de candidaatstellingen!

            Maar bleven wij bij ons besluit, dan zou er in den lande een felle hetze ontketend worden  tegen de nationaal onbetrouwbare katholieken, die het formeeren van een ‘nationaal’ kabinet hadden verijdeld. Ik ging objectief de voor- en nadeelen der verschillende oplossingen na: ‘nationaal’ kabinet (vijf fracties), kabinet op breeden basis (vier fracties: rechtsch plus vrijzinnig-democraten), rechtsch kabinet (drie fracties), minderheidskabinet (Roomsch-katholiek, anti-revolutionairen en vrijzinnig-democraten) en extraparlementair kabinet. Tenslotte vroeg ik: ernstig te beraden en hun meeningen uit te spreken.

            Verschillenden riepen: ‘Maar wat is uw conclusie?’ Ik antwoordde: ‘Die heb ik en die zal ik aanstonds meedeelen; maar ik wil niemand influenceeren en wil daarom eerst hooren hoe de leden erover denken. Ik heb alles eerlijk meegedeeld, niets achtergehouden, de leden kunnen zich nu een oordeel vormen.’

            Toen kwamen ze los. ’t Was een merkwaardig, zeer ernstig debat. Ieder begreep de situatie en zag de moeilijkheden aan alle kanten. Toch bleek hoe langer hoe duidelijker de meening waartoe ook ik was gekomen: Colijn moet doorgaan en een rechtsch parlementair kabinet vormen. Ik vroeg tenslotte of ik nu namens allen dit aan Colijn kon meedeelen? Twee bleken nog te aarzelen, maar tenslotte  stemden allen ermee in.’t Was ver boven mijn stoutste verwachting!

            Om half negen ging ik naar Colijn. In den brief dien ik hier bij leg, had ik – haastig en kort – vooraf nog eens neergelegd wat ik hem kwam zeggen. Desnoods kunnen wij dit stuk later publiceeren. Ik gaf Colijn eerst in ’t kort een uiteenzetting van de gevoelens in mijn fractie en bood hem toen mijn brief ter lezing aan. Al lezende, ontroerde hij. Toen hij den brief uit had, stond hij op, gaf me een hand en zei: ‘Je kunt op me rekenen; ik zal morgenochtend aan de koningin zeggen, dat ik geen ontheffing van mijn opdracht vraag. Maar – ik moet dan maandag mijn fractie nog raadplegen. De meerderheid was er zeer tegen, dat ik een parlementair rechtsch kabinet zou formeeren. Men wilde, dat dit door een katholiek zou gebeuren.’ Toen praatten we nog wat, over ’t program, over de personen der ministers, enz. en om tien uur verliet ik hem, met een opgelucht hart!

            Ik hoop nu maar, dat de volgende week ’t kabinet tot stand komt. Het program zal nog wel enkele moeilijkheden opleveren, maar daar kom ik wel over heen.

dagboekcahier 10

18/05/1933

donderdag 18 mei 1933

En nu is ’t tòch misgeloopen en wel op de meest onverwachte wijze. Laat ik eerst maar de chronologische volgorde weergeven.

            Maandagmorgen vergaderde de anti-revolutionaire kamerfractie. Toen ’s middags half drie het Dr. Schaepmanhuis ingewijd werd, vernam ik reeds, dat de anti-revolutionaire kamerfractie het niet met Colijn eens was en dat de meerderheid besloten had, dat hij geen rechtsch kabinet zou formeeren. Thuiskomende vond ik zijn schrijven als antwoord op mijn, hem persoonlijk vrijdagavond overhandigde, brief. Hij zette daarin uitvoerig uiteen waarom zijns inziens een kabinet op zoo breed mogelijke basis noodzakelijk was. Een rechtsch kabinet steunend op slechts 52 achtte hij te zwak en wilde hij dus niet formeeren. Hij zou dus aan de koningin om ontheffing van zijn opdracht vragen. Ik verzocht hem daarmee te wachten tot dinsdagnamiddag. Ik zou dan nogmaals de katholieke kamerfractie bijeenroepen en hem ons definitief antwoord terstond daarna doen toekomen. Hij zou dit dan nog afwachten.

            Dinsdag half twaalf kwamen we bijeen. Ik deelde alles precies mee. Bij ’t debat bleek er maar één van meening te zijn, dat we nu maar moesten  toegeven. Toen echter alle anderen van andere meening bleken te zijn, werd tenslotte met algemeene stemmen besloten aan Colijn het volgende te schrijven:

Naar aanleiding van uw door mij ontvangen schrijven d.d. 15 mei 1933 heeft de katholieke kamerfractie heden andermaal vergaderd. De slotsom dezer nadere overweging is geweest, dat de katholieke kamerfractie zich geheel vereenigt met mijn aan u gericht schrijven d.d. 12 mei 1933 en dus de door haar aangenomen houding handhaaft.

Om half twee moest ik een afdeeling presideeren (ik had niet eens tijd gehad koffie te drinken en at, al presideerende, mijn broodjes op) en om twee uur moest ik bemiddelen in het dreigend steendrukkersconflict. Daarom ging Bongaerts mijn brief naar Colijn brengen.

            Om vier uur ging Colijn naar de koningin om ontheffing te vragen, waarbij hij dan, zooals hij gezegd had, aan H.M. zou adviseeren een katholiek (ik of Van Schaik) met de formatie van een rechtsch parlementair kabinet te belasten. En reeds om vijf uur werd ik uit de nog steeds voortdurende conferentie met de steendrukkers geroepen:  de directeur van ’t Kabinet der Koningin was aan de telefoon. Ik ging naar de cel en hij vroeg me of ik om zeven uur bij H.M. wilde komen. Afgesproken. Ik dacht: daar heb je ’t gedonder, nu krijg ik opdracht een rechtsch parlementair kabinet te formeeren. Ik ging weer naar de conferentie terug en om zes uur was ik zóóver, dat de staking veertien dagen werd uitgesteld. In haast ging ik naar huis om me te verkleeden. Tijd om te eten was er niet. Tien minuten over half zeven zat ik in de hofauto, die me naar den Ruijgenhoek bracht. Ik werd, ofschoon het nog geen zeven uur was, onmiddellijk door H.M. ontvangen. Ze leek me onder den indruk van ’t moment. Ze zag bleek en was zeer ernstig.

            Reeds bij ’t binnenkomen gaf ze mij een hand en vroeg me te gaan zitten. Toen nam ze een pak papier – vijf vel getikt en een half vel met potlood beschreven – en stelde me dit ter hand. ‘Voor we verder praten moet u dit eens rustig en langzaam lezen. Ik heb den tijd. Ik moet nog een paar brieven schrijven. Dus u leest die stukken maar rustig door en bekommer u niet om mij.’

            Zoo zaten we tegenover elkaar, zij schrijvende,  ik lezende. Maar wat kreeg ik te lezen? Eerst ’t met potlood beschreven velletje. Daar stond – ongeveer – dit op:

De anti-revolutionaire kamerfractie is van meening, dat een rechtsch parlementair kabinet niet in staat zal zijn in de huidige omstandigheden haar taak naar behooren te volvoeren. Zij weigert dan ook, ook maar eenige verantwoordelijkheid voor het optreden van zoodanig kabinet op zich te nemen. Daarom zal geen harer leden bereid zijn in dat kabinet zitting te nemen. Komt dit toch tot stand, dan zullen wij bereid zijn, hoewel erbuiten staande, het te steunen, gelijk indertijd (1901-1905) De Savornin Lohman het kabinet-Kuyper gesteund heeft.

Ik zat paf. En las en herlas het stuk nog eens. Ik zag, dat de koningin, die eerst had zitten schrijven, mij aanzag om te zien welken indruk die onverwachte verklaring op mij maakte.

            Ik hield daarom even op met lezen en zei haar, dat dit schrijven mij uiterst verbaasde. Wat hier staat is volstrekt in strijd met hetgeen dr. Colijn mij met warmte verzekerd heeft. Hij heeft mij gezegd: ik  zal aan de koningin adviseeren, dat zij aan een katholiek staatsman opdracht zou geven een rechtsch parlementair kabinet te formeeren. Toen ik hem zei, dat dit mijns inziens onjuist was, omdat wij dan den schijn zouden krijgen, dat wij hem weggewerkt hadden om op zijn plaats te kunnen gaan zitten en dit natuurlijk bij zijn partijgenooten groote ontstemming zou wekken, antwoordde hij: gij kunt op mijn loyale medewerking rekenen.

            De koningin zei toen: ‘Ja … Ik bedoel niet dat ik dit bevestig, alleen, dat ik dit nu van u hoor, ik vond de verklaring van den heer Colijn ook merkwaardig en uit vrees hem niet goed begrepen te hebben of dat men later zou zeggen, dat ik ’t verkeerd heb overgebracht, verzocht ik hem dit letterlijk op te schrijven, zooals hij ’t gezegd had. Vandaar dit met potlood beschreven velletje.’

            Ze noodigde me uit nu eerst het andere stuk te lezen, ik kon haar dan mijn oordeel over ’t geheel zeggen.

            Ik ging dus weer lezen, zij weer schrijven. Maar telkens bemerkte ik, dat ze daarmee ophield en naar mij keek. Ik hield me zoo kalm mogelijk, zoodat ook de papieren in mijn  hand niet trilden, hoewel ik inwendig hevig opgewonden en verbolgen was. Ik zat ook onderwijl na te denken wat ik haar nu zou antwoorden als ze mijn advies vroeg of erger: mij toch opdracht gaf tot de vorming van een parlementair rechtsch kabinet. Ik bedacht: dat ik in de kamerfractie beloofd had, dat ik als mij opdracht tot kabinetsformatie zou gegeven worden, dit niet zou weigeren, hoeveel bezwaar ik er ook tegen mocht hebben.

            ’t Stuk zelf, dat H.M. mij ter lezing had gegeven, was ’t rapport van Colijn over zijn gestie als formateur. Uitvoerig besprak hij daarin onze houding. Hij noemde de drie argumenten welke ik in mijn schrijven d.d. 12 mei had aangevoerd tegen de formatie op de basis van vijf partijen. Hij noemde die argumenten onjuist en voor zoover hij de juistheid ervan niet ontkennen kon, waren het zijns inziens overwegingen ontleend aan het belang der Katholieke Staatspartij, overwegingen welke in deze moeilijken tijd niet mochten gelden.

            Ik begon dus eerst aan H.M. nog eens ons standpunt uiteen te zetten.  Telkens zei ze: ja! Ze lachte: ‘Daar zeg ik ’t weer, dat is  zoo’n rare gewoonte van me. Ik bedoel niet, dat ik ’t ermee eens ben, maar dat ik het begrepen heb, dat zóó uw standpunt was.’ Ik lachte ook maar eens en zei: ‘Zeker, majesteit, ik begrijp volkomen wat u bedoelt.’

            Toen kwam ik weer terug op de potloodverklaring. Ik zei haar, dat daardoor de situatie geheel veranderde. Thans nog te gaan trachten een parlementair kabinet te formeeren ware een dwaasheid. 52 is toch al zwak. Maar als veertien daarvan zich mokkend afzijdig houden en altijd kunnen zeggen: wij hebben tevoren gewaarschuwd, is die positie niet slechts zwak, maar onmogelijk. Terloops zei ik, dat het naar mijn meening in elk geval beter ware, dat er geen katholiek formateur optrad. Daarop zei H.M.: ‘Ja, dat heb ik ook met mr. De Geer besproken, maar de christelijk-historischen hebben op dit oogenblik niemand.’ In de loop van het gesprek had zij me ook nog meegedeeld, dat ze juist bericht had gekregen, dat er in ’t buitenland van drie verschillende zijden een poging werd gedaan om den Nederlandschen gulden te doen zakken. Ik bedacht: verbeeld je, dat die actie slaagt, terwijl een katholiek formateur aan ’t morrelen is zonder kans op succes, dan krijgen we  ook daarvan ’t odium. We hebben nu al te dragen, dat er geen ‘nationaal’ kabinet komt en dat de ‘sterke man’ niet in zijn formatie geslaagd is. Dàn zal de antikatholieke hetze eerst recht fel worden.

            Mijn conclusie was dus: thans moest van een poging om een rechtsch parlementair kabinet te vormen worden afgezien. Ik adviseerde dus aan de koningin: om tijdverlies te voorkomen, moest zij nu aanstonds opdracht geven om een extraparlementair kabinet te vormen.

            Blijkbaar had De Geer ook in dien geest geadviseerd, want onmiddellijk zei de koningin: ‘Dan zal ik dat doen. De directeur van het Kabinet zit te wachten, ik zal hem terstond naar Colijn zenden, ze kunnen dan meteen samen een communiqué opmaken.’ Daarna nog een praatje over den economischen en monetairen toestand en tenslotte afscheid. ’t Was half negen toen ik thuis kwam en eindelijk iets te eten kreeg.

            Gisteren, woensdagmorgen stond de telefoon niet stil. De ochtendbladen hadden ’t communiqué gebracht, dat Colijn van zijn  opdracht een parlementair kabinet te vormen was ontheven en dat H.M., nadat H.M. mr. De Geer en mij gehoord had, hem opdracht had gegeven een ‘crisiskabinet’ te vormen. Men begreep er niets van. Waarom nu geen rechtsch kabinet? Ik zond onmiddellijk een brief aan alle leden der katholieke kamerfractie om hun mee te deelen wat er ten hove was voorgevallen. Van Colijn kreeg ik een briefje, waarin hij me vroeg welke katholieken ik ’t liefst in zijn kabinet opgenomen zag.

            In mijn antwoord luchtte ik mijn hart over de ondervonden teleurstelling, toen ik van H.M. vernam wat hij haar had meegedeeld over de niet-medewerking van de anti-revolutionaire fractie aan de vorming van een rechts kabinet. Ik zei dat ik onder ‘loyale medewerking’ iets anders verstond. Hij schijnt dit verkeerd begrepen te hebben. Althans hij antwoordde er terstond op, dat hij dit aan de koningin alleen gezegd had, omdat zij hem vroeg: hoe zal dan de houding der anti-revolutionaire kamerfractie zijn; hij moest haar toen de waarheid zeggen. Ik heb hem onmiddellijk geantwoord, dat daarin mijn grief niet school. Maar wel in ’t feit, dat hij mij  ‘loyale medewerking’ had toegezegd en daarna in zijn brieven van 12 en 15 mei, wanneer hij zijn voornemen meedeelde, ontheffing te vragen, mij niet tevens gewaarschuwd had, dat ook een rechtsch parlementair kabinet niet tot stand zou kunnen komen, temeer, omdat hij me daarbij mondeling had meegedeeld, dat zijn voornemen was aan H.M. te adviseeren een katholiek opdracht te geven tot de vorming van een zoodanig kabinet. Ik voegde daarbij: ‘Ik weet het niet, maar het ware toch mogelijk geweest, dat die mededeeling, tijdig gedaan, op het door de katholieke kamerfractie te nemen besluit van invloed zou zijn geweest.’

            Dit is toch duidelijk. We stonden, althans we moesten meenen te staan voor de keuze: òf een kabinet-Colijn op de vijfvoudige basis òf een rechtsch parlementair kabinet. En toen kozen we het laatste. Hadden we gestaan voor de geheel andere keuze: een parlementair kabinet-Colijn òf een extraparlementair kabinet-Colijn. En ik acht het niet onmogelijk, dat we dan, van twee kwaden ’t minste kiezende, aan het eerste noodgedwongen de voorkeur zouden hebben gegeven. 

dagboekcahier 10

20/05/1933

zaterdag 20 mei 1933

Colijn schijnt met de formatie van zijn kabinet op te schieten. Hoewel ik er buiten sta, heb ik hem loyaal gesteund. Verschuur en Van Schaik, die geen portefeuille wenschten te aanvaarden, heb ik beiden overgehaald. Zoo krijgt hij de twee sterkste mannen welke de Katholieke Staatspartij kan leveren. Hij heeft ook mr. Romme nog gevraagd, toen Verschuur bedankt had. Romme kwam mij om raad vragen. Ik heb het hem ontraden. Hij is pas 36 jaar. Het zou een zonderlingen indruk bij industrie en landbouw gemaakt hebben, als aan ’t hoofd van thans zeker het belangrijkst departement – voor Economische Zaken – een jong advocaatje zou optreden. Hij heeft toen ook bedankt.

            De grootste moeilijkheid levert Koloniën op.  De tegenwoordige gouverneur-generaal geldt voor geprononceerd antikatholiek. Het is ons dus geenszins onverschillig wie minister van Koloniën wordt. Hier zijn voor missie en bijzonder onderwijs groote belangen bij betrokken.

            Van Schaik, die me gisterenmiddag kwam raadplegen, deelde mee dat Colijn aan prof. Kielstra dacht. Ik heb naar verschillende kanten naar hem geïnformeerd. Die aldus  verkregen inlichtingen waren ongunstig. Colijn had eerst gedacht aan Rutgers, goeverneur van Suriname. Ik had hem reeds voor hem gewaarschuwd: hij is antikatholiek en besluiteloos.

            Met dat al heb ik ’t de laatste twee dagen erg druk gehad. Besprekingen met Goseling, Van Schaik, Feber, Romme, Verschuur. En dus den ganschen dag de telefoon! Ik zal blij zijn als ’t kabinet er is.

            Dan laat ik me interviewen door Piet Kasteel, voor De Maasbode, om eens het verloop der crisis te publiceeren. Twee dingen vooral zal ik duidelijk maken: 1. waarom wij geen meerderheid wilden vormen met den Vrijheidsbond en 2. dat het tot stand komen van een rechtsch parlementair kabinet is afgestuit op het gebrek aan medewerking bij de anti-revolutionairen.

            Zooals verwacht was, is er een felle hetze uitgebroken tegen de katholieken, omdat zij het tot stand komen van een ‘nationaal’ parlementair kabinet hebben verijdeld. ’t Zal goed zijn – ook voor sommige katholieken – om dit punt nog eens rustig en klaar op te helderen. 

dagboekcahier 10

24/05/1933

woensdag 24 mei 1933

Goddank, het kabinet is eindelijk in elkaar getimmerd. Zondagmiddag had ik een onderhoud met Verschuur. Hij deelde me mee, dat Ruijs was gevraagd voor Buitenlandsche Zaken, Kielstra zou nu Defensie krijgen, omdat er anders vier katholieken en maar één christelijk-historische in ’t kabinet zou zitten, Colijn zou dan Koloniën nemen, De Wilde kwam aan Binnenlandsche Zaken. Ik achtte dit alles verkeerd. Waarom niet een liberaal of christelijk-historische aan Buitenlandsche Zaken? Deckers van Defensie wegwerken zou opgevat worden als een knieval voor Marchant. Kielstra aan Defensie ware ’n dwaasheid, alleen te verklaren door het feit, dat Colijn hem nu eenmaal gevraagd had, zij ’t voor Koloniën, waar wij hem niet willen hebben. Colijn aan Koloniën was ook mis, 1. wegens den indruk in Indië en 2. omdat hij dan geen tijd had zich met de algemeene leiding te bemoeien. En De Wilde zou aan Binnenlandsche Zaken veel te weinig te doen hebben en dus de feitelijke leider van ’t kabinet worden, temeer omdat hij een veel krachtiger en koppiger natuur is dan Colijn, met wien altijd te praten valt. 

            Verschuur was dit wel met me eens en bracht mijn bezwaren over aan Van Schaik. Deze besprak ze met Colijn. Op aanraden van hem kwam hij maandagochtend met mij de zaak bespreken. Ik raadde aan: jhr. De Graeff aan Buitenlandsche Zaken: hij is christelijk-historisch, gewezen diplomaat en goeverneur-generaal van Nederlandsch-Indië, waar hij volgens velen al te veel in de ‘ethische’ richting zou hebben gestuurd. Zijn opneming in het kabinet achtte ik een stevige correctie voor ’t optreden van Colijn als minister van Koloniën. Dan kon ook Deckers aan Defensie blijven. Colijn had gezegd: zooals ik het zou aanraden, zou hij ’t ook doen. En – hij deed aldus. De Graeff werd gevraagd en nam aan.

            Zoo is dus ’t kabinet klaar. Nu nog het program. Gisterenmiddag van drie tot zes kwamen Van Schaik, Verschuur en Deckers bij me om ’t program te bespreken. Colijn bleek veel uit mijn ‘nota’ te hebben overgenomen. We bespraken nog eenige punten, die we erin of eruit wilden hebben en werden ’t over alles met ons vieren eens.

            Gisterenavond vergaderde ’t nieuwe kabinet in spe om ’t program vast te stellen.  Hoe groot was mijn schrik, toen ik vanmorgen door Het Vaderland en vervolgens door De Tijd werd opgebeld om me te vragen of ’t door beide ontvangen bericht juist was, dat de boel gesprongen was? Van Schaik zou onder pressie van den linkervleugel van de katholieke kamerfractie zich weer hebben teruggetrokken. Ik informeerde terstond bij Van Schaik. ’t Bleek gelukkig onjuist: gisterenavond waren ze ’t over de heele lijn eens geworden. Al onze voorgestelde aanvullingen, schrappingen en wijzigingen waren aanvaard. Vanavond zou waarschijnlijk ’t nieuwe kabinet in de Staatscourant komen. Later sprak ik nog Verschuur, die dit alles bevestigde. Colijn zou echter eerst om vijf uur door de koningin ontvangen worden. Ik heb nu Piet Kasteel gewaarschuwd, dat hij om half vijf bij me kon komen om me te interviewen.

dagboekcahier 10

05/06/1933

maandag 5 juni 1933

Tweede Pinksterdag. Morgen vertrek ik 8.37 naar Genève. Ik zal blij zijn, als ik rustig en wel in de Rheingold zit. Ik reis aan een stuk door en met een oponthoud van één uur in Basel kom ik om 23.53 te Genève aan.

            Woensdag kwam de regeering in de Kamer met haar regeeringsverklaring. Een vrij lang stuk, toch vaag. Kon ook moeilijk anders. De toon viel me mee. Rustig, weinig krachtvertoon en nationalistisch gebral.

            Donderdag en vrijdag debat. Ook dat is me zeer meegevallen. Ik had gedacht dat van alle kanten de slagen op de katholieke kamerfractie zouden neerkomen. Alleen Albarda en Knottenbelt traden tegen me op en nog zeer gematigd. Ik heb er rustig maar vrij sterk op geantwoord. ’t Maakte dan ook wel indruk. Colijn hield een goede rede, maar zweeg geheel over de kabinetsformatie, op dezen, mijns inziens onjuisten grond, dat het kabinet niet verantwoordelijk was voor wat hij na zijn eerste opdracht had gedaan of nagelaten als formateur. Maar zijn mijns inziens onjuiste handelwijze veroorzaakte zijn tweede opdracht; mijns inziens had hij zich dus niet aan de verantwoordelijkheid kunnen onttrekken. We zullen nu maar afwachten waarmee de heeren in september kunnen komen.

            En nu ga ik mijn koffers pakken. ’t Is na de zeer ingespannen weken die ik achter den rug heb een ware verademing dat ik er nu tusschenuit ga, al heb ik in Genève ook wel een moeilijk werk. Maar ’t is weer anders.

dagboekcahier 10

28/07/1933

vrijdag 28 juli 1933

Acht dagen is ’t juist geleden, dat ik na een afwezigheid van ruim zes weken weer thuis kwam. 6 juni vertrok ik naar Genève voor de Internationale Arbeidsconferentie, die 8 juni aanving. Over die conferentie valt niet veel op te merken. Ze was vrij saai, al werd er hard gewerkt en kwam er veel tot stand. Vrijdag 30 juni was ze afgeloopen. Weken achtereen was ’t slecht weer geweest, koud en voortdurend regen. Zaterdag 1 juli was’t weêr prachtig! Ik maakte per boot een bedevaart naar Ouchy (Lausanne), waar ’t beroemde traktaat geteekend werd. ’t Was mijn eerste uitstapje van Genève uit! Tijdens de conferenties was er geen tijd voor. De anderen gingen zondags nogal eens uit, maar dan reeds heel vroeg. Ik moest dan echter naar de kerk en bleef dus moederziel alleen over. Gelukkig heb ik reeds verleden jaar toevallig op een diner in de Cercle Catholique kennisgemaakt met de familie Liebeskind. Hij is een chargé des cours in de rechten aan de universiteit van Genève  en Lausanne, voor eenige weken werd hij tot buitengewoon hoogleeraar benoemd, hoewel katholiek (bekeerling) en nog zeer jong: even dertig jaar. Ik zat aan dat diner, waaraan Brüning, toen nog rijkskanselier, verwacht werd (maar hij kreeg verhindering) naast madame Liebeskind, een aardig, geestig, jong vrouwtje, net onze Nell. Na afloop stelde ze me aan haar man voor en ze brachten me met hun auto naar ’t hôtel. Dat was een begin, dat tot groote vriendschap heeft geleid. Groote attractie voor mij vormde ook hun twee zoontjes van drie en vierenhalf jaar. Ik kwam er aan huis en bijna geregeld kwamen zij in januari en ook thans des zondags bij mij in ’t hôtel lunchen, nadat we elkaar ’s morgens in de Notre Dame ontmoet hadden.

            Dit jaar was er geen diner in de Cercle, maar alleen een gezellige avondbijeenkomst. Men had mij verzocht daar een rede te houden. Ik sprak bijna een half uur over de positie van de katholieken in Nederland. ’t Viel nogal in de smaak. Na afloop gingen we een potje bier drinken in de Croquedil

            Toen de conferentie vrijdag 30 juni afgeloopen was, bleef ik in Genève, want … dinsdag 4 juli zou mijn vrouw komen, begeleid door prof. Groenen, en met z’n drieën zouden we dan een reis door Zwitserland maken.

            ’t Weer bleef prachtig en op een drietal middagen met regen [na] is ’t prachtig gebleven. Dinsdagavond 4 juli 23.53 zouden ze arriveeren. Natuurlijk ging ik naar ’t station. Om half tien was ik al op weg! Tot even elf uur bleef ik vóór ’t station zitten, toen er maar in. Er was geen sterveling te zien! Wat duurde die tijd lang. Eindelijk – lieve trein: drie minuten te vroeg! – kwam de trein en Lies was de eerste die eruit sprong. Wat een weerzien na precies vier weken afwezigheid!

            We trokken naar ’t hôtel, waar we tot bij half twee bleven praten. Woensdagavond soupeerden we bij de familie Liebeskind, die ons ook uitgenoodigd had aan ’t eind van onze reis te komen logeeren in hun villa te Mühlehorn prachtig aan een meer gelegen.

            Tot vrijdag 7 juli bleven we in Genève. ’t Was mooi weer, maar vooral donderdag was ’t zeer warm. Vrijdagmorgen 7 juli 9.58 vertrokken we naar Chamonix,  waar we logeerden in hôtel Carlton. We bezochten natuurlijk de Rhônegletscher, waar we onvermoed gekiekt werden.

            Maandagmorgen 10.44 vertrokken we van Chamonix over Martigny en Visp naar Zermatt, waar we om 19.15 arriveerden en we logeerden in ’t Victoriahôtel (Seiler). Dinsdag 11 juli bestegen we vandaar uit de Gornergrat en keerden terug over Riffelalp, waar we lunchten. ’t Was een prachtdag, vooral ’s morgens. We hebben werkelijk genoten!

            Donderdag 13 juli vertrokken we van Zermatt via Visp en Brig naar Gletsch, waar we logeerden in ’t Hôtel Glacier du Rhône, waar we de kamer kregen, waarin voor twee jaar de koningin gelogeerd had. We kwamen om 16.20 aan en wandelden naar de Rhônegletscher. Den volgenden dag, vrijdag 14 juli, gingen we per postwagen om 10.25 uit Gletsch naar Meiringen, waar we om 13.38 aankwamen. We logeerden in ’t Hotel Wildeman. Een wilde boel was ’t er niet: behalve ons logeerden er nog één familie: man en vrouw! Bovendien ging ’t kort na onze aankomst regenen. Den volgende dag om tien uur  vertrokken we naar Luzern (aankomst 12.21). We logeerden in ’t hôtel Gotthard-Terminus, waar ik vroeger ook al eens gelogeerd had. Zondag 17 juli voeren we naar Brünn. ’t Was mijn derde tocht over ’t Vierwaltstättermeer. Beide vorige keeren regende ’t. Nu prachtig weer, maar helaas! terwijl we in Brunn[en] lunchten, ging ’t regenen. Weldra goot ’t! Zoo trok ik andermaal met regen door de Axenstrasse. Van Fluelen gingen we met de trein weer terug naar Luzern. Maandag [maakten we een autotocht met een familie uit Nederland, die we daar ontmoet hadden,][6] bezichtigden we Luzern en dinsdagmorgen 10.40 vertrokken we weer, met de trein naar Fluelen, vandaar weer met de postwagen door de Klausenpas naar Linthal en vandaar per trein naar Ziegelbrücken en vandaar naar Mühlehorn. Prof. Liebeskind kwam ons al in Ziegelbrücken tegemoet.

            Wat een heerlijk oord die villa Seegarten. ’t Leek ons een sprookje. Twee terrassen aan ’t meer. We werden allerhartelijkst ontvangen. Woensdagmorgen maakten we een groote wandeling door de bergen. Vooral de steile terugtocht was voor onze stijve beenen  bezwaarlijk. Madame Liebeskind waakte echter over me als een bewaarengel en de prof. zorgde voor Lies. ’s Middags ’n tocht over ’t meer. ’s Avonds ’n rustig zitje op ’t terras. ’t Was een heerlijke dag. Prachtig weer. Alleen wat warm. Donderdag om twaalf uur vertrokken we weer na een hartelijk afscheid. Jammer, dat de jongste juist ziek was. Ik ben benieuwd naar de kiekjes die men daar van ons genomen heeft. Via Richterswil en Thalwil reisden we naar Zürich, waar we logeerden in Hôtel Royal. Vrijdag morgen 21 juli, 7.22 vertrokken we met de Rheingold naar ’t Haagje, waar we 21.02 aankwamen, afgehaald door Piet en Ton.  We wilden per se dien avond thuis zijn: ’t was onze 35e trouwdag! Feestelijk werden we verwelkomd: alle kinderen aanwezig, met Frans, Stan en Ton, onze drie schoonzoons, en Wim en … [7], onze aanstaande schoonkinderen: twaalf man sterk! Een patriarchale familie. Ze hadden voor ’n heerlijke bowl gezorgd en tot twaalf uur bleven we vroolijk bijeen. Dankbaar gingen we naar bed. ’t Was een lange dag geweest – veertien uur sporens, met snikhitte! – maar gezellig, met een pakkend slot! Zoo was onze tweede huwelijksreis ten einde! 

            Den volgenden dag moest ik aanstonds aan ’t werk. Er lagen nogal brieven die haast hadden; ik had in geen zes weken iets aan Maasbode of Centrum gezonden en morgen, 29 juli, moet ik een rede houden in den kaderdag van de Katholieke Staatspartij over staat en maatschappelijke orde. Thans is alles klaar. Morgen ga ik naar Amersfoort, Maasbode en Centrum hebben deze week alle twee alweer een artikel van me gehad, alle brieven zijn behandeld.

dagboekcahier 10

16/09/1934

zondag 16 september 1934

Meer dan een jaar is ’t geleden, dat ik niets meer heb opgeteekend. Ik heb er eenvoudig niet den tijd voor. Het voorzitterschap van de katholieke kamerfractie en van den partijraad neemt me al bijna geheel in beslag. Maar wat komt daar nog niet een werk bij! Het voorzitterschap van den Hoogen Raad van Arbeid vergt in dezen tijd niet veel arbeid, maar des te meer ’t ambt van Rijksbemiddelaar. En ’t voorzitterschap van het Centraal College voor Medisch Tuchtrecht en van de Centrale Commissie voor de Statistiek zijn allesbehalve sinecures. Maar ’t meest tijd vragen  medewerkingen aan De Maasbode, waarin ik gemiddeld wekelijks een à twee artikelen schrijf; en aan Centrum en Tijd (sinds ruim een jaar schrijf ik daarin de ‘Haagsche Brieven’). ’t Is niet alleen ’t schrijven dier artikelen, maar vooral wat ik ervoor en ervóór lezen moet! Tenslotte, wat me ’t meest nekt, is mijn jaarlijksch verblijf van ± een maand in Genève voor de Internationale Arbeidsconferentie en de geweldige post die ik te verwerken heb als gevolg van die verschillende functies.

            Jammer is ’t, dat ik niets opteekende. Er is zoovéél in dat jaar gebeurd! Toch zal ik maar niet probeeren een terugblik te werpen; daar kom ik toch niet door. De reden waarom ik nu toch weer begin, is, dat er groot onheil dreigt. Ik wil ’t verloop ervan vastleggen.

            Allereerst ’t wetsontwerp over de doode hand. Ik was daar altijd tegen, vooral omdat nu de fiscus precies te weten komt welke kapitalen de kerk bezit. Ik geloof, dat hetgeen de bisschoppen aan fondsen ter vrije beschikking hebben, veel meer is dan iemand denkt. Dat loopt dik in de millioenen. Gelukkig! Maar de fiscus behoeft dat niet te weten. Wie ziet daar over eenige jaren? 

            Hoewel dit wetsontwerp in de regeeringsverklaring van ’t kabinet-Colijn, althans in de eerste millioenennota van dit kabinet, was aangekondigd, kwam er van geen enkele zijde kritiek los. Zelfs niet toen ’t wetsontwerp was ingediend, dat eerst na ± zeven maanden behandeld werd. Wel kregen we bijvoorbeeld een brief van den aartsbisschop als voorzitter van de St. Radboudstichting, waarin erop werd aangedrongen, dat wij ’t kapitaal van de Katholieke Universiteit – met de hulp van de anti-revolutionairen, die een gelijk belang bij de Vrije Universiteit hebben – zouden trachten buiten deze heffing (twee per mille jaarlijks) te houden. Ook van andere kanten kwamen eenige bezwaren los. Zoo betreffende de verplichting tot het openleggen der bestaande boeken, waarin geheimen kunnen staan; men vroeg daaromtrent een amendement voor te stellen. Enz. Maar van geen enkele zijde, ook niet in de katholieke pers, werd bezwaar gemaakt tegen het principe der heffing.

            Nu leefde ik in de vaste meening, dat als dit wetsontwerp in behandeling kwam, het ook zou worden aangenomen, ook al stemden wij tegen. Daarom vond ik ’t de beste taktiek voor te stemmen, maar dan onze stem zoo duur mogelijk te verkoopen. Ik schreef daarom een  brief aan minister Oud, waarin ik hem zei, dat wij zeer ernstige bezwaren tegen ’t wetsontwerp hadden, maar dat wij in de gegeven omstandigheden er onze stem niet [aan] zouden onthouden, mits enkele moeilijkheden, waarvan twee voor ons onoverkomelijk waren, werden opgeheven: 1. de openlegging der boeken van vóór 1 januari 1934 en 2. het blijvend karakter deze belasting. Ik drong er daarom bij hem op aan ons daarin tegemoet te komen. Hij deed dit, zoo loyaal mogelijk. Daarom waren we toen moreel verplicht ook vóór de wet te stemmen.

            Ze werd behandeld terwijl ik in Genève was en Goseling me dus als tweede voorzitter verving. Bij de algemeene beschouwingen verdedigde Fleskens – die voorzitter der commissie was – het standpunt der fractie: ons groot algemeen bezwaar, maar onze bereidheid om der tijden nood deze belasting voor vijf jaar toe te staan.

Maar toen kwam er eensklaps oppositie los van de hervormden, die van hun bezwaren in de afdeelingen niet hadden doen blijken. Ze kwamen met een amendement om de zogenaamde pastoralia buiten de heffing te laten, omdat uit deze kapitalen de salarissen der dominés betaald worden. 

De minister bestreed dit en zei, dat als ’t amendement aangenomen werd, hij om de rest niet veel meer gaf. Dus een zachte onaannemelijkverklaring. Ook de anti-revolutionairen zouden voor dit amendement stemmen. Stemden ook de katholieken ervoor, dan ware ’t aangenomen geweest en was hoogstwaarschijnlijk het wetsontwerp van de baan geweest. Toch hebben de katholieken ertegen gestemd op twee gronden: 1. uit loyaliteit tegenover de minister, die al onze verlangens had ingewilligd en dus erop rekenen mocht, dat wij voor ’t wetsontwerp zouden stemmen en 2. omdat ’t amendement alleen van belang was voor de Hervormde Kerk; werd ’t dus aangenomen, dan zouden de christelijk-historischen en anti-revolutionairen na vijf jaren wel voor verlenging van deze wet gestemd hebben en kwamen we dus nooit meer van deze wet af. Deze houding is achteraf als een ernstige grief tegen de katholieke kamerfractie aangevoerd: ze hadden ’t in handen de wet te laten vallen.

Thans is ’t wetsontwerp bij de Eerste Kamer aanhangig. Prof. Steger schreef een brief aan mgr. Aengenent vragende of katholieken met gerust geweten voor deze wet konden stemmen. Monseigneur hoorde hierover Goseling en mij. Wij stonden beiden op ’t standpunt, dat er ernstig bezwaar tegen was, dat de Eerste Kamerleden op principieele gronden dit wetsontwerp zouden  afstemmen, terwijl de katholieke Tweede Kamerleden er eenstemmig voor gestemd hadden. Ook zou ons inziens hun tegenstemmen niet tot verwerping der wet leiden, daar wij vernomen hadden, dat de christelijk-historischen in de Eerste Kamer verdeeld waren en dat er van de anti-revolutionairen maar één lid tegen zou stemmen. Iets goeds viel dus niet te bereiken, maar er zou groot kwaad door gesticht worden.

Monseigneur was hierdoor overtuigd en hoewel hij de aanneming der wet zeer betreurde en het een fout vond, dat de katholieken niet vóór ’t amendement-Rutgers gestemd hadden, zou hij aan het Doorluchtig Episcopaat voorstellen in dezen geest aan prof. Steger te antwoorden. Verder hoorden we er niets meer van.

Toen kwam ’t voorloopig verslag van de Eerste Kamer uit, waaruit bleek, dat alleen één lid – blijkbaar katholiek, want hij beriep zich op de Codex – zich tegen de wet had verklaard op den principieelen grond, dat de staat niet ’t recht had belasting van de kerk te heffen – de overige, blijkbaar katholieke leden deelden dit bezwaar niet; ze hadden wel groote bezwaren, maar zouden er om der tijden nood overheen stappen.

Groot was onze verbazing, toen we verleden  dinsdag bij geruchte vernamen, dat er bij de Eerste Kamerfractie een schrijven van ’t Doorluchtig Episcopaat was ingekomen, waarin er zoo krachtig mogelijk op aangedrongen werd, dat de katholieke leden éénstemmig tegen de wet zouden stemmen.

Ik verzocht Goseling woensdag naar den aartsbisschop te gaan en hem te vragen of dit waar was en zoo ja, hem dan uiteen te zetten, hoe gevaarlijk deze stap was. Want natuurlijk zou dit uitlekken. Na ’t voorloopig verslag, waaruit blijkt dat er maar één lid tegen was, moest ’t opvallen, dat nu eensklaps alle leden zouden tegen stemmen. Natuurlijk zou men daarin een inmenging van de bisschoppen zien. Dit zou politiek in en buiten de Katholieke Staatspartij heftig worden uitgebuit. En – waren onze inlichtingen juist – dan zou daardoor toch ’t wetsontwerp niet verworpen worden.

Monseigneur schrok daarvan. Ze hadden daar niet aan gedacht. Hij ging echter zaterdag met mgr. Lemmens van Roermond naar Argentinië voor ’t Eucharistisch Congres in Buenos Ayres en kon dus niets meer doen. Hij verzocht Goseling en mij de drie blijvende bisschoppen te bezoeken; als zij dan van meening waren, dat ’t beter was dien brief weer in te trekken, dan was hij ’t daarmee eens.

Zoo kwamen we donderdag weer samen bij mgr. Aengenent  en vrijdag bij mgr. Diepen en mgr. Hopmans. Bij alle drie kregen we ’t zelfde te hooren. Deze wet was in haar gevolgen verschrikkelijk. ’t Was een groote fout, dat de katholieke Tweede Kamerleden ervoor gestemd hadden; in elk geval hadden ze voor ’t amendement-Rutgers moeten stemmen om zóó de wet te torpedeeren. In elk geval was onze grootste fout, dat we niet vooraf ’t Episcopaat geraadpleegd hadden over een wetsontwerp, waarbij de belangen der kerk zoo nauw betrokken waren. Wij zetten den toestand nog eens uiteen. Zie boven. Ik wees er ook op, dat we wel een brief van den aartsbisschop hadden ontvangen om op één – ondergeschikt – punt op wijziging aan te dringen. Daaruit mochten we toch concludeeren, dat de bisschoppen overigens tegen die wet geen overwegend bezwaar hadden. Daarna wezen wij op de gevolgen die hun brief, als hij bekend werd, zou kunnen hebben. Goseling zag dit nog veel ernstiger in dan ik. Hij meende vooral, dat de meer anticlericaal aangelegde jongeren er hevig  tegen zouden opsputteren. Dit betoog maakte wel indruk. De aartsbisschop zei: ‘Dit weet ik wel, zoo’n besluit neem ik nooit meer zonder vooraf jelui beiden geraadpleegd te hebben’. Mgr. Aengenent zei: ik kan alleen niets doen; maar ’t best zal zijn als we de zaak met ons drieën overgebleven bisschoppen nog eens bespreken. Mgr. Diepen zei: de Eerste Kamerleden blijven, ook na ons schrijven, vrij om naar omstandigheden te handelen; wordt bijvoorbeeld de kabinetsquestie gesteld, dan zullen ze dus vóór de wet kunnen stemmen, van twee kwaden ’t minste kiezende. Mgr. Hopmans zei: gij moet ’t bestuur van de Eerste Kamerfractie uw bezwaren meedeelen; deelen zij die, dan kunnen zij zich tot ons wenden en dan zullen wij ons nader beraden. Zoo staat deze zaak thans. ’t Is een ellendige geschiedenis. Ik vind deze wet ook ellendig. Maar de gevolgen van dit optreden der bisschoppen kunnen nog veel ernstiger zijn! Den brief dien ik aan mgr. Aengenent schreef, leg ik hierbij.[8] Dat bespaart me ’t overschrijven!

Nog een tweede onheil dreigt: Van Spanje, gewezen bisschoppelijk commissaris van  Het Centrum, heeft nog een vordering en dreigt nu ’t faillissement aan te vragen. Doet hij dat, dan barst de bom en zal ook Futura, waarvan de liquidatie bijna afgeloopen is, ook nog worden meegesleept.  De hemel behoede ons daarvoor! Ik wacht nog even af wat hij doet.

’s-Gravenhage, 11 september ’34.[9]

Reverendissime Amice!

Zoo juist van de reis naar ’s-Bosch en Breda thuis gekomen, stel ik er prijs op, volgens belofte, u van het resultaat op de hoogte te stellen. Het verloop van het gesprek was in beide gevallen precies gelijk bij u. Wij hoorden dezelfde bezwaren en wij voerden dezelfde bedenkingen aan.

Het slot bij mgr. Diepen was dit, dat monseigneur ongeveer het volgende zeide: de leden der Eerste Kamer weten nu, hoe de bisschoppen hierover denken en zij zullen daar ongetwijfeld bij het vormen van hun oordeel rekening mee houden. Wij hebben niet gezegd dat deze belastingheffing op-zich-zelf ongeoorloofd zou zijn. Ware dit het geval, dan zou een katholiek er niet voor mógen stemmen. Wij hebben alleen gezegd dat er zoo ernstige bezwaren tegen bestaan, dat wij op verwerping aandringen. Natuurlijk kunnen daar andere bezwaren, van politieke strekking, tegenover staan. Bijvoorbeeld als de regeering de kabinetsquestie stelt. Dan zullen de Eerste Kamer-leden deze bezwaren tegen elkaar moeten afwegen en daarvan het bepalen van hun stem moeten laten afhangen. Wij kunnen daarin geen  raad geven, want dan zouden wij ons met de politieke kant der questie gaan bemoeien, wat wij juist niet willen. Ik blijf echter bidden, dat dit wetsontwerp geen wet worde.

Mgr. Hopmans redeneerde op gelijke wijze, maar ging iets verder. Hij ried ons aan, een nieuw onderhoud te hebben met het bestuur der Eerste Kamer-fractie en hun dan onze bezwaren voor te leggen. Zouden zij die bezwaren deelen, dan zou het op hun weg liggen, zich tot de drie in ’t land zijnde bisschoppen te wenden en wij zullen ons dan beraden, welk antwoord wij zullen geven.

Ik geloof dat ik hiermee vrij nauwkeurig – natuurlijk niet letterlijk, maar wel naar [den geest] het gevoelen der beide bischoppen[10] [...]

3. Het tegenstemmen der katholieken leidt niet tot verwerping der wet, bijvoorbeeld omdat de antirevolutionairen vóór stemmen.

Ik zou meenen, dat zij dan in ’t eerste geval, na het schrijven van het Doorluchtig Episcopaat, tegen moeten stemmen, doch dan niet op den principieelen grond dat de staat niet het recht heeft belasting van de kerkgenootschappen te heffen, maar omdat huns inziens de practische bezwaren voor hen onoverkomelijk zijn. Ze komen dan wel in strijd met hetgeen ze – op één na – in de afdeelingen hebben gezegd, maar ze zullen dit zoo goed mogelijk moeten trachten te verklaren.

In de gevallen 2 en 3 ware ’t mijns inziens wenschelijk dat ze, zooveel mogelijk unaniem, vóór stemmen. Ik ducht zeer de gevolgen van het feit dat – indirect – het kabinet-Colijn door het Doorluchtig Episcopaat ten val zou zijn gebracht. Die gevolgen acht ik véél ernstiger dan de gevolgen van de aanneming der wet.

In het derde geval wordt met tegenstemmen niets goeds bereikt, maar wel het kwaad dat wij duchten, zoo onder andere de tegenstelling tusschen de katholieke leden der Tweede en der Eerste Kamer. Dit kwaad is er ook in geval 1, maar dan staat daar het goed van de verwerping van ’t wetsontwerp tegenover.

Zooals u zult bemerkt hebben, staat Goseling er eenigszins anders tegenover, omdat hij de gevolgen ducht van ’t bekend worden van ’t ingrijpen van het Doorluchtig Episcopaat (1) in ’t algemeen, (2) zeer in ’t bijzonder bij het jongere deel van de partij.

Na de publicatie in Ons Noorden – er stond nota bene uitdrukkelijk in dat men te Utrecht vergaderde, wat nooit geschiedt: de fracties vergaderen altijd in ’t gebouw der Kamer – acht ik dit kwaad reeds gesticht; het ‘geheim’ van 16 menschen blijft nooit geheim.

Ten slotte moet ik u nog mijn excuses aanbieden, dat wij u zoo onbehoorlijk lang hebben opgehouden. Ik dacht werkelijk, dat het omtrent 5 uur was en ik meende de trein van ½ 6 te halen![11]

           

Haarlem, 15 september ’34.

Amice,

Hartelijk dank ik u voor uw mededeelingen omtrent het onderhoud met de bisschoppen van Breda en van Den Bosch. Wij zullen nu rustig het antwoord afwachten van de Eerste Kamer-fractie na de bespreking van u met haar, ten minste indien zij meent dat uw bezwaren van dien aard zijn, dat een nieuwe bespreking met de drie bisschoppen gewenscht is.

Ik vind den toestand zeer ernstig. Want wij zijn in een impasse geraakt en hoe komen wij er uit? Maar ik vraag mij af: moeten wij omwille van een fout die door de Tweede Kamer-fractie zonder twijfel gemaakt is, een wet aanvaarden die een ramp is voor het heden en een nog grooter ramp wordt voor de toekomst? De eerste stap is gezet op een weg, die funest is. Ik betreur dat ten zeerste, vooral omdat ik op het oogenblik geen uitweg zie. Met mgr. Diepen bid ik, dat de wet verworpen wordt, hetgeen zeker mogelijk is als ook de antirevolutionairen willen tegenstemmen.

Met hartelijken groet, totus tuus in Christo,

            + J.D.J. Aengenent, bisschop van Haarlem

Haarlem, 17 september ’34.

Amice,

Van mgr. Hopmans, den senior der drie aanwezige bisschoppen, ontving ik zoo juist een schrijven waarin hij, ook namens mgr. Diepen, verzoekt aan u te willen mededeelen, ‘dat wij na rijpe overweging en overleg ons standpunt betreffende het wetsontwerp op de doode hand handhaven en dat wij ook van mr. Aalberse en mr. Goseling medewerking verwachten. Wij achten de aanneming van het wetsontwerp een ramp.’

Gaarne breng ik deze mededeeling aan u over, vooral omdat het ook mijn eigen zienswijze volkomen weergeeft. Eenparig dus staan wij op hetzelfde standpunt. Ik heb den indruk dat door u en mr. Goseling onze rechtmatige bezwaren niet geheel worden aangevoeld. En mocht eventueel bekend worden dat wij, bisschoppen, op verwerping hebben aangedrongen, zou dat dan wel zoo heel erg zijn? Wij hebben toch ook onze rechten en vooral ook onze plichten.

Ik hoop dat u morgen reeds bij de opening der Kamer de gelegenheid kunt vinden om de voormannen der katholieke Eerste Kamer-fractie in de door ons verhoopte richting te helpen stuwen.

Het zal wel overbodig zijn hieraan toe te voegen, dat dit alles voor u en de katholieke Tweede Kamer-fractie volgens mijn innige overtuiging niet aangenaam zal zijn. Maar wij kunnen niet anders, wij mogen niet anders. Wij achten het onzen heiligen plicht alles te beproeven om de wet te doen verwerpen. Ik stel er echter prijs op te verklaren, dat mijn liefde voor de Katholieke Staatspartij onverwoestbaar is en door de gebeurtenissen niet geschokt wordt.

Met hartelijken groet, totus tuus in Christo,

            + J.D.J. Aengenent, bisschop van Haarlem

’s-Gravenhage, 19 september[12] ’34.

Reverendissime amice!

Uw schrijven d.d. 17 september kwam tijdig in mijn bezit. De bespreking met de heeren Janssen en Michiels had gisterenmiddag om vijf uur plaats. Ze duurde tot zeven uur. Ik kon hun dus ook mededeeling doen van de passage uit het schrijven van mgr. Diepen, door u aan mij meegedeeld. Het staat dus nu vast dat alle katholieke leden van de Eerste Kamer, op practische gronden, ontleend aaan de gevolgen, tegen de wet zullen stemmen. Ze vreesden echter dat Blomjous een principieele rede – die hij al klaar had – per se zou willen houden, hoewell alle andere leden der fractie hem dit zoo dringend mogelijk ontraden hadden.. Ze vroegen of mgr. Diepen hem daarvan niet weerhouden kon? Wij antwoordden dat wij dit toch moeilijk konden vragen, al zouden wij daarvan in de Tweede Kamer vooral de moeilijkheden ondervinden.

De vraag rees: wat moeten de katholieke Eerste Kamer-leden doen, als van te voren vaststaat, gelijk in de Tweede Kamer vaststond, dat niettegenstaande hun tegenstemmen de wet toch zou worden aangenomen? Men bereikte dan niets goeds, maar had alle nadeelen te verwachten van deze tegenstelling tusschen Tweede en Eerste Kamerfractie, en het duidelijk wekken van den schijn, dat van bovenaf was ingegrepen.

Nog moeilijker was de vraag, wat te doen als de regeering de portefeuille-questie – wat in casu beteekent de kabinets-questie – zou stellen? Zij rekenden erop dat zij dit – vooral nu de regeering door het domme bericht in Ons Noorden gewaarschuwd was – vrij zeker zou doen en dat dan zeker de antirevolutionairen niet tegen het kabinet-Colijn zouden stemmen. Ook in dat geval zou men dus niets bereiken, terwijl men dan, op een wenk van bovenaf, tegen het kabinet zou hebben gestemd – met de gevolgen van dien, in en buiten de Staatspartij.

Wij rieden hen aan, op grond van hetgeen mgr. Hopmans ons gezegd had, deze moeilijkheden aan mgr. Hopmans, als den oudste der bisschoppen, voor te leggen. Aanvankelijk hadden zij er bezwaar tegen: dit ware, volgens hen, aan de bisschoppen directieven vragen over een zuiver politieke situatie. Maar later neigden zij ertoe over, op grond dat vele hunner leden meenden thans in geweten verplicht te zijn onder alle omstandigheden tegen de wet te stemmen. Ze zouden dit punt nog eens overwegen.

De situatie is zeer bemoeilijkt, omdat hun voorzitter – mr. Van Lanschot – in Genève is. Hij was echter van plan om daags vóór de wet in behandeling komt, over te komen. Dan echter was ’t te laat, om zich nog te informeeren.

Eén punt kwam ook nog ter sprake: de houding van de katholieken in de Tweede Kamer tegenover ’t  amendement-Rutgers. Ten slotte waren we ’t erover eens dat indien de katholieken vóór dit amendement gestemd hadden, de antirevolutionairen er zeker tegen gestemd zouden hebben. Nu konden ze er – terwille van de Nederlandse Hervormden in hun partij – veilig voorstemmen, omdat ze wisten dat ’t toch niet zou worden aangenomen. Uit de rede van Schouten bleek ook al wel, dat ze eigenlijk ook niet vóór dit amendement waren. Is dit juist, dan is dus onjuist de meening, dat de katholieken in de Tweede Kamer het in de hand hebben gehad, dat ’t wetsontwerp zou zijn verworpen of althans ingetrokken.

Hiermee geloof ik u zoo getrouw mogelijk te hebben ingelicht over ’t resultaat van het onderhoud, dat wij gisterenmiddag met de beide heeren hadden. U weet dus nu precies hoe het staat en welke vragen misschien nog gesteld zullen worden.

            Ten besluite nog twee dingen:

1. Aan De Vlugt (antirevolutionair) vroeg ik in de openingsvergadering, hoe zijn fractie in de Eerste Kamer zou stemmen. Hij zei het niet te weten, want dat ze er nog niet over vergaderd hadden, maar hij dacht dat ze vóór zouden stemmen, evenals ze, op een of twee uitzonderingen na, ook in de Tweede Kamer hadden gedaan.

2. U meent dat Goseling en ik niet voldoende overtuigd zijn van den ernst van de bezwaren van het Doorluchtig Episcopaat. Ik geloof, dat wij dit wél zijn. Wat mijzelf betreft kan ik dit ook wel bewijzen. Ik sluit hierbij in mijn ‘Haagschen Brief’ , die tijdens mijn verblijf te Genève in De Tijd van 19 juni verscheen, dus daags voordat ’t wetsontwerp in de Tweede Kamer in behandeling kwam. In de blauw aangestreepte passages kunt u zien, hoe sterk ik juist deze bezwaren op den voorgrond stelde, sterker dan ze in eenig deel der katholieke pers waren geopperd. Een zoo denk ik [er] ook nu over.

De katholieke leden der Tweede Kamer stonden echter voor deze keuze: òfwel tegen de wet stemmen, wetende dat ze dan toch zou worden aangenomen, met alle bezwaren erin, waarop onze aandacht gevestigd was, òfwel vóór de wet te stemmen, teneinde die bezwaren alsnog bij amendement uit de wet te kunnen verwijderen. Minister Oud is aan die bezwaren thans alleen tegemoet gekomen, omdat hij wist dat anders de katholieken zouden tegenstemmen.

Ik vraag mij zelfs ook nu nog af: gesteld dat wij zóó de vraag: vóór- of tegenstemmen aan ’t Doorluchtig Episcopaat vóór de behandeling hadden voorgelegd, wat zou dan ’t antwoord geweest zijn? Tegenstemmen, en niets bereiken, òf voorstemmen, om aldus de wegneming van althans enkele ernstige bezwaren te verkrijgen?

In de Eerste Kamer staat de zaak anders, wijl er thans in het wetsontwerp, ook door een minister, niets meer veranderd kan worden. Noch met voor-, noch met tegenstemmen (als namelijk de antirevolutionairen vóórstemmen) valt iets te bereiken. Daar is de vraag: wat heeft de minst ernstige gevolgen?

Met hartelijke groeten, totus tuus, A.

dagboekcahier 10

31/12/1934

maandag 31 december 1934

Vanmorgen ontving ik mijn benoeming tot minister van Staat. Wegens den hofrouw zijn op 31 augustus geen decoraties verleend, ze zijn toen uitgesteld tot vandaag.

            ’t Is wel een merkwaardig moment, waarop deze benoeming komt. De behandeling der begrooting is afgeloopen. Er was, bij den aanvang, bij de groote meerderheid der katholieke kamerfractie geen bereidheid meer het kabinet-Colijn te blijven steunen. Zakelijk was ik ’t met de grieven eens, maar ik vroeg me af: wat dan? Ik zou dan zelf voor de vorming van een nieuw kabinet gesteld zijn, met groote kans van niet-slagen. En indien ik al slaagde, met een onmenselijk zware taak belast. Maar daarvan afgezien was mijn meening, dat wij het uitlokken van een conflict met het kabinet, zoolang maar eenigszins mogelijk was, hadden  te voorkomen. Ik heb dus al mijn strategie en overredingskunst aangewend om eenerzijds het ontstaan van een conflict te voorkomen en anderzijds toch de eenheid en eenstemmigheid in de katholieke kamerfractie te [bewaren][13].  ’t Leek vrijwel op de kwadratuur van den cirkel. En toch … ik ben erin geslaagd.

            In deze ietwat kritieke situatie kwam Van Schaik mij vertrouwelijk mededeelen, half december, dat het plan was mij op 31 december te benoemen tot minister van Staat. Hij vroeg zich af of mij dit in de gegeven omstandigheden wel wenschelijk voorkwam? Ik antwoordde, dat ik gaarne 24 uur beraad had. Den volgenden dag deelde ik hem mede, dat ik op deze vraag geen antwoord meende te moeten geven. De beslissing moest geheel bij ’t kabinet blijven. Hij zei dit te verstaan. En zoo volgde 31 december deze benoeming.

            Sinds mijn benoeming tot ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw, een dikke twintig jaar geleden, had ik nooit meer eenige onderscheiding ontvangen. Van alle ministers uit ’t kabinet-Ruijs 1918-1925, die zeven jaren achtereen hun ambt hadden uitgevoerd, was ik de eenige die geen onderscheiding ontving. Waarom is mij nooit duidelijk geworden. En nu opeens  de hoogste onderscheiding welke de koningin pleegt te geven! Ik zal maar zeggen: beter laat dan nooit!

dagboekcahier 10

25/07/1935

donderdag 25 juli 1935

Alweer een half jaar lang niets opgeteekend! Ik heb er eenvoudig geen tijd voor. Thans is het echter dringend noodig. Dinsdag 23 juli heb ik het kabinet-Colijn ten val gebracht door een rede zóó fel als ik nog nooit gehouden heb en waartoe ik mezelf eigenlijk ook niet in staat achtte.

             Laat ik hier eerst inlasschen wat ik op 2 juni laatstleden te Genève opteekende:

 

Gisteren, zaterdag, naar Genève gereisd, waar dinsdag a.s. de Arbeidsconferentie aanvangt, heb ik eindelijk na de zeer drukke en ingespannen laatste weken eenige rust. Hier geen telefoon die me uit mijn werk haalt, hier geen brieven die nu thuis liggen blijven, hier geen besprekingen, vergaderingen, vertrouwelijke onderhouden die me dagen en dagen lang alle andere werk onmogelijk maken.

            Op dezen rustigen zondagmiddag in mijn oude vertrouwde hôtel Richemond zittende – ik ben er nu al voor de vijfde keer, steeds in dezelfde kamers – wil ik nu even, zeer in ’t kort, aanstippen wat er in de laatste weken is voorgevallen. Ik neem  dan alleen op wat voor de toekomst wellicht van belang is om even vast gelegd te worden.

            Ik zwijg dus over ’t groote mijnconflict, waarover ik vijftien conferenties had met de partijen en de regeering en dat tenslotte tot een oplossing is gekomen zooals ik die al drie maanden tevoren, na mijn eerste onderhoud met de partijen, als waarschijnlijk de eenig mogelijke aanwees.

            Eigenlijk zijn er vooral twee dingen waarover ik iets moet opteekenen: 1. het groote bezuinigingsontwerp en de mogelijkheid dat dit tot een kabinetscrisis zal leiden, en 2. het aftreden van minister Steenberghe, vandaag nog geheim, maar dat dinsdag a.s. gepubliceerd zal worden, tegelijk met de benoeming van zijn opvolger, prof. Gelissen.

            Over ’t bezuinigingsontwerp schreef ik uitvoerige artikelen in de Maasbode en in de ‘Haagsche Brieven’ van De Tijd. Daarin wees ik aanstonds op ’t mijns inziens zwakke punt: zelfs in de toelichting komt niets voor over de algemeene economische politiek van ’t kabinet-Colijn. ’t Is alleen maar bezuiniging om evenwicht in de rijksbegrooting te krijgen. Alsof we er daarmee waren! ’t Volgend jaar komt er weer een nieuw tekort; dan maar weer bezuinigen, enz., de schroef zonder einde! Voorop had moeten staan een krachtige economische herstelpolitiek. Daarvan  ware dan dit wetsontwerp een belangrijk, maar niet ’t belangrijkste onderdeel. In november 1934 heb ik hierop in de Tweede Kamer al gewezen. En ik voorspelde: komt de regeering niet met een flink economisch program, waarvan dan de verlaging der vaste lasten een onderdeel moet vormen dat zéér urgent is, dan is devaluatie niet meer te vermijden. Dus dit is het dilemma: òf doelbewuste, moedige deflatiepolitiek òf devaluatie.

            Colijn, hoewel braaf gereformeerd en staatkundig anti-revolutionair, toch een zuiver liberaal economist, schijnt nog altijd aan automatisch herstel te gelooven. Als de loonen maar steeds verder omlaag gingen en ’t budget in evenwicht werd gebracht, dan kwam alles vanzelf langs den natuurlijken weg weer in orde. Verlaging, bij de wet, van hypotheekrente achtte hij zelfs nog erger dan devaluatie.

            Ik heb ’t groote bezuinigingsontwerp zoowel in de kamerfractie als daarna in ’t partijbestuur uitvoerig behandeld. In beide lichamen was de meening op één uitzondering na éénstemmig: wij kunnen ’t kabinet-Colijn niet langer blijven steunen. Maar ook: dat een samenwerking met de sociaal-democraten thans onmogelijk was en [tot][14] een debacle zoowel in de Sociaal Democratische Arbeiders Partij als in de Staatspartij zou leiden. Dus: aansturen op een ander extraparlementair  kabinet onder katholieke leiding met een flink herstelprogram. Liefst een nationaal kabinet waartoe dus ook één of twee sociaal-democraten zouden moeten worden uitgenoodigd. Willen zij zichzelf uitsluiten, dan verandert dit niets aan ’t nationale karakter van ’t kabinet.

            Toen heb ik, met ’t bestuur van de fractie, een lang onderhoud gehad met de drie katholieke ministers. Ik deelde hun precies mee hoe de zaken stonden. Mijns inziens was ’t nu maar ’t beste, wanneer niet ’t kabinet in de Kamer viel: dan zullen wij dat altijd bewerken tezamen met de sociaal-democraten, maar dat het aftrad wegens oneenigheid in eigen boezem. Dit zou bijvoorbeeld kunnen bij de vaststelling van de memorie van antwoord. In het voorloopig verslag hebben wij uitvoerig een ons inziens noodzakelijk herstelprogram opgenomen. Daartegenover zal dus ’t kabinet noodzakelijk positie moeten nemen. Indien in onzen geest, dan kunnen wij, mits terstond daden volgen, het kabinet blijven steunen. Zoo niet, dan is ’t uit. Als de drie katholieke ministers dan weigeren de memorie van antwoord te teekenen en aftreden, valt het kabinet in elkaar zonder conflict met de Kamer.

            Veel antwoord kregen we echter niet. Ze vroegen of ze aan Colijn mochten meedeelen hoe de zaken in de katholieke kamerfractie stonden. Geen bezwaar.

            Zoo stonden de zaken toen een week later Steenberghe bij me kwam om me in ’t geheim  mee te deelen, dat hij dien ochtend zijn ontslag aan H.M. had gevraagd. Hij was thans, na den val van den Belgischen frank, voor devaluatie. De voorgenomen verlaging der vaste lasten vond hij onvoldoende om dit te voorkomen. Van Schaik was ’t eigenlijk met hem eens, maar hij wilde nog afwachten. Deckers bemoeide er zich niet mee. Ze lieten hem dus rustig heengaan. Ook Colijn, ofschoon deze er eerst nog H.M. had voorgespannen om te trachten Steenberghe te bewegen nog te blijven tot na de aanneming van ’t bezuinigingsontwerp.

Dit was vrijdagavond 24 mei. Reeds zaterdagavond 25 mei belde prof. Gelissen me op of hij me zondagmorgen spreken kon. Hij kwam om tien uur en bleef tot half één. Hij had vrijdagmorgen, onmiddellijk na den ministerraad waarin Steenberghe zijn ontslag had aangekondigd, een telegram van Colijn ontvangen om zaterdagavond bij hem te komen.

Colijn had hem de portefeuille van Steenberghe aangeboden. Ook hem deelde ik precies mee hoe de zaken stonden. Hij kwam dus op een schip dat zooal niet zinkend dan toch leelijk lek was. Ik herinnerde hem er ook aan, dat hij me na afloop van ’t Industrialisatiecongres, dus slechts enkele dagen tevoren! nog gezegd had, dat hij ’t geheel met prof. Kaag eens was en dus  devaluatie noodzakelijk achtte. Ik begreep dus niet goed hoe hij dan nu Steenberghe zou kunnen opvolgen. ’t Bleek echter wel, dat hij me om raad kwam vragen, maar in de hoop, dat ik ’t hem niet al te sterk zou afraden. Colijn had hem alles wat hij wou toegestaan. Hij had ook erkend, dat het mogelijk was, dat aan devaluatie niet viel te ontkomen. Colijn bleek ’t nu met mij eens, dat een krachtige economische herstelpolitiek moest gevoerd worden en dat met spoed een vijftal wetsontwerpen moest worden ingediend om tot verlaging der vaste lasten te komen. En in de kort tevoren verschenen memorie van toelichting bij ’t bezuinigingsontwerp had hij er nog vrij sterk stelling tegen genomen!

Gelissen zou er nog eens over denken. Hij zou ook met Steenberghe gaan praten, dan nog eens met Colijn en daarna nog eens met mij. Dan eerst zou hij zijn besluit nemen.

Evenwel, ik hoorde niets meer van hem, ook Steenberghe niet. Maar reeds vrijdagavond 31 mei belde Steenberghe mij op, dat hij zoojuist van Colijn bericht had ontvangen, dat Gelissen ’t aangenomen had, zoodat Steenberghe dinsdag 4 juni ’t gevraagd ontslag zou krijgen. Tijdens dit gesprek werd ik intercommunaal door Gelissen opgebeld, die met ’t zelfde vertelde. Blijkbaar is hij er toch wel zeer happig  op geweest, daar hij noch met Steenberghe noch met mij nader gesproken had. Bevreesd, dat we ’t hem zouden ontraden?

Dinsdag 4 juni komt dus – er is niets van uitgelekt – als een bom uit de lucht vallen, dat Steenberghe ontslag krijgt en Gelissen hem opvolgt. Er is juist een geweldige speculatie tegen den gulden aan den gang. Ik vrees, dat dit bericht den baissiers wel heel veel moed zal geven! Ook de Zwitsersche en de Fransche frank staan thans zeer zwak. Zal ’t heele goudblok om zeep gaan?

Hoe ’t kabinet-Colijn, dat als zijn voornaamste taak beschouwde het gaaf houden van den gulden, dan rustig kan blijven zitten, begrijp ik niet. Maar Colijn meent nu eenmaal, dat een ander ministerie dan ’t zijne onmogelijk is.

Aldus teekende ik op te Genève op zondag 2 juni. Ik ga nu kort het verder verloop na tot het dramatisch slot op dinsdag 23 juli.

Tot einde juni bleef ik te Genève. Het was een moeilijke, zeer drukke conferentie, bij zeer warm weer. Ik had gedacht in Genève wat uit te rusten, maar kwam vermoeid terug. Alleen twee zondagen ben ik uitgeweest met mijn zeer lieve vrienden prof. Liebeskind en zijn vrouw Olga. 

            In de laatste week van mijn verblijf te Genève was ’t uitvoerig voorloopig verslag uitgekomen. Kort na mijn terugkomst verscheen de nog uitvoeriger memorie van antwoord. Er bleek eenige toenadering uit tot ons standpunt, zelfs veel meer dan ik had durven verwachten. Ik bepleitte daarom in de kamerfractie – na eerst de geheele situatie nog eens rustig met mgr. Aengenent te hebben besproken: wij bleken ’t weer roerend eens te zijn! –  dat wij op dezelfde wijze moesten optreden als in november bij de begrooting: krachtige, opbouwende kritiek, maar geen conflict uitlokken. Ik voerde daarvoor deze argumenten aan:

1. Wij kunnen na de groote toenadering door het kabinet in de memorie van antwoord betoond, zonder inconsequentie thans een minder afwijzende houding aannemen dan in de afdeelingen.

2. Het gevaar, dat bij verder steunen van het kabinet-Colijn een deel der katholieke kiezers naar de Sociaal Democratische Arbeiders Partij zou overloopen – een gevaar dat mij blijkens verschillende ontvangen brieven werkelijk zeer reëel voorkwam – wordt opgewogen door het daar tegenoverstaand gevaar dat[15], wanneer wij met de Sociaal Democratische Arbeiders Partij het kabinet-Colijn ten val brengen, er evenzeer een uittocht van anderen naar de Nationaal-Socialistische Beweging  zal plaats hebben, hoewel Goseling dit laatste gevaar, mijns inziens ten onrechte, veel geringer achtte dan het eerste.

3. Door het tot een conflict te laten komen komt de Katholieke Staatspartij in een geïsoleerde positie te staan. Met ons zullen stemmen de sociaal-democraten, de communisten, Sneevliet, Arts, Van Houten en Westerman, dus een meerderheid, waarvan van te voren vaststaat, dat wij niet bereid zijn haar te aanvaarden als een parlementaire meerderheid, waaruit een parlementair kabinet kan voortkomen. De christelijk-historischen, zeker De Geer, zullen het uitbreken van een conflict zeker niet ongaarne zien, maar ze zullen geen hand uitsteken om ons te helpen. De anti-revolutionairen, de eenige partij die ons in ’t verleden altijd trouw is gebleven, zelfs bij de questie van het gezantschap bij den H. Stoel, zullen wij voor langen tijd van ons vervreemd hebben. Wij komen dus te staan in volkomen isolement, een positie welke voor de groote katholieke belangen groote gevaren meebrengt.

4. Ik achtte het zeer waarschijnlijk, dat het uitbreken van ’t conflict, zelfs reeds mijn rede  die het zou aankondigen, onmiddellijk op de beurs gevolgd zou worden door een heftigen aanval op den gulden en een daling op de obligatiemarkt. Terecht zal ’t odium hiervan op ons gelegd worden. De geheele pers, behalve de socialistische en katholieke, zullen we heftig tegen ons hebben. In dezen geagiteerden toestand zullen wij den opdracht krijgen tot de vorming van een kabinet. Natuurlijk zal de eerste opdracht wel zijn de vorming van een parlementair kabinet met de sociaal-democraten. En wij zijn ’t er unaniem over eens èn in ’t partijbestuur èn in de kamerfractie, dat deze opdracht niet moet worden aanvaard. Ik achtte het volstrekt niet zeker, dat de koningin dan aan mij, hetzij aan een ander katholiek, opdracht zou geven een extra-parlementair kabinet te vormen. Maar zelfs als dat geschiedt, zal ’t uiterst moeilijk zijn zulk een kabinet te vormen. De anti-revolutionairen hebben reeds aangekondigd, dat ze er geen zitting in zullen nemen (De Standaard) en Jolles had me in Genève al gewaarschuwd, dat ik ook op de vrijzinnig-democraten niet zou kunnen rekenen: Oud zou zich daar zeker tegen verzetten. Ook dat zou dus ook in hoofdzaak worden wat wij juist niet willen: een rood-roomsch kabinet. Maar ook onder de katholieken zou ’t moeilijk  vallen geschikte ministers bereid te vinden, omdat zij die allermeest in aanmerking zouden komen: Verschuur, Steenberghe, Welter, allen vóór devaluatie zijn. Dus was de mogelijkheid groot, dat ook deze formatie zou mislukken. Het eind van ’t lied zou zijn, dat de koningin – om verdere afvloeiing van goud te voorkomen – het aangevraagde ontslag van ’t kabinet-Colijn niet zou aannemen. De positie van dat kabinet zou zeer versterkt, de onze aanzienlijk verzwakt zijn.

5. Als laatste argument – dat vooral bij mgr. Aengenent zwaar woog – voerde ik aan, dat zelfs als wij zouden slagen een behoorlijk kabinet te vormen, natuurlijk de economische toestand niet op korten termijn zou verbeteren. Men heeft nu van verschillende zijden ernstige grieven tegen ’t kabinet-Colijn, maar daaronder zijn er ook vele ongegronde. Het einde zou zijn: bittere teleurstelling welke zich aan de Katholieke Staatspartij zou wreken.

            Ik heb de fractie niet kunnen overtuigen. Vooral Goseling en Teulings –  voorzitter en secretaris van ’t partijbestuur! – waren ’t met mij eens. Zij stelden voor, dat wij met een motie zouden komen, waaruit zou  blijken, dat de Kamer het economisch beleid van het kabinet niet kon goedkeuren. Die motie zou zeker worden aangenomen met de hulp van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij. En dan was er het conflict! Ik bleef mij verzetten. Maar bij een stemming bleek, dat 22 leden waren vóór en slechts zes tegen ’t indienen van zulk een conflict-uitlokkende motie. Ik gaf nog niet toe en dreigde met ontslag te nemen als voorzitter der fractie.

            Tenslotte kreeg ik dit gedaan: ik zou de eenige spreker zijn van de katholieke fractie en zóó spreken, dat daarna een motie wel en niet zou kunnen worden voorgesteld. We zouden dan het antwoord van Colijn afwachten en daarna een beslissing nemen. Aldus werd met algemeene stemmen besloten.

            Het was echter mijn vaste voornemen het niet tot een conflict te laten komen. Wilde men toch doorzetten, dan zou ik desnoods mijn ontslag nemen – en daar dit een openlijke breuk zou beteekenen, wat Goseling zeker niet zou willen – zou ik tenslotte toch mijn zin krijgen.

            De behandeling van ’t bezuinigingsontwerp begon. Woensdag 17 juli kwam ik in de avondzitting aan  het woord. Mijn rede duurde anderhalf uur. Tot mijn genoegen was zoowel de meerderheid als de minderheid in de kamerfractie er zeer mee ingenomen. In de Kamer was er nogal beweging. Men voelde, dat er een conflict dreigde. Vrijdag 19 juli kwam ’t verbijsterende antwoord van Colijn. Ik had verwacht, dat hij toenadering zou toonen. Het tegendeel was het geval. Hij trad zeer agressief tegen de katholieke kamerfractie op en eischte, dat zij vertrouwen in ’t algemeen regeeringsbeleid zou uitspreken en zich van ondermijnende kritiek verder zou onthouden.  Nog denzelfden avond hield ik fractievergadering. Thans was de eenheid volkomen hersteld. Op deze rede was maar één antwoord mogelijk: neen.

            In den lande werd ’t steeds duidelijker, dat de katholieke kamerfractie met haar antwoord de beslissing zou geven. Toen dan ook op dinsdag 23 juli de replieken begonnen, was de zaal geheel vol en waren alle tribunes en loges gevuld. Ik liet eerst enkele anderen spreken. Ze hadden geen aandachtig gehoor. In den namiddag vroeg ik ’t woord en het werd plotseling doodstil. Ik sprak luider en scherper dan ik ooit gedaan heb. Mijn rede was een requisitoir. En het slot was: vertrouwen? Neen!

            Colijn, die vlak bij mij had gezeten, ging doodsbleek naar de ministerstafel. Nadat nog enkele  sprekers het woord hadden gevoerd, vroeg dr. Colijn het woord om schorsing der beraadslagingen te vragen. Dus was er het conflict dat ik had willen voorkomen![16]

            Gevolg: de koningin gaf mij opdracht een parlementair kabinet te vormen op zoo breed mogelijke basis.

            Het relaas van deze – uiteraard tot mislukking gedoemde – kabinetsformatie heb ik aan mijn dochter-secretaresse gedicteerd. Het loopt van 26 juli tot 15 augustus 1935. Het ligt in het dossier ‘Kabinetsformatie juli 1935’, waarin ook mijn uitvoerig rapport aan de koningin ligt.[17]

dagboekcahier 10

26/07/1935

vrijdag 26 juli 1935

Gisteravond elf uur werd ik opgebeld door Van Tets, den directeur van het Kabinet van de Koningin, die mij mededeelde, dat de koningin mij hedenmorgen om negen uur op den Ruygenhoek[18] wenschte te ontvangen. Daar zij gisteren reeds de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer en den vice-president van den Raad van State ontvangen had, hoewel het kabinet zijn ontslagaanvrage nog niet had ingediend, dacht ik, dat zij nu vandaag de zes voorzitters van de fracties wenschte te hooren, om ingelicht te worden, en dat ik, als voorzitter van de grootste fractie, het eerst aan bod was.

            Het viel mij dan ook eenigszins rauw op het lijf, toen ik, bij haar gezeten, vernam: ‘Mijnheer Aalberse, ik geef u opdracht een parlementair kabinet te vormen op den breedst mogelijken grondslag.’ Toen ik daarop inlichtingen vroeg over hetgeen zij daarmee bedoelde, zei zij lachend: ‘Ik heb u precies gezegd wat ik te zeggen had, maar ik kan er niets aan toevoegen. U hebt dus alle vrijheid van handelen, op den aangegeven grondslag. Alleen met het oog op den zeer precairen toestand, waarin zich de gulden bevindt, moet ik er op aandringen, dat u zich in den kor[t]st mogelijken tijd van uw opdracht kwijt.’

            Ik had daarna toch wel gelegenheid haar nog even den toestand uiteen te zetten en hoe het in de Kamer voor ons niet meer te voorkomen viel met het kabinet in conflict te geraken. Ze hoorde dat alles rustig aan (trouwens had Ruijs haar, naar hij mij meegedeeld had, het gisteren ook reeds uitvoerig uiteengezet) maar reageerde er niet op. Zij herhaalde alleen: ‘U kent de opdracht en binnen de grenzen van de opdracht heeft u volkomen vrijheid van handelen.’

            Ik zei haar toen, dat mij dit overviel, want dat ik gedacht had, dat zij vandaag de voorzitters van de zes fracties wilde hooren, en dat ik dus alleen geroepen was om haar inlichtingen te geven over het ontstaan van het conflict én de mogelijkheid van de oplossing.

            Daarop zei de koningin: ‘Dat zou ook de normale gang van zaken zijn, maar de toestand is zoo precair, dat ik dat oversla en maar direct tot de conclusie gekomen ben waartoe ik ook na het hooren van die heeren zeker zou gekomen zijn.’

            Ik zei daarop: ‘Het is mij eenigszins moeilijk terstond hierop een antwoord te geven, daar ik eigenlijk verwacht had dat u als opdracht zoudt gegeven hebben een kabinet te vormen uit de meerderheid, die in de Kamer tegen het kabinet-Colijn bleek te bestaan. Deze opdracht zou  door mij niet zijn aanvaard, omdat van te voren bij ons vaststond, dat wij aan het tot stand komen van een zoogenaamd Rood-Roomsch kabinet niet zouden kunnen medewerken. De opdracht die u nu geeft, is echter een geheel andere en deze strookt geheel met wat de katholieke fractie zich als ideaal voor de oplossing van het mogelijke conflict had voorgesteld. Het is echter zeer de vraag, of de Anti-Revolutionairen bereid zullen zijn aan zulk een kabinet, wanneer er een katholieke formateur is, medewerking te verleenen. Mocht dat ook dat meening van Uwe Majesteit zijn, dan kan ik u mededeelen, dat ook dit bereids door de katholieke Kamerfractie was voorzien en overwogen, en dat onze meening was, dat in dat geval, omdat er zoo spoedig mogelijk een nieuw kabinet moet kunnen optreden, wij ons bij voorbaat er bij zouden neerleggen, wanneer Uwe Majesteit een niet-katholiek formateur zou aanwijzen.’

            Daarop zei de koningin: ‘Ik acht dit inconstitutioneel. Als koningin kan ik dit niet doen. Iedereen is van meening, dat u op het oogenblik de eerst aangewezene zijt om een kabinet te formeeren. Wanneer ik u voorbijging en een niet-katholieke formateur zou aanwijzen, zou dit zijn, dat ik als koningin de katholieken voorbijging. Dat mag ik niet doen. Hoezeer dan ook de tijd dringt, blijf ik er bij, dat ik u deze opdracht moet geven. Wel verzoek ik u in den kor[t]st mogelijken tijd u te beraden, of u deze opdracht kan aannemen. Ik bedoel natuurlijk niet, dat u binnen enkele dagen reeds een nieuw kabinet gereed hebt, maar wel, dat u zoo snel mogelijk onderzoekt, of de mogelijkheid bestaat dat onder uw leiding een parlementair kabinet op de breedst mogelijke basis kan worden gevormd. Ik zal u voortdurend op de hoogte houden wat er op monetair gebied voorvalt. Het zou mogelijk kunnen zijn dat dit zoo ernstig was, dat ik u nog tusschentijds zou willen spreken. Mocht dit niet zoo zijn, dan hoop ik echter, dat u binnen enkele dagen mij het antwoord zult kunnen geven.’

            Ik heb toen geantwoord, dat ik op dit oogenblik deze opdracht nog niet kon aanvaarden, omdat mij niet bekend was of er mogelijkheid zou bestaan haar uit te voeren, maar dat ik mij onverwijld met de voorzitters der zes kamerfracties in verbinding zou stellen, om van hen te vernemen, of principieel, afgezien van mogelijke moeilijkheden over een op te stellen program, op hun medewerking zou kunnen worden gerekend. ‘Ik hoop daarmee Maandag gereed te kunnen zijn en zal Uwe Majesteit dan antwoorden, of ik de opdracht al of niet kan aanvaarden.’

            Daar nam zij genoegen mee en werd de directeur van het Kabinet, Van Tets, binnengeroepen om een communiqué voor de pers op te stellen,  dat onmiddellijk moest worden gepubliceerd. Dit communiqué luidde:

H.M. de koningin heeft, na gisteren in den loop van den dag besprekingen gehouden te hebben met de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal en den vice-president van den Raad van State, hedenmorgen prof. mr. P.J.M. Aalberse ontvangen en hem opdracht verleend tot vorming van een parlementair kabinet op zoo breed mogelijke basis. Prof. Aalberse heeft verzocht deze opdracht in beraad te mogen houden, waarop H.M. den wensch heeft uitgesproken, de beslissing binnen enkele dagen te vernemen.

Daarna heb ik nog een onderhoud gehad met den directeur van het Kabinet en met hem de moeilijkheid besproken, die vooral bestond ten aanzien van de Anti-Revolutionairen, van wie ik niet geloof, dat ze in een kabinet, onder mijn leiding, na het conflict met Colijn zouden willen zitting nemen.

            Hij merkte op, dat dit geen reden behoefde te zijn om de opdracht af te wijzen, want dat zij luidde, en die woorden waren opzettelijk aldus door de koningin gekozen: op de breedst mogelijke basis. ‘Voorondersteld’, zei hij, ‘dat geen fractie bereid zou zijn om mee te werken, dan zoudt gij binnen deze opdracht zelfs de vrijheid hebben een kabinet te formeeren met tien katholieke ministers. Dat zou dan zijn de breedste basis, welke mogelijk bleek.’

            Ik merkte op dat ik het betwijfel of men dat dan nog een parlementair kabinet zou kunnen noemen, daar naar mijn meening in het begrip parlementair kabinet toch besloten ligt dat men de moreele zekerheid althans moet hebben, dat men in de Kamer over een meerderheid beschikt, althans over een zoodanige groote minderheid, dat men het er op wagen kan.

            Nog aan den Ruygenhoek heb ik onmiddellijk daarna De Geer opgebeld of ik hem kon spreken. Ik was reeds even over tien bij hem en heb met hem tot twaalf uur de heele situatie doorgesproken. Hij kon namens zijn fractie verklaren, dat zij zonder twijfel aan de vorming van een dergelijk nationaal kabinet, wat ook zij in de gegeven omstandigheden de beste oplossing zouden vinden, zouden medewerken, echter op één voorwaarde, dat ook de Anti-Revolutionairen hun medewerking niet zouden weigeren. Hijzelf was nog niet zoo zeker, dat de Anti-Revolutionairen in deze afwijzende houding zouden volharden.

            Ik sprak met hem af, dat ik vanmiddag onmiddellijk met Van Dijk zou praten en zoo mogelijk vanavond nog met Schouten, den voorzitter van de Anti-Revolutionaire fractie, en ook hedenmiddag met Albarda voor de sociaal-democraten, en dat ik hem dan vanavond om acht uur mededeeling zou doen  van het voorloopig resultaat. Daarna zou ik vanavond nog met Goseling en Bongaerts de situatie kunnen bespreken. Ik zei hem, dat mijn voornemen was, om niet te komen met een uitgewerkt program, maar alleen enkele algemeene richtlijnen, waarvan de eerste en voornaamste was, dat alle krachten moesten worden ingespannen om verbetering te brengen in de dalende conjunctuur van de volkshuishouding, voornamelijk ook door het doen dalen van de productiekosten. Vooropgesteld diende dus te worden: krachtig streven naar werkbehoud en werkverruiming, met alle ten dienste staande middelen. Dit moet beschouwd worden ook als een noodzakelijke voorwaarde voor het in evenwicht brengen van de begrooting, waarnaar evenzeer met alle inspanning moet worden gestreefd.

            Natuurlijk kwam ons gesprek op het punt, dat voor hem en mij op het oogenblik daarbij het moeilijkst was, de verlaging van de rente. Hij heeft zich nu eenmaal op het standpunt gesteld, dat op reeds bestaande contracten niet mag worden ingegrepen. Hij was echter bereid mee te gaan met een wetgeving, waarbij voor afloopende en te vernieuwen en nieuw te sluiten hypotheken bij de wet een bepaalde maximum-rente werd vastgesteld. Tegen het verminderen van de hoofdsommen bleef hij overwegend bezwaar maken. Ik deelde hem mede, dat ook ik in mijn fractie steeds had gezegd, dat dit op het oogenblik niet mogelijk was, dat men hoogstens zou kunnen komen met een beperkende regeling van het executierecht. Daarmee kon hij zich ook vereenigen. Bij het heengaan zei hij nog, dat hij hoopte, dat dit kabinet onder mijn leiding tot stand zou kunnen komen, omdat hij dit in de gegeven omstandigheden de beste oplossing vond. Ook de deelname van de sociaal-democraten achtte hij van groot nationaal belang, tenzij door hen voor het program eischen werden gesteld, waaraan wij niet tegemoet zouden kunnen komen. In dat geval meende hij, dat men desnoods een kabinet zonder sociaal-democraten zoude kunnen vormen. Zij waren dan gevraagd en hadden zichzelf uitgesloten.

vrijdagavond 26 juli 1935

Om twee uur kwam Van Dijk bij me. Ik had hem verzocht te komen, omdat Schouten, in Rotterdam wonende, niet zoo spoedig te bereiken was en het mij toch in hoofdzaak er om te doen was, te weten, of de Anti-Revolutionairen stonden op het standpunt van De Standaard, dat zij geen zitting konden nemen in een kabinet, dat geformeerd werd door iemand, die het kabinet-Colijn had laten vallen. Van Van Dijk vernam ik echter, dat Schouten in de stad was, want de Anti-Revolutionairen hadden vanmorgen fractievergadering gehouden om hun standpunt te bepalen voor het geval Schouten door de koningin als fractievoorzitter zou worden gehoord. Wij hebben hem bereikt en tegen drie uur was hij ook aanwezig. Onderwijl had ik met Van  Dijk al verschillende zaken besproken, die toen nog eens opnieuw met Schouten de revue moesten passeeren.

            Practisch kwam hun standpunt hierop neer: zij waren het niet eens met de meening van De Standaard. Zij zagen echter voor hen op zakelijke gronden weinig kans, dat zij aan een door mij geformeerd kabinet zouden kunnen meewerken. Zij hadden immers gedurende twee jaar het program van het ministerie-Colijn niet alleen aanvaard, maar ook met kracht steeds verdedigd. Wanneer dus mijn program sterk van dat van Colijn afweek, sprak het vanzelf, dat zij het niet zouden kunnen aanvaarden. En was het verschil slechts gering, dan rees de vraag, waarom dan het kabinet-Colijn ten val gebracht?

            Ik merkte op, dat het toch het meest waarschijnlijk was, dat het program van het te formeeren kabinet tusschen deze beide uitersten in zou liggen, zoodat het niet noodig was voor hen het zoo sterk af te wijzen, terwijl van den anderen kant er toch wel zooveel verschil was met het kabinet-Colijn, dat begrijpelijk viel waarom men er de voorkeur aan gaf. Natuurlijk, zoo betoogde ik, kan ik er niet aan denken, om het program van de katholieke Kamerfractie als grondslag voor het te vormen kabinet te nemen. Ik vrees zelfs, dat om allen op één program te kunnen vereenigen, er juist door mij wel de meeste toenadering zal moeten worden betoond. Het gevolg van hun standpunt zou zijn, dat er geen enkel kabinet met hun medewerking zou kunnen worden geformeerd. Mocht het de bedoeling zijn, om door deze tactiek het zoover te brengen, dat de koningin het ontslag van het kabinet-Colijn niet zou aannemen, dan moest ik er hun voor waarschuwen, dat mij bekend was, dat de koningin een dergelijk niet-aanvaarden vrijwel inconstitutioneel achtte. Er zou dus in elk geval een ander kabinet moeten komen. Was het niet onder mijn leiding, dan waarschijnlijk onder die van De Geer.

            Hierop reageerden zij beiden even sterk door te zeggen, dat als zij te kiezen hadden, zij dan nog liever een door mij geformeerd kabinet zagen optreden.

            Tenslotte deelden ze mee, dat ook wanneer ze niet in het kabinet zouden zitting nemen, het niet uitgesloten zou zijn, dat zij openlijk zouden willen verklaren, dat zij bereid waren het kabinet zooveel mogelijk te steunen.

            Ik heb er tenslotte bij de heeren nog eens met kracht op aangedrongen, over hun standpunt nog eens na te denken, hen in het vooruitzicht stellende, dat het feit, dat de Anti- Revolitionairen niet bereid zouden zijn in het kabinet zitting te nemen, voor mij niet onwaarschijnlijk een aanleiding zou zijn voor de ontvangen opdracht te bedanken, met het bekende gevolg,  dat dan De Geer aan de beurt zou komen.

            Om vier uur kwam Albarda. Deze betoonde zich heel wat enthousiaster. Evenwel beviel hem die breedst mogelijke basis natuurlijk matig. Hij begreep wel, dat hoe breeder de basis was, hoe minder het program naar zijn zin zou zijn en hoe minder invloed de sociaal-democraten ook in het kabinet zouden hebben. In beginsel echter verklaarde hij zich tot medewerking bereid. Wanneer hij door de koningin om advies ontvangen ware geweest, zou hij geadviseerd hebben aan mij een opdracht tot formatie te geven. Hij drong er echter zeer op aan, dat ik met een zeer krachtig democratisch herstelprogram zou komen. De S.D.A.P. moest altijd naar de communisten zien en steeds zoo optreden, dat [zij] de arbeiders van aansluiting bij de communisten afhield. Wanneer het nieuwe kabinet dus niet een krachtige herstelpolitiek zou voeren, zou dit tot groote teleurstelling bij het volk leiden en zou dit tevens ook zeer ten nadeele van hun partij uitloopen. Ook was dan natuurlijk de vraag, hoevele en welke portefeuilles zij in het kabinet zouden ontvangen. Hij scheen op drie à vier portefeuilles te rekenen! Ook dit was een van de redenen, waarom hij liever een kabinet op smaller basis zou willen. Hij achtte een kabinet van de katholieken met de sociaal-democraten en de vrijzinnig-democraten, beschikkende dus over 56 stemmen in de Kamer, voldoende sterk. Het zou ook, omdat het dan met een veel frisscher en krachtiger program voor den dag kon komen, veel meer weerklank bij ons volk kunnen vinden.

            Ik wees hem er op, dat het toch in dezen tijd een groot belang zou zijn, wanneer wij tot een formatie van een werkelijk nationaal kabinet zouden kunnen komen en dat ook voor de sociaal-democraten er toch iets in moest zitten, na wat in de afgeloopen jaren gebeurd is, dat ze in zulk een kabinet zouden worden opgenomen.[19]

Vanavond krijg ik Goseling en Bongaerts, vice-president en secretaris van de katholieke Kamerfractie, en morgenochtend om half tien dr. Bierema en om half elf mr. Joekes. Ik stel mij voor, om dan morgenmiddag om twee uur een bijeenkomst te houden met de zes fractie-voorzitters, om te zien, of wij het over de hoofdpunten van het program voorloopig eens zouden kunnen worden. Daarin schuilt de grootste moeilijkheid. Wanneer die overwonnen worden heb ik geen bezwaar om aan de koningin maandag mee te deelen, dat ik de opdracht aanvaard. Maar zoo ver is het in lange na nog niet!!

AA, inv. nr. 1230

27/07/1935

zaterdag 27 juli 1935

Gisteravond kreeg ik Goseling en Bongaerts bij mij, respectievelijk tweede voorzitter en eerste secretaris van de katholieke Kamerfractie. Uiteraard waren wij het wel in hoofdzaken met elkaar eens. Goseling echter neemt een eenigszins geheimzinnige houding aan. Hij is voor devaluatie en hoopt nog steeds, dat deze als gevolg van de uitgebroken crisis zal komen en de toestand opklaren. Hij is een uiterst bekwaam jurist en een uitstekend voorzitter van de Katholieke Staatspartij, maar zijn economische kennis sla ik niet zoo hoog aan. Ik heb hem reeds herhaaldelijk trachten te overtuigen, dat devaluatie slechts voor korten tijd voor sommigen eenige verlichting van de moeilijkheden geeft, voor anderen echter ook tegelijkertijd verzwaring; maar dat in elk geval na 6 à 8 maanden het voordeel vrijwel geheel is uitgewerkt en dat men dan toch weer staat voor dezelfde moeilijkheid, dat hoe dan ook de productiekosten naar omlaag moeten gebracht worden. De tegenstelling is dan ook niet deflatie of devaluatie, maar deflatie zoo snel en krachtig mogelijk om devaluatie te voorkomen, ofwel devaluatie, maar dan na een half jaar toch deflatie.

            Bongaerts zat weer zeer vaag algemeene beschouwingen te houden over het liberalisme en het individualisme, en betoogde, dat een kabinet op zoo breede basis eigenlijk niet goed is, maar dat de basis drie, hoogstens vier partijen zou moeten omvatten. De ondergrond van deze redeneering is de verwachting, dat er dan meer katholieke ministers in het kabinet kunnen zitten, en dat hij denkt dan grooter kans te hebben weer eens op Waterstaat den boel in het honderd te kunnen sturen, gelijk hij dat in 1925 in enkele maanden heeft klaar gespeeld. Hoewel ik doodmoe was - ik was toch van negen uur af vrijwel aan een stuk aan het confereeren geweest - bleven zij tot half een plakken.

            Hedenmorgen om half tien kwam dr. Bierema, voorzitter van de Vrijheidsbondsche fractie. Hij verklaarde zich namens zijn fractie in beginsel bereid mee te werken aan de vorming van een parlementair kabinet op zoo breed mogelijke basis. Tegen het opnemen er in van een of twee sociaal-democraten had hij geen bezwaar. Wel vreesde hij, dat het bij zoo breede basis moeilijk zou zijn het eens te worden over het regeeringsprogram. Hij verklaarde nog, dat hij zich ook met de politiek van het kabinet-Colijn steeds minder kon vereenigen. Met de groote rede, die ik in eersten termijn had gehouden, was hij het grootendeels eens geweest. Naar zijn meening echter was spoedige devaluatie dringend noodzakelijk. Vijf van de zes liberale kamerleden dachten daar zoo over. Hij was gaarne bereid om ’s middags 2 uur terug te komen, om deel te nemen aan de onderlinge bespreking tusschen de zes fractievoorzitters.

            Na hem kwam als laatste mr. Joekes. Deze was van alle zes de minst vriendelijke en toeschietelijke. Het was mij trouwens bekend, dat de kamerfractie met minister Oud had vergaderd en dat deze het parool had uitgegeven, in geen geval zitting nemen in een ander kabinet. De tactiek was de oprichting van een ander kabinet, welk ook, onmogelijk te maken, opdat tenslotte, evenals na de verwerping van de Vlootwet, onder het kabinet Ruijs de Beerenbrouck, ik meen in 1924, de koningin tenslotte het gevraagde ontslag niet zou aannemen. Hij maakte allerlei bezwaren, terwijl zijn redeneering eigenlijk geheel dezelfde was als die van de Anti-Revolutionairen: als mijn program veel verschilde van dat van het kabinet-Colijn, dan waren zij het er niet mee eens. Verschilde het slechts weinig, dan was er geen reden dat het kabinet zou aftreden.

            Ik verzocht hem tenslotte zijn antwoord op mijn vraag, of zijn fractie in beginsel bereid was mee te werken aan een kabinet op zoo breed mogelijke basis onder mijn leiding, concreet zijn antwoord te formuleeren opdat ik het zou kunnen opschrijven. Dat antwoord luidde aldus: ‘Er is naar onze meening zoo groot verschil in de opvattingen van de verschillende parlementaire fracties met betrekking tot het te voeren finantieele en sociaal-economisch beleid, in ’t bijzonder wat betreft de gewenschte verlichting van de vaste lasten, dat de vorming van een kabinet op parlementairen grondslag thans geen redelijke kans op succes op zijn streven zou bieden. Op dezen grond kan de Vrijzinnig-Democratische fractie geen vrijheid vinden, aan de vorming daarvan medewerking te verleenen.’

Daar dit antwoord volkomen afwijzend was, waren wij het er over eens, dat het voor hem weinig zin zou hebben om des middags aan de bespreking met de andere vijf fractievoorzitters deel te nemen. Om half een ging hij weg, na de hoop te hebben uitgesproken, dat dit onderhoud geen afbreuk zou doen aan de zeer vriendschappelijke verhouding, die tusschen ons bestond.

            Om twee uur kwamen bij mij bijeen de vijf fractievoorzitters: jhr. De Geer, Schouten, Bierema, Albarda en Goseling, als mijn plaatsvervanger.

            Ik moest beginnen met mee te deelen, waarom de heer Joekes afwezig was. Ik las daarom zijn verklaring voor. Hierop deelde dr. Bierema mede, dat als de Vrijzinnig-Democratische fractie weigerde haar medewerking te verleenen, ook de liberale fractie dit niet zou kunnen doen. De Geer maakte de juiste opmerking, dat dit standpunt toch eigenlijk onlogisch was en ook zeer te betreuren, want wanneer de Vrijzinnig-Democraten niet meededen, zou dit aan de kleur van het kabinet weinig verandering brengen, maar wanneer ofwel de liberale[n] ofwel de sociaal-democraten niet meededen, zou dit aan de kleur van het kabinet een zeer te bemerken verandering geven.

            Daar dr. Bierema blijkbaar toch wel graag de verdere besprekingen bijwoonde,  veranderde hij van standpunt en zei, dat hij bereid was verder met ons te beraadslagen, maar dat hij zich dan moest voorbehouden voor verdere medewerking, gesteld dat wij het eens werden, nog eerst de toestemming van zijn fractie te vragen.

            De heer Schouten nam een eenigszins ander standpunt in dan gisteren. Thans zei hij, dat wanneer een kabinet tot stand kwam, waarin katholieken en sociaal-democraten zitting zouden hebben, van hen als mannen van karakter niet te verwachten was, dat zij genoegen zouden nemen met een program, dat zeer sterk van het hunne zou afwijken. Daarom zou het voor de Anti-Revolutionairen onmogelijk zijn, dat program te aanvaarden, omdat hij het geheel eens was met het program van het kabinet-Colijn en dat ook steeds verdedigd had. Hij was niet bereid mee te gaan met de deflatiepolitiek van de katholieken en evenmin met de finantieele politiek van de sociaal-democraten.

            De heer Albarda verklaarde daarop echter, dat zijn fractie het totstandkomen van een kabinet onder mijn leiding zoozeer op prijs zou stellen en zoozeer in ’s lands belang zou achten, dat zij bereid waren om verschillende van hun desiderata, die bij anderen bezwaar zouden ontmoeten, prijs te geven en hij was zelfs bereid het geheele finantieele program van zijn partij te laten vallen, mits het te vormen kabinet maar bereid bleek een krachtige herstelpolitiek te willen voeren.

            Daarna ontspon zich een lang en verward debat over de verlaging van de vaste lasten, waarvan echter het resultaat niet was, dat er overeenstemming werd bereikt. Mr. Goseling deelde mede, dat de katholieke fractie vast moest houden aan haar eisch: een zoo breed en snel mogelijk doorgevoerde deflatiepolitiek. Wel betwijfelde hij zeer sterk, of de feiten deze eisch niet al reeds hadden achterhaald en of thans nog aan devaluatie zou zijn te ontkomen.

            Jhr. De Geer was van meening, dat devaluatie nooit een programpunt van welk kabinet dan ook zou kunnen zijn. Zijn meening was, dat wanneer eenig kabinet zag, dat binnen eenigen tijd aan devaluatie niet te ontkomen zou zijn, het in ’s lands belang, om afvloeiing van goud, dus verarming van ons volk, te voorkomen, moest worden geacht te zijn tot deze pijnlijke en te betreuren maatregel zoo spoedig mogelijk over te gaan.

            Tenslotte verklaarde de heer Albarda, dat de sociaal-democraten als andere fracties bleven weigeren, bereid waren, tezamen met de katholieken een kabinet van herstel te vormen.

            Hierop deelde Mr. Goseling mede, dat de katholieken daartoe niet bereid waren, vooreerst omdat dit kabinet slechts over 50 stemmen in de Tweede Kamer zou beschikken, wat onvoldoende werd geacht om krachtig te kunnen optreden; vervolgens omdat de katholieke Kamerfractie evenals onder dr. Nolens ook thans nog vast besloten was niet met de sociaal-democraten een kabinet  te vormen, wanneer niet minstens één andere fractie bereid was als derde in dezen bond op te treden; en tenslotte omdat hij een samengaan van Roomsch-Rood niet in ’s lands belang achtte, wijl dit zonder twijfel ten gevolge zou hebben een versterking van de communistische als van de nationaal-socialistische beweging.

            In overleg met de aanwezigen stelde ik als conclusie van deze bespreking het volgende vast: ‘dat ik, na bespreking met de voorzitters der Kamerfracties de overtuiging had gekregen, geen voldoende overeenstemming te zullen kunnen bereiken, om te komen tot de vorming van een parlementair kabinet op genoegzaam breede basis’. Op grond van deze conclusie zou ik dus aan de koningin verzoeken, mij te willen veroorloven, de opdracht tot de vorming van een parlementair kabinet op zoo breed mogelijke basis, niet te aanvaarden.

            Half zes gingen de heeren weg, nadat afgesproken was dat deze geheele bespreking als strikt vertrouwelijk zou worden beschouwd, en dat er niets anders zou gepubliceerd worden dan het communiqué, dat de directeur van het Kabinet van de Koningin aan de pers zou afgeven. Allen waren het er mee eens.

Groot was dan ook mijn verbazing, toen het persbureau mij ’s avonds om negen uur mededeelde, dat hij een kort verslag van deze bespreking had ontvangen. Hij las mij dat voor en vroeg mij of er bezwaar tegen bestond tegen publicatie. Dat verslag was juist. Ik antwoordde hem echter, dat ik de al of niet juistheid van dat verslag niet kon bevestigen, daar de zes fractievoorzitters uitdrukkelijk hadden afgesproken, dat de besprekingen vertrouwelijk waren en er geen andere publicatie zou plaats hebben dan door den directeur van het Kabinet. De mededeeling van dat verslag was dus een inbreuk op een door alle aanwezigen aanvaarde afspraak. Hij zei mij, dat hij dus dit verslag niet aan de pers zou doorgeven. Desniettegenstaande stond het zondagmorgen in alle ochtendbladen! Ik heb reden om aan te nemen, dat deze schending van de gemaakte afspraak gepleegd was door dr. Bierema.

            Aan het slot van de conferentie, toen alleen nog Goseling, Albarda en De Geer over waren gebleven, vroeg ik nog aan De Geer, of hij bereid was aan de vorming van een kabinet op de basis van deze drie fracties mee te werken. Hij wees dit lachend af, zeggende: ik zou vreezen, dat ik mij dan te veel als fâcheux troisième zou gevoelen!

            Zoodra de heeren om half zes verdwenen waren, belde ik den directeur van het Kabinet op, om hem mee te deelen, wat het resultaat van mijn bespreking was. Ik zei hem, dat ik mijn zondag zou gebruiken, om het rapport   voor de koningin op te stellen, zoodat ik het maandagochtend aan H.M. zou kunnen overhandigen en desverlangd nog mondeling toelichten.

            Hij zei mij te verwachten, dat de koningin, die met het oog op de positie van den gulden groote spoed wilde betrachten, mij wellicht nog deze avond zou willen ontvangen. Ik zou dan daarna mijn mededeelingen schriftelijk kunnen bevestigen.

            Zijn vermoeden bleek juist, want vijf minuten over zes werd ik wederom door hem opgebeld, om mij namens H.M. te verzoeken om half zeven bij haar op den Ruygenhoek te komen. Ik had nog net tijd om mij te verkleeden en de auto te bestellen, en vijf minuten voor half zeven was ik op den Ruygenhoek.

            De koningin ontving mij terstond. Zij zag er veel minder slecht en veel opgewekter uit dan den vorigen dag. Misschien was haar de mededeeling, dat mijn poging mislukt was, ook niet geheel onaangenaam, ofschoon zij toch ook wel niet gedacht zal hebben, dat ik veel kans van slagen zou hebben. Zij vroeg mij zoo uitvoerig mogelijk te willen mededeelen, de inhoud van de besprekingen, die ik met de fractievoorzitters had gehad. Daar zij zelf niet in de gelegenheid was geweest deze heeren te hooren, was het voor haar aangenaam, dit van mij te vernemen, om aldus in staat te zijn zich een oordeel te vormen, wat haar verder zou te doen staan.

            Ik deelde haar omstandig het verloop van deze twee dagen mee. Hier en daar laschte ik een mopje in, waarom zij smakelijk lachte. Telkens ook kwam zij tusschen mijn verhaal met een of andere vraag om omtrent een bepaald punt nog wat meer toelichting te vernemen. Tenslotte kwam ik tot de conclusie, zooals wij die in de conferentie van zes hadden vastgesteld en ik verzocht haar dus mij van de opdracht te willen ontheffen.

            Natuurlijk was zij daartoe bereid en de directeur van het kabinet werd binnen geroepen om het communiqué voor de pers op te stellen. Zij wenschte, dat dit nog denzelfden avond door de radio bekend zou worden gemaakt.

            Toen de directeur haar vroeg, wat nu de volgende stap zou zijn, zeide zij een paar uur nodig te hebben om zich daarover rustig te kunnen beraden. Ik had eerst nog gedacht aan de mogelijkheid, dat zij mij, gelijk in 1929 aan Ruijs en in 1933 aan Colijn, nadat de opdracht tot vorming van een parlementair kabinet was mislukt, opdracht zou geven tot de vorming van een extra-parlementair kabinet. Zij deed dit echter niet. Tot besluit bedankte zij mij zeer warm voor de moeite, die ik mij getroost had en vooral voor de buitengewone spoed, die ik had betracht, zoodat ik haar nog binnen de helft van den termijn, die ik mijzelf gesteld had, een antwoord had kunnen geven.

            Zij wilde nu zooveel mogelijk verder spoed betrachten en zou haar zondag maar niet als zondag beschouwen. Zij verzocht mij, hetgeen ik haar mondeling had uitgelegd, zoo uitvoerig mogelijk op schrift te willen stellen en dit rapport aan den directeur van het Kabinet toe te zenden, waarbij ik moest bedenken, dat het haar bedoeling was, dat rapport aan den volgenden formateur ter inzage te geven. Nadat ik haar nog had bedankt voor het vertrouwen, dat zij in mij had gesteld, was deze audiëntie die precies één uur geduurd had, afgeloopen, en reed ik doodmoe naar huis terug.

AA, inv. nr. 1230

28/07/1935

zondag 28 juli [1935]

Nadat ik eerst uitgeslapen had en naar de kerk van twaalf was geweest begon ik om twee uur met het schrijven van mijn rapport, waarmee ik om half zeven gereed was. Onderwijl had de directeur van het Kabinet mij nog opgebeld, om mij te vragen, of hij niet zoo spoedig mogelijk mijn klad kon krijgen. Hij had er iemand voor gereed zitten om het terstond te tikken en hij zou mij dan dat exemplaar ter teekening zenden, opdat de koningin het nog des avonds zou hebben. Ik belde hem dus om half zeven op, dat ik gereed was. Om zeven uur werd het stuk, 10 vellen groot, door een referendaris, mr. Wolterbeek, afgehaald, en om negen uur was hij alweer bij mij terug om mij het getikte exemplaar ter teekening voor te leggen. Hij moest het daarna onmiddellijk per auto naar den Ruygenhoek brengen.

            Ik praatte nog even, terwijl mijn handteekening droogde, en daar hij dacht, dat ik verder van alles op de hoogte was, vernam ik van hem, dat dien middag jhr. De Geer geweest was, maar dat het communiqué pas den volgenden morgen (maandag) door de radio zou worden meegedeeld, tegelijk met het volgende communiqué opdat de beslissing van H.M., voor dat de beurs geopend zou worden, bekend zou zijn. Hieruit leidde ik af, dat dus De Geer geen opdracht tot kabinetsformateur had gekregen, en dat zij nu maandagmorgen aan Colijn opdracht zou geven.

            Mijn vermoeden bleek maandagmorgen juist, want er werd meegedeeld, dat Jhr. De Geer in audiëntie was ontvangen – een beetje in strijd met de waarheid: op zaterdagavond – en dat daarna, maandagochtend, dr. Colijn opdracht had ontvangen tot de vorming van een extra-parlementair kabinet op zoo breed mogelijke basis!

            De crisis heeft dus precies het verloop gehad, dat ik in de Kamerclub had voorspeld. Daar had men steeds huizen gebouwd, dat na mijn mislukking er een kabinet-De Geer zou komen. Ik had altijd gezegd, De Geer is niet gewoon zijn vingers te branden. Hij zal dus in elk geval wel een plausibele reden vinden, om van het aanvaarden van een opdracht af  te komen. Trouwens hij heeft een hartkwaal en het is dus zeer de vraag, of hij wel opnieuw het ministersambt zou mogen aanvaarden.

Rapport aan H.M.[20]

’s Gravenhage 28 Juli 1935.

Aan Hare Majesteit de Koningin.

Majesteit!

Op verzoek van Uwe Majesteit heb ik de eer schriftelijk te bevestigen, hetgeen ik gisteravond, op verlangen van Uwe Majesteit eenigszins uitvoerig heb meegedeeld.

Toen Uwe Majesteit mij vrijdagmorgen, negen uur, de opdracht gaf: ‘een parlementair kabinet samen te stellen op zoo breed mogelijke basis’, heb ik Uwe Majesteit eerbiedig verzocht, deze opdracht gedurende enkele dagen in beraad te mogen houden. Daar Uwe Majesteit op groote spoedbetrachting aandrong met het oog op den monetairen toestand, beloofde ik Uwe Majesteit uiterlijk maandag 29 juli het antwoord te geven, of ik al of niet meende in staat te zijn deze opdracht met goede kans op spoedig slagen te kunnen aanvaarden.

Om tot een oordeel te kunnen komen, was allereerst noodig, dat ik voor mijzelf tot de vaststelling kwam van de grondslagen en richtlijnen voor het te formeeren kabinet, en vervolgens, dat ik met den grootsten spoed mij ervan vergewiste, of de voorzitters der zes grootste kamerfracties bereid zouden zijn, het tot stand komen van een dusdanig kabinet onder mijn leiding te helpen bevorderen.

Als grondslag en richtlijnen stelde ik voor mijzelf, in nog ruime formulering, de volgende hoofdpunten vast.

In dezen benarden tijd, terwijl de economische inzinking, vooral in de industrie, nog steeds verder omlaag gaat, is het gewenscht zoo veel mogelijk te streven naar de vorming van een nationaal kabinet, waarin alle zes grootste fracties vertegenwoordigd zouden zijn. Uitgesloten zou zijn alleen die fractie, welke zichzelve uitsloot   door hare medewerking te weigeren.

Voorop zou moeten staan: zoo krachtig mogelijke maatregelen nemen om een keer te brengen in de nog steeds dalende conjunctuur.

Ook omdat, verandert deze niet, het onmogelijk zou zijn het rijksbudget in evenwicht te brengen en te houden, wat evenzeer noodzakelijk is.

            Na het crisis-ministerie kome er een herstel-ministerie.

Voor alles moet gestreefd worden met alle directe en indirecte maatregelen, welke de staat kan nemen, naar verlaging der productiekosten, met behoud, zooveel mogelijk, van het levensniveau der arbeiders en boeren, mede om de inzinking van den middenstand niet nog dieper te doen dalen.

Daarvoor zal noodig zijn een breed complex van ineensluitende en zooveel mogelijk tegelijk in werking tredende maatregelen, zooals verlaging van huren, pachten, renten van hypothecaire en andere leensommen, loonen en salarissen, voorzoover deze zich nog niet aangepast hebben, waarbij maatregelen om niet dringend noodzakelijke executies en opeischingen te voorkomen, niet te vermijden zullen zijn. Aan verlaging der hoofdsommen kan eerst gedacht worden na grondwetsherziening, daar deze verlaging alleen over de geheele lijn tegelijkertijd kan worden opgelegd. Bij dit complex van ineensluitende maatregelen wordt gedacht aan de Notverordening november 1931 van dr. Brüning en aan de maatregelen welke thans door Laval in Frankrijk en Van Zeeland in België worden genomen en voorbereid.

Daarbij is noodzakelijk nauwere economische samenwerking tusschen Nederland en de overzeesche gebieden.

Heropleving van het bedrijfsleven en daardoor vermindering van de werkloosheid worde gedurende 2 à 3 jaren gestimuleerd door het doen uitvoeren van groote openbare werken.

            De industrialisatie worde bevorderd.

Het bedrijfsleven moet zich met medewerking en onder contrôle van  de overheid organiseeren, mede met het op de bevordering van den export.

De werkingssfeer van den Economischen Raad moet worden uitgebreid in aansluiting aan het geordende bedrijfsleven.

De steun aan landbouw en veeteelt worde, zoover deze noodzakelijk blijft, gehandhaafd, echter met zoo weinig mogelijk vrijheidsbeperking. Daarvoor zal noodig zijn omzetting van bepaalde steunmaatregelen in ten deele heffing van invoerrechten, ten deele tijdelijke contingenteeringen.

De belastingdruk is reeds zoo zwaar, dat aan een eenigszins belangrijke belastingverhooging niet kan worden gedacht. Wel zou de inkomsten- en vermogensbelasting van ongehuwden verhoogd kunnen worden, waartegenover zou kunnen staan belastingvermindering voor groote gezinnen, omdat deze reeds onevenredig zwaar getroffen worden door de steunheffingen voor den landbouw en door de indirecte belastingen, invoerrechten en accijnzen.

           

Met dit program in mijn hoofd ving ik de besprekingen aan met den voorzitters der zes grootste kamerfracties. Het was mijn plan, ze eerst afzonderlijk te hooren, inzonderheid over de vraag, of ze in beginsel bereid waren de vorming van een kabinet op zoo breed mogelijke basis te steunen, om ze dan, waren de ontvangen antwoorden niet onbevredigend, tezamen te roepen voor de bespreking van de richtlijnen voor het te vormen kabinet.

Allereerst sprak ik met jhr. De Geer, voorzitter van de Christelijk-Historische kamerfractie. Daar hij de ontvangen opdracht had voorzien, had hij de aan te nemen houding reeds in zijn fractie besproken. Hij kon mij daarom mededeelen, dat zijne fractie zonder twijfel aan de vorming van een dergelijk nationaal kabinet, onder mijn leiding, wat ook zij in de gegeven omstandigheden de beste oplossing zou vinden, zou willen medewerken, behoudens natuurlijk mogelijke moeilijkheden bij de opstelling van een regeeringsprogram.  Alleen wanneer de Anti-Revolutionairen niet bereid zouden worden gevonden hun medewerking te verleenen, zou hij vooraf zijn fractie willen raadplegen, daar hij vermoedde, dat daarin een ernstig bezwaar zou worden gezien. Wij bespreken enkele van de moeilijkste programpunten (bijvoorbeeld het vraagstuk der vaste lasten), waarbij wij tot de conclusie kwamen, dat overeenstemming zeker niet gemakkelijk zou zijn, maar bij wederzijdsche goede wil niet a priori onmogelijk kon worden geacht. Met de hoofdstrekking van mijn ‘richtlijnen’ (een herstel-kabinet) ging hij geheel akkoord. Hij hoopte, dat dit kabinet onder mijn leiding tot stand zou komen, omdat hij dit in de gegeven omstandigheden de beste oplossing vond. Ook de deelname van de sociaal-democraten – natuurlijk als zij geen onaanvaardbare eischen stelden – achtte hij een groot nationaal belang.

Vervolgens had ik een onderhoud met de heeren Van Dijk en Schouten, respectievelijk tweeden en eersten voorzitter van de Anti-Revolutionaire kamerfractie. Hun standpunt kwam hierop neer, dat zij niet deelden het bezwaar van De Standaard, als zou een anti-revolutionair geen zitting kunnen nemen in een thans door mij te vormen kabinet. Maar zij voerden een zakelijk bezwaar aan. Mijn program zou ófwel sterk afwijken van, of vrijwel overeenkomen met het program van het kabinet-Colijn, welk program zij met volle instemming steeds hadden verdedigd. In ’t eerste geval zouden zij het dus niet kunnen aanvaarden, in ’t laatste geval was het niet noodig dat het thans zittend kabinet zou aftreden.

Ik merkte hiertegenover op, dat er toch tusschen deze beide gestelde uitersten nog heel wat gradaties lagen. Natuurlijk dacht ik er niet over, het program, door de katholieke kamerfractie in ’t voorloopig verslag en in mijn kamerrede in eersten termijn ontwikkeld, tot grondslag van het te vormen kabinet te nemen. Ik vreesde zelfs, dat, om alle zes fracties op één program tot samenwerking te brengen, er juist  door mij wel de meeste toenadering zou moeten worden betoond. Het gevolg van hun standpunt zou echter zijn, dat er met hun medewerking geen enkel ander kabinet zou kunnen worden gevormd. Mocht het echter hun bedoeling zijn – zooals van hen en de Vrijzinnig-Democratische fractie was gezegd – om door deze taktiek te bewerken, dat Uwe Majesteit het door het kabinet-Colijn aangeboden ontslag niet zoude verleenen, dan wees ik hen op de zeer ernstige staatkundige gevolgen, welke het zou kunnen hebben, wanneer een kabinet, dat zelf geconstateerd had, dat het geen meerderheid in de Tweede Kamer had voor haar economische politiek, daarna zou aanblijven.

Zij moesten er dus rekening mee houden, dat er waarschijnlijk toch een ander kabinet zou optreden, zij het dan niet onder mijn leiding, dan onder die van een ander, bijvoorbeeld jhr. De Geer. Hierop reageerden de beide heeren tegelijk, dat als zij de keuze hadden tusschen hem en mij, zij aan mij de voorkeur zouden geven. Zij voegden hier tenslotte nog aan toe, dat als zij niet bereid zouden zijn in een door mij te vormen kabinet zitting te nemen, dit niet beteekende, dat zij niet bereid zouden zijn openlijk te verklaren, dat zij dat kabinet openlijk zouden willen steunen.

Ik deelde hun ten slotte nog mede, dat wanneer de Anti-Revolutionairen niet bereid zouden zijn, in het kabinet zitting te nemen, dat voor mij niet onwaarschijnlijk een reden zou zijn, de ontvangen opdracht niet te kunnen aanvaarden, wat tot gevolg zou kunnen hebben dat er dan een kabinet onder andere, door hen nog minder begeerde, leiding zou optreden. De heeren verklaarden zich ten slotte bereid, zich, indien ik dit wenschte, nog nader met mij te verstaan.

Mijn eindindruk was, dat indien door mij met de vijf andere fracties overeenstemming zou kunnen worden bereikt, zij wellicht niet de verantwoordelijkheid op zich zouden willen nemen, dat door hun weigering tot medewerking het optreden van een werkelijk nationaal kabinet zou zijn verhinderd. Maar meer dan een indruk was dit niet.

Daarna had ik een lang onderhoud met ir. Albarda, voorzitter van de Sociaal-Democratische kamerfractie.     Hij verklaarde zich bereid met zijn fractie te overwegen, of zij aan de vorming van een door mij tot stand te brengen kabinet zouden kunnen meewerken. Hun beslissing zou afhankelijk zijn van de vraag, welke richtlijnen het kabinet zou hebben, en van de vraag, welke plaats in het kabinet aan sociaal-democraten zou worden gegeven.

Wat de richtlijnen betreft, deze zouden in hoofdzaak moeten worden afgeleid uit de denkbeelden, door de katholieke fractie en de sociaal-democratische fractie ontwikkeld, voorzoover ze gemeenschappelijks hebben. Deze kabinetscrisis is een ‘keerpunt’. Er moet met groote energie een positieve constructieve welvaartspolitiek worden gevoerd. Hij deelde mijn meening: het moet worden een kabinet van herstel. De plaats van de sociaal-democraten in het kabinet moet zich richten naar de sterkte der fractie, waarbij rekening te houden ook met hun sinds 1933 gestegen electorale positie. De zeer breede basis, welke ik wenschte, was voor hem minder aanlokkelijk: het program zou er minder krachtig door worden en de positie van de sociaal-democraten in het kabinet zwakker. Liefst zag hij komen een kabinet op de basis van drie: katholieken, sociaal-democraten en Vrijzinnig-Democraten.

Ik wees hem erop, dat er toch voor de S.D.A.P., na het gebeurde der laatste jaren, een groot moreel voordeel in gelegen was, dat sociaal-democraten opgenomen worden in een nationaal kabinet. Dit werd door hem niet ontkend.

Tenslotte besprak ik des avonds nog uitvoerig de situatie met de heeren Goseling en Bongaerts, respectievelijk tweeden voorzitter en eersten secretaris van de katholieke kamerfractie. Met de door mij uiteengezette ‘richtlijnen’ konden zij zich vereenigen, al vreesden zij wel, dat ik als formateur bereid zou zijn meer concessies te doen, dan aan de genoemde fractie lief zou zijn. Zij  achtten echter het optreden van een nationaal kabinet in dezen moeilijken tijd   – de naaste toekomst zagen zij zeer donker in  –  een zóó groot goed, dat om dat te bereiken men bereid zou moeten zijn tot groote toegevingen. Zij herinnerden er aan, dat reeds tweemaal de katholieke kamerfractie het bijkans eenstemmig besluit had genomen, niet te willen deelnemen aan de vorming van wat men pleegt te noemen een ‘Roomsch-Rood’ kabinet. De fractie stond nog steeds op het standpunt van wijlen dr. Nolens, dat de katholieken met de sociaal-democraten geen kabinet zouden kunnen vormen, wanneer niet minstens één andere fractie bereid was als derde in den bond te treden.

Bovendien, al kwam het economisch program van de S.D.A.P. in verschillende punten met het katholieke program overeen, het finantieele program van de sociaal-democraten achtten zij onaanvaardbaar.

                       

Zaterdag 27 juli hervatte ik des morgens mijne besprekingen, allereerst met dr. Bierema, voorzitter van de vrijheidsbondsche fractie. Hem lachte de vorming van een nationaal kabinet zeer toe, evenwel vreesde hij, dat er bij de vaststelling van het program wel moeilijkheden zouden rijzen.

Hij erkende echter, dat hij met veel wat ik in mijn kamerrede gezegd had, kon instemmen. In beginsel verklaarde hij zich bereid, aan de vorming van een kabinet op zoo breed mogelijke basis deel te nemen.

Tenslotte had ik een teleurstellend onderhoud met mr. Joekes, voorzitter van de vrijzinnig-democratische kamerfractie. Hij legde terstond deze, door zijn fractie vastgestelde verklaring af: ‘Er is naar onze meening zoo groot verschil in de opvattingen van de verschillende parlementaire fracties met betrekking tot het te voeren finantieel en sociaal-economisch beleid, in het bijzonder ten aanzien van de gewenschte verlichting van de vaste lasten, dat de vorming van een kabinet op parlementairen grondslag thans geen redelijke kans  op succes op [zijn][21] streven zou bieden. Op dezen grond kan de vrijzinnig-democratische fractie geen vrijheid vinden, aan de vorming daarvan medewerking te verleenen.’

Ook bij verdere bespreking bleek hij van dit bij voorbaat vastgestelde standpunt niet af te brengen.

Des middags van 2-5 uur had ik daarna een bespreking, gezamenlijk, met de vijf voorzitters der fracties, die niet volstrekt afwijzend hadden gestaan. Ook de heer Schouten was bereid aan deze bespreking deel te nemen.

Ik moest beginnen met mede te deelen, waarom de heer Joekes niet aanwezig was. Ik las zijn verklaring voor.

Hierop verklaarde dr. Bierema, dat als de vrijzinnig-democratische fractie weigerde haar medewerking te verleenen, ook de liberale fractie dit niet zou kunnen doen.             Na eenige bespreking wijzigde hij dit standpunt in zooverre, dat hij verklaarde, vóór verder toestemming te kunnen geven, eerst nog eens zijn fractie te moeten raadplegen.

De heer Schouten verklaarde, dat de meeningsverschillen zóó groot zijn, dat het hem onmogelijk voorkomt, dat de anti-revolutionairen het program van het te vormen kabinet zouden kunnen aanvaarden. Hij had daarbij vooral het oog op de deflatie-politiek van de katholieken en op de finantieele politiek van de sociaal-democraten.

De heer Albarda verklaarde daarop echter, dat hij wat het finantieele program betreft, bereid was zelfs tot groote concessies, mits het kabinet een krachtige herstelpolitiek zou willen voeren.

Een lang debat ontspon zich over de verlaging der vaste lasten, waarvan echter het resultaat niet was, dat er overeenstemming werd bereikt.

Mr. Goseling deelde mede, dat de katholieke fractie vast moest houden aan haar eisch: een zo breed en snel mogelijk doorgevoerde deflatie-politiek. Wel betwijfelde hij, of de feiten dezen eisch niet al reeds achterhaald hadden en of aan devaluatie nog te ontkomen zou zijn.

Jhr. De Geer was van meening, dat devaluatie nooit een programpunt van welk kabinet dan ook zou kunnen zijn. Wel was hij van meening, dat wanneer eenig kabinet zag, dat binnen eenigen tijd aan devaluatie niet te ontkomen zou zijn, het in ’s lands belang, om afvloeiing van goud, dus verarming van ons volk, te voorkomen, moest worden geacht, tot dezen pijnlijken en te betreuren maatregel zoo spoedig mogelijk over te gaan.

Tenslotte verklaarde de heer Albarda, dat de sociaal-democraten, als de andere fracties bleven weigeren, bereid waren tezamen met de katholieken een kabinet van herstel te vormen. Hierop deelde mr. Goseling mede, dat de katholieken daartoe niet bereid waren, vooreerst omdat dit kabinet slechts over 50 stemmen in de Tweede Kamer zou beschikken, wat onvoldoende werd geacht om krachtig te kunnen optreden; vervolgens, omdat de katholieke kamerfractie vastbesloten was, niet met de sociaal-democraten eenn kabinet te vormen, wanneer niet minstens één andere fractie bereid was als derde in dezen bond te treden; en ten tenslotte, omdat hij een samengaan van ‘Roomsch-Rood’ niet in ’s lands belang achtte, wijl dit zonder twijfel ten gevolge zou hebben een versterking van de communistische zoowel als van de nationaal-socialistische beweging.

In overleg met de aanwezigen werd als conclusie van deze bespreking vastgesteld: ‘dat ik, na bespreking met de voorzitters der kamerfracties, de overtuiging had gekregen, geen voldoende overeenstemming te zullen kunnen bereiken, om te komen tot de vorming van een parlementair kabinet op genoegzaam breede basis’.

Op grond van deze conclusie had ik daarom de eer, Uwe Majesteit eerbiedig te verzoeken, mij te willen veroorloven, de opdracht tot de vorming van een parlementair kabinet op zoo breed mogelijke basis, niet  te aanvaarden.

            Met gevoelens van zeer eerbiedige hoogachting verblijf ik,

van Uwe Majesteit de gehoorzame dienaar

AA, inv. nr. 1230

29/07/1935

maandag 29 juli [1935]

Vanmorgen om half tien werd ik opgebeld door dr. Colijn. Hij deelde mij mee, dat hij zoo juist van den Ruygenhoek terug was en hij vroeg mij, of ik hem kon ontvangen. Ik zei hem, dat hij het nu wel drukker had dan ik en dat ik dus bereid was naar hem toe te komen, wat hij gaarne aanvaardde, want hij was nog in gekleede jas en hooge hoed. Hij wilde zich dan onderwijl verkleeden. Kwart voor tien was ik bij hem.

            Het was een merkwaardige ontmoeting na de felle wijze, waarop wij dinsdagmiddag en -avond in de Tweede Kamer tegenover elkaar hadden gestaan. Ik brak onmiddellijk het ijs, om te zeggen, dat ik reeds woensdag het plan had gehad om hem een brief te schrijven, waarin ik het betreurde, dat wij op deze wijze zoo scherp tegenover elkaar waren gekomen en dat ik vertrouwde, dat hij begrijpen zou, dat dit niets te maken had met mijn persoonlijke groote waardeering voor hem en dat ik dat alleen gedaan had, omdat ik mij in geweten verplicht achtte in ’s lands belang aldus te handelen.

            Hij was daardoor zeer getroffen en verklaarde, dat hij het niet anders had opgevat, waarop wij elkander de hand gaven en wat dit punt betreft dus zeer spoedig de vrede was gesloten.

            De vraag was nu echter, hoe is er een betere verhouding te krijgen tusschen het kabinet en de katholieke kamerfractie? Ik zei hem, dat naar mijn meening daarvoor twee middelen noodzakelijk waren. Vooreerst moest hij optreden met een program, dat door zijn formuleering nog meer appetijtelijk voor de katholieke kamerfractie zou zijn, en vervolgens moest hij zijn kabinet zoodanig reconstrueeren, dat hij door het opnemen van enkele personen, die het bijzonder vertrouwen bij de katholieke kamerfractie hadden, het aan de katholieke kamerfractie mogelijk zou maken om haar verklaring, dat zij geen vertrouwen in de economische politiek van het kabinet stelde, zij het dan nog met eenige reserve, terug te nemen. Wat het program betrof, was hij gauw klaar. Hoe het mogelijk is, begrijp ik niet, maar hij was bereid het program, dat ik als het mijne in mijn rapport aan de koningin had opgenomen, vrijwel geheel over te nemen. Wat de wijziging van het kabinet betrof, zeide hij, niet van plan te zijn er veel wijziging in te brengen. Alleen Van Schaik had verklaard, niet meer in het kabinet te willen blijven, daar zijn verhouding tot de Katholieke Staatspartij door zijn ministerschap steeds slechter was geworden en hij daarom niet verder meer wilde gaan.

Hierin vond ik de mogelijkheid voor een oplossing. Ik ried Colijn aan om in de plaats van Van Schaik Goseling te vragen. Als jurist is hij minstens even bekwaam als Van Schaik, maar hij is een veel krachtiger figuur en zal veel meer doortastend optreden. Bovendien heeft hij het volle vertrouwen van de geheele kamerfractie, terwijl hij als voorzitter van de Katholieke Staatspartij een onbegrensd vertrouwen vindt vooral bij het jongere gedeelte van de partij. Ik was overtuigd, dat wanneer hij hem in zijn kabinet zou opnemen en daarbij dan zou komen met een program zooals hij van plan was, dat daardoor dan de weg tot een verzoening met de katholieke kamerfractie voldoende zou zijn gebaand.

            Het bleek mij, dat Colijn nogal bezwaar tegen Goseling had, omdat hij, gelijk vele anderen, veel meer hem dan mij beschouwt als de ziel van de oppositie tegen het kabinet, wat trouwens ook niet heelemaal onjuist is. Ik drong er echter sterk op aan, hoewel met de bijvoeging, dat ik niet overtuigd was, dat Goseling bereid zou zijn deze portefeuille aan te nemen, maar dat ik anderzijds bereid was hem daartoe zoo krachtig mogelijk te bewegen. Tenslotte ging Colijn ook daarmee accoord. Hij had echter ’s middags om half vier ministerraad en moest eerst deze oplossing daar ter sprake brengen.

Het gesprek heeft bijna 2½ uur geduurd, dus begrijpelijk dat wij daarbij ook nog uitvoerig over het ontstaan van het conflict en den omvang er van hebben gesproken. Ik heb hem zeer rond de waarheid gezegd en hem erop gewezen, dat men hier vooral te onderscheiden had tusschen oorzaak en aanleiding. Zijn bruuske vraag, dat de katholieke fractie vertrouwen in het kabinet moest uitspreken, want dat het anders de taak niet zou kunnen voortzetten, was de aanleiding tot mijn scherp antwoord: dat vertrouwen hebben wij niet. Maar de oorzaak lag veel dieper. Feitelijk was deze reeds begonnen in october van het vorig jaar, toen hij zijn bekende, zeer liberaal getinte rede te Amsterdam hield voor de Industriëele Club. Duidelijk bleek toen wel uit de katholieke pers, hoe scherp daartegen in onze kring werd gereageerd. Vandaar dan ook, dat het conflict onzerzijds eigenlijk reeds aanwezig was in november bij de behandeling van de rijksbegrooting. Ik heb toen al mijn tact en overredingskracht in de fractie moeten gebruiken, om het toen niet reeds tot een conflict te laten komen. Dat is mij toen gelukt, maar ik had toen ook de overtuiging, dat dit de laatste keer was. Deze conflictstoestand, die latent bleef, werd verscherpt door de indiening van het bezuinigingsontwerp, waarin zelfs in de toelichting niets hoegenaamd voorkwam over het voeren van een krachtige economische herstelpolitiek. Dit heeft  de deur dicht gedaan en bij de behandeling van dit wetsontwerp in de afdeelingen was de bijna eenstemmige meening van de katholieke kamerfractie dat het thans maar tot een conflict moest komen.

            Daarop volgde echter de vervanging van Steenberghe door prof. Gelissen, de memorie van antwoord, waar op de desiderata van de katholieke kamerfractie werkelijk zeer gunstig werd gereageerd, en tenslotte de indiening van het wetsontwerp betreffende de verlaging van de vaste lasten. Op grond hiervan was ik van meening, dat wij andermaal voldoende aanleiding hadden om het niet tot een conflict te laten komen. De groote meerderheid van de club dacht er echter anders over, maar ik heb doorgezet, primo, dat ik alleen zou spreken bij de algemeene beschouwingen en dan zoowel het standpunt van de meerderheid als van de minderheid zou doen uitkomen, en secundo dat er geen motie zou worden voorgesteld. Dit laatste wilde ik niet, omdat natuurlijk, wanneer die motie tegen het kabinet gericht was, de sociaal-democraten en de communisten en nog eenige andere opposanten er voor zouden stemmen, en dus die motie zoo zou worden aangenomen, dat er noodzakelijk een conflict uit zou ontstaan en wij tezamen met de sociaal-democraten en de communisten het conflict zouden hebben uitgelokt, een positie waarin ik in geen geval wenschte te komen.

            Zoo stond de zaak, toen hij zijn scherpe antwoord op mijn rede gaf, op dinsdag 19 juli, waarin hij feitelijk de katholieke kamerfractie met name sommeerde, 1. haar ondermijnende critiek te staken, en 2. vertrouwen uit te spreken in het algemeen regeeringsbeleid. Dienzelfden avond heeft de katholieke kamerfractie vergaderd en waren wij eenstemmig van meening, dat het een lafheid zou zijn op deze regelrecht tot ons gerichte uitdaging niet op zeer duidelijke wijze te antwoorden.

            Vandaar mijn scherpe antwoord op dinsdag 23 juli, waarop hij ’s avonds antwoordde met de regeeringsverklaring, waarin hij constateerde, dat door mijn antwoord en uit de redevoeringen van de sociaal-democraten, de communisten en enkele losloopende leden aan het kabinet gebleken was, dat het voor zijn economische politiek geen meerderheid in de Tweede Kamer had en dat het daarom verzocht de beraadslagingen te schorsen, opdat het kabinet zich zou kunnen beraden, wat het aan de koningin zou moeten adviseeren.

            Ik zei hem met groote nadruk, dat deze wijze, om zonder dat er een stemming in de Kamer had plaats gehad toch het conflict in het leven te roepen, en daarbij dan de katholieken in één hoek te trappen met de sociaal-democraten, communisten en sociale revolutionairen en  Kerstenianen, bij de fractie groote verbittering had gewekt en dat juist dit punt een van de groote moeilijkheden was om nu tot een betere verhouding te komen.

            Hij hoorde dit alles aan en had er eigenlijk niet veel op te antwoorden. Maar, gelijk gezegd, het slot was, dat hij ’s middags in den ministerraad, die om half vier zou worden gehouden, rapport zou uitbrengen over hetgeen wij besproken hadden. En daarmee was dit merkwaardige onderhoud afgeloopen.

            Toen ik zijn huis verliet, zag het daarvoor zwart van de menschen en stonden vijf fotografen mij op te wachten. Een drietal journalisten sprongen op mij af, om iets te vernemen, maar ik bleef potdicht.

            In den loop van den dag had ik een telefonisch onderhoud met Goseling, dien ik, zonder te zeggen dat ik hem voor Justitie had aanbevolen, wel zei, dat ik meende, dat de mogelijkheid bestond, dat wij tot een modus vivendi zouden komen.

            Om 5 uur werd ik opgebeld door Deckers, terwijl de ministerraad nog in vergadering was. Hij vroeg mij, of hij en de twee andere katholieke ministers ’s avonds om half elf bij mij konden komen. Ik zei hem, dat ik erg moe was en dat ik liever had, dat ze iets vroeger zouden komen. Hij stond er echter op dat dit pas half elf zou zijn, omdat het dan goed donker zou wezen. Klokslag half elf kwamen de drie heeren aan. Wij hebben precies tot half een met elkaar geconfereerd. Hun vraag was, of zij als katholieken, na het incident, in het kabinet konden blijven zitten. Ik antwoordde daarop, dat dit er natuurlijk van af hing, of men met de katholieke fractie tot overeenstemming zou kunnen komen. Ik deelde hun mee, dat ik Colijn ’s morgens gezegd had, dat dit naar mijn meening langs twee wegen zou kunnen. Vooreerst door een regeeringsverklaring die ook door haar formuleering een beetje aangenaam in de katholieke ooren zou kunnen klinken, en vervolgens door Goseling op te nemen in het kabinet en hem aan Justitie te plaatsen. Van Schaik keek zeer sip en vroeg waarom of ik hem dan weg wou dringen. Ik keek natuurlijk zeer verwonderd en zei, dat ik natuurlijk niet op dat idee zou gekomen zijn, wanneer Colijn mij niet had meegedeeld, dat Van Schaik in elk geval wilde aftreden. Hij zei, dat daar niets van waar was. Deckers deelde toen mee, dat er een nieuw departement van Landbouw zou komen en dat hij van Defensie dan naar Landbouw zou gaan. Er moest dus een nieuwe minister van Defensie komen en hij meende, dat Goseling, als oud-artillerieofficier, daar wel voor in aanmerking zou willen komen. Ik heb daarop geantwoord, dat ik vast overtuigd was, dat Goseling dat niet zou willen en dat het naar mijn meening ook niet de bevrediging zou geven als zou kunnen verkregen worden wanneer hij aan het hoofd van het veel belangrijker departement van Justitie zou komen. Waar Slotemaker van Sociale Zaken naar Onderwijs overgaat (vacature-Marchant) was dus ook het departement  van Sociale Zaken vacant. Wij hebben toen met ons drieën getracht Van Schaik over te halen van Justitie naar Sociale Zaken te gaan. Hij had daar niet veel zin in en wilde er in elk geval een nacht over slapen. Hij was dus aarzelend als steeds.

            Dit was feitelijk het slot van onze besprekingen en om half een gingen de heeren naar huis.

AA, inv. nr. 1230

30/07/1935

dinsdag 30 juli 1935

Hedenmorgen werd ik voor negen al opgebeld, door Goseling; hij had een telegram ’s morgens om half zeven van Colijn ontvangen, of hij om half tien bij hem wilde komen. Hij begreep niet, wat dat kon beteekenen. Ik heb hem toen maar nader ingelicht en hem gezegd, dat Colijn hem wel eerst zou willen vragen voor Defensie, maar dat hij dat moest weigeren en dat hij hem dan wel voor Justitie zou vragen, en dat hij dat naar mijn meening dan moest aannemen, mits natuurlijk het regeeringsprogram voor ons acceptabel was. Het viel hem rauw op het lijf, maar, gelijk ik reeds verwacht had, stond hij daar toch niet geheel afwijzend tegenover.

            Om half tien was hij bij Colijn. Het onderhoud duurde anderhalf uur. Onmiddellijk na afloop daarvan kwam hij bij mij, om verslag uit te brengen. Ik had onderwijl het bestuur van de katholieke kamerfractie tegen vier uur ’s middags telegrafisch opgeroepen. Goseling deelde mij mee, dat het onderhoud met Colijn was verloopen zooals ik hem voorspeld had. Hij had hem eerst Defensie aangeboden, waarvoor hij bedankt had. Daarna stelde hij hem de portefeuille van Justitie in het vooruitzicht. Goseling zei daarover eerst te willen denken, wanneer er tusschen het kabinet en de katholieke kamerfractie overeenstemming was gekomen over het regeeringsprogram. Colijn las hem toen voor, wat hij ook mij voorgelezen had. Ook op Goseling maakte dit een plausibelen indruk. Hij stond alleen, evenals ik, verbaasd dat Colijn in zoo korten tijd veranderd was. Het stuk dat hij hem voorlas en waarvan hij hem een afschrift gaf, luidde als volgt:

De hoofdlijnen van den kabinetsarbeid moeten gericht zijn op den economischen opbouw van het land in verband met de gewijzigde internationale verhoudingen. Zoo nauw mogelijke samenwerking tusschen moederland en koloniën is daarbij één der voorwaarden om te kunnen slagen.

De industrialisatie volgens de lijnen door prof. G[elissen] aangegeven, zal krachtig worden gesteund. Een vestigingswet voor de industrie is daarvoor noodig en zal worden ingediend teneinde de leiding der overheid bij de industrieele ontwikkeling een verzekerden grondslag te verschaffen.

Teneinde den minister van Economische Zaken de gelegenheid te schenken zijne onverdeelde aandacht te wijden aan zijne industrieele plannen en aan de handelspolitieke aangelegenheden, zal voor den Landbouw c.a. een afzonderlijk ministerie in het leven worden geroepen.

Doorlopend zal het oog moeten worden gehouden op de mogelijkheden tot verdere verlaging van productiekosten. Daarbij wordt intusschen vastgelegd, dat de Grondwet zich tegen een algemeene verlaging van hoofdsommen verzet.

Met den aanleg van openbare werken zal – zoo mogelijk in versneld tempo – worden voortgegaan.

Inzake de defensie zijn, met het oog op den internationalen toestand in Europa en Azië enkele bijzondere voorzieningen noodzakelijk. In verband met den toestand van ’s lands financiën – die groote zorg eischt – zullen deze voorzieningen beperkt moeten worden tot het strikt onvermijdelijke, zoo mogelijk tot stand moeten komen door bezuiniging op min noodige onderdeelen en in elk geval slechts een bescheiden verhooging van uitgaven mogen veroorzaken.

Tenslotte deelde Colijn mee, dat hij vanavond om half negen bij de koningin moest komen en dat hij daarom voor acht uur het antwoord van Goseling zou willen ontvangen. Om elf uur had hij ministerraad en zou daar de zaak verder bespreken.

            Om vier uur kwam het bestuur van de katholieke kamerfractie bijeen, met de katholieke leden van de commissie van voorbereiding van het bezuinigingsontwerp: Teulings, Van Poll en Suring. Ruijs had mij getelefoneerd, dat hij verhinderd was te komen. Goseling had mij opgebeld, dat hij om drie uur verzocht was bij Deckers te komen, zoodat hij vermoedelijk wel iets later zou arriveeren. Dit hinderde niet, omdat ik natuurlijk moest beginnen met aan het bestuur een overzicht te geven van mijn mislukte kabinetsformatie en van hetgeen daarna gebeurd was. Mijn mededeeling, dat ik aan Colijn gezegd had, dat er twee dingen noodig waren, vooreerst een gewijzigd regeeringsprogram, waarmee de katholieke kamerfractie zou kunnen instemmen en ten tweede bovendien een zoodanige reconstructie van het kabinet, dat daardoor bij ons het geschokte vertrouwen zou kunnen worden hersteld, en dat ik meende dat dit inderdaad het geval zou zijn, wanneer Goseling aan Justitie kwam en ook aan Sociale Zaken een katholiek kwam, als bijvoorbeeld Henri Hermans – deze mededeeling werd met algemeene instemming[22] begroet.

            Juist was ik zoover gekomen, toen Goseling binnenkwam. Hij vertelde dat het heele plan weer in duigen was gevallen. Om drie uur was hij naar Deckers getogen, bij wien ook Gelissen aanwezig was. Dezen hadden getracht hem over te halen de portefeuille van Defensie te aanvaarden. Hij had dit  geweigerd, vooreerst omdat hij er geen zin in had, maar vervolgens – wat hij bij hem zwaarder woog – omdat daardoor niet het vertrouwen zou worden hersteld. Daarna was hij naar Colijn gegaan, om hem mee te deelen, dat hij de portefeuille van Justitie in beraad zou willen nemen, maar dat hij voor definitief te beslissen eerst moest weten, hoe het regeeringsprogram zou luiden en vervolgens, wat de meening van de katholieke kamerfractie was.

            Colijn deelde hem toen mede, dat ’s morgens in den ministerraad gebleken was, dat Van Schaik heelemaal geen zin had om af te treden. Hij had nu met hem 2½ jaar gewerkt en kon er dus niet toe besluiten om hem uit de combinatie te stooten. Beschikbaar was dus alleen de portefeuille van Defensie, daar aan Sociale Zaken een Vrijzinnig-Democraat zou komen. Er was echter geen haast bij, want op het oogenblik was Defensie nog niet vacant, daar eerst bij Koninklijk Besluit het nieuwe departement van Landbouw zou moeten worden ingesteld. Hij had dus 14 dagen bedenktijd.

            Daar Goseling het op prijs stelde eerst de meening van het bestuur te hooren, zei hij niet onmiddellijk neen, maar beloofde zoo spoedig mogelijk een antwoord te zullen geven. Na deze mededeeling was de eenstemmige meening van het bestuur, dat deze oplossing onvoldoende moest worden geacht en gezamenlijk stelden wij toen op het volgende schrijven, dat Goseling aan Colijn zou richten. Er zou voor gezorgd worden, dat Colijn dit stuk voor zeven uur ontving, zoodat hij, wanneer hij om half negen naar de koningin ging om de kabinetsopdracht te aanvaarden, hij wist, dat de zaak met de katholieke kamerfractie niet in orde was. Dit schrijven luidde als volgt:

Het is mogelijk gebleken, met medewerking van den voorzitter, professor Aalberse, nog heden een bespreking te hebben met het bestuur onzer fractie, omtrent de vraag, die Uwe Excellentie mij bij ons onderhoud van hedenmiddag heeft voorgelegd.

Afgescheiden van de zakelijke basis voor herstel van een goede samenwerking met de fractie der R.K. Staatspartij, waaromtrent uiteraard heden nog niet meer nauwkeurig kon worden gesproken, is wel duidelijk gebleken, dat een aanvaarding mijnerzijds van de portefeuille van Defensie niet in staat zou zijn het vertrouwen te verzekeren, dat wij met Uwe Excellentie gaarne in ’s lands belang hersteld zouden willen zien.

Na het aldus in aansluiting aan onze bespreking gevoerde beraad meen ik goed te doen u nog heden mede te deelen, dat ik mij daarom voor het aanvaarden van de portefeuille van Defensie niet beschikbaar  kan stellen.

            Met de meeste hoogachting, enz.

Twee dingen kwamen hierin dus uit: vooreerst dat er eerst overeenstemming zou moeten komen over het regeeringsprogram en ten tweede, dat de aanvaarding van de portefeuille van Defensie door Goseling voor ons niet een zoodanige reconstructie van het kabinet beteekende, dat daardoor het geschokte vertrouwen in het beleid zou kunnen worden hersteld.

            Om half negen trok Colijn naar den Ruygenhoek, waar hij ongeveer twee uur verbleef. Wat er besproken is, is natuurlijk onbekend. Maar om elf uur werd in de radio officieel meegedeeld, dat Colijn de opdracht tot kabinetsformateur had aanvaard en dat het nieuw op te treden kabinet zou bestaan uit dezelfde ministers als dat, hetwelk ontslag had gevraagd. Slotemaker zou aan Onderwijs komen, Deckers aan het nieuw op te richten departement van Landbouw, Slingenberg, Vrijzinnig-Democraat, kwam aan Sociale Zaken en de vacature aan Defensie zou later worden vervuld.

AA, inv. nr. 1230

03/08/1935

zaterdag 3 augustus [1935]

Gisteren heeft Colijn voor de radio een rede gehouden. Op 31 juli had hij aan den voorzitter van de Tweede Kamer meegedeeld, dat de regeering het niet noodig achtte zich aan de Kamer met een regeeringsverklaring te presenteren. Verwacht werd dus, dat die regeeringsverklaring nu over de hoofden van de volksvertegenwoordiging heen, per radio aan het Nederlandsche volk zou worden bekend gemaakt, wat natuurlijk staatsrechtelijk volkomen onhoudbaar zou zijn geweest. Het zou mij niet verwonderen, of dit was toch aanvankelijk het plan, dat Colijn koesterde. Maar dan is hij toch van die meening afgebracht, want zijn radiorede was niet veel meer dan een preekje, waarin hij tot rust en kalmte vermaande. Wat de verhouding tot de katholieke kamerfractie betreft, merkte hij op, dat er wel tusschen het vorige kabinet, maar niet met het nieuwe kabinet een conflict bestond en dat hij vertrouwde, dat het ook niet zou ontstaan. Het regeeringsprogram zou worden meegedeeld in de troonrede op den derden dinsdag van september, dus 17 September.

            Ik had bij voorbaat een vergadering van de katholieke kamerfractie tegen hedenmiddag twee uur uitgeschreven. De vraag was toch, of wij gebruik zouden maken van de bepaling in het reglement van orde, dat aan tien leden de bevoegdheid geeft de bijeenroeping van de Kamer aan den voorzitter te vragen. De sociaal-democraten hadden reeds vergaderd en gepubliceerd, dat zij in de gegeven omstandigheden dit niet zouden doen, maar het zouden overlaten aan de katholieke kamerfractie. Ik deelde in de fractie als mijn meening mede, dat wij dit niet moesten doen. De moeilijkheden op de beurs  zouden dan voortgaan en wij kregen dan geheel het odium, dat het onze schuld was, dat de gulden gekelderd was. Bovendien zou een debat op dit oogenblik, nu de gemoederen van weerskanten zeer verhit waren en het kabinet blijkbaar ook nog niet met een program gereed was, waarschijnlijk het conflict nog verscherpen, terwijl onze positie zwakker was geworden dan op 23 juli. Wij moesten dus rustig afwachten, of Colijn nog onderhandelingen met ons zou openen en in elk geval hoe op 17 [september][23] de troonrede zou luiden en hoe dan het kabinet zou zijn samengesteld.

            Algemeen was men het daarmee eens en er werd besloten in dezen geest een communiqué aan de pers af te geven. Ruijs merkte op, dat daarin nog twee dingen moesten komen, vooreerst een mededeeling, dat wij na de troonrede zouden overwegen of wij aan de Kamer zouden voorstellen haar met een adres van antwoord te beantwoorden, en ten tweede moest er iets inkomen over onze houding tegenover de drie katholieke ministers, die in het kabinet, niettegenstaande het conflict niet opgelost was, waren blijven zitten.

            Ik merkte op, dat ik tegen een adres-debat dit bezwaar had, dat men dan bij het publiek, dat nu eenmaal niet voldoende onderscheidingsvermogen heeft, den schijn zou wekken, alsof wij de troonrede van de koningin becritiseerden. Ik zou daarom meer voelen voor het aanvragen van een interpellatie. En wat de drie katholieke ministers betrof, deelde ik volkomen de verontwaardiging over hun houding en vooral over het feit, dat zij de voor ons grievende regeeringsverklaring van 23 juli hadden goedgekeurd. Maar ik meende, dat wij deze vuile wasch maar liever in de familie zelf moesten beredderen. Het slot was, dat wij het navolgende communiqué aan de pers afgaven:

In verband met de mededeeling in de radio-rede van dr. Colijn, dat het kabinet op den derden dinsdag van september zijn program aan de Staten-Generaal zou meedeelen, werd het van de zijde der kamerfractie[24] juister geacht, behoudens bijzondere omstandigheden, deze mededeeling af te wachten en dan te overwegen of het wenschelijk is, in de Kamer voor te stellen, de troonrede met een adres van antwoord te beantwoorden ofwel een interpellatie aan te vragen.

AA, inv. nr. 1230

15/08/1935

maandag 15 augustus 1935

Hedenmiddag hebben wij een persconferentie gehad. De heeren waren en grand complet opgekomen. Goseling en ik hebben hun, zoover wij dat konden, volledige opening van zaken gegeven. Algemeen bleek men het standpunt van de katholieke kamerfractie goed te keuren. Alleen waren ze benieuwd hoe wij nu verder zouden manoeuvreeren. Daaromtrent konden wij  natuurlijk niets meedeelen, omdat wat wij verder zouden doen natuurlijk afhing van wat Colijn deed voor 17 september en van den inhoud van de troonrede. Op een vraag, of de pers er nu maar niet op moest aansturen dat, wanneer het nu weer tot een conflict kwam, wij niet meer zouden moeten weigeren, een kabinet met de sociaal-democraten te vormen, hebben wij geantwoord, dat men daar niet al te sterk op zou moeten aandringen, maar omgekeerd, dat men ter versterking van onze positie, omdat de anderen nu meenen, dat deze mogelijkheid volstrekt uitgesloten is en dat ze dus ons maar als quantité négligeable kunnen verwaarloozen, er wel op moesten zinspelen, dat de situatie zoodanig zou kunnen worden, dat de door Nolens steeds als mogelijk genoemde uiterste noodzaak, aanwezig zou kunnen blijken te zijn.

            Ook dit werd blijkbaar goed opgenomen. Maar tot mijn spijt bevatte gisteravond de Maasbode alweer een artikel, blijkbaar van Witlox, waarin hij het alweer begon voor te stellen, alsof alles nu wel in orde zou komen.

            Thans is hiermee dit incident gesloten, en kunnen wij afwachten wat er voor en op 17 september geschiedt.[25]

AA, inv. nr. 1230

16/09/1935

maandag 16 september 1935

Helaas moet ik aanvangen met de herdenking van het overlijden van mijn ouden en trouwsten vriend, mgr. Aengenent, bisschop van Haarlem, in den nacht van 2-3 september.

            Toen ik ongeveer twee maanden tevoren bij hem was, op een van onze talrijke avonden – ik kwam altijd tegen zeven uur bij hem, om negen uur was ik in ’t avondgebed en daarna bleef ik soupeeren, om dan tegen elf uur weer huiswaarts te gaan – was mijn indruk, dat hij er niet goed uitzag. Hij was echter opgewekt en spraakzaam als steeds en klaagde nergens over. Ik was bij hem op een zaterdagavond, 6 juli,  om met hem nog eens rustig den moeilijken politieken toestand te bespreken en de mogelijkheid, dat ’t tusschen het kabinet en de katholieke kamerfractie tot een conflict zou komen. We waren ’t er beiden over eens, dat dit, indien maar eenigszins mogelijk, voorkomen moest worden.

            Daarna kwam ik weer bij hem op maandag 12 augustus om hem eens te vertellen hoe het met de kabinetsformatie was gegaan. Hij was toen ongesteld, klaagde over zijn maag, maar hij zat toch op, rustig zijn krant lezende. Ik bleef anderhalf uur bij hem. Misschien veel te lang, maar ik kon niet vermoeden, dat hij ernstig ziek was. Helaas bleek dit na enkele dagen. Hij had kanker aan den dikken darm. In observatie genomen in de Mariastichting te Haarlem, durfde men aanvankelijk niet tot een operatie overgaan, omdat hij te zwak was. Tenslotte deed men het toch. Voor de operatie bezocht ik hem. Hij was erg opgewekt. ‘Hallo! Dat had ik nooit kunnen denken, dat er nog eens een Excellentie aan mijn bed zou zitten!’

‘En ik had nooit gedacht, dat ik nog eens een bisschop in zijn bed zou zien liggen!’

Begreep hij al hoe ernstig zijn toestand was? Helaas, ik had het een uur tevoren van zijn secretarissen vernomen. Het was  me uiterst moeilijk me goed te houden. Na de operatie, op zondagvoormiddag 1 september bezocht ik hem andermaal. Toen wisten wij ’t beiden, dat hij nog slechts enkele dagen leven kon. Het was ons laatste onderhoud, ons afscheid voor eeuwig … Ik bedankte hem voor alle vriendschap en steun die ik van hem gedurende meer dan 30 jaren ondervonden had. Hij dankte mij ervoor en zei: ‘Die vriendschap blijft en ik zal u blijven steunen. Tot weerziens!’ Dit was zijn laatste woord aan mij. Daarna mocht hij ook geen bezoek meer ontvangen. Maandagmiddag 2 september ontving ik een telegram: toestand gaat snel achteruit, kom in namiddag, in den avond einde verwacht. Ik ging erheen. En was nog een oogenblik bij hem om vijf uur ’s namiddags. Hij keek me aan en zei alleen, zuchtend: ja, ja, ja. De dokter zei, dat het nog wel tot diep in den nacht zou duren. Ik vertrok dus weer. En ’s nachts tegen twee uur stierf hij.

Zijn dood is een groote slag voor het bisdom Haarlem. Ik heb hem zondag 8 september in een radiorede herdacht uit de volheid mijns harten. Een nobeler, trouwer vriend dan hij was kan men zich niet denken. Sinds meer dan 30 jaar was hij mijn trouwe raadsman. We bespraken  steeds alle belangrijke zaken en questies met elkaar. Toen hij in Warmond en ik in Leiden woonde, kwam hij elken maandagavond van zeven tot half tien uur bij me. Hij heeft, behalve An, alle kinderen zien komen. Van Lies, de op één na jongste, was hij de peetoom. Voor mijn vrouw koesterde hij een groote vereering. Eens zei hij me: ‘Ik ontmoet zooveel dames, maar er is er geen een onder die ik met haar gelijk zou kunnen stellen. Dat is wel de grootste zegen in uw leven, dat Onze Lieve Heer u zóó een vrouw gegeven heeft.’ Helaas, thans is hij niet meer. Ik heb in hem mijn besten en trouwsten vriend verloren.

En nu zit ik weer midden in de groote politieke moeilijkheden. Morgen, 17 september, worden de Staten-Generaal weer met een troonrede geopend. Wat zal zij bevatten? Hoe moet onze houding thans zijn tegenover het oud-nieuwe kabinet-Colijn?

Vanavond acht uur heb ik kamerfractie om onze houding morgen te bepalen. Morgenochtend hebben we – voor ’t eerst – om negen uur een Mis van den H. Geest tot intentie van de katholieke kamerfractie. Wij hebben wel extra voorlichting van noode!

dagboekcahier 10

22/09/1935

zondag 22 september 1935

Een moeilijke week is achter den rug, een nog moeilijker week staat voor de deur.

            Ik heb twee fractievergaderingen gehouden. Eerst maandagavond. We moesten beslissen wat we in de eerste vergadering der Kamer na de opening zouden doen: òfwel voorstellen een adres van antwoord, òfwel een interpellatie aanvragen. Ik betoogde: geen van beide; we moeten eenvoudig voorstellen de op 23 juli op verzoek der regeering geschorste behandeling van ’t bezuinigingsontwerp weer te hervatten. Tegen ’n adres van antwoord had ik ’t bezwaar, dat het groote publiek, sinds zestien jaar aan zulk een adres ontwend, er niets van zou begrijpen en zou meenen, dat wij tegen de troonrede, dus tegen de koningin critiseerend zouden optreden. Onzin natuurlijk, maar de tijden zijn nu eenmaal zoo, dat allen onzin ’t eerst geloofd wordt.

            Tegen ’n interpellatie-aanvrage had ik dit bezwaar, dat dit een agressieven indruk zou maken. Gevolg: dat den volgenden dag de speculatie tegen den gulden weer met nieuwen moed zou optreden.

            ’t Best ware dus mijns inziens, eenvoudig voor te stellen ’t geschorste bezuinigingsontwerp weer op de agenda te plaatsen. Van acht tot half elf hebben we erover  gedelibereerd, maar kwamen niet tot ’n conclusie, omdat Ruijs – die sterk voor ’n adres van antwoord was – niet aanwezig kon zijn. Dus hebben we dinsdagmiddag de beraadslaging voortgezet. Toen heb ik ’t – met algemeene stemmen – tenslotte gewonnen. Om vier uur in de zitting der Kamer heb ik ’t toen meegedeeld, dat wij met dit voorstel donderdag bij de regeling der werkzaamheden zouden komen. Gevolg, dat Albarda toen van ’t aanvragen van een interpellatie afzag.

            Donderdag kwam Ruijs als voorzitter van de Kamer met dit voorstel, dat zonder verzet werd aangenomen. In zooverre loopen de zaken dus zooals ik ’t gewenscht achtte.

            Daarna weer fractievergadering over de vraag: wat nu? Ik stelde dit dilemma: wij moeten besluiten: òfwel weer aan te sturen op een conflict met ’t nieuw opgetreden kabinet, òfwel als we dat niet willen, dan alles doen en nalaten om ’n nieuw conflict te voorkomen. Ook dit ontmoette weer bezwaar. De devaluïsten, die zoo langzamerhand de meerderheid in de fractie hebben en als wier leider steeds meer op den voorgrond treedt mr. Goseling, voorzitter van ’t partijbestuur, wilden eigenlijk wèl een conflict: dan zou de gulden kelderen en hadden ze hun zin. 

            Maar dan? Uit een brief van Colijn aan dr. Witlox wist ik, dat hij voornemens was bij ’n nieuw conflict de Kamer te ontbinden. Ik bestreed dit dus zoo sterk mogelijk. En andermaal heb ik ’t gewonnen.

            Dinsdag komt dus ’t bezuinigingsontwerp weer op de agenda. Dan is Colijn aan ’t woord. Veel zal ervan afhangen wat hij zegt en vooral (bij hem!) hoe hij ’t zegt. Dan komt ook de questie der kabinetsformatie op de proppen. Woensdagmiddag kom ik dan aan ’t woord. ’t Zal een moeilijke rede worden. Wij kunnen na al ’t gebeurde zeker geen vertrouwen in ’t kabinet stellen en toch moet ik voorkomen, dat ’t conflict opnieuw uitbreekt! Ik hoop, dat mgr. Aengenent, die me beloofde uit den hemel te blijven steunen, woord zal houden. Dinsdagmorgen voor ’t eerst hebben we ook vóór de opening der Staten-Generaal een Mis van den H. Geest laten lezen, waarin alle katholieke kamerleden aanwezig waren. De meesten gingen ook ter Communie. We hebben wel extra voorlichting van den H. Geest noodig! We staan in een zeer moeilijke en delicate positie, ook met ’t oog op de stroomingen en verhoudingen in de Katholieke Staatspartij.

dagboekcahier 10

30/09/1935

maandag 30 september 1935

Goddank, die week is achter den rug! Nooit heb ik voor zoo’n heet vuur gestaan. Eenerzijds had ik te maken met de prikkelbaarheid van Colijn, die ik, wilde ik slagen zonder de waarheid te verdoezelen, ontzien moest; anderzijds met de valsche positie waarin de drie katholieke ministers gekomen waren, die in ’t kabinet, als ware er niets gebeurd, rustig waren blijven zitten, terwijl ik toch deze vuile wasch niet naar buiten mocht dragen; verder met mijn 27 collega’s in de katholieke kamerfractie, die niet allen rustig denkende en koel redeneerende staatslieden zijn; voorts ook met de gevoeligheid van de beurs voor alles wat in de volksvertegenwoordiging gezegd en niet gezegd wordt; en tenslotte ook met mijn eigen denkbeelden en rotsvaste overtuiging, dat het niet andermaal tot een conflict mocht komen.

            Tusschen al die klippen ben ik, ver boven mijn eigen verwachting, doorgezeild en zonder iets van de lading overboord te werpen veilig, met onze vlag in top, in behouden haven aangekomen. En ’t merkwaardige is, dat blijkbaar iedereen tevreden was. Colijn kwam me na ’t debat met tranen in de oogen bedanken; in de kamerfractie sprak Van Poll – een der ergste opposanten tegen mijn  meer gematigde zienswijze – een warm woord van hulde en dank voor de wijze waarop ik het debat had gevoerd en ons uit de moeilijke positie waarin we gekomen waren, zonder kleerscheuren had gered; integendeel, onze positie in de Kamer is versterkt. En zelfs de liberale pers, die mij in de laatste maanden op zoo denigreerende wijze bestreden heeft, was nu genoopt woorden van waardeering te schrijven. Van Bolhuis, de kameroverzichtschrijver van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, zei na mijn eerste groote rede – precies vijf kwartier – ‘dat is de mooiste parlementaire redevoering die hier in tien jaren is uitgesproken.’ ’t Is ongetwijfeld geweest, zooals ik na afloop aan Witlox schreef: mgr. Aengenent heeft woord gehouden en is me blijven steunen.

            Resultaat: de katholieke kamerfractie is thans uit het gevaarlijke isolement waarin ze gekomen is, verlost. Het kabinet-Colijn kan aanblijven, maar heeft geleerd ons wat meer te moeten ontzien dan het in ’t verleden bereid was te doen. Goseling en zijn medestanders hebben ondervonden waarheen hun al te agressieve politiek, waarvoor ik reeds herhaaldelijk tevergeefs waarschuwde, heeft gevoerd. De komende tijden blijven moeilijk. Maar ’t moeilijkste werk is nu achter den rug.

dagboekcahier 10

05/03/1936

donderdag 5 maart 1936

Helaas, ik heb weer maandenlang verzuimd iets op te teekenen. Helaas, want vandaag is ’t in de kamerfractie tot een ernstig conflict gekomen, waarvan het – vrees ik zeer verreikende – gevolg niet te overzien is. Had ik geregeld mijn aanteekeningen bijgehouden, dan zou ook daarin de geleidelijke opkomst en groei van dit conflict geheel duidelijk naar voren zijn gekomen. Thans is ’t mij onmogelijk alle retroacta nog op te pennen. Ik zal mij tot de hoofdzaken moeten bepalen.

            Eigenlijk is dit conflict in wezen ’t zelfde als in juli bij de behandeling van ’t bezuinigingsontwerp. De meerderheid – ik had op de 28 leden slechts zes medestanders – wilde bewust aansturen op een conflict met ’t kabinet-Colijn. Ik was daar tegen, omdat er wel in de Kamer een meerderheid tegen het kabinet was, maar die meerderheid – in hoofdzaak katholieken en sociaal-democraten plus wat eenmanswagens – vormde geen working majority. Toen reeds zei Van Poll: ‘Gij zijt ingeroest in de oude parlementaire opvattingen; zoo gaat dat thans niet meer.’ Welnee, antwoordde ik: let op mijn voorspelling: als ’t tot ’n conflict komt,  dan zal ’t einde zijn, dat ’t kabinet-Colijn aanblijft, versterkt, terwijl de positie van de katholieke kamerfractie verzwakt zal zijn. Er werd om gelachen! Zoo zou ’t in de oude pruikentijd geweest zijn, maar nu ging dat allemaal heel anders! ’t Kwam toch tot ’n conflict, niet door ons uitgelokt – ik had, tegen de meerderheid in, geweigerd een motie van wantrouwen in te dienen, die zeker zou zijn aangenomen door de steun van sociaal-democraten, communisten, enz.  ’t Conflict kwam doordat Colijn de staatsrechtelijke fout en de politieke domheid beging van de katholieke kamerfractie onomwonden antwoord te eischen op de vraag: stelt gij vertrouwen in ’t algemeen (economisch) beleid van het kabinet, ja dan neen? Op die vraag kon ik niet anders antwoorden als: neen. Toen vroeg ’t kabinet ontslag, bewerende, dat gebleken was, dat ’t kabinet geen meerderheid had, hoewel er niet gestemd was en de Kamer dus ook geen uitspraak van hare meening had gedaan.

            Ik kreeg opdracht tot kabinetsformatie, na twee dagen bleek deze niet uit te voeren (tenminste niet zooals de opdracht luidde: een parlementair kabinet op zoo breed mogelijke basis). Na twee dagen kreeg Colijn  weer de opdracht een ‘extraparlementair kabinet op brede basis’ te vormen. Na mislukte onderhandelingen – anderhalve dag – met de katholieke kamerfractie om ’t conflict met haar op te lossen, bleef ’t kabinet feitelijk aan, alleen de vacature-Marchant werd aangevuld.

            De devaluïsten waren ontevreden. Telkens weer kwam dit in de fractie uit. ’t Scheen wel, dat ik hun – hoe uitstekend de onderlinge persoonlijke verhouding ook was – eigenlijk in den weg zat. Ik werd per telefoon door mgr. Poels gewaarschuwd: gij denkt, dat gij de politieke leiding hebt, maar ik waarschuw u: de politiek wordt achter uw rug om door anderen gemaakt, onder andere een franciscaan, en vandaag of morgen wordt gij voor ’n fait accompli gesteld. Hij doelde op pater mr. Beaufort o.f.m., zeer bevriend met Goseling, die ook ’t bestuur van ’t R.K. Werkliedenverbond voor devaluatie had bekeerd. Ik wist, dat ze veel met elkaar spraken. Later bleek me, dat de derde in dezen bond was de oud-minister Steenberghe, die omdat hij voor devaluatie was als minister uit ’t kabinet-Colijn was getreden.

            Nu sla ik veel over en kom tot de laatste dingen, die tot ’t  vandaag uitgebroken conflict hebben geleid.

            Op zondag 2 februari was door ’t partijbestuur te Amsterdam in de Apollohal een groote landdag georganiseerd. Toen dit plan in december in ’t partijbestuur te sprake kwam, deelde Goseling, de partijvoorzitter, mee, dat ’t doel was geestdrift los te slaan. Als sprekers zouden gevraagd worden: Ruijs over vaderlandsliefde, Poels over Christendom en politiek (tegen ’t nationaal-socialisme), een jong meester in de rechten over ‘arbeid voor ons volk’ en dan een slotwoord van Goseling. Drie bestuursleden zeiden: ‘Is ’t niet vreemd, dat de fractievoorzitter niet spreekt?’ (Nog veel vreemder was ’t – maar dat wisten ze niet – dat hij mij, ofschoon hij vier dagen in de week naast me in de Tweede Kamer zit, met geen woord over deze plannen had gesproken). Hij zei: ‘Neen, dat heb ik expres zoo gedaan. De fractievoorzitter spreekt altijd in de partijraad;  het is veel beter dat dit beleid van de katholieke kamerfractie nu eens niet door hem, maar door een niet fractielid wordt verdedigd, dat zal veel meer indruk maken.’ Ze waren daar maar half tevree mee, maar Goseling zei: ‘Wees gerust, aan de fractie zal alle mogelijke eer worden bewezen.’

            In de eerste helft van januari verscheen er een bericht in de bladen, waarin de namen  der sprekers op den landdag werden meegedeeld. Tot mijn groote verbazing zag ik, dat mr. Steenberghe het derde onderwerp ‘arbeid voor ons volk’ zou behandelen. Onmiddellijk kwamen er in sommige bladen, bekend als pro-devaluïst, juichkreten: nu zal ’t verlossende woord gesproken worden, de katholieke partij voor devaluatie. In een ‘Haagschen Brief’ in Den Tijd heb ik daarop geantwoord, dat zooiets op ’n landdag geen pas gaf, daar kon niets besloten worden; dit kon alleen in de Tweede Kamerfractie of in den partijraad. Daarop werd weer door Het Huisgezin, waar Teulings, eerste secretaris van ’t partijbestuur achter zit, geantwoord.

            De drie katholieke ministers hadden aan Goseling gevraagd of ze op den landdag konden komen zonder gevaar te loopen redevoeringen te hooren die tegen ’t kabinet gericht waren. Hij had geantwoord: kom gerust. Ze kwamen. Goseling begroette ze in zijn openingsrede niet. Ze werden door een der bestuursleden ontvangen en naar hun plaats geleid. Over dit totale gemis aan gebruikelijke ontvangst en begroeting waren ze zeer verstoord. Ruijs hield ’n prachtige rede die veel enthousiasme wekte, Poels ook, maar hij was niet zoo goed op dreef. Daarna  kwam Steenberghe, die … een zuiver pro-devaluatierede hield. ’t Applaus was heel wat minder als bij de twee vorige redevoeringen. Daarna hield Goseling weer de slotrede, waarin hij de rede van Steenberghe nog eens onderstreepte en verklaarde ’t daarmee eens te zijn.

            Verschillende aanwezigen waren zeer ontstemd. Ik geloof ook, dat Goseling zich absoluut vergist, als hij meent, dat de groote meerderheid van de partij vóór devaluatie is. Ik was woedend. Ik had daar voor Piet Snot op ’t podium gezeten; ieder wist, dat ik steeds nog geweigerd heb mij voor devaluatie uit te spreken. Spraken sommigen van een coup d’état, ik, denkende aan de drie ministers en mij, sprak van een journée des dupes.

            Donderdag 5 maart riep ik ’t fractiebestuur bijeen. Ik deelde mede, dat mijn aanvankelijk voornemen was een brief aan de fractie te schrijven, waarin ik ontslag nam als voorzitter, maar dat ik eerst ’t bestuur wilde hooren. Mijn voornaamste grief was, dat Goseling als partijvoorzitter in strijd met de statuten zich de politieke leiding in de partij had aangematigd; in de statuten staat uitdrukkelijk, dat de politieke leiding berust bij den voorzitter der kamerfractie.  Ik beklaagde mij ook over ’t feit, dat hij me zonder eenig overleg voor ’n fait accompli had gesteld. Daar we elkaar herhaaldelijk spraken, grensde dit aan misleiding. En dat, terwijl ik hem zelfs van mijn innerlijke gedachten steeds op de hoogte hield. Ik wees op ’t groote gevaar voor de katholieke partij, nu de schijn was gewekt, dat zij zich vóór devaluatie verklaarde. Wat moesten nu de katholieken doen, die daar tegen waren? Een zeer betwiste economische questie mocht nooit tot een zaak van de katholieke partij worden gemaakt.

            Goseling antwoordde, dat hij dit ook niet bedoeld had, maar hij bleef erbij, dat er op den landdag over deze brandende questie niet gezwegen mocht worden.

            De drie andere bestuursleden: Bongaerts, Kuiper en Suring waren ’t geheel met mij eens. Suring zei, dat na afloop Kuiper had gezegd: ‘Ik begrijp er niets van, dat Aalberse dat goed gevonden heeft.’ Waarop Suring had geantwoord: ‘Maar als hij er niets van geweten heeft, dan begrijp ik er nog minder van.’

            Het gesprek duurde van twee tot vijf uur en was, hoe hoffelijk in de vorm, voor Goseling niet erg aangenaam. Maar tot den dag van heden heeft hij tegenover mij nog geen woord van excuus gesproken. 

            De drie katholieke ministers hadden aan verschillende personen hun ontstemming te kennen gegeven. Goseling wilde daarom met hen een bespreking en vroeg mij als fractievoorzitter daarbij aanwezig te zijn. Ik was daartoe bereid. Maar liep er weer in.

Die bespreking had plaats op vrijdag 21 februari.

dagboekcahier 10

06/03/1936

vrijdag 6 maart 1936

Ik ga door waar ik gisterenavond eindigde. Het onderhoud met de drie ministers had een wonderlijk verloop. Goseling, die ons bijeengeroepen had, presideerde. Hij begon natuurlijk over den landdag, zei dat hij niets onvriendelijks had bedoeld, maar dat was zoo zijn stijl; hij was niet gewoon allerlei menschen te verwelkomen. De drie ministers meenden, dat hij, ook uit eerbied voor de gezagsdragers die ze toch zijn, toch wel hen met een zij ’t kort en sober woord had kunnen begroeten. Goseling wentelde toen de zaak op mij af en vroeg: wat denkt de fractievoorzitter ervan? Ik zei, dat ik hier buiten stond. Maar ik wilde wel verklaren, dat ik ’t anders zou hebben gedaan, al begreep ik wel, dat Goseling ’t zóó gedaan had, omdat eenige verwelkoming natuurlijk applaus zou hebben uitgelokt en dit, naar hij wellicht vreesde, tot een tegenmanifestatie zou hebben kunnen leiden, wat zeker een al heel slecht begin voor den landdag zou zijn geweest. 

            Daar vloog Goseling terstond op af: precies, daar schuilt de zaak, alles wordt beheerscht door de positie van de drie ministers in ’t kabinet. Wil de fractievoorzitter daarover nu ook z’n meening zeggen?

            Zoo was hij van ’t ‘incident’ af en bleef ik met de zaak zitten! Goed, ik zette in ’t kort de grieven van de fractie uiteen: 1. de regeeringsverklaring in juli, waarin de katholieken op één hoop werden gegooid met de communisten en sociaal-democraten, welke verklaring, naar Colijn mij in augustus had meegedeeld, door de drie katholieke ministers, nadat ze haar mondeling hadden gehoord en daarna op schrift gelezen, was goedgekeurd. Van Schaik merkte hier tegenover op: 1. dat de mededeeling van Colijn in zooverre onjuist was, dat zij de verklaring niet op schrift voor zich hadden gehad, ze was alleen voorgelezen, 2. dat Van Schaik aanvankelijk bezwaar had gemaakt, omdat hij die vermelding van de communisten en sociaal-democraten onnoodig achtte en grievend voor de katholieken. Colijn en anderen hadden daarop geantwoord, dat dit heelemaal de bedoeling niet was, maar dat men toch moest aantoonen, dat er in de Kamer een meerderheid tegen ’t kabinet was. Toen had Van Schaik er zich ook bij neergelegd.

            Zoo kwam ik op ’t tweede punt: dat ze begin augustus in ’t kabinet-Colijn waren blijven zitten, hoewel ’t conflict met de katholieke kamerfractie niet tot oplossing was gekomen. Zie mijn aanteekeningen daarover. Ze hadden mij op 29 juli ’s avonds half elf uur de vraag gesteld: kunnen wij in ’t kabinet-Colijn blijven zitten? Daarop was mijn antwoord geweest: als het conflict met de katholieke kamerfractie een oplossing vindt, waarom dan niet? Ze erkenden, dat ik dit antwoord gegeven had. Maar – zei Van Schaik – later (het gesprek had tot half één geduurd!) had ik toch ook gezegd, dat ’t kabinet-Colijn niet moest terugkeeren zonder katholieke ministers, dat zou voor de katholieke kamerfractie een bedenkelijke positie worden, waarin we noodgedrongen wel met de sociaal-democraten zouden moeten samenwerken, wat ik niet wilde. Daarom hadden ze te goeder trouw gedacht in mijn geest te handelen, toen den volgenden dag besloten werd dat het kabinet-Colijn zou aanblijven!! Of ik zooiets gezegd heb, weet ik niet. Uit mijn aanteekeningen blijkt daar niets uit. Maar als ik ’t gezegd had, dan was ’t toch zeker alleen geweest om te betoogen, dat we moesten trachten het conflict tusschen kabinet en fractie uit de wereld te helpen.  Dit was het slot van dit gesprek. Ik beloofde er in de fractie melding van te maken.

            Onderwijl kwam in de Kamer de Indische begrooting aan de orde. Het was niet alleen mij opgevallen, dat Feber voortdurend met Goseling confereerde. Hij sprak ook met mij. Hij was zeer geladen, wilde tegen Colijn losbranden en dan tegen de begrooting stemmen. Ik kalmeerde hem en bewoog hem in eersten termijn wel kras op te treden, maar toch zóó, dat als ’t antwoord bevredigend was, hij in tweede termijn nog alle kanten zou uit kunnen gaan, dus zooals ik ’t in 1934 en 1935 bij de algemeene beschouwingen over de begrooting had gedaan. Hij beloofde dit. Nu was ’t antwoord van Colijn buiten verwachting bevredigend. Dus. Neen, nu kwam de aap uit de mouw: hij wilde, dat de fractie tegen de begrooting zou stemmen om zóó met Colijn ’t kabinet weg te krijgen. Daar heb ik me tegen verzet en de groote meerderheid in de fractie volgde mij. Toen stemde niemand tegen!

            Maar nu lees ik vanavond in de Maasbode een verslag van een rede van pastoor Möller [26], met een slotwoord van Feber, dat hij aldus besloot: ‘Spreker hoopte, dat wij in 1937 in de Kamer zullen krijgen zooveel mogelijk mannen, die  zich onderscheiden niet alleen door kennis en geleerdheid, maar ook door durf, die de stoottroepen, welke zij vooruit sturen niet alléén op de bres laten staan en niet verloochenen.’ ’t Is wel fraai!

            Thans ’t derde bedrijf. Ik moest, volgens belofte, in de fractie mededeeling doen, wat de drie ministers hadden geantwoord. Ik deed dit. Aanstonds voelde ik, dat men ook nu weer hieruit een wapen tegen het kabinet wilde smeden.

dagboekcahier 10

10/03/1936

dinsdag 10 maart 1936

Ik had het goed gezien. Donderdag 5 maart had ik een extra clubvergadering uitgeschreven ter bespreking van de vraag, wat wij na de ontvangen mededeeling van de drie ministers – dat ze eind juli in ’t kabinet-Colijn bleven zitten, te goeder trouw meenende, dat ik ’t daarmee eens was en dus ook de fractie – moesten doen. Ik stelde voorop, dat we drie wegen konden inslaan: 1. eenvoudig die mededeeling voor kennisgeving aannemen, 2. een brief schrijven, waarin wij dit meedeelden onder bijvoeging, dat onze meening onveranderd was: dat katholieken toen in ’t kabinet geen zitting hadden behooren te nemen, tenzij eerst ’t conflict met de katholieke fractie een bevredigende oplossing had gevonden, en 3. hetzelfde, met de bijvoeging, dat de katholieke fractie het alsnog gewenscht  oordeelde, dat ze uit ’t kabinet zouden treden. Daarover opende ik dus de bespreking.

            ’t Eerst vroeg Van Poll het woord, die met allerlei voor mij vriendelijke betuigingen zei, dat we nu maar eens ronduit moesten praten, niettegenstaande aller groote sympathie voor mij. Welnu: de ondergrond van alles was, dat er een meeningsverschil was tusschen de fractie en mij. Ik stond op ’t standpunt, nog eens scherp uitgedrukt in mijn partijraadsrede op 28 februari: het is geen goed politiek beleid een kabinetscrisis uit te lokken, als we niet de moreele zekerheid hadden, dat er een ander kabinet zou optreden, dat het bewind meer in onzen geest zou voeren. Daarmee was men ’t niet eens. Zooals hij enkele dagen tevoren ook al gezegd had: als na een crisis, evenals in juli, Colijn weer terugkwam, dan weer ’n nieuwe crisis uitlokken, net zoolang totdat we ons doel bereikt hadden. Op mijn opmerking, dat dit tenslotte dan toch een strijd met de Kroon was, zei hij: ja, net als een eeuw geleden in Engeland; toen heeft ’t parlement ’t ook gewonnen. Deze tegenstelling was onhoudbaar en verlamde ons optreden. Een conclusie echter trok hij niet. Klaarblijkelijk was deze: dat de voorzitter moest plaats maken voor iemand, die wel de verantwoordelijkheid voor het voeren van zulk een dollemanspolitiek op zich wilde nemen. 

            ’t Was duidelijk, dat verschillende leden ’t niet met hem eens waren. Ik heb me merkwaardig kalm gehouden onder zijn lange rede, die trouwens ook in zeer behoorlijken en voor mijn persoon uiterst welwillenden vorm gehouden werd. Ik begon met hem te verzekeren, dat ik zijn openhartigheid waardeerde, temeer, omdat ik enkele dagen tevoren van een niet-kamerlid (Piet Kasteel) vernomen had, dat fractieleden zich tegenover hem over mij op gelijke wijze hadden uitgelaten, zij het in wat minder welwillenden vorm. Nu is echter ’t merkwaardige, dat anderen een kabinetscrisis alleen willen, omdat ze hopen daardoor tot devaluatie te komen, wat Van Poll niet begeert, omdat hij er geen heil in ziet. In dit verband herinnerde ik aan de rede van Steenberghe op den landdag, waarover bij velen in de partij groote ontstemming bestond, al werd ze anderzijds door de devaluïsten warm toegejuicht. Ik keurde ’t af, dat die rede daar gehouden was. De politiek moet in de kamerfractie en niet in ’t partijbestuur, nog veel minder door voorzitter en secretaris van ’t partijbestuur gemaakt worden. Uitdrukkelijk staat in de partijstatuten, dat de politieke leiding in de partij berust bij den fractievoorzitter. Daarmee was in strijd gehandeld. 

            Heel kort antwoordde Goseling hierop, zeggende, dat hij zich liever niet in dit debat zou mengen. Dat zal hem niet glad zitten. De koek is nu aangesneden en ze zal tot den laatsten kruimel opgegeten worden. Het was half één en ik schorste de vergadering tot morgen, woensdagochtend om tien uur.

            Morgen gaan we dus door. Ik weet, dat Ruijs, Suring, Loerakker, Kortenhorst en anderen tegen het betoog van Van Poll zullen opkomen. Het einde zal wel zijn, dat de groote meerderheid zich achter mij schaart. Benieuwd ben ik naar de houding van Goseling en Teulings. Scharen ze zich tegen mij – wat ze moeten doen als ze eerlijk zijn – dan is er het conflict tusschen ’t partijbestuur en de fractie – wat tot zeer ernstige gevolgen kan leiden. Wel komt de zaak dan ook in ’t partijbestuur en ik meen, dat ik in dit geval ook daar de meerderheid achter mij heb, maar dan wordt zijn positie als voorzitter onhoudbaar. En dat zou ik zeer betreuren, vooreerst om hem zelf en vervolgens om de gevolgen, die dit in de partij zou hebben. Zoo is ’t morgen een kritieke dag voor de fractie, maar indirect voor de partij. Mijn hoop is gericht op Ruijs, die wellicht een kalmeerend woord zal spreken, hoewel hij ’t ten deze geheel met mij eens is. Deus providebit.

dagboekcahier 10

15/03/1936

zondag 15 maart 1936

Woensdag is ’t debat in de Kamerclub voortgezet. We begonnen ’s morgens om tien uur en kwamen ’s avonds om tien uur tot het slot! Dit debat is voor mij buitengewoon onaangenaam geweest en sterk vermoeiend, vooral omdat ik mij wilde inhouden, wat me niet den geheelen dag door gelukt is. Gevolg: toen ik donderdagmiddag in de Kamer met Ruijs stond te praten, schuin leunend op zijn voorzittersstoel, kreeg ik eensklaps ’t spit. En daar zit ik nog mee.

            Ik begon, met nog eens kort saam te vatten, waarover ’t ging: primair over mijn vraag: wat te doen ten aanzien van ’t antwoord der drie katholieke ministers, dat ze in juli in ’t kabinet-Colijn waren blijven zitten, niettegenstaande het conflict met de katholieke kamerfractie niet tot een oplossing was gekomen, te goeder trouw meenende, dat de katholieke kamerfractie, immers haar voorzitter, daarmee instemde. Maar aanstonds had Van Poll het debat op veel breeder spoor gezet, door te zeggen, dat er, eer we hierover tot een beslissing konden komen, eerst klaarheid moest komen in de meening van de fractie ten aanzien van het uitlokken van een kabinetscrisis. De voorzitter toch stond op het  standpunt: geen crisis uitlokken, tenzij er moreele zekerheid is, dat we daarna een ander kabinet zullen krijgen, dat het bewind meer in onzen geest zal voeren. Hij en, naar hij meende, de meerderheid der fractie, was ’t daar niet mee eens. Ik stelde dus nu aan hem de vraag: tot welke conclusie zijn betoog hem voerde? Tot driemaal toe herhaald, ontweek hij steeds ’t antwoord op deze toch voor de hand liggende vraag. Toen voerden verschillende leden ’t woord, onder anderen Kortenhorst, Suring, Kuiper, Loerakker, die betoogden, dat zij mijn opvatting de juiste achtten. Tot mijn groote teleurstelling heeft Ruijs, ofschoon hij me gezegd had, dat hij geheel aan mijn zijde stond en hoewel den geheelen dag in de club aanwezig, geen mond opengedaan. Mijn vermoeden, dat hij zich bij een volgende kabinetscrisis bereid houdt weer eens als formateur op te treden, vond daarin versterking. Ook Goseling zei niet veel; wel maakte hij een vage zinspeling op den Haagschen Briefschrijver van De Tijd. ’s Avonds nam Moller dit over en vroeg: zijt gij de Haagsche Briefschrijver, ja of neen. Ik heb tot drie- of viermaal toe mijn standpunt verdedigd en ’t bleek steeds duidelijker, dat ik de groote meerderheid achter me had. Van Poll krabbelde steeds meer terug. Had hij  een week tevoren nog betoogd, dat wij desnoods, door telkens weer een crisis uit te lokken, bewust moesten aansturen op een conflict tusschen Kamer en Kroon, nu kromp dit alles in tot de vraag, wat is de moreele zekerheid? Ik zei: een redelijke kans. Daar was hij ’t tenslotte mee eens! Hij had ook niet anders bedoeld. Zoo duurde dit debat van tien tot één uur. Ik had er toen genoeg van en zei, dat waar Van Poll cum suis blijkbaar geen conclusie wenschten voor te stellen – mijns inziens had die conclusie moeten zijn: den voorzitter uit te noodigen zijn plaats te ruimen voor een opvolger, die een andere, meer ‘durvende’ politiek zou willen voeren – dit debat dus beëindigd zou zijn en we ’s avonds om acht uur verder zouden vergaderen ter bespreking van mijn vraag: hoe nu met de drie katholieke ministers? Dit vond algemeene instemming, al vond ik dit slot voor mij volstrekt onbevredigend.-

            Om twee uur riep ik ’t bestuur bijeen. Ik vreesde, dat men bedoelde, met eenige actie tegen de drie katholieke ministers te bereiken, dat deze uit het kabinet zouden treden om zóó toch weer een kabinetscrisis uit te lokken. Ik wilde dus, ook om ’t debat te bekorten en aanstonds te preciseeren, met een voorstel van ’t bestuur komen.

            We vergaderden van twee tot vier uur en waren het  toen volkomen eens, dat ik ’s avonds namens het bestuur in de fractievergadering dit voorstel zou doen:

We zouden een onderhoud met de drie katholieke ministers aanvragen en hun mondeling de meening van de fractie meedeelen, onder afgifte van deze note verbale:

De fractie was in juli 1935 en is ook thans nog van meening, dat het, hangende het onopgelost gebleven conflict tusschen kabinet en fractie, in juli niet gewenscht was, dat katholieke ministers in het kabinet-Colijn zitting namen.

De fractie heeft opnieuw kennis genomen van de mededeeling van haar voorzitter, welke haar op 3 augustus 1935 reeds door hem was gedaan, dat hij in een onderhoud op 29 juli met de drie toen zittende katholieke ministers, door hen geraadpleegd, hun had geantwoord: dat er naar zijn meening geen bezwaar tegen bestond, dat zij zouden aanblijven, indien althans het conflict met de katholieke kamerfractie tot een oplossing zou zijn gebracht.

De fractie heeft kennis genomen van hetgeen hieromtrent door de drie katholieke ministers verklaard is in een op 21 februari 1936  gehouden bespreking van hen met den voorzitter van het partijbestuur en van haar voorzitter, hierop neerkomende, dat, erkennende, dat het bovenstaande antwoord hun door den fractievoorzitter gegeven was, deze in den loop van het gesprek ook gezegd had, dat het beter was, dat katholieke ministers in het kabinet-Colijn zitting zouden nemen, omdat anders het gevaar niet denkbeeldig was, dat Colijn een kabinet zou vormen zonder katholieke ministers.

De fractie nam acte van de verklaring van haar voorzitter, dat, indien hij deze woorden in den loop van het twee-urige gesprek zou hebben gebezigd – wat hij zich niet herinnert, maar ook niet meent te kunnen ontkennen – in elk geval deze woorden in het algemeene verband geen andere bedoeling kunnen hebben gehad, dan tot uitdrukking te brengen, dat een oplossing van het conflict gewenscht was.

De fractie verzocht het bestuur, het bovenstaande aan de drie katholieke ministers mondeling mede te deelen, met achterlating van een note verbale

Dinsdagavond acht uur heeft dit onderhoud met de drie katholieke ministers in ’t Dr. Schaepmanhuis plaats. Ik ben wel benieuwd wat daarvan het gevolg kan zijn. Zij kunnen deze mededeeling voor kennisgeving aannemen, ofwel er de conclusie uit trekken: dan nemen wij ontslag, ofwel de vraag stellen: welke conclusie verbindt de fractie hieraan?

            Dan is mijn antwoord: geene. De drie katholieke ministers zitten voor eigen rekening en risico in ’t extraparlementair kabinet-Colijn; ze bleven daarin zitten, ook na ’t in juli ontstane conflict, wetende, dat ’t niet opgelost was.

            Ik vrees echter wel, dat dit antwoord niet naar den zin van Goseling zal zijn en dat hij wel zal trachten de zaak meer toe te spitsen. Als fractievoorzitter kan ik dan niet verder gaan, maar als mijn persoonlijke meening zal ik hem dan wel te kennen geven, dat het mijns inziens onverantwoordelijk is, op dit oogenblik, een conflict tusschen kabinet en katholieke fractie uit te lokken, omdat ik niet overtuigd ben, dat er een redelijke kans is dat we dan een ander, ons inziens beter, kabinet zouden krijgen. Bovendien verbiedt de uiterst gespannen internationale toestand, thans een kabinetscrisis uit te lokken of te veroorzaken. 

            Vrijdag 13 maart heb ik voor ’t eerst in de 33 jaar sinds ik kamerlid ben, mondelinge vragen aan de regeering gesteld, ter verdediging van de positie van ’t parlement. Het antwoord is onbevredigend. Ik denk erover, op 1 [april][27], als de Kamer weer bijeenkomt, een interpellatie aan te vragen. Ook dat zou dan de eerste maal zijn, dat ik dit doe.

dagboekcahier 10

06/04/1936

maandag 6 april 1936

Het onderhoud van de drie katholieke ministers met het fractiebestuur had plaats op dinsdag 17 maart. Het duurde van acht tot elf uur. Ik deelde mee, wat ik in opdracht van de fractie mee te deelen had en gaf hun ieder een afschrift van de note verbale. Het heele verdere onderhoud ging over de vraag: hoe en wat te publiceeren? Allerlei modi quo werden overwogen, tenslotte werd het ’t best bevonden, dat ik mij in een op 18 april te houden bestuursvergadering van de partij, de vraag zou laten stellen: ‘Is ’t waar, dat u aan de drie katholieke ministers den raad gegeven hebt in juli te blijven zitten?’ Ik zou daar dan een antwoord op geven, dat vooraf door mij opgesteld zou zijn en door de drie katholieke ministers goedgekeurd en dit antwoord zou dan einde april in ’t maandblad van de partij kunnen worden gepubliceerd.

            Ik heb dat stuk opgesteld. Eerlijk gezegd bevredigt het me niet. Ik vrees, dat de publicatie tot allerlei onaangename commentaren en nadere vragen aanleiding zal geven. Tenslotte, is ook niet de grief tegen de drie katholieke ministers, dat ze in juli zijn blijven zitten – immers feitelijk was ’t toch zóó, dat ’t kabinet aanbleef, dus ook zij – maar dat zij, zoowel vóór als na ’t juli-incident door hun zitting hebben in het kabinet het beleid van het kabinet-Colijn dekken en voor hun verantwoordelijkheid nemen.

            Achter de nu eensklaps opgedoken herrie over ’t blijven zitten in juli zoek ik tweeërlei: 1. een poging alsnog aan de drie katholieke ministers te beduiden, dat de katholieke fractie hun zitten blijven afkeurt, hen te nopen ontslag te nemen en zóó opnieuw een kabinetsconflict – nu in het kabinet uitgebroken – uit te lokken. En 2. door deze publicatie mijn positie als voorzitter van de fractie te ondergraven, want ik zit zoowel de devaluïsten als de voorstanders van een samengaan met de Sociaal Democratische Arbeiders Partij in den weg, in elk geval moet de weg vrij gemaakt worden om na de verkiezingen in 1937 in mijn plaats een ander te kiezen. Wie dan leeft, dan zorgt. Ik denk er ernstig over mij niet meer voor de Kamer  candidaat te laten stellen. Toen ik dit de vorige week met dr. Witlox besprak, schrok hij ervan en drong er sterk bij mij op aan op mijn post te blijven. Maar ik kan mij niet aan een niet-herkiezing als voorzitter blootstellen. In de Kamer, als afgezet leider, dat is geen positie.

            Sinds ’t onderhoud met de drie katholieke ministers is er nog iets onbehoorlijks gebeurd. Eerst heeft De Volkskrant gezinspeeld op geruchten, als zouden de ministers in juli met mij overleg hebben gepleegd. Toen is Ons Noorden gekomen met een publicatie over dat onderhoud, zooals de drie ministers dat voorstellen. Ik heb gezwegen, omdat onze publicatie van de heele waarheid in de maak is, al schiet ze niet op. Een week geleden zond ik ’t concept al aan Van Schaik, maar ik hoorde nog niets van hem. Ook schreef Goseling me, dat hij steeds minder voor deze publicatie ging voelen. ’t Was toch eigenlijk een zaak van de fractie en niet van ’t partijbestuur. En zaterdag kwam Het Huisgezin (waarop Teulings invloed uitoefent) met een hoofdartikel, waarin, hoewel Teulings toch wel beter weet!, gezegd werd, dat nu de publicatie van Ons Noorden nog niet tegengesproken was, wel mocht worden aangenomen, dat ze waarheid bevatte. Maar – wordt dan gezegd – wat doet dat er  toe? De voorzitter is de fractie niet. In elk geval zitten de ministers daar in strijd met wat de partij wenscht. Dus …! Zoojuist had ik Van Schaik aan de telefoon. Ik heb zijn bijzondere aandacht op dit artikel gevestigd.

            Naast deze actie, ten deele tegen de drie katholieke ministers, ten deele tegen mij, is er nog een andere herrie gaande, speciaal tegen mij. Men meent in mij den Haagschen Briefschrijver van De Tijd te moeten zien. Dat komt, zegt men, niet te pas, dat de voorzitter van de fractie anoniem zichzelf verdedigt. Vooral Tenax – ik vermoed: Moller – in De Morgen blaast fel in den hoorn.

            Alles bij elkaar is ’t een vervelende nare tijd. Een lichtpuntje erin is de viering op 27 maart jongstleden van mijn 65e verjaardag en de groote belangstelling daarbij ondervonden. Zeer heb ik geapprecieerd een hartelijk telegram van Colijn.

dagboekcahier 10

11/04/1936

Paaschzaterdag 11 april 1936

De laatste dagen zijn niet verheugend. Allereerst is daar de voortgaande campagne in de pers. Ik had in ’n kort stukje in De Maasbode de publicatie over een vertrouwelijk onderhoud in Ons Noorden onkiesch genoemd. Onmiddellijk antwoordde Het Huisgezin (Teulings): heelemaal niet onkiesch,  ’t was noodzakelijk En Ons Noorden gaat nu nog verder en beschuldigt me in augustus in een persconferentie de pers onjuist te hebben ingelicht. Onderwijl gaat Tenax (dr. Moller?) in De Morgen voort met me – in den Haagschen Briefschrijver van De Tijd – uit te schelden voor een genieperd, die mijn politiek verdedig zonder erbij te zeggen, dat ik dat zelf doe! Alsof Schaepman, Lohman, Kuyper en zelfs Nolens (die mij voor hem in De Maasbode liet schrijven) niet precies ’t zelfde gedaan hebben. Schaepman deed het in Het Centrum nog veel geraffineerder: hij schreef nu eens onderteekende, dan weer niet-onderteekende artikelen in Het Centrum!

            Van anderen, maar niet minder onaangenamen aard is, wat Suring me van de week vertelde. Op 2 april had hij Van Hilst, redacteur van De Volkskrant gesproken. Deze vertelde hem, dat hij in handen had gehad mijn ontwerp-verklaring en ook de daarop door Goseling gemaakte amendementen. Dit stuk bestond slecht in twee exemplaren: 1. mijn klad, dat in mijn schrijftafel lag, en 2. de copie, door mij aan Goseling gezonden om zijn oordeel te vragen. Bovendien had Suring 7 april Van Spanje ontmoet, die hem vroeg: ‘Wat wordt er nu weer geënsceneerd om door in een vergadering van het partijbestuur een vraag te laten stellen en door Aalberse te laten beantwoorden, tot een publieke verklaring te komen over ’t onderhoud van hem met de drie katholieke ministers  tijdens de kabinetsformatie in juli?’ Hij had dit gehoord van een lid van ’t partijbestuur.

            Deze twee mededeelingen combineerende, is het mij duidelijk, dat Goseling, die mijn concept vijf dagen onder zich hield, het heeft laten overtikken en ’t aan de leden van ’t dagelijksch partijbestuur gezonden heeft, met mijn opmerkingen en tevens hun mededeelende, hoe afgesproken was, dat we op 18 april een vergadering van ’t partijbestuur zouden houden, waarin mij dan de bekende vraag zou worden gesteld. De Bruijn, die de redactie van De Volkskrant in handen houdt en dagelijks met haar confereert, heeft haar dit stuk in handen gegeven. Ik acht dit een onbehoorlijke daad van Goseling, om buiten mijn voorkennis, dit nog zeer voorloopige concept, dat ik hem vertrouwelijk ter beoordeeling had gezonden, aan anderen, die er niets mee te maken hebben, in handen te geven.

            Ik heb het concept, gewijzigd, op 31 maart aan de drie ministers gezonden. Het luidde als volgt:

In een vergadering van het partijbestuur, gehouden op zaterdag 18 april jongstleden, waarin ook de voorzitter van de katholieke kamerfractie als naar gewoonte aanwezig was, werd de vraag gesteld of het waar is, dat de drie katholieke ministers bij de kabinetsformatie in juli 1935 met toestemming,  althans met instemming, van de katholieke kamerfractie in het kabinet-Colijn zijn blijven zitten?

Op deze vraag, die naar gebleken is, in den laatsten tijd ook door anderen is gesteld, gaf de fractievoorzitter het volgende antwoord, hetwelk wij met zijn toestemming hier (in ’t partijmaandblad) in extenso opnemen:

‘Toen op maandag 29 juli, nadat ik op zaterdag 27 juli ontheffing had gekregen van de opdracht tot vorming van een parlementair kabinet op zoo breed mogelijke basis, dr. Colijn de opdracht had ontvangen tot vorming van een extra-parlementair kabinet op breede basis, had ik in den ochtend van dien dag met hem op zijn verzoek een langdurig onderhoud over de mogelijkheid om tot een oplossing te komen van het conflict, hetwelk tusschen het kabinet en de katholieke kamerfractie was gerezen. Ik meende, dat die oplossing zou kunnen gevonden worden, wanneer het nieuw te vormen kabinet zou optreden met een program, dat de instemming ook van de katholieke fractie zou kunnen hebben en dan bovendien de samenstelling van het kabinet zoodanig zou zijn, dat daardoor het vertrouwen in de uitvoering van het program zou kunnen aanwezig zijn. Daar zoowel bij dr. Colijn als bij mij de wil aanwezig bleek om langs dezen tweevoudigen weg tot een oplossing van het ontstane conflict te geraken, had ik het  vertrouwen, dat er een goede kans van slagen was. Op mijn voorstel zou dr. Colijn den volgenden dag een onderhoud hebben met mr. Goseling.

In den laten avond van 29 juli – dus nog vóórdat het onderhoud met mr. Goseling had plaatsgehad – kwamen de drie katholieke ministers bij mij en stelden mij de vraag: ‘Zijt gij van meening, dat wij in het kabinet-Colijn kunnen blijven zitten?’ Op deze vraag gaf ik ten antwoord: ‘Indien het conflict met de katholieke fractie tot een bevredigende oplossing kan worden gebracht, waarom niet?’

Wij hebben daarna in ons gesprek, dat twee uren duurde, verschillende mogelijkheden besproken, hoe tot de oplossing van het gerezen conflict kon worden gekomen. In den loop van dat gesprek werd onder meer door mij opgemerkt, dat het gewenscht was, dat er katholieke ministers in het nieuw te vormen kabinet zitting zouden nemen, wijl het mij om verschillende redenen niet wenschelijk voorkwam, dat er een kabinet-Colijn zonder katholieke ministers zou optreden. Mijn bedoeling was daarmee de noodzakelijkheid te betogen, dat het gerezen conflict tot een bevredigende oplossing zou worden gebracht, ook al zouden daarvoor onzerzijds eenige concessies noodig zijn.

Mijn drie bezoekers hebben echter deze  uitlating, in verband met den geheelen gang van het gesprek, in meer absoluten zin opgevat, als zou mijn bedoeling geweest zijn te verklaren, dat het in elk geval, dus ook al was het conflict niet opgelost, wenschelijk was, dat katholieke ministers in het kabinet zitting zouden nemen.

Het gesprek eindigde met de afspraak, dat de drie ministers een der door mij voorgestelde mogelijke wijzigingen in de samenstelling van het te vormen kabinet in nader beraad zouden houden, waarbij voorondersteld werd, dat er overeenstemming over het regeeringsprogram zou zijn verkregen.

Door hetgeen op de beurs geschiedde, is, nadat de besprekingen van dr. Colijn met mr. Goseling in den morgen en middag van 30 juli tot geen resultaat hadden geleid, dien dag, zonder dat verder overleg tusschen dr. Colijn of de drie katholieke ministers en mij had plaats gehad, des avonds om elf uur de samenstelling van het nieuwe kabinet per radio bekend gemaakt. Daaruit werd mij bekend, dat de drie katholieke ministers in het nieuwe kabinet zouden optreden.

Zij waren blijkens hun latere verklaring daarbij stellig van meening geweest, dat zij, aldus doende, in mijn geest handelden. Dit was volgens mijn bedoeling onjuist, maar er mag niet aan  getwijfeld worden, dat zij ten deze gehandeld hebben in deze overtuiging.’

Dit concept zond ik 31 maart in drie afschriften aan Van Schaik, erbij voegende, dat het mij wat te uitvoerig voorkwam, maar dat me een kortere publicatie ook gevaarlijk toescheen, omdat zij allerlei nadere vragen zou uitlokken. Ik verklaarde me bereid, de definitieve redactie mondeling met hem te behandelen.

            Zoo kwamen we donderdagavond 9 april bij elkaar, ten huize van Van Schaik. Ook hij vond de publicatie te uitvoerig en had een korter concept opgesteld, dat echter mij al te simpel voorkwam. Na bespreking werden wij ’t eens over deze redactie:

In den laten avond van 29 juli 1935 kwamen de drie katholieke ministers bij mij. Zij deelden mij mede, alvorens een besluit te willen nemen over hun eventueele deelneming aan het door minister Colijn  te vormen ministerie, als leden der R.K. Staatspartij daarover gaarne mijn oordeel te zullen vernemen. Op dat oogenblik was het tusschen het demissionaire kabinet en de Roomsch-katholieke kamerfractie ontstane conflict niet tot oplossing gebracht. Wel waren nog besprekingen gaande om daartoe te geraken. 

Het onderhoud tusschen de drie ministers en mij werd, voor wat mij betreft, gevoerd in dezen zin, dat het was gericht op het alsnog bereiken van een solutie, waarin de Roomsch-katholieke kamerfractie vertrouwen zou kunnen stellen. De drie ministers hebben echter hun vraag meer algemeen bedoeld, omdat zij wisten, dat het kabinet op zeer korten termijn moest worden samengesteld, afgezien van de vraag of een modus vivendi met de Roomsch-katholieke kamerfractie zou worden gevonden.

Daardoor is een door mij gevoelde en uitgesproken wenschelijkheid, dat er katholieke ministers in het nieuw te vormen kabinet zouden zitting nemen – hetgeen in mijn gedachtengang insloot een oplossing van het conflict – door hen in absoluten zin opgevat, dus ook in geval geen oplossing zou zijn gevonden.

In dit licht bezien is ongegrond het verwijt als zouden de drie ministers, wetende daardoor in strijd met mijne opvatting te handelen, eene portefeuille hebben aanvaard.

Nu ik dit overschrijf, voel ik toch hier en daar nog wel eenige bezwaren rijzen. Ik heb nu het fractiebestuur tegen woensdagmiddag bijeen geroepen ter bespreking van dit concept. En nu hoop ik dit alles even te vergeten en twee rustige Paaschdagen te hebben.

dagboekcahier 10

26/04/1936

zondag 26 april 1936

Wat is er al niet sinds Paschen gebeurd!

            ’t Ergste is het plotseling overlijden van Ruijs de Beerenbrouck. Vrijdagavond 17 april om half negen belde de griffier van de Tweede Kamer me op: Ruijs is dood! Zelden heeft een doodstijding mij zóó aangegrepen. Sinds 43 jaar was ik met Ruijs bevriend. Ik had 3 mei 1893 de R.K. Studenten Vereeniging – thans genaamd St. Augustinus – opgericht. Men wilde mij tot voorzitter van ’t nieuw bestuur kiezen. Ik ontried dit, omdat ik geen lid van het Leidsche Studenten Corps was en wij goed zouden doen om zelfs den schijn te vermijden, als zouden wij een vereeniging tegenover het Corps op willen richten. Ik stelde daarom voor Ruijs tot voorzitter te kiezen, hij was corpslid, bovendien was zijn vader toen minister van Justitie. Dat stond wel gekleed voor ’n jonge vereeniging! Bij meerderheid van stemmen werd Ruijs toen tot voorzitter gekozen en ik tot secretaris. Na eenige dagen ging ik Ruijs – die bij zijn vader in de Derde van den Boschstraat in Den Haag woonde – opzoeken. Wij ‘vonden’ elkaar. Zoo werkten wij van 1893 tot 1895 samen. Ruijs promoveerde toen, ik volgde hem als voorzitter op. Hij vestigde zich in Maastricht. Ik promoveerde in 1897 en bleef  in Leiden. Beiden waren wij weldra lid van onze respectieve gemeenteraden. In 1903 kwam ik in de Kamer, Ruijs in 1905. In 1916 nam ik ontslag wegens mijn benoeming tot hoogleeraar te Delft. Ruijs begin 1918 wegens zijn benoeming tot commissaris der koningin in Limburg, in opvolging van zijn vader. In september werden we beiden minister – hij ‘formeerde’ het kabinet dat Nolens in elkaar gezet had en we werkten samen tot we in 1925 aftraden. Sindsdien waren we weer samen in de Kamer. Hij was voorzitter, met bijna algemeene stemmen als nummer 1 op de nominatie geplaatst.

            Zijn plotseling verscheiden heeft me diep getroffen. Wel hebben we vroeger, in de Katholieke Sociale Actie heftig meeningsverschil gehad, hij was voorzitter, ik algemeen secretaris-directeur van ’t Centraal Bureau. Ik deed al het werk, hij wilde echter de baas zijn. Dat leidde tot ’n botsing. Ik won het en hij nam kort daarna ontslag. Ruijs behoorde in die dagen tot de groep, die onder Duitschen invloed vóór interconfessioneele vakvereenigingen waren. Ik was juist de felste voorstander van katholieke vakvereenigingen. Ook dezen strijd won ik, door de toenmalige beslissing van ’t Doorluchtig Episcopaat. Toch hebben we van 1918 tot 1925 in ’t kabinet goed en hartelijk met elkaar samengewerkt. 

Ik moet voor vandaag eindigen. Alleen dit. Men wil mij nu tot Ruijs’ opvolger als voorzitter van de Tweede Kamer op 6 mei als nummer 1 op de nominatie plaatsen. Doen??

dagboekcahier 10

28/04/1936

dinsdag 28 april 1936

Daags vóór Ruijs’ begrafenis kwam de Kamer bijeen, uitsluitend om hem te herdenken. De waarnemend voorzitter Van Dijk hield een treffende rede en Colijn sprak namens de regeering. Na afloop dezer even sobere als toch werkelijk indrukwekkende herdenkingsvergadering riep ik de katholieke kamerfractie bijeen ter bespreking van de vervulling der ontstane vacature. Ik hield eerst ook een korte rede over Ruijs. Daarna bracht ik de vraag ter sprake: wie moet hem opvolgen? Moeten wij er op staan, dat de grootste kamerfractie ’t meeste recht heeft een candidaat aan te wijzen? Vroeger, in de dagen der oude coalitie, heb ik dit wel betwist, zeggende: hij moet gekozen worden uit de meerderheid; het is de vraag welke der drie rechtsche fracties den besten candidaat kan aanbieden. Het Duitsche standpunt (in vroeger tijd althans): de grootste fractie heeft het recht den candidaat-voorzitter aan te wijzen, wees ik af, omdat de consequentie zou zijn, dat bij een rechtsche meerderheid of tijdens een extraparlementair  kabinet de voorzitter steeds een katholiek zou moeten zijn. Indertijd deed zich ’t gekke feit voor, dat de voorzitter zoowel van den ministerraad als van de Eerste en van de Tweede Kamer katholiek waren . Dat was van ’t goede teveel en werkte, zonder dat ’t ons veel voordeel bracht, ’t antipapisme in de hand. Thans echter zijn zoowel de voorzitter van den ministerraad als van de Eerste Kamer niet-katholiek. Er is dus alles voor te zeggen, dat de voorzitter van de Tweede Kamer katholiek zal zijn. Ook omdat deze drie voorzitters de eerste adviseurs van de koningin zijn in moeilijke omstandigheden, speciaal bij een kabinetscrisis. Het is dus wel van belang ervoor te zorgen, dat er althans één van hun drieën katholiek is.

            Met deze opvatting ging de kamerfractie unaniem akkoord. De vraag was dus wie. Toen zei een der leden (Loerakker): ‘Daar behoeven we niet lang over te denken: u is de aangewezen man.’ Dit vond vrijwel algemeene instemming. Ik heb toen gezegd: ‘Ik heb daar natuurlijk ook over gedacht. ’t Bezwaar is, dat ik dan moet aftreden als fractievoorzitter. Wie moet me als zoodanig opvolgen? Goseling, de vice-president, komt daarvoor ’t meest in aanmerking. Maar dan  moet hij aftreden als voorzitter van ’t partijbestuur. Is dat, nu we in 1937 verkiezingen hebben, gewenscht?  Ik heb daarom gedacht aan Bongaerts, den secretaris van de kamerfractie en oud-minister van Waterstaat. Maar ik twijfel of hij, die hoe vriendelijk ook, in den omgang niet gemakkelijk is, daarvoor de noodige geschiktheid heeft.’

            Hierover ontspon zich een lang debat. De eenen zeiden: dat zullen we later wel zien. De anderen: neen, als we nu Aalberse kiezen, maken wij de benoeming van een nieuwen fractievoorzitter noodzakelijk; dus moeten we die zaak tevens regelen. Goseling was ’t met mij eens – ik vergat dit zoojuist nog – dat hij niet voor ’t voorzitterschap van de Kamer in aanmerking kon komen, 1. omdat hij nog te jong kamerlid is en 2. omdat hij dan als voorzitter van het partijbestuur zou moeten aftreden, wat thans ongewenscht is. Men noemde enkele andere namen: Henri Hermans (wiens gezondheid echter slecht is), Feber (die echter op ’t punt staat ontslag te nemen als lid). De meesten voelden ervoor, dat Goseling tijdelijk ’t voorzitterschap van de fractie zou waarnemen. Kuiper en mejuffrouw Meijer kwamen toen betoogen, dat hieruit wel bleek, dat het beter ware, dat ik voorzitter der fractie bleef.

            Na een lang, ronddraaiend debat liet ik stemmen. Toen bleek, dat men mij eenstemmig tot voorzitter der Kamer wilde maken. Dit zou aan de andere  fracties worden meegedeeld.

            Vlak vóór de vergadering der fractie had Schouten, voorzitter van de anti-revolutionaire fractie me gezegd: 1. dat hij meende, dat de katholieken ’t recht hadden een candidaat aan te wijzen; 2. dat hij vertrouwde, dat wij dan Van Dijk weer nummer 2 op de nominatie zouden plaatsen en 3. dat hij er sterk bij mij op aandrong, dat ik mij niet voor ’t kamervoorzitterschap beschikbaar zou stellen: men wilde mij niet als voorzitter van de fractie zien aftreden (en – wat hij er niet bij voegde, doch ongetwijfeld bedoelde – mij niet als fractievoorzitter opgevolgd zien door Goseling).

            Inderdaad is hierin een moeilijkheid. Goseling staat veel scherper tegenover ’t kabinet-Colijn dan ik. Hij is twintig jaar jonger dan ik, meer voortvarend, maar ook minder bedachtzaam. Ook bij mij heeft dit zwaar gewogen. Mag ik wel als voorzitter van de fractie aftreden? Juist nu, nu er bij ’t vaste-lasten-ontwerp weer een scherp debat te wachten is?

            Daar staat tegenover: zal Goseling, als hij geheel voor de verantwoordelijkheid komt te staan, niet ietwat bedachtzamer worden?

            De Geer, Albarda en Joekes kwamen mij al zeggen, dat ze mij den meest aangewezene voor ’t kamervoorzitterschap vonden en me gaarne zouden steunen als ik me beschikbaar wilde stellen. Onze Lieve Heer moet ’t maar beslissen. 

dagboekcahier 10

13/05/1936

woensdag 13 mei 1936

Bij Koninklijk besluit van 6 mei heeft H.M. de koningin mij benoemd tot voorzitter van de Tweede Kamer, nadat deze mij, behalve zes blanco briefjes, met 74 van de 76 uitgebrachte stemmen nummer 1 op haar voordracht had geplaatst, op woensdag 5 mei. Een extra koerier ging met de voordracht en ’t concept Koninklijk Besluit van Binnenlandsche Zaken naar ’t Loo en nog denzelfden dag teekende H.M. dit besluit. Ook dit is, evenals ’t groot aantal, bijna eenstemmige, stemmen bij een eerste benoeming (bij de jaarlijksche herbenoeming kwam dit vaak voor bij Van Schaik en Ruijs) een record. ’t Gevolg was dat de installatie reeds donderdag 7 mei bij den aanvang der vergadering kon plaats hebben. De waarnemend voorzitter Van Dijk hield een keurige en zeer hartelijke begroetingsrede, ik hield toen mijn eerste presidiale speech, erg eenvoudig, maar heel openhartig precies mijn opvatting over ’t kamerlidmaatschap weergevende. Met genoegen bemerkte ik, dat dit kalme woord algemeen warme instemming vond, ook in de pers. En zoo ben ik dan sinds een week voorzitter van de Tweede Kamer en … ex-voorzitter van de katholieke kamerfractie. Daar koos men in  mijn plaats mr. Goseling, die nu tijdelijk in één persoon vereenigt ’t voorzitterschap van de kamerfractie en van ’t partijbestuur, wat in de partijstatuten wel niet nominatim verboden is, maar wel gaan ze uit van de gedachte, dat deze twee functies door twee personen worden vervuld. Bij de andere partijen is dit alleen ’t geval bij de christelijk-historischen (De Geer).

            Niet algemeen is men ’t eens met deze verandering in de Kamerclub. Men vindt ’t uitstekend, dat ik kamervoorzitter ben, maar men vreest voor de gevolgen in de fractie. Goseling is te jong, teveel jurist, economisch niet voldoende onderlegd, teveel partij-organisator, te weinig staatsman. Daarop komt de kritiek neer. Die kritiek wordt nog aangevuurd doordat de sociaal-democratische pers blijft insinueeren, dat de katholieke kamerfractie mij heeft weggepromoveerd, juist om Goseling fractievoorzitter te kunnen maken. Ook enkele katholieke bladen schreven in dien geest. Geheel onjuist is deze kritiek niet. Ook ik vind Goseling, die nu bijna 45 jaar is, en bijna zeven jaar kamerlid, nog te jong, te weinig geposeerd, nog teveel propagandist om nu al reeds als politiek leider van de groote katholieke partij op te treden. Daarom heb  ik zeer geaarzeld of ik mij wel voor het voorzitterschap van de Kamer beschikbaar mocht stellen. Ik deed het, vooral omdat de groote meerderheid van de fractie het feitelijk niet eens was met mijn huns inziens veel te voorzichtige en tevens te ver vooruitziende leiding. Wanneer ’t tusschen de fractie en mij tot een botsing zou komen, zou dit in de partij zeer ernstige gevolgen kunnen hebben. Daarom vooral achtte ik ’t beter heen te gaan. Mijn invloed in de fractie behoud ik; hij wordt, door ’t groote prestige, dat een kamerpresident nu eenmaal heeft, eer grooter dan kleiner. En op Goseling zal de groote verantwoordelijkheid, welke nu op hem drukt, een matigenden invloed hebben. Zoo dacht er ook dr. Witlox over, die mij zeer sterk aanried aldus te handelen.

            In elk geval, de kogel is door de kerk en ik zit nu in de voorzittersstoel van de Tweede Kamer. Ik hoop de kracht te hebben, ook physiek, om dit even moeilijke als eervolle ambt waardig te vervullen. Het trof mij zeer, dat de nieuwe bisschop van Haarlem, mgr. Huibers, Aengenents opvolger, die me op mijn verjaardag 27 maart persoonlijk kwam gelukwenschen, mij nu een uitvoerigen brief schreef om me geluk te wenschen.  

            Van alle kanten kwam er weer een vracht telegrammen, brieven en kaartjes. Ook de pers was algemeen zeer gunstig.  Ik hoop, dat ik aan die goede verwachtingen zal kunnen voldoen. Ook mijn vrienden Wolf en Olga Liebeskind in Genève zonden me een telegram. Ik hoop de werkzaamheden van de Kamer zóó te kunnen regelen, dat ik op zaterdag 6 juni naar de Internationale Arbeidsconferentie te Genève vertrekken kan. Ze vangt 4 juni aan; ik mis dan alleen de voorbereidende werkzaamheden. ’t Zou me spijten als die poging mislukte, èn om de Conferentie, waar ik nu eenmaal thuis ben gekomen, èn om mijn lieve Geneefsche vrienden. Doch laten we hopen. Vanmiddag besprak ik ’t nog met den griffier. Deze was van meening, dat mijn plan zou kunnen gelukken, als er tenminste niet teveel interpellaties kwamen en spoedontwerpen van de regeering.

dagboekcahier 10

31/05/1936

zondag 31 mei 1936

Eerste Pinksterdag! Maar met welke zware zorgen! Van de week kwam Goseling bij me en vertelde ’t volgende: er dreigt een groot schandaal, waar Colijn bij betrokken is. Hij heeft, sinds 1934 al, relatie met een jongedame van ± 30 jaar, van niet onbesproken zeden en die  in de finantieele wereld zeer bekend is. Hij zond maandelijks f 50 aan haar moeder (geadresseerd aan een broeder) te Amsterdam, per aangeteekenden brief met vijf lakken achterop, groot cachet van ’t ministerie van Koloniën. ’t Adres van zijn hand. Die dame kwam herhaaldelijk op zijn departement. De kamerbewaarder zei: ze loopt in en uit. Beweerd wordt, dat ze, in strijd met de sancties, groote leveringen van vleesch in blik aan ’t Italiaansche leger heeft gedaan, geholpen door Colijn, minister van Defensie ad interim. Hiervan heb ik geen enkel bewijs gezien. Wel zag ik de foto van een acte van geldleening en borgtocht: die dame leende 2000 pond sterling van een obscuur bankje op ’t Damrak te Amsterdam, ’n jodenzaakje. De akte was op 11 mei geteekend op ’t departement van Koloniën in ’t kabinet van Colijn. Ze was getikt. Maar eigenhandig teekende Colijn daarop zijn borgtocht: ‘ondergeteekende dr. Hendrik Colijn, minister-president van Nederland, verklaart zich gaaf en onvoorwaardelijk borg te stellen, afstand doende van alle exceptiën, enz.’ Die dame kwam daarvoor met drie joden bij hem; die twee joden zeiden: ‘Wij zijn meegekomen om te constateeren, dat de handteekening van Uwe Excellentie niet valsch is.’ 

            Deze geheele zaak is bekend behalve aan deze juffrouw en haar moeder, aan die drie joden. En aan Groeninx van Zoelen, die bezig is een brochure tegen Colijn te schrijven. Bovendien weet de officier van Justitie te Amsterdam alles; hij bracht er rapport over uit aan Van Schaik, die daarom deze zaak twee maal in den ministerraad besprak. Ze is dus nu aan alle ministers bekend, waaronder er zijn die hun mond niet kunnen houden. Reeds bleek me, dat Piet Kasteel en Verschuur er alles van wisten. Gisterenavond half twaalf belde De Maasbode me op: ‘Van verschillende kanten vraagt men ons of ’t waar is, dat de volgende week minister Oud aftreedt; is dat waar?’ Ik zei: ‘Neen, maar publiceer niets.’ Die bom moet dus barsten. Op de beurs liepen vrijdag al vage geruchten. De man van ’t jodenbankje vertelde, dat hem voor die borgtocht-acte al twintig mille was geboden, maar ze was meer waard!

            Mijn advies is geweest: laat Colijn een medisch attest – hartkwaal – overleggen en ontslag nemen, zoo spoedig mogelijk, vóórdat er iets gepubliceerd wordt.

            ’t Is afschuwelijk. Wie had zooiets van Colijn gedacht? Hij stelt ’t voor als een  domheid, uit meelij met de jongedame, die hem als zeer bekwaam journaliste was aanbevolen. Hij heeft haar en haar broer willen voorthelpen. Maar de Paaschdagen bracht hij met haar door in het groote dure hôtel: Kasteel des Ardennes in België, terwijl hij in de krant liet zetten, dat hij een bezoek bracht aan Zeeuwsch-Vlaanderen.  Geen sterveling zal gelooven, dat hij in deze onschuldig is. Het schijnt dat Deterding, die met hem in vijandschap leeft, hem dag en nacht laat bespionneeren. Welk een debacle! Die sta, zie toe, dat hij niet valle …

dagboekcahier 10

03/06/1936

woensdag 3 juni 1936

Gisteren ben ik naar Beelaerts gegaan, den vice-president van den Raad van State. Van Goseling wist ik, dat Van Schaik hem verzocht had, namens den ministerraad, de heele zaak aan de koningin mee te deelen. Ik wilde weten of hij dat gedaan had. Hij zei me: neen. Zijn meening was, dat Colijn dit zelf diende te doen. Hij was daarom naar hem toe gegaan. Colijn had hem de geheele zaak uitgelegd: ’t was alles puur een questie van liefdadigheid geweest. Tusschen die jongedame en hem had nooit een ongeoorloofde verhouding bestaan. Hij had ook nooit  geweten, dat zij een slechte reputatie had.

            Beelaerts nam deze verklaring voor 100% voor juist aan. Ik zei bereid te zijn, dat ook te doen. Maar 1. was daarmee niet opgehelderd, waarom Colijn, vijf weken nadat hij door den officier van Justitie te Amsterdam gewaarschuwd was, op 11 mei die rare acte van borgtocht geteekend had, groot £ 2000,–. En 2. al geloofden wij hem, 95% van het publiek zou, als deze zaak publiek werd, er geen woord van gelooven. Ik deelde hem mijn meening mee: Colijn aftreden en ’t kabinet aanvullen. Beelaerts zei, dat dit ook zijn meening was … geweest. Want ’t bleek, dat De Wilde zich met Colijn solidair verklaarde en dan ook zou aftreden, terwijl geen anti-revolutionair dan meer in ’t kabinet zou willen zitting nemen. Hij was daarom thans van meening: een eigen publicatie, vóórdat er iets in de pers kwam. Ik vroeg: wat publiceeren? en door wie? Daarop had hij geen antwoord. Gisteren is Colijn bij de koningin geweest en vandaag is Beelaerts door haar ontvangen. Van Schaik kwam in de Kamer vanmiddag bij me praten. Hij bleek ’t wel met me eens te zijn, maar … De Wilde. Hij wou, dat ik vanavond naar Colijn zou gaan om hem mijn meening mee te deelen. Ik heb dit niet gedaan. Op welken grond kan ik Colijn feitelijk ter verantwoording roepen? Wel zou ik graag weten,  wat de koningin aan Beelaerts heeft gezegd. Deze had van de Italiaansche geschiedenis niets gehoord. Maar vandaag vertelde Van Poll me, dat hij de foto gezien had van een brief van Colijn aan die jongedame, waarin hij over deze leverantie schreef op papier van ’t departement van Koloniën. Er blijken al allerlei menschen lucht van deze droeve historie te hebben. Mijns inziens kan ’t niet lang uitblijven of de bom barst. Wat ’n kans voor de Nationaal-Socialistische Beweging!!

dagboekcahier 10

02/10/1936

vrijdag 2 october 1936

Wat een domheid, dat ik sinds 3 juni niets meer opteekende. Toen ik 11 juni naar Genève ging, was de zaak nog steeds zwevende. Maar steeds verder lekte ze uit. Ook kwamen er tegenspraken, zoo bijvoorbeeld over dat logeeren in ’t Château des Ardennes met Paschen. Dit was waar, maar … met zijn eigen vrouw. Terwijl ik in Genève was, hoorde ik van mr. Van Angeren, die aan ’t hoofd van de politioneele afdeeling van het departement van Justitie staat, dat de Nationaal-Socialistische Beweging tot publicatie zou overgaan op ’n vrijdag. Dien eigen ochtend verscheen toen een officieel communiqué, waarin de zaak als volkomen onschuldig, maar met lasterpraat omgeven, werd voorgesteld. ’s Avonds kwam toen de publicatie in Zwart Front, dus niet in Volk en Vaderland van de Nationaal-Socialistische Beweging. Men was deze dus voor geweest. Gelukkig, daardoor is alles goed geloopen, buiten alle verwachting goed. Men heeft  het onschuldige verhaal vrijwel algemeen geaccepteerd. Colijn als de zwaar belasterde man steeg nog in de algemeene sympathie! Zoo is alles met ’n sisser afgeloopen. Alleen is er weer ’n hetze tegen de katholieken geboren: Goseling had er zich – waarvoor ik hem terstond had gewaarschuwd – al te zeer met deze zaak bemoeid, haar in de fractie besproken en zelfs in een persconferentie. Men distilleerde eruit, dat hij dit opzettelijk gedaan had om door ruchtbaarheid eraan te geven, Colijn, althans den gulden, te doen vallen. Ook dit is al weer geluwd.

            Vacantie heb ik niet gehad. Wel is prof. Wolf Liebeskind met zijn vrouw Olga twaalf dagen hier bij ons gelogeerd geweest. Leuke, vroolijke dagen. Iedereen begreep nu, dat ik in Genève zoo bijzonder met hen bevriend ben geraakt.

            Verder ben ik met moeder Lies twee dagen bij Nell en vier dagen bij Rie geweest. Verder heb ik hard gewerkt. Door de ziekte van Witlox had De Maasbode wel bijzonder mijn hulp noodig.

            En nu is eensklaps de gulden toch aan ’t kelderen gegaan. Eerst de Fransche, toen de Zwitsersche franc en toen ware ’t dwaasheid geweest den gulden op ’t oude goudpeil te houden. Zondagmorgen was ’t pleit beslist. Ik riep de Kamer tegen dinsdag telegrafisch op, ter behandeling van drie  spoedwetsontwerpen, die maandagavond zouden inkomen. Om één uur begonnen we en om kwart over acht waren alle drie de wetsontwerpen aangenomen. Om half negen kwam de Eerste Kamer bijeen en te kwart voor middernacht had zij ze ook aangenomen. De koningin teekende terstond en woensdagmorgen volgde de afkondiging. ’n Mooie prestatie, maar ’t was wel zeer ingespannen werk.

            En nu ga ik morgen, 3 october, weer voor veertien dagen naar Genève voor de maritieme conferentie. 18 october moet ik terug zijn, want 19 october heb ik een arbitrage te presideeren en dinsdag 20 october begint de Kamer weer. Joke gaat met me mee; ze logeert bij de Liebeskindern.

dagboekcahier 10

07/04/1937

woensdag 7 april 1937

Alweer moet ik verzuchten: hoe jammer, dat ik mijn dagboek zoo slecht bijhoud! Er ware veel op te teekenen geweest, goede en kwade dingen.

            Onder de goede behoort de geboorte van ons dertiende kleinkind of liever: de eerste van het tweede dozijn, bij Rie in Pannerden. ’t Kwam op zaterdag, ’s zondags kon ik er met moeder heen om de kleine ten doop te houden. Kwade: niet alleen omdat lest best heugt: de ernstige ziekte van Lies. Ze had last, sinds 1918 al, van spataren. In december kreeg ze een klein wondje. Dit genas maar  niet. Eindelijk kreeg ik er haar toe, dat ze naar dr. Polano, een huidarts, zou gaan. Hij gaf zalf en … ’t genas. Maar toen ze op Palmzondag uit de kerk kwam – ze was met ’n taxi heen en terug gereden – had ze hevige pijn. ’s Middags voelde ze ook zich niet goed. Achteraf bleek, dat ze hooge temperatuur moest gehad hebben. Maandag en dinsdag bleef ze te bed. Dinsdag ging ik naar dr. Polano om ’t hem te vertellen. Woensdagmorgen kwam hij, zei niet veel, maar ik had ’t idee, dat hij ’t ernstig vond. En dat was ’t ook: een aderontsteking, daardoor stremming van den bloedsomloop in haar onderbeen en daardoor een steeds grooter wordende wond door ’t afsterven van den huid. De temperatuur liep tusschen 39.3 en 39.5, niettegenstaande ze, ter verdoving van de hevige pijn, veel aspirine slikte. Zoo was ’t al heel erg op Paaschzaterdag 27 maart, mijn 66en verjaardag. Eindelijk op tweede Paaschdag daalde de temperatuur een weinig en verminderde de pijn. Zoo is het geleidelijk wat beter geworden. De aderontsteking was tot stand gekomen, maar over bleef een groote wond, wel 1 decimeter lang en een halve decimeter breed. ’t Zijn nare, angstige dagen geweest, waarin mij – ongewoon verschijnsel – alle lust tot werken ontbrak. 

            Ik had me juist zoo voorgesteld eens een veertien dagen rust te nemen na de zware kamercampagne. Sinds half januari tot vrijdag vóór de Goede Week heeft de Kamer gezeten en ontzaglijk veel werk afgedaan: behalve de grondwetsherziening vele groote wetsontwerpen, interpellaties, enz. Van den voorzitter eischt dit alles groote inspanning. Maar alles is vlot en goed gegaan. Een goed jaar nu was ik voorzitter der Kamer. Ik zie met groote dankbaarheid op dat levensjaar terug. Met de Kamer heb ik ’t goed kunnen vinden. Geen enkele ernstige moeilijkheid heeft zich voorgedaan. Zal ik ook in de komende periode weer deze hooge positie innemen? Het schijnt algemeen gedacht te worden, tenzij … mij beschoren zou zijn minister-president te moeten worden. Hoe eervol het ook zijn zou, ernaar verlangen kan ik niet. Na Colijn op te treden is een zoo al niet moeilijke, dan toch zeer onaangename taak. Colijn is steeds den liberalen in ’t gevlij gekomen, mede omdat hij op economisch gebied zelf de liberale beginselen was toegedaan. Dit schiep juist de groeiende tegenstelling met de katholieke kamerfractie. Maar in de groote liberale pers werd hij steeds uitbundig geprezen.  Zijn opvolger, vooral als hij katholiek is, zal er des te meer door verguisd worden.

            Dreigt mij echter dit gevaar? Onlangs sprak Van Schaik mij aan. Hij was van meening, dat na de verkiezingen – op 26 mei a.s. – de koningin mij wel ’t eerst een opdracht zou geven tot kabinetsformatie, als representant van de grootste kamerfractie, vermoedelijk 30 leden.

            Ik had echter reeds lang aangevoeld, dat Goseling, mijn opvolger als fractievoorzitter,  andere plannen had, welke wist ik niet. Zou hij ’t zelf ambieëren? Van Schaik achtte hem, toen ik dit opperde, te jong en parlementair te weinig ervaren. Dacht hij wellicht aan Steenberghe?

            Ik vroeg hem, Goseling, eens ’n middagje bij me te komen om over de politieke situatie te spreken, daar wij beiden – ik als kamervoorzitter, hij als fractievoorzitter – na de verkiezing door de koningin zouden worden gehoord. Gisterenmiddag kwam hij. Wij praatten van drie tot vijf uur. Toen kwamen mijn schoonzoon, de rechter te Breda, en mijn jongste broer, de officiaal te Haarlem. Zoo eindigde ons gesprek zonder conclusie. Hij vroeg ’t gesprek na eenige weken nog eens voort te zetten. Afgesproken.

            Ik begon met hem te zeggen hoe ik de  komende situatie overzag voor ons zeer moeilijk en niet zonder gevaar. Ik zag vooral tweeërlei gevaar: dat wij geïsoleerd zouden komen te staan ofwel, dat wij gedwongen zouden worden met de sociaal-democraten samen te gaan. Wij moesten dus van den aanvang af die twee gevaren in het oog houden en trachten beide klippen te omzeilen.

            Al aanstonds bleek toen eenig meeningsverschil over ’t karakter van het te vormen kabinet. Ik meende, dat we, na tien jaren van extraparlementaire kabinetten, eindelijk weer een normaal parlementair kabinet moesten zien te krijgen. Hij voelde daar niets voor. Hij heeft nu eenmaal van normale parlementaire kabinetten geenerlei ervaring; ziet er slechts een woordenspelerij in zonder wezenlijke beteekenis.

            Ik trachtte hem het verschil duidelijk te maken en de noodzakelijkheid het parlementaire stelsel weer normaal en zuiver te laten werken.

            Aangenomen, dat een katholiek opdracht kreeg, zou hij dus mijns inziens er naar moeten streven een normaal parlementair kabinet te vormen, mijns inziens een rechtsch kabinet met individueel een paar niet-rechtschen erin, gelijk ook voorheen steeds gebruikelijk was. Zoo ware bijvoorbeeld Van Lidth de Jeude aan Waterstaat te behouden. 

            Goseling vroeg of ik meende, dat dan eerst de fracties over ’t regeeringsprogram zouden moeten worden gehoord. Ik achtte dit principieel niet noodzakelijk, maar meende, dat ’t er practisch toch wel op zou neerkomen. Natuurlijk behoefde dat hooren niet te geschieden door den formateur. Om [bij] den christelijk-historischen, die daar altijd bezwaar tegen hadden, in ’t gevlei te komen, zou hij eerst de aanstaande ministers kunnen vragen en dan aan dezen kunnen overlaten zich ieder met hun eigen fracties te verstaan. Daarover waren wij ’t wel eens.

            Vanzelf kwam toen de vraag aan wien de koningin opdracht zou geven. Geleidelijk werd duidelijk, dat hij als fractievoorzitter daarop rekende. Te jong? Ruijs was in 1918 nog twee jaar jonger. Hij voelde echter zelf ’t bezwaar, dat de koningin hem hoegenaamd niet kende en dus wel huiverachtig zou zijn hem te kiezen. Hij opperde daarom een ander idee: dat de koningin opdracht zou geven aan iemand anders – wien? zei hij niet, maar doelde klaarblijkelijk op mij – en dat deze dan een program zou opstellen, ministers zou vragen, enz. en als hij dan klaar was, niet bereid zou zijn zelf in ’t kabinet te gaan zitten, zooals Nolens in 1918 gedaan had,  die toen Ruijs aan de koningin had voorgesteld. Ik merkte op, dat Nolens toen een reden daarvoor had: hij meende, dat hij als priester in ons land niet als minister-president moest optreden, omdat dit ’t kabinet zeer verzwakken zou. Op welken grond zou een ander dit thans kunnen doen? Daarop antwoordde hij niet.

            Een hoofdpunt in onze bespreking was: hoe zal de houding van Colijn zijn? Ik vertrouw hem ook niet meer na wat in 1933 en 1935 is geschied. Ik verdenk hem ervan, dat hij er zeer doelbewust op aanstuurt de Katholieke Staatspartij in tweeën te splitsen en ons daarom stelselmatig naar de sociaal-democraten drijft, wetende, dat een groot deel der katholieken tegen zulk een samengaan fel gekant zijn. Ik vrees, dat Colijn aanstuurt op een reprise van juli 1935: opdracht aan een katholiek en dan zorgen, dat deze niet slaagt, omdat de anti-revolutionairen weigeren mee te doen, om dan zelf weer als redder van ’t vaderland op te treden. Ook Van Schaik meende, dat Colijn daarop rekende. Dat wordt voor ons een gevaarlijke positie. Hoe moet dan onze houding tegenover ’t door hem dan gevormde kabinet zijn? Moeten er weer katholieken zitting  in nemen? Dan komen we weer precies in dezelfde dwangpositie als in 1933-1937. Wij kunnen blaffen, niet bijten. Komen we in oppositie, dan sluiten de sociaal-democraten zich bij ons aan, we hebben ’n meerderheid, ’t kabinet valt, wij krijgen opdracht als in juli 1935, et cetera. ’t Eind zal zijn: gedwongen samengaan met de sociaal-democraten, met groot gevaar van scheuring in de Katholieke Staatspartij.

            Weigeren we mee te doen, dan vormt Colijn een kabinet zonder katholieken, wat hij in juli 1935 ook had willen doen. Dan raken we geïsoleerd en komen onmiddellijk met de sociaal-democraten in de oppositie. Wat we niet willen.

            Ik zie het dus zoo: als een katholiek de opdracht krijgt, moet hij slagen. Daarom zal hij, als hij de opdracht krijgt een parlementair kabinet te vormen (gelijk ik in juli 1935), zich alleen bereid verklaren die opdracht te aanvaarden, wanneer de koningin hem tevens subsidiair de opdracht geeft bij niet slagen een extraparlementair kabinet te vormen. Weigert de koningin dit, dan moet hij bedanken. Wellicht geeft zij dan opdracht aan De Geer. Dien zouden we dan moeten steunen om een nieuw kabinet-Colijn te voorkomen. 

            Goseling begon te bemerken, dat de zaak toch niet zoo eenvoudig lag als hij eerst wel scheen gedacht te hebben. Tot zoover was om vijf uur ons gesprek gekomen. Voor mij was ’t resultaat, dat ik nu weet welken kant hij uit wil sturen. Ik betwijfel echter zeer of de koningin hem een opdracht zal willen geven. En wat dan? ’t Ellendige is dat wij niemand anders hebben. Koolen? Niemand wil hem. Ik acht hem er ook ongeschikt voor. Van Schaik, die anders zeker in aanmerking zou komen, is nu, door zijn vier jaren meezeulen met Colijn, bij de katholieken in discrediet. Bovendien heeft hij als minister zoozeer zijn aarzelend karakter getoond, dat krachtige leiding van hem niet verwacht kan worden. Van Lanschot, de voorzitter van de Eerste Kamerfractie, is zeker niet onbekwaam, maar hij vreest altijd zich aan koud water te branden. Ook zou dat voor Goseling een zoo duidelijk passeeren zijn, dat loyale medewerking van de katholieke Tweede Kamerfractie wel niet verwacht zou kunnen worden. Ik dan? Na wat ik van Goseling hoorde, zou hij zich daardoor teleurgesteld voelen, met de gevolgen van dien. Bovendien heb ikzelf zeer ernstige persoonlijke bezwaren, onder andere finantieele. Een  minister ontvangt thans slechts f 13.000,–. Ik zou als kamerlid en voorzitter aftredend f 9000,– missen; als medewerker van de Maasbode ruim f 5000,–; als voorzitter van ’t Centraal College voor Medisch Tuchtrecht ± f 500,–; als president-commissaris van de Amsterdamsche Tegelmaatschappij f 2500,–, terwijl het ministerspensioen van f 6000,– ophoudt. Bij elkaar zou ik dus een inkomen missen van f 23.000,– en daarvoor – bij beslist duurder levenswijze – f 13.000,– terug krijgen. Deze teruggang met f 10.000,– kan ik onmogelijk dragen. Alleen al hierom mag ik er zelfs niet aan denken dit op mij te nemen. De vraag is voor mij alleen: is dit een op te geven motief? Een ander motief, dat Goseling blijkbaar op ’t oog heeft: dat ik mij voor deze functie te oud voel, weiger ik beslist. ’t Is onwaar en ik ben niet van plan mezelf af te tuigen. Daar komt nog iets bij: na mijn aftreden herleeft alleen mijn pensioen van f 6000,–, de andere inkomsten ben ik dan kwijt. Ik zou dus dan nog weer eens f 7000,– achteruitgaan. Aan rente en aflossing en premie voor verzekeringen heb ik per jaar ongeveer f 6000,– noodig. Ik zou dus feitelijk dan zonder inkomen zitten. Het is dus, hoe ellendig ’t ook zij, voor mij volstrekt onmogelijk mij voor kabinetsformateur beschikbaar te stellen.

dagboekcahier 10

31/05/1937

maandag 31 mei 1937

Spannende dagen zijn achter den rug. Eerst de verkiezingstijd. Ik heb nog nooit een verkiezingscampagne meegemaakt, welke zóó kalm verliep als deze, terwijl er toch alom een intense belangstelling bleek te bestaan. Zeven avonden heb ik gesproken: Almelo, Enschede, Oldenzaal, Zwolle, Emmer-Compascuum, Coevorden en Deventer. Overal stampvolle zalen en goede vertrouwensvolle stemming.

            26 mei – op Phons’ verjaardag – was de stemming. De uitslag heeft alle verwachtingen overtroffen. De katholieken kwamen van 28 op 31 zetels. De Nationaal-Socialistische Beweging, die volgens de provinciale stembuscijfers van 1935 zeker acht zetels had moeten verkrijgen, behaalde er slechts vier. De communisten daalden van vier op drie, de liberalen van zeven op vier: treurig einde van de voormalige ‘groote liberale partij’! De anti-revolutionairen stegen van veertien op zeventien dankzij de stemmen van overloopende liberalen en christelijk-historischen (die van tien op acht terugzonken).

            Er zijn in de nieuwe Kamer tenminste drie mogelijkheden voor meerderheidsvorming: 1. de oude christelijke coalitie: 31 katholieken, 17 anti-revolutionairen en acht christelijk-historischen = 56 stemmen; 2. de Colijnsche combinatie: rechts plus vrijzinnig-democraten en liberalen = 66; 3. katholieken, sociaal-democraten en vrijzinnig-democraten = 31 + 23 + 6 = 60.

            Woensdag 26 mei was de verkiezing en reeds donderdag 27 mei om half zes moest ik bij de koningin komen om mijn advies te geven. Zoo worden steeds de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer en de vice-president van den Raad van State als de drie eerstgeroepen adviseurs van de Kroon door de koningin gehoord. Het onderhoud duurde vijf kwartier. Ik werd op de gewone wijze, maar wel heel erg koel, meende ik te bemerken, ontvangen. De eerste drie kwartier zei de koningin geen woord. Toen ging ze enkele vragen stellen, eerst om nader te preciseeren wat ik gezegd had, daarna over de beteekenis der verkiezingscijfers. Vanwaar heeft Colijn zijn groote stemmenaanwas gekregen, aan wie hebben de christelijk-historischen verloren? Enz. Ik heb mijn advies, kort saamgevat, schriftelijk bevestigd. Ik leg ’t officieele afschrift, zoojuist van ’t Kabinet der Koningin ontvangen, hierbij.[28]

            Aan Hare Majesteit de Koningin.

            Majesteit!

Ingevolge Uwer Majesteits verlangen heb ik de eer, aan Uwe Majesteit eerbiedig aan te bieden onderstaande samenvatting van hetgeen ik de eer had in de mij op donderdag 27 mei laatstleden verleende audiëntie op de door Uwe Majesteit aan mij gestelde vraag te antwoorden.

            Ik acht het in hooge mate te betreuren, dat sinds het gebeurde op 11 november 1925 en de daarna gevolgde kabinetscrisis achtereenvolgens uitsluitend anormale parlementaire – niet geheel juist gewoonlijk genoemd: extra-parlementaire – kabinetten zijn opgetreden, omdat telkens weer bleek dat in de Tweede Kamer geen werkkrachtige meerderheid kon gevormd worden.

Onder een normaal parlementair kabinet versta ik een homogeen ministerie, dat optreedt met de wetenschap dat het op den steun kan rekenen van een meerderheid in de Tweede Kamer, met welke het kabinet eenes geestes is. De wijze waarop de kabinetsformateur zich die wetenschap verschaft, is niet van essentieele beteekenis. Naargelang van omstandigheden kan dit op verschillende wijzen geschieden. Maar wèl is essentieel dat hij aan Uwe Majesteit de verzekering kan geven, dat hij voor zijn kabinet op den steun eener bepaalde meerderheid kan rekenen.

Alleen bij het optreden van een zoodanig normaal parlementair kabinet kan het constitutioneel-parlementaire stelsel op bevredigende wijze functioneeren.

Daarom is mijne meening, dat na de op 26 mei gehouden verkiezing, nu het zittend extra-parlementair kabinet zijn portefeuilles ter beschikking van Uwe Majesteit heeft gesteld, allereerst moet worden nagegaan of de uitslag der verkiezingen zoodanig is geweest, dat de mogelijkheid voor een meerderheidsvorming en voor het optreden van een op die meerderheid steunend [2] kabinet geschapen is.

Inderdaad meen ik, dat dit het geval is.

Volgens de voorloopige thans gepubliceerde cijfers werden gekozen 31 katholieken, 17 Antirevolutionairen en 8 Christelijk-Historischen, tezamen 56 leden. Zouden deze drie fracties, welke voorheen gedurende vele tientallen van jaren trouw hebben samengewerkt, bereid worden gevonden een working majority te vormen, dan zou deze meerderheid 12 stemmen bedragen, mijns inziens ruimschoots voldoende om een ministerie, hetwelk met deze meerderheid eenes geestes zou zijn, een krachtig bewind te doen voeren.

Nog een andere meerderheid zou kunnen gevormd worden, wanneer de 31 katholieken bereid zouden zijn samen te werken met de 23 sociaal-democraten. Indien zich bij deze meerderheid van 54 nog de 6 Vrijzinnig-Democraten zouden voegen, zou zij zelfs 60 bedragen. Het is echter bekend dat de katholieken tot deze samenwerking niet bereid zouden zijn, tenzij in een geval van ‘uiterste noodzaak’.

Practisch komt daarom voor het heden alleen de eerstgenoemde meerderheidsvorming in aanmerking. Ik acht haar ook daarom in ’s lands belang gewenscht, omdat in de komende legislatieve periode naast de behartiging van andere groote landsbelangen, zooals de defensie en de finantiën, vooral de te voeren sociaal-economische politiek op den voorgrond zal moeten treden.

Ik meen derhalve dat het gewenscht zou zijn, door het geven van een opdracht tot de vorming van een parlementair kabinet door een formateur te doen onderzoeken, of de mogelijkheid van het optreden van een dusdanig kabinet feitelijk aanwezig is.

Opzettelijk noem ik hier ‘een parlementair kabinet’, zonder eenige bijvoeging, om den formateur meer vrijheid van beweging te geven, al is mijn persoonlijke overtuiging, dat een kabinetsvorming op een breedere dan alleen rechtsche basis thans geen aanbeveling verdient. De regeerkracht van een kabinet toch is geenszins recht evenredig aan de numerieke kracht van [3] de meerderheid, waarop het steunt. Hoe breeder de basis wordt genomen, hoe geringer de homogeniteit zal zijn in de meerderheid en diensvolgens ook in het kabinet.

Wanneer bovendien de homogeniteit niet enkel bestaat in overeenstemming omtrent de practische regeeringsdaden, maar ook op overeenstemming in de hoogere beginselen waarop het te voeren staatkundig beleid zal berusten, zal zij des te hechter worden. Men kan immers ook vooraf niet voor vier jaren vaststellen, welke meest belangrijke daden van wetgeving een kabinet zal stellen. Wijziging van omstandigheden zal wijziging en aanvulling van het regeeringsplan noodzakelijk maken. Is er in het kabinet groote overeenstemming omtrent de beginselen, dan ligt daarin een waarborg dat men ten aanzien van het niet voorziene deel van de te vervullen taak gemakkelijker tot overeenstemming in het kabinet en met de meerderheid waarop het steunt, zal kunnen komen.

Onder de redenen waarom ik Uwe Majesteit de dringende wenschelijkheid betoogde van het optreden van een normaal parlementair kabinet, noem ik vooral deze [drie][29]:

1. Doordat sinds 1925 voortdurend anormaal parlementaire kabinetten zijn opgetreden, zijn thans reeds vele kamerleden die vier of acht jaren zitting hebben, niet meer bekend en nog veel minder vertrouwd met een normale functioneering van het parlementair stelsel.

2. Mede onder den invloed van het stelsel der evenredige vertegenwoordiging, waardoor in tegenstelling met vroeger de drie rechtsche partijen bij de verkiezingen geheel zelfstandig en zonder onderling overleg optreden, heeft de ruim tienjarige periode van extra-parlementaire kabinetten de voorheen bestaan hebbende vertrouwelijke samenwerking der drie rechtsche kamerfracties wel niet vernietigd, maar toch wel zeer verzwakt. Ik acht dit voor de toekomst, bij de alom waar te nemen dreiging tegen het positieve christendom, waardoor nauwe samenwerking tusschen alle Christus-belijders steeds dringender noodig zal zijn, niet zonder gevaar. Herstel van de [4] vroegere samenwerking verdient mede daarom ten zeerste aanbeveling.

3. Er komt, wellicht onder – ten deele of geheel onbewusten – invloed van dictatoriale en fascistische neigingen, overal in Europa bemerkbaar, in ons land steeds meer neiging te pleiten voor het optreden van dusgenaamde ‘koninklijke’ kabinetten. Men meent daarmee de positie en den invloed van de Kroon op het staatsbestel te versterken. Mijns inziens volkomen ten onrechte. Ik ben overtuigd dat na langer of korter tijd juist het tegenovergestelde gevolg zal moeten worden geconstateerd. Aan het eind van deze ontwikkeling zie ik de mogelijkheid van het ontstaan van conflicten, dan niet meer tusschen een of ander ministerie en de volksvertegenwoordiging, maar bij kamerontbinding tusschen de Kroon en het kiezerscorps. Zoo zal de Kroon, zeer tot schade van haar aanzien en invloed, in den strijd der partijen betrokken worden, iets wat ieder ernstig staatsman als een van zijn allervoornaamste plichten zal beschouwen  om het met inzetting van al zijn kracht te voorkomen. De constitutioneele ministerieele verantwoordelijkheid heeft juist tot eerste doel, zoodanige heillooze conflicten te voorkomen. Nu leert echter de ervaring dat de gedachte van ‘koninklijke’ kabinetten juist door het veelvuldig optreden van extra-parlementaire kabinetten wordt gevoed.

Het is op deze gronden dat ik, gezien ook den uitslag der verkiezing op 26 mei jongstleden, aan Uwe Majesteit als mijn meening mededeelde, dat het optreden van een rechtsch normaal parlementair kabinet thans het meeste aanbeveling verdient.

Met gevoelens van eerbied heb ik de eer van Uwe Majesteit te verblijven,

De gehoorzame dienaar

(get.) Aalberse

’s-Gravenhage, 28 mei 1937.

Ik had geen indruk gekregen van wat H.M. zelf dacht. Mijn meening was zeer duidelijk, maar vermoedelijk haar niet geheel aangenaam. Wel was ze ’t volkomen eens met wat ik waarschuwend zei over ’t gevaar van zoo genaamde ‘koninklijke’ kabinetten.

            Vrijdag werd Goseling gehoord als voorzitter der katholieke kamerfractie. Hij belde me na afloop op en was zeer enthousiast. ’t Was de eerste keer, dat hij een conferentie met de koningin had. Hij  rekende er stellig op, dat hij hedenmorgen een opdracht tot kabinetsformatie zou ontvangen. Ik zei hem, dat mijn indruk een andere was: Colijn.

            Ik heb gelijk gekregen. Vanmorgen werd bekend, dat Colijn opdracht had ontvangen tot vorming van ‘een’ kabinet. Dus zonder eenige bijvoeging! Hij heeft dus reeds alle volmachten in zijn zak. Ik vermoed, dat hij weinig omslag zal maken en evenals in 1935 zijn kabinet een beetje zal reorganiseeren en dat hij dan optreedt als ‘een kabinet’, afwachtende of hij een meerderheid zal hebben.

            Ik acht dit nefast, evenals ik ’t opnieuw optreden van Colijn verkeerd acht. De katholieken komen weer in dezelfde moeilijke politieke situatie als in 1933-1937: als ze tegen ’t kabinet stemmen, stemmen de sociaal-democraten ook ertegen en hebben ze samen een meerderheid. Zoo zullen de katholieken geplaatst worden voor de keuze: zich door Colijn als quantité négligable te laten behandelen òf met de sociaal-democraten een meerderheid te vormen. Het een is al even verkeerd als het ander. Jammer: vanavond vergadert de nieuwe Roomsch-katholieke kamerfractie. Ik kan er niet heen gaan, omdat ik om half acht een zitting heb van het Centraal Medisch Tuchtcollege. Als ze nu maar geen onbekookte besluiten nemen!

dagboekcahier 10

01/06/1937

dinsdag 1 juni 1937

Zaterdagmiddag en gisterenavond heeft de katholieke kamerfractie vergaderd. Beide keeren was ik verhinderd deze vergaderingen bij te wonen. Ik heb daarom vanmorgen aan Van Poll gevraagd mij even in te lichten. Het kwam hierop neer. In de eerste vergadering bleek Goseling zeer enthousiast over de ontvangst door de koningin. Hij verwachtte, dat hij maandag opdracht tot de formatie van een rechtsch kabinet zou ontvangen. Maandagavond was de positie geheel veranderd, daar ’s morgens Colijn opdracht had ontvangen voor de vorming van een kabinet, dus zonder eenige bijvoeging. Mijns inziens is dit een opdracht met een stok achter de deur: als de katholieken met hun 31 man niet mee willen werken een parlementair kabinet te vormen, zooals Colijn dat wil, dus op een breede basis, dan kan hij een extraparlementair kabinet vormen. Goseling wilde op een rechtsch kabinet aandringen met evenredige vertegenwoordiging van de katholieken, dus vijf van de tien portefeuilles. Ik vermoed, dat Colijn daar niet aan zal willen. Een zuiver rechtsch kabinet is voor hem al zeer moeilijk te vormen. Hij heeft zich voor de verkiezing herhaaldelijk, in de Tweede en Eerste Kamer en daarbuiten, uitgesproken voor een kabinet op breede basis: genoeg  was, dat alle ministers trouw waren aan de christelijke tradities. Vager kan ’t al niet! Misschien speculeert Goseling erop, dat Colijn dit zal weigeren en dan zijn opdracht teruggeven, waarna hij dan de geroepene zou zijn. Ik geloof er niets van: Colijn gaat gewoon door en dwingt dan de katholieken om òf zich te buigen òf zijn kabinet in november weg te stemmen, maar … dan met behulp van de sociaal-democraten, terwijl hij weet, dat de groote meerderheid van de katholieken niet met de sociaal-democraten wil samengaan. Ik vrees, dat men een gevaarlijk spel wil spelen.

dagboekcahier 10

03/06/1937

donderdag 3 juni 1937

Colijn is begonnen met maandagmiddag Goseling, dinsdagmorgen en -avond Schouten, woensdag De Geer en daarna de huidige ministers De Wilde, Oud en Van Schaik te hooren. Goseling was ook over zijn onderhoud met Colijn weer enthousiast, hij meende, dat Colijn ’t met hem eens was. Dat is juist ’t bezwaar. Colijn is ’t altijd met je eens, maar dat waarborgt niet, dat hij den volgenden dag niet precies omgekeerd handelt! Dat heb ik in 1933 tweemaal ondervonden en in 1935 nog weer eens. Ik zit hierbuiten, rustig de dingen die komen afwachtende. Dinsdag kwart voor elf moet ik te Amsterdam bij de koningin komen om beëedigd te worden

dagboekcahier 10

09/06/1937

woensdag 9 juni 1937

Een drukke week! Zaterdag werd de zitting der Staten-Generaal gesloten, gisteren werd ze weer geopend. Eerst moest ik naar Amsterdam om door H.M. beëedigd te worden als kamerlid, om daarna de machtiging te ontvangen den overigen 99 leden den eed af te nemen. Ik was juist kwart voor één in de Tweede Kamer, waar de vereenigde zitting gehouden werd. Minister De Wilde opende, namens H.M., met een korte rede, uitsluitend gewijd aan de tweede lezing van de grondwetsherzieningsvoorstellen.

            Daarna vergaderde de katholieke kamerfractie. Ik had de twee vorige vergaderingen niet kunnen bijwonen. Zoo vernam ik nu eerst hoe de zaken stonden (vreemd, dat Goseling geheel vermijdt met mij te spreken. Waarom eigenlijk?) ’t Bleek me, dat de katholieke kamerfractie krachtig, op een zuiver rechtsch kabinet had aangedrongen. Colijn wilde dit blijkbaar ook wel, maar wenschte Van Lidth de Jeude aan Waterstaat te behouden. In de fractie gingen daar stemmen tegen op. Ik waarschuwde: Van Lidth de Jeude behoort bij den Vrijheidsbond, maar hij is geen liberaal in zijn denkbeelden. Als Colijn op voorwaarde van zijn behoud een rechtsch kabinet wil vormen, moeten wij hem daarin niet dwarsboomen. Doen wij dit, dan  krijgen we een herhaling van 1933. Dan geeft hij zijn opdracht terug en adviseert een katholiek opdracht te geven een rechtsch kabinet te vormen. Als deze dan niet slaagt – wat waarschijnlijk is, omdat de anti-revolutionairen niet loyaal zullen meewerken – krijgt Colijn weer opdracht een extraparlementair kabinet te vormen. Dit is veel erger voor ons dan wanneer we nu toestaan een rechtsch kabinet met Van Lidth de Jeude als vakminister aan Waterstaat. ’t Bleek me, dat dit kalme woord veel instemming vond en dat ook Goseling ’t er mee eens was. Ik moest om twee uur weg en heb dus ’t slot der vergadering niet bijgewoond. Ik twijfel echter niet of men zal in groote meerderheid voor mijn advies gestemd hebben. Colijn moest gisteren om zes uur bij de koningin komen. Feitelijk zal dan de beslissing wel gevallen zijn.

            Om drie uur had ik Kamer. Als laatste president in de vorige zitting was ik van rechtswege president. Ik benoemde de commissie voor het onderzoeken der geloofsbrieven. Vandaag was ze al met haar arbeid gereed. Ik beëedigde de leden: 98, daar twee afwezig waren. Daarna opmaken nominatie voor een voorzitter. Van de 98 stemmen kreeg ik er 89. Als tweede kwam weer Van Dijk, als derde Drees. 

            Morgen benoemt de koningin mij. Vrijdag dan weer vergadering, welke ik zal openen met een rede over de beteekenis en de positie van den kamervoorzitter. Daarna zal ik voorstellen de ontwerpen grondwetsherziening woensdag van de volgende week in de afdeelingen te behandelen. Dan gaat de Kamer op reces en zaterdagmorgen 8.56 stap ik in de Edelweiss om me naar Genève te begeven. De Arbeidsconferentie is al 3 juni begonnen. Ik kom dus halverwege.

            Ik stel er wel prijs [op] om te gaan, omdat het vrij zeker voor de laatste keer is. Immers, nu ik als kamerpresident herkozen ben, zal ik dit wel deze geheele vierjarige periode – bij leven en welzijn – blijven. Nu vergadert de Kamer altijd in juni, in den regel om ’n paar groote wetsontwerpen te behandelen. Ook de Arbeidsconferentie komt altijd in juni bijeen. Dus kan ik er dan niet meer heengaan.

            Ik ga nu afscheid nemen van alle mij daar lief geworden plekjes en van de twee trouwe vrienden die ik daar gekregen heb: Wolf en Olga Liebeskind. Ze hebben echter al beloofd, dat ze ’t volgende jaar weer naar Den Haag komen, evenals verleden jaar. Jammer, dat mijn lieve Liesje nog niet beter is, al gaat ’t wel goed en al geneest de beenwond voorspoedig.

dagboekcahier 10

27/06/1937

zondag 27 juni 1937

Weer thuis uit Genève. ’t Was mijn bedoeling geweest eerst gisterenavond terug te komen; ik kwam echter reeds maandagavond thuis. Ik was zaterdag 12 juni naar Genève vertrokken. In de trein las ik al de ochtendbladen met de ‘overzichten’ van de kamerzitting van vrijdag, waarin ik bij de aanvaarding van ’t presidium een rede had gehouden over de positie van den Tweede Kamervoorzitter. Reeds in de Kamer had ik veel betuigingen van ingenomenheid met die rede vernomen. De griffier van de Eerste Kamer, die aanwezig was, zei: Ik wou dat mijn baas die rede gehoord had! Inderdaad, die heeft ’n heel andere opvatting van ’t presidium als ik!

            In Lausanne stapte Olga in de trein. Ook ’n verrassing! Juist dat laatste eind – ik was om even voor negen uur uit Den Haag vertrokken en je komt pas kwart voor twaalf ’s nachts te Genève aan – is ’t zwaarste. ’t Werd nu wel zeer aangenaam verlicht! In Genève stond Wolf aan de trein met zijn wagen. Ze brachten me naar ’t hôtel, waar Olga nog mijn koffers uitpakte. Zondagmorgen kwamen ze me weer 11.15 halen voor de messe des paresseux in de  Notre Dame. Ze bleven bij mij lunchen en daarna ging ik met hen mee. We brachten den snikheeten middag door in den nog woesten tuin van hun nieuwe huis, dat ze eerst in’t volgende jaar gaan betrekken. Ik zag de kinderen weer, behalve Annette, die in een kinderhuis in Lausanne is. Daarna soupeerde ik bij hen thuis, met Serrarens. Maandag ging ik naar de Conferentie, waar juist het slot was van de algemeene beschouwingen over ’t rapport van den directeur. Weer was ’t snikheet.

Dinsdag veranderde het weer en woensdag was ’t koud: de bise woei weer! Dien avond was ’t gewone ‘presidentsfeest’ in ’t Carlton Hôtel. Men dreef ons naar ’t terras, omdat de zalen waarin de buffetten waren, eerst om twaalf uur open gingen. ’t Was er hevig koud. Om elf uur – we waren om tien uur gekomen – ging ik met een paar andere Nederlanders naar binnen. Helaas, ik had al kou gevat. Den volgenden dag had ik hevige keelpijn. En ’t werd steeds erger. Toen Wolf en Olga me zondagmorgen kwamen halen, voelde ik me beroerd. Mijn heele borst en rug deden me pijn en ik was zoo heesch, dat ik bijna geen geluid kon geven. Toen greep mij de angst aan, dat ik ziek zou worden,  ziek in Genève, terwijl Lies in Den Haag in bed lag! Ik besloot mijn koffers te pakken en naar huis te gaan. Olga pakte ze weer voor me in en om half drie zat ik in den trein naar Basel. Ze vergezelde me weer tot Lausanne, waar ze Annette ging bezoeken. Ik voelde me al een boel beter. Naar huis zond ik een expresse brief, die maandagmiddag om vijf uur aankwam. Ik arriveerde 7.14. Piet en Lies junior waren aan de trein, angstig, dat ’t ‘erg’ zou zijn. Dat viel mee. Maar nog veel meer viel mij mee, dat in de acht dagen van mijn afwezigheid de voet van Lies – de groote wonde – geheel geheeld was! ’t Leek wel een wonder! Dr. Sikkel heeft me krachtig behandeld en vandaag is mijn keel al weer veel beter.

            Onderwijl is van de week ’t nieuwe kabinet geformeerd. Colijn … formeerde … een rechtsch kabinet!! ’t Was mijn advies aan de koningin, maar ik had nooit gedacht, dat Colijn het doen zou. Gisterenavond is hij anderhalf uur bij me geweest, hoewel ik eigenlijk nog niet spreken mag. Hij scheen me erg vermoeid en gedeprimeerd. Maar ik ben blij, dat we weer hebben wat Schaepman in 1902 juichte: ‘een christelijke regeering, steunende op een christelijke meerderheid.’ 

dagboekcahier 10

18/09/1937

zaterdag 18 september 1937

Vanmiddag is de zitting der Kamer – die behalve de twee vergaderingen voor de nominatie en de installatie van den voorzitter nimmer vergaderde – weer gesloten. Ik kon niet aanwezig zijn. ’t Is weer ’t zelfde als na Genève.

            Ik was 12-21 juli[30] te Parijs om de jaarvergadering van de Union Interparlementaire bij te wonen. Het was er alle dagen snikheet. 21 juli kwam ik gezond en wel terug, maar ’t weer sloeg om en ’t werd eensklaps zeer koud. Met eenzelfde gevolg: heftige keelaandoening, maar daarbij thans ook een hevige neusverkoudheid. Eergisteren had ik nog 38.5. Thans is de temperatuur weer normaal, vanmorgen zelfs abnormaal laag: 36.4. Maar ik ontzie me om maandagmiddag in de vergadering der fractievergadering te kunnen zijn en dinsdag bij de opening der Staten-Generaal, waarna ik om vier uur de Tweede Kamer moet presideeren.

            Die fractievergadering is belangrijk. Er moet, nu Goseling minister is geworden, een nieuwe president gekozen worden. Maar wie? Eerst dacht men aan Van Schaik, den afgetreden minister van Justitie. Maar hij wil niet. Hij voelt zich in een eigenaardige positie tegenover Colijn.  Hij heeft een ander voorstel (aan Goseling!) gedaan: ik zou weer voorzitter van de fractie worden, hij wilde me dan als voorzitter van de Kamer opvolgen. Aan Goseling, die me dit overbracht en aan Bongaerts die me erover kwam spreken, heb ik ronduit geantwoord: men heeft mij voor twee jaar zeer doelbewust weggepromoveerd: ik moest plaats maken voor Goseling. Goed, ik heb daaraan meegewerkt, omdat ik ’t geïntrigeer achter mijn rug moe was en ik Goseling voor de verantwoordelijkheid wilde stellen. Maar ik ben niet bereid de fractie in de gelegenheid te stellen dit spel nog weer eens te herhalen. Wil men mij daarom niet als voorzitter der Kamer herkiezen, dat moet men weten, maar men kan mij daardoor niet dwingen voorzitter der fractie te worden.

            Eerlijk gezegd zit die zaak me heel dwars. ’t Is mij steeds duidelijker geworden hoe de vork toen in den steel zat. Goseling wilde na de verkiezingen kabinetsformateur en dus minister-president worden. Daarbij zat ik hem als fractievoorzitter in den weg. Toen begon hij eensklaps de questie van ’t aanblijven der drie katholieke ministers in 1935 op te rakelen. Daar  moest een publicatie over komen om deze zaak op te helderen. Zoo zou blijken, dat er tusschen hen en mij een misverstand was gerezen. Ik had gezegd: aanblijven, indien wij het met Colijn eens werden. Zij hebben dit, wonderlijk genoeg, opgevat als: aanblijven in elk geval. Goseling voelde dit als een fout van mij. Onverwachts kwam de dood van Ruijs. Toen werd ik voorzitter van de Kamer en was voor hem de plaats vrij voor ’t voorzitterschap der fractie. De publicatie over de drie ministers (en mij!) was nu niet meer noodig; ik was weggepromoveerd en mijn positie behoefde niet meer ondermijnd te worden. Tot de kabinetsformatie kwam! Hij was toen toch weer bang, dat de koningin, omdat ze hem niet kende, hem zou passeeren en mij opdracht zou geven. Hij wilde toen, dat ik die opdracht dan zou aanvaarden, gelijk Nolens in 1918, dus zonder zelf in ’t kabinet te gaan zitten en dat ik dan hem aan de koningin zou aanbevelen. Ik weigerde hierop in te gaan. Nolens had een goede reden om niet in ’t kabinet te treden, welke reden zou ik moeten opgeven? Bovendien was ik vast overtuigd, dat de koningin noch mij noch hem opdracht zou geven, maar Colijn. 

            Dit is een niet zeer mooie geschiedenis, maar ik ben vast overtuigd, dat ze waar is.  Maar na dit alles zal men ’t toch moeten billijken, dat ik, nu Goseling wel niet zijn eigenlijke doel: het minister-presidentschap, heeft bereikt, maar in elk geval het door hem zeer begeerde ministerie van Justitie heeft gekregen, maar niet aanstonds bereid ben om mijn presidentszetel in de Kamer te verlaten en weer terug te dalen naar het voorzitterschap van de fractie, die me twee jaar geleden doelbewust heeft weggepromoveerd.

            Maar wie dan wel? Van Schaik en Deckers, beide ministers in ’t vorig kabinet-Colijn, kunnen niet con amore de politiek van ’t kabinet Colijn-Goseling-Steenberghe verdedigen. Bongaerts, thans vice-president der fractie, wil graag, maar men wil hem niet om zijn onaangenaam humeur en omdat hij, hoewel een bekwaam ingenieur, toch niet de staatsmannelijke qualiteiten heeft om de politieke leider van de R.K. Staatspartij te zijn. Wie dan? Teulings? Hij zal niet graag zijn goed bezoldigd secretariaat van de Staatspartij opgeven. Ook is hij mijns inziens te heftig. Kortenhorst?  Hij is zeker bekwaam genoeg, maar zijn positie van bezoldigd secretaris der Roomsch-katholieke werkgevers zit hem in den weg. Van Poll? Ook hij is zeker bekwaam genoeg, maar hij mist voldoende prestige. Ik vrees ook, dat hij, die hard moet werken voor zijn brood, den noodigen tijd niet ter beschikking zal kunnen stellen. Maar wie dan? Zóó vrees ik, dat men toch weer aandrang op mij zal uitoefenen. Toch komt ’t me voor, dat ik niet behoef toe te geven. Niet alleen om ’t verleden. Maar ook geeft het mijns inziens geen pas, dat de grootste kamerfractie eerst uit eigen beweging – om die hooge plaats te bemachtigen – haar voorzitter voor ’t presidium afstaat om hem dan na twee jaar, als haar dat beter uitkomt, weer terug te nemen. De andere groepen zouden daarover terecht verontwaardigd zijn. Ik geloof ook niet, dat ’t goed zou zijn voor Goseling, omdat de niet al te mooie zaak van twee jaar geleden in een te helder licht zou komen.

Ik hoop nu maar, dat mijn verkoudheid me zal toelaten maandagmiddag naar de fractievergadering te gaan. Ik ben zéér benieuwd naar den afloop. 

dagboekcahier 10

27/09/1937

maandag 27 september 1937

Alles is nog goed voor elkaar gekomen: Van Schaik is met 20 van de 30 stemmen tot voorzitter van de fractie gekozen en heeft deze benoeming aangenomen en ik ben weer tot voorzitter van de Tweede Kamer benoemd.

            Verleden week maandag was de clubvergadering. Er is lang en niet bijster aangenaam gedebatteerd. Loerakker stelde voor Van Schaik tot voorzitter van de fractie te kiezen, Steinmetz stelde toen voor: Teulings. Later kwam Kortenhorst met Bongaerts. Hij betoogde uitvoerig, waarom Van Schaik ’t niet moest zijn. Deze had zelf verklaard groote bezwaren te hebben, maar … niet volstrekt neen gezegd. Ik wees erop, dat voorzitter van de fractie niet vereenigbaar was met ’t secretariaat van het partijbestuur. Teulings beaamde dit en zei ook niet neen. Over Bongaerts sprak niemand. Toen kwam Kuiper met ’n lange speech: hij was zoowel tegen Van Schaik als tegen Teulings. Over Bongaerts sprak hij niet. Hij deed echter ’n beroep op mij. Het was een fout geweest, dat men mij twee jaar geleden als voorzitter had  laten gaan. Deze fout moest nu hersteld worden. Ik had recht op dit eerherstel. Hij kon verzekeren, dat alle leden der fractie verheugd zouden zijn wanneer ik weer den voorzittershamer in de hand zou nemen. Enz. Ik dankte voor de vriendelijke woorden, maar verklaarde, dat dit inzicht twee jaar te laat kwam. Ook anderen voerden nog het woord hierover tot Van Poll positief vroeg of ik een eventueele benoeming zou aannemen, waarop ik slechts antwoordde: neen. Tegen Teulings voerde Kuiper zeer cru aan, dat wij geen zetbaas van Goseling wilden hebben. Teulings bleek erg boos. Eindelijk kwam ’t tot stemming: Van Schaik twintig, Teulings vijf, Bongaerts twee of drie stemmen en eenige blanco’s. Van Schaik nam toen de benoeming aan, maar met een zwaar hart.

            Den volgenden dag was ’t opmaken van de nominatie van drie voor ’t kamervoorzitterschap. Ik kreeg 78 van de 91 stemmen. Vier waren er uitgebracht op De Marchant et d’Ansembourg, drie op Van den Tempel (door de communisten), één op Van Schaik (van wien??), één op Smeenk (van mij) en vier blanco’s (van de antipapisten). Ik kwam dus nummer 1 op de voordracht. Nummer 2 werd Smeenk (anti-revolutionair) en nummer 3 Drees. Donderdag bij de installatie  hield ik een korte rede, die echter boven mijn verwachting gunstig werd opgenomen. Ik had 11 juni pas een groote rede gehouden en meende daarom thans, zoo kort daarna, met ’n kort woord te kunnen volstaan. Deckers zei me na de fractievergadering: je had groot gelijk, dat je dat – overigens goed bedoelde – voorstel van Kuiper zoo bits van de hand wees.

            19 october krijgen we nu de grondwetsherziening en 9 november beginnen we met de algemeene beschouwingen. Dat kan ’n warm debat worden en ik zal een zware taak krijgen om de orde te handhaven. Ik ben echter vast besloten van ’t eerste oogenblik af streng op te treden. Ze zijn dat niet van me gewoon en dus zal ’t, hoop ik, wel indruk maken.

dagboekcahier 10

14/10/1937

donderdag 14 october 1937

Ik zit onverwacht voor een zeer moeilijke beslissing. Dinsdagavond kwam Goseling bij me, die me namens Colijn kwam polsen of ik in aanmerking wilde komen voor een benoeming tot lid van den Raad van State. Hij zei, dat Colijn hem drie candidaten had voorgeslagen: Van Schaik,  Van Wijnbergen en mij. Ik was ’t eerst aan bod. Zei ik neen, dan Van Schaik, die zeker zou aannemen, zoodat Van Wijnbergen afviel.

            Toen tijdens de kabinetsformatie Van Schaik de gedachte opperde, dat ik in de spoedig te verwachten vacature-Romme in den Raad van State zou benoemd worden en dat hij me dan als voorzitter van de Tweede Kamer zou opvolgen, heb ik dit ver van me afgeworpen. Ik was in de dwaling, dat de leden van den Raad van State op zeventigjarige leeftijd zouden moeten aftreden. Ik zou er dus maar vier jaar in kunnen zitten. Dan bleef ik natuurlijk veel liever in de veel aangenamer en ook meer eervolle en invloedrijke positie van voorzitter van de Tweede Kamer. Finantieel maakte ’t weinig verschil.

            Goseling zei echter, dat hij me toch kwam polsen, want dat de aftredingsleeftijd 75 jaar was. Hij kon zich voorstellen, dat ik over vier jaar, als de Kamer aftrad, en ik 70 jaar was, me niet meer beschikbaar zou stellen voor ’t kamerlidmaatschap en dat ’t me dan misschien spijten zou niet nog vijf jaren in den Raad van State te zitten.

            Inderdaad maakte dit een verschil. Ik  nam het aanbod dus in overweging met de belofte uiterlijk vrijdag te antwoorden, daar de vacature maandag aanstaande in den ministerraad zou behandeld worden.

            En daar zit ik nu. Ik heb het lidmaatschap van den Raad van State nooit geambieerd:

’t is me te rustig. Op den finantieelen kant der dingen heb ik nooit veel gelet. De vraag is echter of ik dat thans tegenover mijn gezin en mijzelf ook mag doen. Want er zit dit in: als lid en voorzitter van de Tweede Kamer ontvang ik (na de grondwetsherziening) f 9000,–. Laat daar een f 1000,– kosten afgaan, dan houd ik toch een f 8000,– plus f 6000,– ministerpensioen is f 14000,–. ’t Lidmaatschap van den Raad van State geeft f 7700,– salaris min 10% pensioenpremie; dat wordt dus ± f 7000,– plus f 6000,– ministerpensioen en f 1000,– kamerpensioen (na de grondwetsherziening wordt er bij cumulatie verrekening toegepast, anders zou ’t zijn f 3000,–), is ook f 14000,–.

            Thans is ’t dus tot 1941 finantieel gelijk. Ik verkies dus nu ’t voorzitterschap van de Kamer boven ’t lidmaatschap van den Raad van State. Maar na 1941. Als ik dan uit de Kamer zou gaan, hield ik maar f 7000,– pensioen  over, terwijl ik als lid van den Raad van State daarbij de f 7000,– salaris zou bekomen. In die vijf jaren scheelt dat dus f 35000,–. Bovendien dan de eervolle positie van staatsraad en anders ambteloos. De vraag is dus: is de prijs: thans afstand te doen van het kamervoorzitterschap, niet te hoog om die f 35000,– te verkrijgen?

            Aanvankelijk dacht ik ja. Ik heb er nog eens met den griffier over gesproken. Aanvankelijk was hij van gelijke meening. Maar zoojuist kreeg ik een brief van hem, waarin hij zegt, na alles nog eens rijpelijk overwogen te hebben, en hoezeer het hem zou spijten weer den besluiteloozen en dus moeilijken Van Schaik als voorzitter terug te krijgen, dat hij toch meent, dat de zekerstelling van mijn finantieele positie na mijn 70en verjaardag toch wel een groot belang was, temeer, omdat ik hem gezegd had, dat ik jaarlijks voor rente, aflossing en premies voor levensverzekering f 6000,– noodig had. Zou mijn inkomen tot f 7000,– gedaald zijn, dan zou ik een veel te groot bedrag er met schrijven en dergelijke bij moeten verdienen, wat steeds moeilijker zou worden. Vooral daarom meende hij, dat ik op mijn aanvankelijke afwijzende houding, waarmee hij ’t aanvankelijk  ook eens was, zou moeten terugkomen.

            Inderdaad, als ik dit alles rustig overweeg dan nijg ik ertoe zijn raad te volgen. Hoe jammer, dat mijn oude vriend en raadsman gedurende meer dan 25 jaren, mgr. Aengenent, er niet meer is. Hoe zou ik met hem, die mij persoonlijk en mijn toestand zoo precies kende, dit alles rustig kunnen overwegen. Wat zou hij me aanraden, als hij er nog was? Ik vermoed, dat hij zou zeggen: aannemen. Gij kunt niet ’t risico op u nemen, dat gij op uw ouden dag nog weer in finantieele moeilijkheden zult komen.

            Toch, eerlijk gezegd, is ’t een bittere pil om te slikken. ’t Is al weer een gevolg van de Futura-narigheden. Had ik in die zaak niet een goede f 70.000,– verloren, ik zou er thans finantieel heel anders voorstaan. En dan, eigenlijk toch in hoofdzaak op finantieele overwegingen een eervolle positie, die mij aangenaam is, ook om ’t werk dat mij zoo goed ligt, prijs te geven, terwijl ik mij eigenlijk nooit door finantieele overwegingen heb laten leiden, stuit me geweldig tegen den borst. Maar – ik zal tot een besluit moeten komen, ja of neen! Ik hel thans over naar: ja … Daar wordt me juist  nog een briefje van den griffier gebracht. Op mijn verzoek namelijk heef hij aan Suring nog inlichtingen gevraagd over de pensioenquestie, namelijk in hoeverre de pensioenen verrekend worden met ’t salaris en hoe ’t staat met ’t kamerpensioen na de grondwetsherziening. Het blijkt nu, dat we ’t eerste punt goed hebben gezien: bij het salaris cumuleert ’t pensioen wanneer men 65 jaar is. Maar omtrent ’t tweede punt had hij zich vergist. Suring wees op een overgangsbepaling, dat vóór april 1936 verworven pensioenen onaantastbaar zijn. De positie wordt dus in de eerste vier jaar bij ’t aanvaarden van ’t lidmaatschap van den Raad van State f 2000,– gunstiger. Met andere woorden als ik bedank houd ik f 9000,– + f 6000,– = f 15000,–. Als ik aanneem, krijg ik f 7700,– + f 6000,– + f 3000,– – f 770,– (pensioenpremie) = dus bijna f 16.000,–. Als ik dan de representatiekosten als kamerpresident schat op ± f 1000,– per jaar, word ik er terstond al ± f 2000,– beter op, om dan van vier jaar nog vijf jaar f 16.000,– te hebben tegen anders (als ik dan uit de Kamer ga) f 9000,– dus per jaar f 7000,– meer. Als ik dan denk aan de moeilijke finantieele positie, waarin ik in 1941 zou komen, als mijn inkomen f 6000,– kleiner werd, dan begin ik toch ook veel sterker tot de conclusie over te hellen, dat ik roekeloos zou handelen, wanneer ik thans voor het aanbod mij tot lid van den Raad van State te  benoemen zou bedanken. Ik zal er dus nog eens rustig over denken en met Lies over spreken. Wel zal ’t me zwaar vallen ten tweeden male uit de Kamer te scheiden (eerst in 1916 toen ik professor te Delft werd) en vooral om afstand te doen van de mooie en invloedrijke positie van kamerpresident. Daarmee had ik ’t hoogste bereikt wat er te bereiken is. Feitelijk zou ik nu een stap terug doen, al blijf ik als minister van Staat toch wel op een hooger niveau dan een gewoon lid van den Raad van State.

            Moge de H. Geest mij voorlichten hoe ik thans handelen moet.

dagboekcahier 10

16/10/1937

zaterdag 16 october 1937

Ik moet nu tot een besluit komen. Het valt mij zwaar van de Kamer en inzonderheid van den voorzitterszetel te scheiden en dat toch in hoofdzaak om finantieele redenen. En toch, als ik alles rustig overdenk, mag ik het aangeboden lidmaatschap van den Raad van State niet afslaan. Ik moet erop rekenen, dat al houd ik ’t als kamerpresident vol tot 1941, ik dan toch als 70-jarige misschien òf niet meer herkozen word òf zelf tot de conclusie kom, dat heengaan plicht is en dat het af te raden valt dan nòg ’t presidium te willen vervullen.

            Wat de finantieele gevolgen precies zijn staat nog niet vast, daar ’t niet zeker schijnt of het kamerpensioen van f 3000,– voor f 2000,– in mindering van mijn ministerspensioen zal komen. De griffier houdt vol: neen. Immers in artikel 9 van de wet van 9 januari 1936, Staatsblad 300, staat uitdrukkelijk, dat geen vermindering wordt toegepast op een pensioen vóór 1 april 1936 verleend op grond van ‘het pensioen bedoeld in het derde lid van artikel 90 der Grondwet’. Daar staat niet bij, dat dit laatste pensioen moet verleend of toegekend zijn vóór 1 april 1936. Ik vind dit volkomen duidelijk en ook Suring legt dit aldus uit.

            Voor alle zekerheid heb ik Goseling gevraagd eens te laten nagaan hoe dit zit. De door hen geraadpleegde ambtenaar meent, dat er wèl verrekening moet plaatshebben. Ik geloof, dat hij zich vergist. Heeft hij echter gelijk, dan zou ik de eerste vier jaren f 1000,– in inkomen achteruit gaan. Immers thans heb ik f 9000,– als kamerpresident plus f 6000,– ministerpensioen = f 15.000,–, waar dan echter ± f 1000,– kosten per jaar afgaan. Kom ik in den Raad van State dan zou ik volgens zijn opvatting ontvangen:  als lid van den Raad van State f 7.700,– min f 511,50 pensioenpremie = f 7.188,50 plus f 4000,– (6000-2000) ministerpensioen en f 3000,– kamerpensioen, totaal f 14.188,50. Met andere woorden mijn inkomen zal ongeveer gelijk blijven. Is de andere opvatting juist, dan zou ik f 2000,– meer ontvangen en er dus zelf deze vier jaren ± f 2000,– op vooruitgaan.

            Maar na 1941, als ik uit de Kamer zou gaan, zou ’t verschil veel grooter worden, daar dan mijn f 15000,– die ik thans heb, dalen tot òf f 7000,– òf f 9000,–, terwijl ik anders tot 1946 zou ontvangen ruim 14 of 16.000 gulden. Dus met andere woorden, als ik thans neen zeg, zal in 1941 mijn inkomen met f 7000,– achteruitgaan. En dat kan mijn bruin nu eenmaal niet trekken!

            Wanneer ik de zaak dus uitsluitend uit finantieel oogpunt bezie, is er geen aarzeling mogelijk. Daar staat dan alleen tegenover, dat ik mijn kamerpresidentschap prijs geef. Maar is ’t in mijn finantieele omstandigheden geoorloofd, dat ik daarvoor dat groote finantieele voordeel prijs geef? Ik ben tot de slotsom gekomen van niet. Aanstonds ga ik nog even met Goseling praten en dan valt ’t besluit. Toch is ’t zwaar. 

dagboekcahier 10

19/10/1937

dinsdag 19 october 1937

De zaak is beslist. Vanmiddag is door Colijn de voordracht me met ingang van 10 november a.s. te benoemen tot lid van den Raad van State aan H.M. de koningin gezonden.

            Eerst ben ik zaterdagmiddag nog eens met Goseling gaan praten. Over de pensioenverrekening was hij ’t met mij eens, dat zijn deskundige ambtenaar zich vergist had. Hij zou hem opnieuw raadplegen. Tenslotte stelde ik hem de vraag: wat zoudt gij in mijn plaats en in mijn finantieele omstandigheden doen? was zijn antwoord: ik zou geen oogenblik aarzelen en aannemen. Om zes uur gaf ik hem mijn definitief bescheid: ik verklaarde mij bereid de benoeming tot staatsraad aan te nemen. Ik vroeg echter, indien mogelijk, de benoeming te doen ingaan 10 november, omdat de Kamer 9 november bijeenkomt voor de behandeling der begrooting, zoodat ik dan openlijk afscheid kan nemen en niet onverhoeds verdwijn. Hij was ’t daarmee eens.

            Reeds ’s avonds negen uur ontving ik van Colijn dit briefje:

’s-Gravenhage 16-10-’37.

Amice. Ik had den heer Goseling verzocht u eens te polsen over eene eventueele bereidwilligheid om de ontstane vacature in den  Raad van State te vervullen.

Hij deelt mij nu mede grond te hebben voor de meening, dat gij bereid zoudt zijn eene benoeming te aanvaarden.

De strekking van dit briefje is nu u de vraag in officieelen vorm voor te leggen of gij bereid zijt in de vacature-Romme eene benoeming te aanvaarden, indien H.M. op eene voordracht mijnerzijds gunstig beschikt.

Als ik uw antwoord vóór maandag twee uur ontvangen mocht zal mij dit aangenaam zijn, aangezien de ministerraad, zooals u bekend is, zijne goedkeuring aan de voordracht hechten moet.

Gaarne tout à vous,

(was geteekend) H. Colijn.

Maandagmorgen om tien uur bezorgde ik aan zijn departement dit antwoord:

’s-Gravenhage 18 october 1937.

Amice! Na kort maar rijp beraad heb ik de eer op de door u in uw schrijven d.d. 16.10.’37 mij gestelde vraag: of ik bereid ben in de vacature-Romme in den Raad van State eene benoeming te aanvaarden, indien H.M. op eene voordracht uwerzijds gunstig beschikt, te antwoorden: ja.

Het zal u begrijpelijk voorkomen,  dat ik, sinds 1903 tot heden, met een onderbreking van negen jaren, lid van de Tweede Kamer, wel een oogenblik van aarzeling gehad heb, temeer wijl het uittreden uit dit college voor mij tevens beteekent het afstand doen van de eervolle positie van voorzitter ervan.

Toch is de conclusie waartoe ik tenslotte kwam deze geweest, dat ik u dankbaar moet zijn voor het tot mij richten van die vraag en dat ik mij naar meer dan één richting niet verantwoord zou achten, wanneer ik daarop niet een bevestigend antwoord zou geven.

Bij een eventueele benoeming hoop ik dat er, voor wat betreft den datum van ingang, gelegenheid zal zijn rekening te houden met de werkzaamheden der Kamer. Ik meen, dat ik op het oogenblik der benoeming en niet op dat der beëediging ophoud lid der Tweede Kamer te zijn. Dit zou in het midden van een week waarin de Kamer vergadert tot eenige moeilijkheid kunnen leiden. Ik heb daarbij vooral op het oog de agenda van deze week, waarop de voorstellen tot grondwetsherziening staan.

Met hartelijke groeten totus tuus

(was geteekend) Aalberse.

Na dezen brief afgegeven te hebben moest ik naar Heemstede voor een vergadering van het Borromeüsfonds ten huize van mr. Bomans om elf uur. Na die vergadering kregen we een rijke lunch en eerst tegen zes uur vertrokken we. Ik ging toen naar mijn jongsten heerbroer, den officiaal, te Haarlem, om hem in vertrouwen ’t nieuws mee te deelen. Hij was zeer verrast maar was ook van meening, dat ik niet had mogen weigeren. Toen ik ’s avonds om tien uur thuiskwam, bleek me, dat Colijn me al had opgebeld. Ik belde hem op. Hij deelde me mee, dat de ministerraad de voordracht had goedgekeurd. Vandaag ging ze reeds naar de koningin. De bedoeling is: benoeming met ingang van 10 november. Hij was ’t er volkomen mee eens, dat ik niet zoo maar uit de Kamer verdwijnen kon.

            Zoo is dus de kogel door de kerk! Vermoedelijk komt donderdag de benoeming af. Ik heb verzocht haar dan vier en twintig uur geheim te houden, opdat ik zelf haar aan de leden der Kamer zou kunnen meedeelen en ze haar dus niet eerst in de krant zouden lezen. Colijn vond dit een juiste gedachte en zeide dit toe. Ik ga nu een afscheidsrede maken om deze op 9 november te houden.

dagboekcahier 10

21/10/1937

donderdag 21 october 1937

Dinsdag en woensdag heeft de Kamer vergaderd ter behandeling van de voorstellen tot grondwetsherziening en verder een kleine agenda. Het was met zeer gemengde gevoelens, dat ik deze beide vergaderingen presideerde: de laatste! Want wel zal ik dinsdag 9 november nog eenmaal in den presidentieelen zetel plaats nemen, maar dan om een afscheidsrede te houden. Ik ben van plan om daarna de vergadering te schorsen en dan te verdwijnen. De eerste vice-president kan mij dan verder vervangen. Finis! …

            Toch ben ik blij, dat ik deze twee vergaderingen nog heb geleid. Voor ’t eerst kregen we debatten met de Nationaal-Socialistische Beweging. Een rumoerige zitting werd verwacht. Aanvankelijk scheen het, dat de volle tribunes waar voor hun geld zouden krijgen. De N.S.B.-er De Marchant et d’Ansembourg hield de eerste rede. Reeds in ’t begin zei hij, dat de Nationaal-Socialistische Beweging vóór de vrijheid was. Zeer luid kuchte toen Duymaer van Twist: hm! hm! Gelach! Ik wenkte hem en bood hem een wijberttablet aan om zijn keel te restaureeren. Dit sloeg in en de spanning was gebroken. Verder is er in beide dagen niets gebeurd, dat zelfs maar  leek op ’t begin van een incident. De stille vrees van sommigen, dat onder mijn te vriendelijke leiding de Kamer al te woelig zou worden, is niet bewaarheid. Wat ik ook stellig verwacht had. Men verwart vriendelijke onpartijdigheid met slapheid. Juist omdat ik de communisten en nationaal-socialisten met pijnlijk precieze onpartijdigheid en voorkomendheid behandeld heb, heb ik ze bij voorbaat ontwapend.

            Ik heb nog geen bericht van mijn benoeming ontvangen. Mijn brief, waarin ik haar aan de Kamerleden meedeel, ligt reeds gereed. Zoodra ik ’t bericht ontvang, wordt hij verzonden. De leden vernemen ’t dan van mij vóórdat ’t in de krant heeft gestaan. Ook heb ik vandaag mijn aanstaande benoeming meegedeeld aan mijn getrouwde kinderen. Die weten ’t dus morgenochtend.

            De ministers kwamen me in de Kamer achtereenvolgens gelukwenschen. Ook Van Schaik, wien Goseling ’t onder geheimhouding had meegedeeld. Hij was zeer verheugd in ’t vooruitzicht, dat hij weer president van de Kamer zou worden. Hij wilde Deckers als opvolger voor ’t fractievoorzitterschap. Hij was tegen Teulings.

dagboekcahier 10

30/10/1937

zaterdag 30 october 1937

Vrijdagmiddag 22 october ontving ik van Colijn dit briefje:

Amice Aalberse. Ik heb zoojuist uwe benoeming gecontrasigneerd. Het ligt in mijn voornemen de benoeming te doen opnemen in de Staatscourant van maandag a.s.

U mijne gelukwenschen aanbiedende, gaarne tout à vous, H. Colijn.

Onmiddellijk telefoneerde ik den griffier en nog denzelfden avond gingen de brieven –  die gezet stonden, alleen de datum moest nog worden ingevuld – ter perse en op de post, zóódat alle leden den volgenden morgen mijn mededeeling hadden. Natuurlijk kwam toen zaterdagavond het bericht al in verschillende kranten, in verschillende zelfs reeds met zeer waardeerende bijschriften.

            De eerste, die mij zaterdagochtend per telefoon feliciteerde – al ’s morgens om half negen! – was Albarda. Hij zei, wat vele anderen mondeling of schriftelijk me daarna zeiden, dat het hem erg speet, maar dat hij ’t begrijpen kon. Dit is ook den teneur van alle – thans al ruim 250 – telegrammen en brieven, die ik vervolgens ontving, soms van zelfs mij geheel onbekende menschen.

            Ik heb deze week een bezoek gebracht bij den vice-president van den Raad van State (de koningin is president)  en werd allerprettigst door hem ontvangen. Hij was zeer verheugd, dat er weer eens een ‘jonge’ kracht in den Raad kwam. Hij zou aan de Kroon voorstellen mij in te deelen in drie afdeelingen: Economische en Sociale Zaken (in plaats van Koolen), Justitie (vacature Romme) en Onderwijs, ik weet niet meer in wiens plaats. Ik ben dus goed onder dak. Hij wist nog niet of de koningin me zelf zou beëedigen of dat hij daartoe door haar gemachtigd zou worden; hij vermoedde het laatste. Maar zoojuist meldde hij me, dat hij naar Het Loo had geschreven en ten antwoord had gekregen, dat H.M. er prijs op stelde mij persoonlijk te beëedigen.Ik zal dus tusschen 10 (datum ingang der benoeming) en 16 november (datum installatie) wel naar Het Loo moeten, tenzij de koningin een dier dagen in Den Haag mocht komen.

            Gisteren ben ik naar Amsterdam geweest om de dr. Kuyper-herdenking (100e geboortedag) bij te wonen. Ik was er nog als voorzitter van de Kamer en had de eereplaats in de zaal en aan de lunch. ’t Was een schitterende vergadering, ’t Concertgebouw stampvol. Maar … ’t was nogal taai.

            Mijn afscheidsrede voor 9 november heb ik al gereed. De griffier, die erg kritisch aangelegd is, was er enthousiast over en had slechts enkele opmerkingen  van weinig belang. Voor één fout heeft hij me alvast behoed: ik had gezegd: na tweeënhalf jaar presidentschap. En ik ben maar anderhalf jaar voorzitter geweest! Door mijn driemaal herkiezing in die periode, was ik in de war gekomen!

            Vandaag nog ’n rede gemaakt voor de installatie der commissie uit den Hoogen Raad van Arbeid voor de verbindend-verklaring van collectieve arbeidsovereenkomsten, op woensdag a.s. Ik installeer die door mij benoemde commissie (als voorzitter van den Hoogen Raad van Arbeid) omdat ’t de eerste maal is, dat er een permanente adviescommissie optreedt (artikel 4 van de Wet op de Verbindendverklaring).

            Maandag ga ik visites rijden bij de leden van den Raad van State. Na 9 november zal ik ook nog afscheidsvisites moeten afleggen bij de ministers en den voorzitter van de Eerste Kamer. Ik heb verschillende zeer waardeerende brieven ontvangen, onder andere van mgr. Huibers, bisschop van Haarlem, en van mgr. Giobbe, den internuntius. Vermoedelijk 20 november ga ik afscheid nemen van mijn trouwe kiezers in Twente, die me in 1903 in de Kamer brachten en me tot nu toe erin hielden! Waar werd oprechter trouw gevonden? Ik zie tegen ’t afscheid van de Kamer, 9 november a.s., wel op, maar ik ben overtuigd, dat ik daarna wel vreugde in mijn benoeming  zal gaan gevoelen. Een goede zijde is wel, dat Lies er zoo mee in haar schik is. Ze hoopt, dat ze nu wat meer aan mij zal hebben. Dat mag ook wel. In mijn langen openbaren loopbaan heeft ze heel wat gemist en opgeofferd. Ik wou zoo graag, dat, als we ’t volgend jaar 40 jaar getrouwd zij, zij dan eens een ridderorde kreeg. Ze heeft ’t dubbel en dwars verdiend.

dagboekcahier 10

06/11/1937

zaterdag 6 november 1937

Dinsdagmiddag werd ik door het Kabinet der Koningin opgebeld om me te waarschuwen, dat ik een oproeping zou ontvangen om donderdag om 12.15 op Het Loo te komen, waar de koningin me dan zou beëedigen als lid van den Raad van State. Ik had dit eigenlijk eerst de volgende week verwacht, omdat mijn benoeming eerst 10 november ingaat. Woensdagavond ontving ik een regeeringstelegram, mij uitnoodigende den volgenden dag 12.15 op Het Loo te zijn.

            Donderdagmorgen vertrok ik in dikke mist met den Duitschen D-trein. Precies twaalf uur was ik in Apeldoorn, waar ik met een hofauto werd afgehaald. Op Het Loo werd ik ontvangen door den dienstdoenden kamerheer, die me meedeelde, dat de koningin me na de  beëediging een audiëntie zou verleenen. De secretaris van het Kabinet kwam me onderwijl al uitnoodigen mee naar boven te gaan. Hij las me den eed voor (één eed, daar men den zuiveringseed in den ambtseed gevlochten had) en terstond daarna, ’t was nog vóór kwart na twaalf, kwam de koningin binnen, die eerst, zeer opgewekt, een praatje begon. ‘Goedemorgen, meneer Aalberse, dat zal voor u een heele verandering zijn!’ enz. Zoo ontspon zich het gesprek over mijn veeljarig kamerlidmaatschap en de motieven die mij bewogen hadden mij voor den Raad van State beschikbaar te stellen. Toen las de secretaris den eed voor en ik zweerde. De koningin maakte een buiging en zei: ik hoop u aanstonds nog te zien.

            Langzaam, pratend, liep ik met den kamerheer naar beneden en – daar wachtte de koningin al op me! We zaten heel gezellig in twee fauteuils. De koningin begon: ‘Ik heb u zoojuist beëedigd als lid van den Raad van State, maar ik wil u toch zeggen, dat het mij zeer spijt, dat u uit de Kamer heengaat. Ik heb van verschillende kanten gehoord, dat u zulk een bijzonder goede voorzitter is. Het spijt mij werkelijk.’ Ik heb toen nog eens verklaard waarom ik ’t had aangenomen en zoo kwam van zelf het gesprek op ’t presidentschap. En vandaar  op de vertegenwoordigers van de uiterste partijen, de communisten en de N.S.B.-ers. ’t Bleek weer, dat H.M. buitengewoon goed van alles op de hoogte was. Al pratende kwamen we op mijn vele werkzaamheden, onder andere ’t vele kranten lezen. ‘Maar daar moest u een secretaris voor hebben.’ Ik vertelde toen hoe sinds jaren achtereenvolgens vier dochters mijn secretaresse geweest waren. ‘Wat moet dat interessant en ontwikkelend voor haar zijn! En uw zoon?’ Ik vertelde, dat hij nu advocaat was en steeds als plaatsvervangend secretaris optrad.

            ’t Was een echt gezellig gesprek, dat bijna een half uur duurde. Toen ik van de koningin afscheid had genomen, zei de kamerheer me: ‘De koningin heeft u lang aan de praat gehouden. Ze was voornemens u maar een kwartier te houden met het oog op uw trein die al kwart voor twee vertrekt.’ Daarna werd voor mij een lunch opgediend: omelette met gerookte ossentong, lamsboutcotelettes met aardappelen en heereboontjes, pudding, fruit, koffie, sigaar. Alles werd vlug opgediend en even half twee stapte ik weer in de hofauto die me naar den trein van 1.45 bracht, precies op tijd.

            Ik zal aan dezen dag, die me herinnerde aan mijn beëediging als minister in september 1918, een aangename herinnering behouden. 

dagboekcahier 10

10/11/1937

woensdag 10 november 1937

Vannacht om twaalf uur hield ik op lid van de Tweede Kamer en ving ik aan lid van den Raad van State te zijn. Merkwaardig levensmoment! Gisterenmiddag om één uur in de Tweede Kamer afscheid genomen. Ik hield een tamelijk groote rede, die gisterenavond in extenso in alle kranten stond. Daarna hield Duymaer van Twist als oudste kamerlid een zeer hartelijke rede, tenslotte sprak dr. Colijn als voorzitter van den ministerraad en toen schorste ik de vergadering voor een half uur om aan de leden, de pers en de ambtenaren gelegenheid te geven van mij afscheid te nemen in mijn kabinet. Daar vond ik een groote vaas met bloemen van de perstribune!

            ’t Afscheid van allen was hartelijk. De communist Lou de Visser had tranen in de oogen, het speet hem zoo, zei hij, dat ik heenging.

            Mijn vrouw, Lies Meuleman en Piet, Lies, Joke en Stan woonden de vergadering bij. Ze waren er ook zeer over voldaan.

            De volgende week geef ik een huisselijk afscheidsdinertje aan de drie griffiers en Pippel, dien ’t erg getroffen had, dat ik hem in mijn rede openlijk bedankt had. Hij verdiende ’t! 

Alles is goed gegaan. Ik heb me ook goed gehouden en mijn rede, die ongeveer twintig minuten duurde, langzaam en kalm uitgesproken. Toch was ik zeer onder den indruk van dit afscheid van de kamersfeer, waarin ik sinds april 1903 geademd heb.

            En nu ben ik lid van den Raad van State. Dinsdag a.s. is de installatie.

dagboekcahier 10

10/12/1937

vrijdag 10 december 1937

Ik had gedacht nu eens wat meer tijd te krijgen. Maar in de eerste maand dat ik in den Raad van State trad, heb ik al geleerd, dat hij heel wat meer werk brengt dan men veelal denkt.

            Dinsdag 16 november werd ik geïnstalleerd. Prins Bernhard was er voor overgekomen. Hij wenschte me bijzonder hartelijk geluk met mijn benoeming. De installatierede van den vice-president was bijzonder warm. Ik heb kort bedankt.

            In deze maand was het nog maar steeds: afscheid. Den griffier, de twee commiezen-griffier en den directeur van de griffie heb ik woensdag 1 december thuis ten eten gevraagd. ’t Was een gezellig diner en heel wat uit ’t verleden hebben we opgehaald.

            Deze week woensdag – 8 december – bood de katholieke Tweede Kamerfractie mij een afscheidsdiner in het Hôtel De Witte Brug aan. Ook dat was zeer  gezellig. Bij ’t dessert hield Deckers – sinds een maand fractievoorzitter – een warme rede, aan ’t slot waarvan hij me een zilveren presenteerblad aanbod, waarin alle handteekeningen der leden gegrift waren, benevens een zin uit Schaepmans warme verwelkoming bij ’t verschijnen van het Katholiek Sociaal Weekblad in 1902. Ik heb er terstond op geantwoord en omtrent verschillende dingen mijn hart nog eens gelucht. Later hoorde ik, dat men ’t goed had opgenomen en van een scheidenden president gaarne eenige wijze lessen voor de toekomst in ontvangst nam. We bleven nog lang bij elkaar. Om half twee bracht Van Schaik me thuis.

            Zaterdag tevoren heb ik afscheid genomen van mijn oude kiezers in Almelo. Februari a.s. is ’t juist 35 jaren geleden dat men mij daar in de Tweede Kamer koos. En al dien tijd zijn we elkaar wederkeerig trouw gebleven, behalve in 1922, toen men, meenende dat ik wel minister zou blijven, in mijn plaats een boer stelde. ’t Was een agrarische overrompeling, waarop niemand bedacht was geweest. In 1925 heeft men de fout weer hersteld. Trouwens ze hadden ’t beter geraden dan ik: hoewel vast besloten af te treden ben ik toch in 1922 nog minister gebleven.  Ook in die vergadering heb ik een afscheidsrede gehouden en eenige wijze lessen uitgedeeld. Je krijgt zoo’n beetje een patriarchaal gevoel!

En toch is mijn hart nog even jong als vroeger. Ik bemerk dit bij ’t lezen van de oude cahiers van mijn dagboek. Prof. Brom heeft me gevraagd om hem eenige persoonlijke herinneringen te geven over dr. Ariëns. Ik ben daarom begonnen – wat ik nooit gedaan heb! – mijn oude dagboek nog eens, beginnend op bladzijde één, te herlezen. En ’t is frappant, zooals mij dit treft. Soms moet ik de lezing beëindigen, omdat ’t me werkelijk te machtig wordt.[31]

’t Is eigenlijk, nu wij bijna 40 jaar getrouwd zijn, roerend om al die vele aanteekeningen over ‘Liesje, mijn Liesje’ te herlezen. Ik leef ’t weer heelemaal mee, al dat getob, dat ik maar niet bij haar in huis kon komen, dien koelen Willem, die er maar niets van begreep en me alsmaar op zijn naar looi stinkend kantoor liet komen. En dan mijn eerbiedigen schroom voor haar, telkens blozend als een jong meisje als ik haar op straat ontmoette. Tot eindelijk die brief, waarin ik haar alles, alles vertelde …  Neen, dien heb ik toch ook niet met drooge oogen kunnen herlezen. 

dagboekcahier 10

12/03/1938

zaterdag 12 maart 1938

Eigenlijk ben ik boos op mezelf, dat ik mijn dagboek – ’t wordt zoo onderhand een kwartaalboek! – zoozeer verwaarloos. En toch zou er wel wat op te teekenen zijn geweest, al is mijn leven heel wat kalmer dan vroeger. ’t Werk van den Raad van State bevalt me wel, al is ’t meer dan ik gedacht had en zeker dan de menschen denken. Al driemaal heb ik een uitgever bij me gehad, die meende, dat ik nu een zee van vrijen tijd heb. De een vroeg me mémoires te schrijven, de ander een nieuwe populaire uitgave van de gewijzigde Grondwet, de derde wilde mijn verzamelde artikelen en redevoeringen uitgeven. De Tijd vroeg me weer de Haagsche Brieven te schrijven. De vorige week vroeg ’t partijbestuur me een parlementaire en staatkundige geschiedenis te schrijven over de jaren 1900-1937. Ik heb overal voor bedankt. Ik schrijf nog geregeld – twee à drie artikelen per week – in De Maasbode, dat is welletjes. Ik schreef het hoofdstuk over de arbeidswetgeving in het jubileumboek dat uitgegeven wordt bij gelegenheid van ’t regeeringsjubileum van H.M. de koningin. Ik moet nog schrijven een hoofdstuk in een jubileumnummer dat uitgegeven wordt bij ’t 25-jarig bestaan van ’t Centraal Bureau voor de Drinkwatervoorziening.

            Er was wel een en ander op te teekenen geweest over den gang van zaken op politiek terrein: de houding van de katholieke kamerfractie, de verkiezing tot haar voorzitter van mr. Deckers, de verkiezing van mr. Verschuur tot voorzitter van ’t partijbestuur, enz. Ik verheug me erover, dat ik in al deze zaken telkens weer geraadpleegd word. Ik hoop met mijn, in den regel kalmeerende, adviezen nog iets goeds te doen. Ik had op 31 januari kunnen juichen over de geboorte onzer prinses Beatrix. Ik had vooral heel wat kunnen opteekenen over den gang van zaken op internationaal gebied. Hoe pakken zich daar donkere wolken tezamen. Deze tijd lijkt schrikbarend veel op de maanden juni en juli 1914. Gisterenavond werd ik door de radio opgeschrikt, toen ik hoorde, dat op sommatie van Hitler in Oostenrijk Schuschnigg was afgetreden. Vannacht zijn de Duitsche troepen ‘ter handhaving van de orde’! langs zes wegen Oostenrijk binnen gemarcheerd. Om twaalf uur vanmiddag las Goebbels voor de radio een manifest van Hitler voor. Hoe zullen Frankrijk en Engeland dit opvatten? ’t Heette altijd, dat de Anschlusz een casus belli zou vormen. Hitler en Mussolini gaan echter onverstoord hun gang, denkende: ze durven toch niet. Wat zal ’t einde zijn?

dagboekcahier 10

23/03/1938

woensdag 23 maart 1938

’t Is volop lenteweer, al wekenlang! Maar in de wereldpolitiek ziet het er nog steeds donker uit, al is de spanning geleidelijk iets minder geworden. Ik begin me hoe langer hoe meer voor de internationale politiek te interesseeren, wat bij mij aanstonds zeggen wil, dat ik erover wil schrijven. In de ‘Haagsche Brieven’ heb ik al vaak het buitenlandsch gebeuren behandeld, gewoonlijk in den vorm van gesprekken met een denkbeeldigen diplomaat of met een op De Witte ontmoeten, even denkbeeldigen buitenlander. De Tijd heeft me onlangs gevraagd de ‘Haagsche Brieven’ weer te gaan schrijven. Ik heb dat van de hand gewezen. Vooral op dezen grond: ik schrijf wel niet-onderteekende artikelen in De Maasbode, maar deze zijn redactioneel. De Haagsche Briefschrijver in De Tijd schrijft ook anoniem, maar hij is een persoon, hij schrijft zijn eigen meening, onafhankelijk van die der redactie. Nu acht ik dit, vooral tegenover de regeering, als lid van den Raad van State, niet correct. Dan zou ik moeten onderteekenen. Maar … dan zou ook meteen duidelijk zijn, dat ik over vele dingen niet zou kunnen schrijven.

            Wel voel ik een bekoring om in De Tijd artikelen over ’t internationaal gebeuren te schrijven, ook in een vaste rubriek, bijvoorbeeld als ‘Brieven uit Parijs’ of onder  den titel ‘Van Tijd tot Tijd’. Ik zou dan dat gebeuren vooral willen zien in historisch verband. In elk geval wacht ik daarmee tot na juni. Begin mei moet ik voor ± tien dagen naar Genève voor een mijnarbeids-conferentie en in juni voor drie weken weer voor de gewone jaarlijksche conferentie. Verleden jaar dacht ik er voor ’t laatst geweest te zijn. Als voorzitter van de Tweede Kamer kon ik vrij zeker in juni niet afwezig zijn. En ziedaar – thans ben ik weer vrij. Toen de regeering me vroeg, heb ik eerst den vice-president van den Raad van State geraadpleegd. Hij had er wel bezwaren tegen, maar toch geen overwegend bezwaar. Dat kon ook moeilijk, omdat mr. Limburg ook steeds gedelegeerde is op de Volkenbondsconferenties. En hij zit nog wel in de afdeeling Geschillen van Bestuur en kan dus moeilijker gemist worden dan ik.

dagboekcahier 10

28/04/1938

donderdag 28 april 1938

Morgen vertrek ik naar Genève. Maandagmorgen elf uur begint de voorbereidende technische conferentie voor den mijnarbeid. Ik verheug me er zeer over te kunnen gaan. Niet om de conferentie, waarvan ik in de gegeven omstandigheden, nu Duitschland en Italië niet meer meedoen en Oostenrijk niet meer bestaat, niets verwacht, maar om het feit, dat ik gaan kan. De vorige week kreeg mijn oudste broer, de emeritus-pastoor van Voorburg, een ontsteking aan het been. Het liet zich  zóó slecht aanzien, dat dinsdag er een consult plaats had met een chirurg en een internist over de vraag of het been niet moest worden geamputeerd. Arme kerel, daar zit hij al sinds 1911 met zijn zwaren jicht – sinds jaren kan hij zich vrijwel niet bewegen – en zijn suikerziekte, waarvoor hij, ook al sinds jaren, driemaal daags met insuline wordt ingespoten en met zijn verwonde voeten en benen en nu zou men hem nog op die wijze gaan martelen. Gelukkig is de conclusie geweest: niet doen. Na een paar dagen was de ontsteking weer geheel verdwenen. Maar of ’t nu ’t gevolg van de geslikte medicijnen was, weet ik niet, toen was zijn maag van streek en hij kon er zelfs geen slokje water meer inhouden. Zaterdagmorgen kreeg hij een collapse. In haast werden hem de Heilige Sacramenten toegediend, maar door een spuitje kwam hij weer bij. Zijn toestand was echter zeer slecht. Maandagmiddag nam hij afscheid van me. Wist hij ’t: met precies dezelfde woorden waarmee in 1897 mijn goede vader dit deed: ‘Je bent altijd goed voor je vader geweest en vooral ook voor je moeder. Jongen, maak je niet bezorgd, ’t zal je altijd goed blijven gaan.’ Ik dacht werkelijk, dat ik hem niet zou weerzien. Ook Lies dacht zoo. We hebben altijd veel van elkaar gehouden en nooit iets onaangenaams gehad. Integendeel, we leefden  altijd met elkaar mee. Dinsdag had ik Raad van State. Dus kon ik eerst woensdag naar hem toe gaan. Eerst had ik den dokter opgebeld, omdat de zuster me bericht had, dat hij voor ’t eerst weer een goeden nacht had gehad en zich veel beter gevoelde. De dokter bevestigde het en zei, dat als dit nog een dag aanhield, ik gerust naar Genève kon gaan. En ’t hield aan, zelfs crescendo. Dus zei de dokter gisteren: ga gerust. Toen ik dit gisterenmiddag mijn broer meedeelde, straalde hij. Ja, de dokters hadden hem ook al gezegd, dat ’t goed ging, maar hij vertrouwde ze maar half! Maar dit was nu een feit, dat ze me voor veertien dagen weg lieten gaan. Zoojuist belde de dokter me op: uw bezoek van gisteren en uw mededeeling, dat u naar Genève gaat, heeft wonderen gedaan. Hij gelooft nu ook in zijn herstel. De nacht was weer heel goed en hij knapt zienderoogen op. Goddank! Hij is al 72, maar steeds nog, bij al zijn lijden, zoo levenslustig en opgewekt! Nu hoop ik maar, dat er tijdens mijn wegzijn niets gebeurt. 16 mei, uiterlijk, ben ik weer terug.

dagboekcahier 10

04/07/1938

maandag 4 juli 1938

’t Is al weer veel te lang geleden, dat ik iets opteekende! En toch is er sinds 28 april veel gebeurd.

            30 april vertrok ik met de Edelweiss naar Genève. Ik bleef te Basel overnachten en 1 mei kwam ik te  Genève aan. 2 mei begon de conferentie. Een Belg werd tot voorzitter gekozen. Al spoedig viel op, dat de verhouding tusschen werkgevers en arbeiders veel gunstiger was dan voorheen. Overigens had deze conferentie, die feitelijk alleen beoogde een vragenlijst voor het polsen der regeeringen op te stellen, een zeer kalm verloop. Ik at bij Butler en zat naast hem op de eereplaats aan tafel. Vermoedelijk, omdat er op deze technische conferentie in hoofdzaak ambtenaren als gedelegeerden waren en ik de eenige minister van Staat was, behalve dan dat Polen zijn minister van Arbeid gezonden had. De conferentie liep in tien dagen af en 11 mei vertrok ik weer. Weer overnachtte ik in ’t hôtel Euler te Basel. Daar aankomende vond ik een brief van moeder Lies. Ik was verbaasd, maar meer nog over den inhoud: onze eenige zoon Piet was zoo goed als (behoudens mijn toestemming) verloofd met Guusje Ingen Housz te Breda! Lies was er zeer verheugd over. Ik ook. ’t Is een allerliefst meisje, flink, goed ontwikkeld – ze deed eindexamen gymnasium – en degelijk katholiek en van een keurige familie. Wat kun je meer verlangen? Daar ik na veertien dagen weer naar Genève moest voor de groote conferentie, wilden ze in dien tijd hun verloving publiek maken en receptie houden. Aldus is geschied, op Guusjes 21e verjaardag. 

            Eerst gingen Lies en ik een visite te Breda bij de ouders afleggen. We werden er allerhartelijkst ontvangen. Mevrouw heet Mutsaerts. Ik zei haar: ik heb in de Kamer, toen ik daar in 1903 kwam, nog eenige jaren een oude heer Mutsaerts gekend, burgemeester van Tilburg; was dat ook familie van u? – Ja, zei mevrouw, dat was mijn … grootvader!! Toen schrok ik toch: ben ik dan al zóó oud?! ’t Is echter te begrijpen; ik was toen 32 en hij in de 70, we verschilden dus 40 jaar in leeftijd. Maar ’t is toch wel typisch, dat iemand, dien ik zoo goed gekend heb, nu de overgrootvader van Piet wordt!

            Zondag daarop was de receptie te Breda, des zaterdags voorafgegaan door een familiediner. ’t Was alles echt gezellig. Piet heeft ’t goed getroffen!

            Woensdag 1 juni vertrok ik weer naar Genève en reisde nu ineens door, omdat donderdag 2 juni de conferentie aanving. Ik werd door de regeeringsgroep als vice-president voorgedragen, de werkgeversgroep droeg een Hongaar en de arbeidersgroep een Engelschman voor. Voorzitter werd prof. Falcao, minister van Arbeid in Brazilië. Wel toevallig, dat van de vier leden waaruit ’t presidium bestond, er drie katholiek waren! Dat zou je in Genève niet verwachten!

            Ik heb tweemaal gepresideerd, eerst een middagvergadering van drie tot zes uur en daarna nog eens  in de slotvergadering van negen uur tot half twaalf; toen kwam de president om de sluitingsrede te houden. Volgens gebruik hield ik daarna nog een bedankingsrede. We vergaderden ditmaal in ’t nieuwe Volkenbondspaleis. Ik vind ’t meer groot dan mooi. Bij de behandeling van ’t rapport van den directeur hield ik ook een rede, vooreerst om Butler uit te luiden en vervolgens om te reageeren op ’t slot van zijn rapport, waarin hij sprak over de ‘duisternis der barbaarsche Middeleeuwen’. Ik had er veel succes mee, vooral – bij Butler zelf! Hij had in zijn Engelschen tekst geschreven ‘the Dark Age’, daarmee doelende de zevende tot negende eeuw. De Fransche vertaler had daarvan echter gemaakt ‘Moyen Âge’! Butler was ’t heelemaal met me eens en was vooral getroffen door wat ik tot hem als afscheid gesproken had!

            Zaterdag 25 juni kwam ik weer thuis. Juist was ik thuis, toen de radio de onthulling van mijn borstbeeld te Amsterdam uitzond. Gelukkig, dat ik een goed alibi had en dat ik bij al die mooie redevoeringen niet aanwezig kon zijn!

            En nu vandaag is onze jongste dochter Joke met ir. Han Klep in ondertrouw opgenomen! Ze trouwen donderdag 21 juli, den dag waarop wij 40 jaar getrouwd zijn! Ik hoop, dat dit voor hen een goed voorteeken moge zijn.

dagboekcahier 10

25/08/1938

vrijdag 25 augustus 1938

Dat arme dagboek! ’t Gekke is, dat ik, juist omdat er zóóveel gebeurt, niets opschrijf. Ik heb er eenvoudig geen tijd voor. Na mijn terugkeer uit Genève verzocht Witlox mij om naar Rotterdam te komen teneinde een onderhoud te hebben met hem en den directeur Kuypers. Ik schrok ervan! Mijn geweten knaagde. Door mijn verblijf in Genève had ik voor De Maasbode in meer dan twee maanden vrijwel niets geschreven. En toch zonden ze me trouw elken maand mijn ongeveer 450 guldens, die ik niet missen kan. Zouden ze ’t contract willen opzeggen? … Met een bang hart ging ik naar Rotterdam en werd er … allerhartelijkst ontvangen! Kuypers had met ’t oog op ’t 40-jarig regeeringsjubileum van koningin Wilhelmina een idee. Tot nu toe had hij, gelijk alle kranten dat doen, bij dergelijke gelegenheden een feestnummer uitgegeven, waaraan 20 à 25 vroede mannen op verzoek een bijdrage hadden geleverd. Hij meende, dat vrijwel niemand zoo’n nummer las. Hij had nu een ander idee: aan één man opdragen het heele nummer te schrijven, één groot artikel, een essay, dat één geheel uitmaakte. Hij schatte ’t op ± 25 kolom. Mijn oordeel werd gevraagd.

            Ik kon niet anders als er mijn volle instemming mee betuigen, maar ik geloofde wel, dat het moeilijk zou zijn er iets goeds van te maken, daar ’t gevaar groot zou zijn, dat de schrijver in een soort kroniek zou vervallen, wat nu juist niet de bedoeling was. Toen kwam de aap uit den mouw: of ik ’t schrijven wilde? Met het oog op mijn geringe prestaties in de vorige maanden en omdat ik meende, dat de Raad van State me in de maanden juli en augustus weinig werk zou verschaffen, nam ik ’t aan. De copie zou uiterlijk 20 augustus klaar moeten zijn. Wat heeft me dat lange artikel dwars gezeten!

            Vooreerst bracht de Raad van State me enorm veel werk. Heel begrijpelijk trouwens: de ambtenaren, die met vacantie gaan, maken liefst ’t werk dat ze onderhanden hebben, eerst af. Vandaar vooral in juli een groote massa wetsontwerpen en Algemeene Maatregelen van Bestuur. Dan kwam daar in augustus de begrooting voor 1939 bij, een heele kluif. En verder was Limburg met vacantie en moest ik ook het voorzitterschap van de afdeeling Justitie waarnemen.

            Vervolgens kwam er Joke’s bruiloft en onze 40-jarige trouwdag bij. Ook dat bracht veel beslommeringen mee en legde beslag op mijn tijd.

            En onderwijl zat ik met dat groote artikel  in mijn maag De grootste moeilijkheid was er een goeden opzet voor te vinden. Tenslotte koos ik dezen: koningin Wilhelmina, in een parlementair-constitutioneele monarchie, in een tijdperk van overgang op staatkundig, sociaal en economisch gebied. Zoo kwam ik tot vier deelen: 1. inleiding: over ’t feest, de troonaanvaarding, beëediging en inhuldiging in 1898, 2. koningin Wilhelmina als constitutioneele vorstin, 3. deze 40 jaren een overgangstijdperk, 4. slot: Te Deum laudamus.

Op dit stramien heb ik ’t heele stuk gedicht: ruim 60 klein en dicht beschreven velletjes. En zaterdagavond 20 augustus schreef ik den laatsten regel! Dus precies op tijd! tot mijn eigen groote verbazing. Ik zond de copie terstond op en heden, 26 augustus zond ik de gecorrigeerde proef al weer terug. Vreemd is, dat men mij nu heelemaal niet schreef hoe men ’t vond. Witlox is afwezig wegens vacantie. Maar Wessels, die ’t nummer verzorgt en Kuypers zelf, zullen de copie toch wel ingezien hebben. Maar ik kreeg alleen, omgaande, van Wessels een bericht van ontvangst, meer niet. ’t Is natuurlijk mogelijk, dat ze zich iets geheel anders hadden voorgesteld en dat ’t stuk hun dus is tegengevallen. Zelf ben ik er, vooral nu ik ’t gedrukt voor me heb gezien, nogal tevreden over, wat gewoonlijk bij mij  niet ’t geval is, tenzij … na een of twee jaar, als ik ’t eens herlees. Gewoonlijk vind ik ’t dan nogal goed.

            Maar tusschen al dit werk in: de trouwdag van Joke en Han. ’t Is een werkelijk mooie dag geweest. Zoowel de ambtenaar van den burgelijken stand op ’t stadhuis als mijn heerbroer Johan herdachten in hun toespraak ons 40-jarig feest. En ’s avonds stonden er ook foto’s in de kranten van ‘de twee bruidsparen’. In de kerk was ’t plechtig; de deken van Etten en de pater Jesuïet – beiden Van den Biesen’s, dus ooms van Han – assisteerden. Den vorigen dag was een H. Mis voor ons, waaronder bijna alle kinderen te communie gingen, terwijl pater Nijland en prof. Groenen een H. Mis op de zijaltaren lazen. Daarna een feestelijk ontbijt, thuis.

            Op den trouwdag hadden we het dejeuner-dinatoir in De Witte Brug, met 27 man aan tafel. ’t Was goed en prettig. Om half zeven vertrokken de jonggehuwden en om acht uur trokken wij met alle kinderen en schoonzoons en Guusje naar huis om daar ons 40-jarig feest te vieren. Ook dat is een vreugdevolle avond geweest, vooral door het dolkomieke en geestige optreden van Piet. ’t Was half twee, toen we ter ruste gingen. ’t Was alles bijeen een heerlijke dag geweest, een dag van groote dankbaarheid.

            Zaterdag 23 juli werd mijn sinds vele jaren gekoesterd plan verwezenlijkt: alle veertien kleinkinderen hadden wij bijeen, van half twaalf tot zes uur. Een mooi  geslaagde foto bewaart er de herinnering aan.

            Tenslotte nog iets. Vanmorgen had ik met dr. Colijn een bespreking over de Anna-kliniek te Oegstgeest. Met hem en den heer Mees vorm ik een ‘raad van toezicht’. Na deze conferentie verzocht hij me nog even te blijven en toen deelde hij me mee, dat ik op 30 augustus ter gelegenheid van ’t regeeringsjubileum benoemd zou worden tot commandeur in de Orde van den Nederlandschen Leeuw, ter erkenning van mijn arbeid gedurende mijn zevenjarig ministerschap. ’t Is dertien jaar na mijn aftreden, maar toch vond ik ’t aangenaam, dat hij ’t aldus toelichtte. En nu ben ik net door de ruim 300 telegrammen, brieven en kaartjes heen, ontvangen bij gelegenheid van ons 40-jarig feest!

dagboekcahier 10

26/09/1938

maandag 26 september 1938

Precies een maand is ’t geleden, dat ik voor ’t laatst iets opteekende. Maar welk een maand is dat geweest: de jubileumfeesten van H.M. de koningin en de toenemende internationale spanning door ’t optreden van Duitschland tegen Tsjecho-Slowakije. Staan we aan den vooravond van een tweeden, nog veel verschrikkelijker wereldoorlog? ’t Is met een gevoel van angstige beklemming, dat ik nu dit neerschrijf. Vanavond 8.20 houdt Hitler een radiorede: oorlog of vrede? Ik vrees: oorlog.

            Maar laat ik eerst even teruggaan naar de dagen van 31 augustus tot 6 september: de jubileumfeesten. Ze zijn één heerlijke manifestatie van ons geheele volk geweest van vereering en liefde van koningin Wilhelmina. Van de officieele feesten woonde ik bij ’t groote galadiner in ’t magnifiek gerestaureerde Paleis op den Dam, op maandag 5 september en de officieele herdenkingsplechtigheid in de Nieuwe Kerk te Amsterdam op dinsdag 6 september.

            Mijn groote Maasbode-artikel, het geheele feestnummer vullende, kwam 6 september uit. Ik heb er werkelijk veel pleizier van beleefd. Van alle zijden ontving ik bewijzen van instemming. Minister Welter telefoneerde me, dat hij nu voor ’t eerst eens goed de werkelijke beteekenis had begrepen van de parlementair-constitutioneele monarchie. Een katholiek in Delft schreef me, dat hij altijd een zekere antipathie jegens de koningin had gekoesterd, omdat hij meende, dat ze antikatholiek was, maar dat ik hem nu geheel bekeerd had: hij kon nu vol vreugde de feesten meevieren. Van verschillende zijden werd me gevraagd het groote artikel als brochure uit te geven. Ik acht dit niet juist; vooreerst tegenover De Maasbode; vervolgens, omdat ik ’t dan eigen[lijk] zou moeten omwerken en aanvullen: nu een feestbijdrage, zou ’t dan veeleer worden een zuiver staatsrechtelijk betoog.

            Op 30 augustus kwam mijn bevordering af tot commandeur in de Orde van den Nederlandschen Leeuw. Weer regende het telegrammen,  brieven en kaartjes, ruim 300! Wat maak ik ’t den menschen lastig!

            Toen de feesten afgeloopen waren en ik eerst nog een paar artikelen voor De Maasbode geschreven had over ‘Verscheurd Europa’, ben ik met Lies een tiental dagen vacantie gaan houden. Ik was werkelijk erg vermoeid na mijn zesweeks verblijf te Genève en daarna door ’t – temidden van veel ander werk – schrijven van ’t groote jubileumartikel.

            Vrijdag 9 september vertrokken we naar Breda, waar papa Klep ons afhaalde met zijn prachtige auto om ons naar zijn buitenverblijf Les Oppides te Bosch-Kapelle in België te brengen. Daar verbleven we tot maandag om vandaar te vertrekken naar het vroegere buitenverblijf der Van Zuylens ‘Anneville’, thans hôtel, te Ulvenhout bij Breda. We hebben tien dagen prachtig weer gehad en hebben heerlijk rustig onze korte vacantie genoten. Maandagavond 19 september kwamen we weer in Den Haag terug, want dinsdag 20 september moest ik weer als minister van Staat en tevens als lid van den Raad van State bij de opening van de Staten-Generaal aanwezig zijn.

            Reeds tijdens ons verblijf te Anneville werd de internationale toestand steeds meer gespannen. Duitschland wil het Duitsche deel van Tsjecho-Slowakije annexeeren. Zoowel Frankrijk als Engeland hadden gedreigd dat land te hulp te zullen komen.  Maandag 12 september had Hitler aan ’t slot van den Neurenberger partijdag een heftige rede gehouden vol dreigementen en hatelijkheden aan ’t adres van Engeland en Frankrijk. Mussolini ging ook aan ’t redevoeren en verklaarde, dat als Duitschland tegenover Engeland en Frankrijk kwam te staan, hij aan de zijde van Duitschland zou staan. Wat Rusland en Rumenië zouden doen, was aanvankelijk niet duidelijk. Wel begonnen nu ook Polen en Hongarije territoriale eischen aan Tsjecho-Slowakije te stellen. Toen de uitbarsting niet meer te voorkomen scheen, vloog de oude Chamberlain, Prime Minister, naar Hitler. Ze hadden een onderhoud en nog ’s avonds vloog Chamberlain weer terug. Hij wist nu de eischen van Hitler. En toen gebeurde ’t ongelooflijke. Engeland en Frankrijk oefenden sterke pressie op Tsjecho-Slowakije uit ze feitelijk aan te nemen. Woensdagavond 21 zwichtte het. Donderdag vloog Chamberlain – nu naar Godesberg – om weer met Hitler te spreken. Zooals te verwachten was, stelde deze nu zijn eischen weer hooger. Zaterdagmorgen 24 september vloog Chamberlain weer terug met een Duitsch memorandum, waarin de nieuwe, zij ’t weer wat gemitigeerde voorstellen van Duitschland vervat waren. Hij zou ’t aan Tsjecho-Slowakije doorsturen, maar nu zonder de aanneming ervan aan te bevelen. Gisteren kwam reeds het afwijzend antwoord en tevens ’t bericht, dat Hitler vanavond om 8.20 een rede zou houden, waar  alle Duitschers naar moeten luisteren. Vanmiddag werd meegedeeld, dat vanmorgen Roosevelt een lang telegram aan Hitler en Benesj gezonden had om erop te wijzen, dat oorlog in strijd was met het Kelloggpakt. Wat zal ’t worden? Oorlog of vrede?

dagboekcahier 10

08/10/1938

zaterdag 8 october 1938

Gisterenavond heb ik te ’s-Hertogenbosch een rede gehouden over den Volkenbond. Ik had er reden toe, om[dat] na de twee laatste brochures van mijn ouden vriend jhr. mr. Octaaf van Nispen tot Sevenaer, steeds meer gemeend wordt, dat wij den Volkenbond maar moeten verlaten. Daartegen heb ik stelling gekozen na eerst de fouten bij het ontstaan en de functioneering van den Volkenbond te hebben uiteengezet, maar tevens aangedrongen op hervorming in den geest van het christendom.

            En zoo heb ik dan weer den tijd en de gelegenheid rustig door te werken zonder zweepslag op ’n bepaalden tijd gereed te moeten zijn. Van mijn herkregen vrijheid maak ik gebruik eerst wat op te teekenen.

            ‘Oorlog of vrede?’, zoo sloot ik op 26 september. Thans is, Goddank, het antwoord: vrede. Maar ’t is op ’t nippertje af geweest. Het bleek, dat Hitler zijn plannen met Tsjecho-Slowakije wilde doorzetten, ook al ware daardoor een wereldoorlog uitgebroken. Het is de oude Neville Chamberlain, Prime Minister in  Engeland, die de wereld daarvoor behoed heeft. Hij vloog naar Berchtesgaden om een onderhoud met Hitler te hebben. Hij kwam terug met de plannen van Hitler om het Duitsche deel van Tsjecho-Slowakije te bezetten, maar tevens met diens verklaring, dat hij dan verder geen territoriale eischen in Europa meer had. Onder sterken drang van Engeland en Frankrijk heeft tenslotte Benesj daarin toegestemd. Chamberlain vloog toen weer naar Godesberg voor een tweede onderhoud met Hitler. Maar deze kwam nu met veel verdergaande eischen. Chamberlain heeft hem duidelijk gemaakt, dat het binnenrukken van Tsjecho-Slowakije een wereldoorlog ten gevolge zou hebben. En hij ging terug in de meening, dat het onheil nu niet meer te voorkomen was. Hitler stelde een ultimatum, op zes dagen. Hij bepaalde zelfs, dat Duitschland na vier dagen zou mobiliseeren. Frankrijk heeft zich toen tot Mussolini gewend om Hitler te bewegen nog een nieuwe bespreking te houden: Hitler, Chamberlain, Daladier en Mussolini. Deze was ’t daarmee eens en de mobilisatie werd 24 uur uitgesteld. Ze kwamen nu te München bijeen en werden ’t eens. Zoo was – vijf minuten voor twaalf – de oorlog voorkomen.

            Voor hoe lang? vraagt men zich af. Maar zelfs bij dezen twijfel geloof ik toch, dat Chamberlain goed  gehandeld heeft. Er is nu eensklaps een betere verhouding tusschen de vier groote mogendheden gekomen. Hitler weet nu twee dingen: dat de volken – ook ’t Duitsche volk, dit is wel heel duidelijk gebleken – geen oorlog willen. Dat de Italianen geen oorlog willen ten bate van Duitschland behoefde waarlijk niet meer te blijken. En vervolgens: dat er ook voor zijn onstuimig handelen een grens is. Ware ’t tot een oorlog gekomen, dan zou allereerst Tsjecho-Slowakije ’t groote slachtoffer zijn geworden. Onder ’t mom van groote manoeuvres had Duitschland al 1.300.000 man onder de wapenen, grootendeels bij de grenzen van Tsjecho-Slowakije. Met driedubbele overmacht zou hij ’t arme land onder den voet hebben geloopen. Maar dan? Rumenië en Rusland zouden aanstonds bijgesprongen zijn. Frankrijk en Engeland hadden ’t ook moeten doen. De Vereenigde Staten, waar een zeer sterke anti-Duitsche strooming aanwezig is, zouden niet zoo lang gewacht hebben als tijdens den wereldoorlog van 1914-1918. Tegen deze overmacht had Duitschland, dat economisch en finantieel uiterst zwak staat, ’t niet lang vol hebben kunnen houden. Naar mij gezegd werd, zijn er vele katholieken in Duitschland die reeds hoopten, dat ze daardoor van dit Hitler-regiem verlost zouden worden. Maar met welk een verarmd volk! En dat Mussolini hem zou zijn bijgesprongen, ik  had ’t moeten zien om ’t te kunnen gelooven. De haat tegen de Duitschers zit den Italianen sinds eeuwen in het bloed.

’t Is begrijpelijk, dat velen meenen: ’t komt op den duur met Duitschland toch tot een oorlog, dan maar beter nu; over eenige jaren is Duitschland veel sterker. ’t Heeft nu al, door den Anschluss met Oostenrijk en den afstand van Sudeten-Duitschland al een bevolkingsvermeerdering van ± twaalf millioen menschen en veel meer economische bronnen. Maar wie kan voorzien wat er overigens binnen die enkele jaren gebeuren kan? Mij zou ’t niet verwonderen of er kwam zoowel in Duitschland  als in Italië een economische ineenstorting. Deze zou, evengoed als een oorlog, de dictaturen wegvagen. Ook de andere landen versterken met spoed hun bewapening, vooral Engeland en Amerika. Alleen de positie van Frankrijk zie ik donker in: het is politiek rot. Iedere drie à vier maanden treedt er een nieuw ministerie op. Er is een ander donker punt – ook voor ons land. Duitschland wil nu zijn afgenomen koloniën terug. Noch Engeland nòch Frankrijk willen ze afstaan. Zullen ze niet trachten Duitschland compensatie te geven ten koste van ’t koloniaal gebied van Nederland, België en Portugal? Ik vrees, dat wij in de reeds naaste toekomst voor deze moeilijkheid komen te staan. In ’t Lagerhuis heeft Attlee, de leider der socialistische oppositie, reeds aan Chamberlain gevraagd: wat doet gij, als  Hitler nu Sumatra opeischt? Ik kan me echter niet voorstellen, dat Engeland Duitschland zoo dicht bij Singapore zal willen hebben en het dan liever ons Nieuw-Guinea zal aanbieden!

dagboekcahier 10

05/02/1939

zondag 5 februari 1939

’t Schijnt wel, dat ik ’t bij ’t stijgen der jaren steeds drukker krijg. Altijd komt er meer werk bij. En zoo ontbreekt me de tijd mijn oude dagboek aan te houden. Helaas, wat zal ik daar naderhand spijt van hebben. Hoeveel was er niet, dat ik in de laatste maanden toch wel graag opgeteekend had.

            En als ik nu vandaag, op een zondagmiddag, toch het dikke boek uit de lade haal, dan is ’t om iets droevigs te melden: maandagavond even na tien uur is mijn oudste broeder, de emeritus-pastoor van Voorburg, ‘heeroom’, zooals wij hem steeds noemden, na een lang lijden overleden. Vijf en twintig jaren lang heeft hij aan jicht geleden, steeds veel pijn gehad. In de laatste jaren van zijn pastoraat kon zij zich al bijna niet meer bewegen. Mgr. Aengenent raadde hem aan zijn ontslag te nemen. Hij deed ’t uit gehoorzaamheid, maar eigenlijk toch met tegenzin. Daar hij altijd thuis was en den geheelen dag bereid iedereen te ontvangen, ontving hij dagelijks vele menschen. Hij was, meende hij, veel beter van zijn parochie op  de hoogte dan vele andere pastoors met goede beenen. Hij ging – toch eigenlijk gelukkig voor hem – op Anthoniushove wonen, waar hij liefderijk door de nonnetjes verpleegd werd. Verleden jaar in april werd hij bediend. Wat was hij verheugd, toen ik in mei naar Genève ging, omdat de dokters meenden, dat ’t gevaar geweken was. Hij kwam weer heelemaal bij, dat wil zeggen hij zat weer overdag op zijn kamer, zich als steeds voor alles interesseerende. Maar de laatste maanden bleef hij in bed, maar bleef ook zoo en niettegenstaande de erge pijnen (door suikerziekte had hij ook ernstige wonden aan zijn voeten) altijd opgewekt. Ik heb hem dikwijls bezocht, gewoonlijk samen met Lies, van wie hij veel hield. De laatste keer dat we bij hem waren, enkele dagen voor zijn dood, bedankte hij haar nog, omdat ze altijd zulk een goede vrouw voor mij geweest was. Ja, ja, Frau Windthorst, zei hij lachend, deze geliefde uitdrukking van pater Lunter overnemende.

            Wij hebben veel aan hem te danken. Hij leefde heelemaal met ons mee. Hij was zoo echt de oudste broer, het hoofd van de familie. Alle belangrijke dingen bespraken we eerst met hem. Hij was verstandig en gaf altijd goeden raad. Als ik de eerste deelen van mijn dagboek opsla, dan zie  ik, dat hij al mijn trouwe raadsman was in mijn studententijd. En dat is hij mijn leven lang gebleven. Toen een uur voor zijn dood de dokter hem zei: ‘Pastoor, houd moed, gij zult nu spoedig naar den hemel gaan’, antwoordde hij: ‘Ja, dat hoop ik.’

            En zoo rust hij nu na zijn lange werkzame leven. Hij was, zooals men zei toen hij kapelaan was eerst te Noordwijkerhout, daarna te ’s-Gravenhage, een echt sjouwbeest. Toen hij, leeraar aan ’t seminarie Hageveld geworden, meer tijd voor studie kreeg, ging hij, evenals ik, den socialen kant uit. Ook in onze sociale opvattingen waren wij eenes geestes. Ik zal hem zeer missen. Wel heb ik nog mijn jongsten broer, den officiaal van ’t bisdom Haarlem, maar hij is altijd de jongste geweest en gebleven. Maar ook hij is in sociale en economische zaken geheel met mij van dezelfde opvattingen. Toen ik minister was, heeft hij het Katholiek Sociaal Weekblad voor mij geredigeerd, al schreef ik er ook toen meer in dan hij. Ik deed ’t onder ’t pseudoniem Joh. Kerkvliet Asz., naar den naam mijner lieve moeder: Antje Kerkvliet. Vrijdag hebben wij hem begraven onder groote belangstelling van geestelijken zoowel als van leeken. Een oud-parochiaan kwam expres uit Nijmegen over voor zijn begrafenis. 

            Zoo wordt het stil en eenzaam om mij heen. Nolens, Aengenent, Meuleman … allen gingen ze heen. Nu mijn heerbroer. En weldra, vrees ik, ook mijn oudste vriend: Phons Schmedding. Hij heeft een operatie ondergaan, maar maakt het slecht. Als ik eenigszins kan, ga ik hem donderdag of vrijdag a.s. even in Maastricht opzoeken. Zoo blijf ik langzamerhand alleen over – gelukkig echter met mijn Liesje, met Frau Windthorst.

dagboekcahier 10

26/02/1939

zondag 26 februari 1939

Vrijdag 3 februari hebben wij ‘heeroom’ begraven. ’t Was koud weer. De mist was wit aan de takken der boomen gevroren. Heb ik toen al een kou gepakt? Donderdag daarop, 9 februari, ben ik naar Maastricht gegaan om mijn oudsten vriend, Phons Schmedding, nog eens te bezoeken. Helaas, zijn toestand is hopeloos. Hij had prostaatvergrooting; was geopereerd, maar weldra deden de moeilijkheden zich weer voor. ’t Is nu wel kanker. Hij had veel pijn. Wij hebben afscheid van elkaar genomen.

            Teruggaande had ik keelpijn. Den volgenden dag, vrijdag 10 februari, was ik snipverkouden. De temperatuur liep op. Zaterdag nóg meer. Zondagmorgen begon ik al met 38.6 en ’s avonds was ’t 39.4. Een tweezijdige bronchitis met groote kans op longontsteking. Aldus de dokter, die het  gevaar met geweld tekeer ging: inspuitingen met kinine ’s morgens, ’s avonds kininepillen en onderwijl [kaussit-][32]pastilles, tabletten met vitamine C, enz. Goddank is ’t goed afgeloopen. Vandaag ben ik weer voor ’t eerst uitgeweest. Toen ik beterende was, begon Lize ook. Maar ze had uit voorzorg al dagenlang kinine geslikt en zoo is ’t bij haar minder ernstig geworden, gelukkig. En morgen ga ik weer aan ’t werk.

dagboekcahier 10

18/03/1939

zaterdag 18 maart 1939

’t Gaat eigenlijk met de santé niet naar wensch. Die griep ben ik nu wel te boven. Maar de laatste weken – in veertien dagen vijfmaal – heb ik weer veel meer last van migraine. ’t Is wel vreemd. Sinds ik met mijn eiwitarm dieet aangevangen was, hadden die migraineaanvallen zich maar zelden herhaald: eens om de twee à drie weken. Wat zou er de reden van zijn? De dokter staat er ook een beetje tegen aan te kijken. Maar ’t is ellendig, want ’t maakt je down en landerig. Wel is de hoofdpijn minder dan vroeger. Ik weet niet of de oorzaak niet buiten mij gezocht moet worden. Vroeger was een migraineaanval bij mij gewoonlijk een vermoeidheidsverschijnsel. Meermalen kreeg ik ’t vrijdagsmiddags, als ik al drie dagen achtereen de Kamer gepresideerd had. En thans, hoe rustig mijn leven ook is, bevinden  we ons toch weer in een enerveerend tijdperk. Het scheen, dat Chamberlain ’t winnen zou en dat althans Duitschland met hem mee wilde werken den vrede te bewaren, ook al ging Mussolini steeds harder blaaskaken tegen Frankrijk. De burgeroorlog in Spanje – steeds een gevaar voor internationale verwikkelingen – scheen na den val van Barcelona tot een einde te komen. Engelands invloed scheen er toe te nemen. Japan en China vechten nog steeds, maar dat is ver weg en heeft nog steeds niet tot verdere complicaties geleid, al scheen ’t wel eens, dat Rusland erin gemoeid zou worden.

            Maar nu eensklaps heeft Hitler, in strijd met het akkoord van München, op louche wijze Tsjecho-Slowakije geannexeerd. Quasi daar te hulp geroepen, is hij met de Duitsche zwaar gemotoriseerde troepen binnen gerukt.

            Dit heeft in heel Europa en in Amerika een schok gegeven. Nog onder den indruk van de verkiezing van kardinaal Pacelli tot paus en zijn kroning, verleden zondag, als paus Pius XII – een naar naam en gezindheid uitgesproken vredespaus – ziet men nu eensklaps de wereldoorlog weer voor de deur staan. Gisterenavond heeft Chamberlain – de vredestichter van München! – een fel verontwaardigde rede gehouden. Begrijpe[lijk]. Hij gevoelt zich dupe van  een gewetenlooze, valsche politiek. Hoe Mussolini tegenover dit alles staat, is niet volkomen duidelijk. Hij kan niet meenen, dat de positie van Duitschland door deze annexaties, tenzij voor zeer korten tijd, er sterker op geworden is. De tegenstand tegen dit optreden met geweld door Hitler is er aanzienlijk door verscherpt. ’t Is nu al wel zeker, dat als ’t tot een botsing tusschen Hitler-Mussolini en de democratische landen komt, de Vereenigde Staten zich niet afzijdig zullen houden en dat er tusschen Engeland en Rusland evenzeer een toenadering komt. Hoe ontzettend ook de eerste weken van een oorlog zullen zijn, Duitschland kan niet meenen, dat het ’t tegen al die anderen vol kan houden, te minder omdat het thans al, evenals Italië, economisch in de put zit. Ik heb zoo ’t idee, dat de Vereenigde Staten op een boycott zullen aansturen. Al komt er dan niet terstond oorlog, wij komen er dan zeker moeilijk tusschen te zitten. – Zoo is ’t leven onrustig en gespannen en ’t zou me niet verwonderen, wanneer ik daaraan mijn migraines te wijten heb, niettegenstaande mijn streng dieet, dat ik goed houd.

            Wat zullen de eerste dagen brengen? Ik vrees: niet veel goeds. Morgen is ’t St. Joseph, we zullen er nog maar eens extra voor bidden. Met Phons schijnt ’t nog ’t zelfde te zijn. 

dagboekcahier 10

07/07/1939

vrijdag 7 juli 1939

Wat is er sinds half maart veel gebeurd! Helaas, met allerlei werk overladen, heb ik mijn dagboek weer verwaarloosd. Eigenlijk toch jammer!

            Eerst moet ik vermelden de donkere dag van 30 maart, toen mijn goede en oudste vriend Phons Schmedding stierf. Hij heeft nog veel geleden. Eindelijk kwam de dood als een verlossing.

Als ik in de eerste deelen van dit dagboek nog wel eens snuffel, dan treft het mij steeds, dat bijna op iedere bladzijde de naam van Phons voorkomt. Wij leefden – hij in Amsterdam, ik in Leiden – toch voortdurend samen. Hoevele brieven vol openhartige confidenties hebben wij elkaar in die jaren geschreven! Later gingen onze levens verder uit elkaar. Hij werd medicus te Maastricht, ik ging geheel op in het sociale en politieke leven. Maar toch steeds wisselden wij [met] elkaar eenige brieven en bleven wij van elkanders belevenissen op de hoogte. Beiden waren wij op gelukkige wijze getrouwd; beiden beleefden we vreugde van onze kinderen. Zoo nu en dan zagen wij elkaar. Hij bleef voor mijn kinderen ‘oom kietel-Phons’. En nu is hij het eeuwige leven ingegaan. Onze vriendschap blijft. Maar hoezeer zal ik hem missen! Hij ruste in vrede! 

In de Goede Week heb ik weer eens – thans voor ’t eerst vergezeld van Piet – de retraite in Manresa gehouden. Helaas ben ik er met tien anderen ziek geworden: vermoedelijk was er iets bedorvens in ’t eten geweest. Toch ben ik blij, dat ik daar met Piet was: een mooie voorbereiding voor zijn huwelijk, dat, hopen wij, op zaterdag 15 juli a.s te Breda zal worden gesloten.

Dinsdag 6 juni vertrok ik naar Genève, waar 8 juni de twintigste Internationale Arbeidsconferentie begon. Ze duurde tot woensdag 28 juni. Ik vertrok ’s avonds nog om 18.18 naar Basel, waar ik weer in Hôtel Euler overnachtte om 29 juni weer met de Edelweiss naar Nederland te vertrekken. Zoo was ik toch op den avond van mijn patroonsfeest weer thuis. Gelukkig heb ik ’t goed gemaakt, al was ’t dieet houden er lastig en vooral vervelend!

De conferentie zelf was kalm of juister: mat. De uiterst gespannen internationale toestand en ’t feit, dat Duitschland, Italië en Japan zich uit de Internationale Arbeidsorganisatie hadden teruggetrokken, drukten vooral hun stempel op deze bijeenkomst. Ik heb er tweemaal gesproken: eerst bij de behandeling van het rapport van den directeur – nu voor ’t eerst van den Amerikaan Winant – en later nog bij een stemming over een ontwerp-conventie.

Terwijl ik in Genève was, had hier in de Tweede Kamer het debat met minister Goseling plaats over de affaire-Oss. Van den aanvang af was ik van meening geweest, dat zijn optreden tegen de Marechaussee aldaar te bruusk en vooral onvoorzichtig was geweest, vooral omdat hij daardoor de schijn op zich zou laden alsof hij in samenwerking met den evenzeer katholieken procureur-generaal te ’s-Bosch – baron Speyart van Woerden – twee pastoors, die ten onrechte verdacht werden van zedenmisdrijven, aan de nasporingen der politie en daardoor aan de justitie wilde onttrekken. Er was een uitvoerig rapport van een kamercommissie, waarvan de conclusie (vier tegen één vastgesteld) was, dat Goseling tegenover de Marechaussee een verkeerd beleid had gevoerd. Na een lang en afschuwelijk debat, waarbij hij bleek de heele Kamer – met uitzondering slechts van de katholieke leden – tegen zich te hebben, werd de conclusie, die zijn beleid afkeurde, met algemeene stemmen aangenomen, behalve die van de katholieke leden, wat de zaak er niet beter op maakte. Vlak daarop – gelukkig voor hem – brak een ministerieele crisis uit. In het kabinet was het, na ’t onverhoedsch aftreden van den minister van Finantiën, tot een botsing gekomen tusschen Colijn en de vier katholieke ministers. Colijn wilde  de werkloozenzorg principieel wijzigen om aldus verlaging van de begrooting te verkrijgen. Romme gaf zooveel mogelijk toe. Tenslotte sprong de bom over een verschil van ± tien millioen gulden.

Ik begrijp niets van Colijn. Wat beoogde hij daarmee? Een reprise van 1935? Dan vergat hij ’t groote verschil. Toen forceerde hij een conflict met de katholieke kamerfractie. Natuurlijk gaf de koningin mij toen opdracht tot kabinetsformatie, welke onmogelijk gelukken kon, tenzij ik een Roomsch-rood kabinet had willen vormen. Toen ik dit weigerde, werd Colijns positie versterkt en de positie der katholieke kamerfractie verzwakt, omdat ze wel een vuist kon maken, maar niet toeslaan. Maar thans? Voor wat hij wil ten aanzien van de werkloozenzorg krijgt hij in de Tweede Kamer geen 30 leden mee. Als hij de vier katholieke ministers door anderen vervangen kan, heeft hij wel een kabinet, maar geen meerderheid. Ik begreep er dan ook niets van. En naarmate ik meer bijzonderheden vernam, werd mij de zaak steeds duisterder. Had hij gehoopt, dat de koningin weer, gelijk in 1935, een opdracht zou geven aan een katholiek? Hij heeft ’t weer geadviseerd, maar zij heeft het geweigerd: ‘Ik heb dat in 1935 gedaan en men heeft toen gefluisterd, dat het mijn bedoeling was  de katholieken een échec te bezorgen. Deed ik ’t nu weer, dan zou men ’t nu hardop zeggen. En nu terecht, want er is geen reden voor. U is de formateur van ’t kabinet. U wilt nu het regeeringsprogram wijzigen. De vier katholieke ministers willen daar niet aan meedoen. Welnu, dan moet u trachten vier andere medewerkers te vinden.’ En zoo ging hij met een niet uit te voeren opdracht naar huis, gelijk ik in 1935! O Nemesis! Merkwaardig is, dat hij nu ook mijn in 1935 toegepaste methode heeft gebruikt: een bespreking met de zes voorzitters der grootste fracties. Maar natuurlijk zonder resultaat. Wat nu? Gisterenavond kwam Verschuur bij me om me raad te vragen, daar hij vreesde, dat hij nu een opdracht zou ontvangen. Ik raadde hem aan de koningin te zeggen, dat hij in de gegeven omstandigheden – vlak na het votum over Oss, waarbij de katholieken geïsoleerd kwamen te staan – een katholiek zeker niet zou slagen. Dus: een opdracht aan De Geer of aan Oud.

            Ik ben benieuwd hoe dit loopt. Zoo is de toestand nationaal al even verward en gespannen als internationaal. Witlox hoopt, dat de koningin mij zal roepen. Ik hoop vurig het tegendeel! Trouwens, waarom zou ik ’t nu doen? Dan ligt ’t toch meer voor de hand, dat Deckers, voorzitter der katholieke kamerfractie, een opdracht krijgt.

dagboekcahier 10

09/07/1939

zondag 9 juli 1939

Gisterenavond werd in de radio meegedeeld, dat Colijn aan H.M. ontheffing van zijn opdracht had gevraagd en dat zij nu aan Koolen een opdracht had gegeven, die hij in beraad nam. Hij heeft dus niet onmiddellijk neen gezegd. Wel moge ’t hem bekomen. Hij heeft de vier katholieke ministers en de katholieke kamerfractie tegen zich. Hoe zou hij kunnen slagen? Wat wil hij eigenlijk? Colijn heeft terstond nadat ’t conflict uitgebroken was hem opgezocht. Hij is met Colijn dik bevriend. Is dit nu een doorgestoken kaart? Wil hij een compromis zien te bereiken om dan het aanblijven van ’t kabinet-Colijn mogelijk te maken? Of denkt hij werkelijk een kabinet te kunnen vormen dat levensvatbaar zal blijken? Hoe is de koningin op hem gekomen? Vrijdag heeft ze Deckers ontvangen ‘tot het geven van inlichtingen’. Heeft zij hem gepolst en heeft hij geweigerd, gelijk ik hem aangeraden had? Maar dan heeft hij zeker niet geadviseerd de formatie aan Koolen op te dragen. Afspraak was: De Geer of Oud. Wilde de koningin daar niet aan om den schijn te vermijden, dat ze de katholieken passeerde? Maar die schijn ware vermeden geweest, indien gepubliceerd ware,  dat Deckers een opdracht geweigerd had. Maar waarom dan Koolen? Hij is ongetwijfeld een bekwaam man, maar met in de katholieke partij weinig vrienden. Ook al daarom zou een door hem gevormd kabinet met wantrouwen worden aangezien. Of hoopt Colijn, dat er nu verdeeldheid onder de katholieken zal komen? Maar dat Koolen zich daartoe dan leent! Ik begrijp van deze kabinetscrisis niets, noch van haar begin noch van haar verloop. Donderdagavond was Goseling bij me. In een lang onderhoud, tot kwart over twaalf, heeft hij me alles meegedeeld wat in den ministerraad was voorgevallen. Hij begreep er ook niets van wat Colijn eigenlijk beoogde. Mijn leelijke gedachte van 1935 kwam weer terug: wil Colijn de katholieken dringen met de sociaal-democraten samen te gaan en daardoor tweedracht in de Katholieke Staatspartij verwekken?

            Zonderling is ook, dat de koningin vrijdagavond een conferentie heeft gehad met de voorzitters der Eerste en Tweede Kamer en den vice-president van den Raad van State, waarbij de chefs van leger en vloot aanwezig waren om inlichtingen te verschaffen. Gaat ’t dus nu ook om de hooge legeruitgaven? Bekend is, dat de koningin meent, dat er voor leger en vloot meer moet worden gedaan dan ’t kabinet-Colijn deed. Is Koolen daar vóór? Maar hoe dan met de werkloosheidsuitgaven?? 

dagboekcahier 10

17/07/1939

maandag 17 juli 1939

Een drukke, maar aangename week is achter den rug. Dinsdag 11 juli na de vergadering van den Raad van State reisde ik naar Limburg om woensdag en donderdag daar den Mijnraad te presideeren. ’t Waren even leerzame als prettige dagen. Wij logeerden weer in ’t Hôtel Prinses Juliana te Valkenburg. Er was een vroolijke stemming: Philips was pas commandeur Nederlandsche Leeuw geworden, waarover hij zeer verheugd was. En Bongaerts had het grootofficierskruis van de Leopolds-Orde gekregen. We vergaderden te Heerlen, woensdag met de particuliere mijnen en donderdag met de Staatsmijnen. Woensdagavond hielden wij onze gewone Mijnraadsvergadering te Valkenburg. ’s Middags had ik me vrij gemaakt. Woensdagmiddag bezocht ik Pieneke Dumoulin en donderdag Lies Meuleman. Eigenlijk in-droevig die twee weduwen.

            Donderdag was ik weer ’s avonds om negen uur thuis. Vrijdag veel werk en ’s namiddags om half zeven vertrokken we met ons drietjes: moeder en dochter Lies en ik naar Breda voor Piets bruiloft op zaterdag 15 juli.

            Die 15e juli van dit jaar was een echt gelukkige dag, een der gelukkigste, welke ik in mijn leven gekend heb. Piet trouwde met Guusje, die we pas één jaar kennen, maar van wie we houden als ware ze onze eigen liefste dochter. Welk een  zegen, dat onze eenige zoon zulk een goede vrouw krijgt! Dochter uit een groot gezin, met brave, degelijk katholieke ouders, goed ontwikkeld, eindexamen gymnasium, maar heelemaal geen blauwkous, flink en huisselijk, van een opgeruimd humeur, wat zouden wij meer en hooger hebben kunnen verlangen? Ik ben er vast van overtuigd, dat ze voor Piet een krachtige steun in zijn leven zal zijn en dat omgekeerd Piet voor haar een ideale echtgenoot zal zijn.

            Ze trouwden in de H. Sacramentskerk. ’t Was plechtig en mooi. De bruiloft was – na een zeer drukke receptie bij de familie Ingen Housz – in Anneville, waar ik verleden jaar met Lies een week gelogeerd heb. ’t Was uitstekend, vroolijk zonder uitbundigheid! De jonggehuwden vertrokken ’s avonds per auto naar Brussel, waar Guusjes grootvader in hôtel Métropole, waar hij zelf woont, kamers voor hen had besteld. Toen het oogenblik van scheiden kwam, waren we allen buiten. Er werd alsmaar afscheid genomen. Eensklaps zei Piet: ‘Nu is ’t genoeg!’ Hij liep op Guusje toe, nam haar op zijn armen en draafde met haar weg naar de auto en voort ging het, onder algemeen gejuich over dit werkelijk pakkend slot. Thans zitten ze in Touquet om een paar dagen uit te rusten. Daarna gaan ze een autotocht maken door Bretagne en Normandië. Ze hebben me beloofd mijn groeten te gaan doen aan ’t H. Treesje te Lisieux. 

dagboekcahier 10

20/07/1939

donderdag 20 juli 1939

Gisterenmiddag bood de internuntius in zijn nieuwe woning in de Carnegielaan den vijf bisschoppen een lunch aan. Hij had er mij ook bij gevraagd. ’t Was een groot gezelschap. Er waren de vijf vicarissen-generaal, de presidenten der seminaria, enz. en enkele leeken, Verschuur, Deckers, Van Schaik, generaal Van Voorst tot Voorst, enz. ’t Was een aangename maaltijd. Ik zat tusschen mgr. de aartsbisschop en mgr. Taskin. Aan de andere zijde van den aartsbisschop zat Van Schaik. Ik heb met hem mijn idee besproken om Goseling te bewegen zich nu een paar jaar heel kalm te houden en zeker niet aanstonds weer in de Kamer te treden. ’t Geval wil namelijk, dat prof. Van der Heyden te Nijmegen zwaar overwerkt is. De aartsbisschop is voorzitter der St. Radboudstichting en Van Schaik is president-curator van de R.K. Universiteit: benoem Goseling om gedurende één jaar de colleges (Burgerlijk Wetboek) van Van der Heyden te geven op voorwaarde dat hij niet in de Kamer gaat. Terecht wil men in Nijmegen geen professoren die uit ’t politieke leven komen. Ze voelden er veel voor. Ze waren ’t ook met mijn zienswijze ten aanzien van Goseling eens.

            Colijn zit nog maar steeds aan de kabinetsformatie te klungelen: dit is ’t harde maar juiste woord. Hij heeft eerst nog weer eens getracht het  met Romme eens te worden. Toen dit mislukt was, heeft hij toch nog Steenberghe en Welter gevraagd in zijn nieuwe kabinet te komen. Beiden hebben bedankt. Welter deed dit met een stevig beredeneerd schrijven. Ook Oud, dien hij aanvroeg, heeft bedankt, hem waarschuwende het conflikt met de katholieken toch niet op de spits te drijven. Oud zag daarin een gevaar voor de dynastie. Ook Barge – die zaterdag, toen ik naar Piets bruiloft was, tevergeefs getracht heeft mij te bereiken – heeft bedankt. Elken dag vraagt hij twee à drie personen om telkens weer ’n blauwtje te loopen. Zou hij ’t nu eindelijk opgeven? ’t Ware te wenschen en dat de koningin dan een opdracht geeft aan Oud, die dan vrij zeker slagen zal, tenzij niet alleen de anti-revolutionairen, zooals te verwachten is, gelijk in 1935, maar ook de christelijk-historischen hun medewerking weigeren. Ik zou toch wel eens willen weten, hoe de koningin over deze geheele crisis denkt. Colijn strooit uit, dat de koningin perse wil, dat hij een kabinet vormt. Ik geloof er niets van, al was haar opdracht aan Koolen wel bevreemdend. Hij was onder de katholieken toch niet de meest aangewezen man, maar wel een groot vriend van Colijn. ’t Had er allen schijn van, dat hij den weg voor Colijn zou banen en niet ernstig zou trachten een kabinet te vormen.

dagboekcahier 10

23/07/1939

zondag 23 juli 1939

Nog steeds is de ministerieele crisis niet opgelost. Maar ’t ziet er wel naar uit, dat Colijn klaar zal komen met de vorming van een zaken-kabinet, waarin vier liberalen zijn opgenomen: evenveel liberale ministers in ’t kabinet als er liberalen in de Tweede Kamer zitten! ’t Is wel een droevig einde van Colijns loopbaan. Als hij dinsdag in de Tweede Kamer zijn nieuwe kabinet zal presenteeren, dan zullen de joden dien dag de verwoesting van Jeruzalem herdenken en betreuren. Zoo zal Colijn dien dag de rechtsche coalitie, die bijna een halve eeuw bestaan heeft, hebben vernietigd. Zal hij echter dien dag met zijn kabinet komen? ’t Zou me niet verwonderen, wanneer hij ermee wacht. Dinsdag komt de Tweede Kamer bijeen om de suppletoire begrooting voor Defensie te behandelen. Colijn zou dan wel in de Kamer een verklaring moeten afleggen. Hij zal dus nog wel even traineeren tot de Kamer op reces is. Zijn nieuwe kabinet kan dan een paar maanden zitten. Hoe onbehoorlijk dit zou zijn, Colijn is ertoe in staat.

            Maar wat moet de katholieke fractie doen als Colijn dinsdag met zijn nieuwe kabinet optreedt en een verklaring in de Kamer aflegt? zoo vroeg mij vanmorgen, uit de kerk komende, Van Poll.   Hij zei, dat de meeningen verdeeld waren: sommigen wilden er meteen een einde aan maken, anderen afwachten tot in november de begrooting komt.

            Mijn antwoord was: indien men meent tenslotte toch dit kabinet wellicht wel te kunnen steunen, dan is afwachten ’t beste. Maar indien niet, dan nu toeslaan. In ’t najaar zullen waarschijnlijk de internationale verhoudingen veel meer gespannen zijn dan nu. Dan het kabinet wegstemmen zal velen onsympathiek zijn. Men moet nu Colijn voor ’t dilemma plaatsen: òfwel gij hebt vèrstrekkende plannen tot verslechtering van de werkloozenzorg en dan kunnen wij u niet steunen; òfwel gij hebt die niet, maar waarom dan in deze internationaal zoo gespannen tijd een kabinetscrisis moedwillig uitgelokt? Iemand, die zoo wispelturig is en aldus met groote volksbelangen speelt, kunnen wij ons vertrouwen niet langer schenken.

            Daar ook de sociaal- en de vrijzinnig-democraten zeker tegen hem stemmen, wordt hij aanstonds in de minderheid gebracht. Dan òf aftreden òf kamerontbinding. Maar in beide gevallen zullen wij onzen tegenzin moeten overwinnen en bereid moeten zijn met deze twee partijen een kabinet te vormen.

Ook dat is een riskante politiek. Vooreerst is er zeker een deel der katholieken dat haar niet zal willen volgen, al zal de tegenstand thans  veel geringer zijn dan ze zeker in 1935 nog zou geweest zijn. Vervolgens: alles wat ‘beurs’ is, zal dat kabinet fel bestrijden, evenals de groote liberale en ‘neutrale’ pers. De Nationaal-Socialistische Beweging zal er ook voordeel van hebben. Wij komen dan zeker tegenover christelijk-historischen en anti-revolutionairen te staan: een vrijwel onherstelbare breuk. Maar doen we ’t niet, dan heeft de machtige katholieke partij al haar prestige verspeeld. Ze kon Colijn achterna loopen, desnoods blaffen, maar niet bijten. Dit is op den duur evenzeer onhoudbaar. Maar wat de hoofdzaak is: ’t liberale kabinet-Colijn is een gevaar zoowel op staatsrechtelijk als op economisch en sociaal gebied. Met de vrijzinnig- en sociaal-democraten zullen wij op al deze gebieden gemakkelijk tot overeenstemming komen. Hoe ernstig dan ook de beslissing is, ik zou, thans nog voor de verantwoordelijkheid staande, niet meer den weg van 1935 inslaan. Voor de tweede keer zet Colijn ons voor ’t dilemma. In 1935 zijn we ervoor uit den weg gegaan, ook vooral omdat toen de positie van den gulden, nog niet los van den gouden standaard, een débâcle deed verwachten. Thans moeten we niet alleen a, maar ook b zeggen. De rol die Koolen in dit drama gespeeld heeft is me nog steeds niet duidelijk geworden. 

dagboekcahier 10

25/07/1939

dinsdag 25 juli 1939

Heden is ’t nieuwe, vijfde kabinet-Colijn opgetreden: twee anti-revolutionairen, twee christelijk-historischen en zeven liberalen! En dat heet dan een kabinet-Colijn, van den opvolger van Dr. Kuyper als leider van de anti-revolutionaire partij! Groen en Kuyper zullen in hun graf onrustig zijn geworden. En Schaepman?

            Vandaag betreuren de joden de verwoesting van Jeruzalem. Wij kunnen treurend staan bij de ruïne der rechtsche coalitie. ’t Is een droevig slot van het staatkundig bestaan van Colijn. Ik heb hem altijd beschouwd als wèl anti-revolutionair op staatkundig gebied, maar als economisch-liberaal. Dit kabinet is de proef op deze som.

            Zoojuist had ik Deckers bij mij. Vanmorgen en vanmiddag na de regeeringsverklaring heeft de Roomsch-katholieke kamerfractie vergaderd. Eenstemmig – op één na: Van Schaik – was men van meening, dat men reeds aanstonds – dus morgen bij het debat over de regeeringsverklaring – vierkant positie tegen het kabinet moest nemen. Dit was ook mijn meening: een da capo van 1935 kunnen we niet meer hebben. Daar ook de sociaal- en de vrijzinig-democraten eenzelfde houding zullen aannemen, zal dus aanstonds blijken, dat dit kabinet in de Tweede Kamer de meerderheid tegen zich heeft. Dan: aftreden of kamerontbinding? Ik vermoed het laatste. Colijns laatste kans.  

dagboekcahier 10

31/07/1939

maandag 31 juli 1939

’t Is wel een belangrijke week, die achter den rug is. Het veni-vidi-non vici van dr. Colijn. Welk een tragisch einde van den loopbaan eens staatmans. Colijn heeft weer eens bewezen, dat ik in 1933 gelijk had, toen ik aan de koningin zei: Colijn is geen staatsman, maar een militair, die in de politiek verzeild is. Ook nu weer is hij op klompen door de porceleinkast der staatkunde getreden. Hij heeft stukken gemaakt (de rechtsche samenwerking, het groote vruchtenrijke werk van Schaepman, Kuyper en De Savornin Lohman, is moedwillig door hem uiteen gehakt, vermoedelijk voor vele jaren, zoo niet voor altijd verwoest).

            Woensdag opende Deckers ’t debat met een waarlijk voortreffelijke rede. Albarda en Joekes sloten zich bij hem aan. Zoo bleek reeds aanstonds, dat het vijfde kabinet-Colijn een meerderheid van minstens 60 tegen 40 tegen zich had. De verdediging, donderdag, van De Geer en Schouten was zwak en vol voorbehoud. De eenige warme verdediger was de fel anti-papistische dominé Kersten, die juichte, omdat er nu eindelijk een ministerie was opgetreden zonder Roomschen. Dat er zeven liberalen in zaten, waaronder eenige vrijmetselaars, dat de minister van Justitie gescheiden met een gescheiden vrouw hertrouwd is, dat  een der andere ministers betrokken heet te zijn bij het groote zedenschandaal in Indië, dat de minister van Onderwijs in Indië het christelijk en katholiek zendingsonderwijs had trachten te vernietigen, enz. scheen hem niet te hinderen. Er zaten geen Roomschen in en dus was het een goed kabinet. Het antwoord van Colijn was zwak en zeer onvoldoende; op de meeste gestelde vragen gaf hij hoegenaamd geen antwoord. Toen kwam Deckers met een motie van afkeuring, geheel, volgens mijn raad, gegrond op een staatsrechtelijke overweging. Immers, had men haar anders geformuleerd, hoe had men dan kunnen antwoorden op De Geers en Schoutens verweer: wacht op hun daden. De grond der afkeuring kon alleen zijn, dat Colijn opgetreden was met een kabinet, waarvan hij met zekerheid wist, dat het een groote meerderheid tegen zich in de Tweede en Eerste Kamer zou hebben. Deze motie werd aangenomen met 55 tegen 27 stemmen. Onder die 27 tegenstemmers behoorde echter de N.S.B.-ers, omdat, naar ze verklaarden, dit kabinet ’t parlementaire stelsel vernielen zou en zeker vijf christelijk-historischen, die vooraf verklaard hadden vóór deze motie van afkeuring te zullen stemmen, maar die tenslotte gedwongen werden ertegen te stemmen. De Geer repliceerde niet eens en verklaarde na afloop aan Deckers, dat hij toch eigenlijk gelijk had! Enkele uren na deze stemming bood ’t vijfde kabinet-Colijn, twee dagen oud, zijn ontslag aan!!

            Wat zal de koningin nu doen? Mijns inziens kan ze maar twee kanten uit. Ze kan zeggen: dit is eigenlijk nog ’t zelfde conflict, dat in ’t kabinet ontstaan is. Colijn, de aanvoerder der meerderheid in ’t kabinet, die ’t dus gewonnen had, kreeg daarom opdracht tot kabinetsformatie. Nu deze mislukt was, omdat bleek, dat de meerderheid in ’t kabinet maar een kleine minderheid in de Tweede Kamer achter zich had, moest dus de minderheid in ’t kabinet, die de zaak in ’t kabinet verloor, maar in de Kamer won, thans haar kans krijgen. Maar aan wien dan opdracht te geven? De strijd was vooral gegaan tusschen Colijn en Romme. Maar deze is te jong en mist elke parlementaire ervaring. Goseling zit wel met ’t geval-Oss en heeft daardoor zijn prestige te zeer verspeeld om nu al reeds als formateur op te treden. Ook zou dit ’t kabaal tegen de katholieken nog weer versterken. Dus Steenberghe of Welter. Maar beiden missen parlementaire ervaring, ofschoon ze beiden voldoende krachtige en bekwame figuren zijn.

            Anderzijds zou de koningin kunnen redeneeren: thans is er een conflict tusschen kabinet en Kamer. De leiding van de oppositie was bij dr. Deckers, die bovendien voorzitter is van de grootste kamerfractie. Ik ben benieuwd of zij dit doen zal. Hij moet vanmiddag om vier uur bij haar komen. Daarom was hij gisterenavond  bij me om te bespreken wat hij zeggen zou. En tevens om samen na te gaan wat hij doen zou als hij een opdracht kreeg. Ik adviseerde hem: doe als ik in 1935. Begin met een nationaal-parlementair kabinet. Gij houdt bespreking met de zes voorzitters der zes groote kamerfracties. Vermoedelijk zeggen de anti-revolutionairen en liberalen aanstonds neen. De Geer zal, gelijk in 1935, wel weer ja zeggen, maar met het voorbehoud: mits ook de anti-revolutionairen mee doen. Gij houdt dan alleen de vrijzinnig- en de sociaal-democraten over, waarmee gij dan in zee kunt gaan, mits gij ’t met hen over ’n program eens kunt worden.

            Verschuur was daar tegen. Hij wilde een minderheidskabinet: katholieken, christelijk-historischen en vrijzinnig-democraten. Ik was daar tegen. Men zou dan dezelfde fout begaan, die men in Colijn had afgekeurd. Bovendien, De Geer zal ook dat niet aandurven zonder de anti-revolutionairen. Maar dan is de eenige weg naar den uitgang: een kabinet-Katholieken, sociaal- en vrijzinnig-democraten zooal niet versperd, dan toch ernstig belemmerd.

            Deckers was dit met mij eens. Echter, om Verschuur, die partijvoorzitter is en allesbehalve een vriend van Deckers, niet tegen zich te krijgen, zou hij aan De Geer, als deze voor ’n nationaal kabinet bedankte, vragen: wat zoudt u denken van een minderheidskabinet?

            Maar dan ’t program. Deckers vroeg me of  ik vandaag niet eens een schetsje daarvan voor hem wilde opstellen. Ik heb ’t hem beloofd, omdat ik hem zoo veel mogelijk wil helpen.

            Dan de vraag: wie moeten minister worden? Uit ’t oude kabinet: Welter, Steenberghe (men zegt, dat hij niet meer wil blijven), Romme. Helaas kan er geen sprake van zijn Goseling over te nemen; hij ziet dit zelf niet in, wat het geval nog moeilijker en pijnlijker maakt. Te vreezen is ook zijn invloed op het partijbestuur en zijn antipathie tegen Deckers. Maar na ’t geval-Oss gaat ’t eenvoudig niet. Van Boeijen, die na veel pressie bereid was gevonden in het vijfde kabinet-Colijn te treden, zal gaarne behouden blijven. Patijn dient vervangen, mijns inziens ’t best door De Graeff. Aan Finantiën Oud. Aan Defensie Van Dijk, als hij daartoe over te halen is. Vermoedelijk zal echter wel ’t parool zijn: geen anti-revolutionair mag een portefeuille aannemen. Als Welter niet wil blijven, dan Joekes aan Koloniën. Albarda zou Waterstaat kunnen krijgen, als Van Lidth de Jeude niet zou willen blijven. Maar Justitie? Zou mr. Janssen, vice-president rechtbank Maastricht en oud-kamerlid, sindsdien Eerste Kamerlid, niet te vinden zijn? Onderwijs zou goed toevertrouwd zijn aan Bolkestein, vrijzinnig-democraat, maar dien onze denkbeelden huldigt. Economische Zaken, als Steenberghe niet wil: òf mr. Lieftinck (christelijk-historisch) òf Van den Tempel (sociaal-democraat). 

dagboekcahier 10

01/08/1939

dinsdag 1 augustus 1939

Vanmiddag Raad van State. Den eersten dien ik sprak was de van zijn vacantie teruggekeerde Koolen: ‘’n Mooie boel! ’t Is schandelijk! Kwajongenswerk.’ Ik vermoed, dat deze ontboezemingen geen betrekking hadden op ’t kabinet-Colijn met zeven liberalen, maar op de houding van de katholieke kamerfractie. Ik zei alleen: ik zou ’t net zoo gedaan hebben. Ook Beelaerts, die ’t de vorige week met me eens was dat de heele ministerieele crisis en a fortiori ’t optreden van ’t nieuwe kabinet-Colijn ’n paskwil was, leek me nu toch ook uit zijn humeur: ‘Dat is geen wijze van doen. Ze hadden althans de daden kunnen afwachten.’ Ik: ‘Maar ook ’t aanvaarden van ’t ministersambt is een daad en terecht heeft men die daad afgekeurd.’ Limburg, van vroeger een vrijzinnig-democraat, juichte ’t optreden van de katholieke fractie toe. ‘Die hebben tenminste hun plicht verstaan. Ik schaam me dood over de liberale pers. Vroeger waren de liberalen de warmste verdedigers van ’t parlementaire stelsel, nu trappen ze ’t kapot!’

            Om vier uur ontmoette ik Deckers op De Witte. Hij was gisterenmiddag bij de koningin geweest, een en een kwart uur. Ze had uitvoerig met hem gepraat en eerst de redenen van de katholieke fractie gevraagd om aldus op te treden en vervolgens: hoe hij zich nu de oplossing van de crisis dacht. Hij had daar  zeer uitvoerig op geantwoord. Zij luisterde aandachtig en scheen zijn verhandeling goed te begrijpen. Geen oogenblik maakte zij den indruk over ’t gebeurde verstoord te zijn. Na hem ontving ze nog Albarda en Schouten. Vanmorgen Joekes, De Geer en Bierema. Uit de bladen blijkt wel, dat de meesten geadviseerd hebben, dat de meerderheid, die het kabinet had weggestemd nu maar voor een nieuw kabinet moesten zorgen. Deckers en vermoedelijk blijkens Het Volk ook Albarda adviseerde in mijn geest: een kabinet op zoo breed mogelijke basis. Practisch zal dat wel op ’t zelfde neerkomen, maar moreel niet: dan is gebleken, dat de drie andere groepen niet mee willen werken en zijn dus de katholieken meer verantwoord, thans met de sociaal-democraten samen te gaan.

            Deckers deelde me verder mee, dat vanavond Van Schaik weer bij de koningin moest komen. Daar hij al als voorzitter van de Kamer door haar is gehoord, zal dit wel beteekenen, dat hij een opdracht tot kabinetsformatie zal krijgen. Jammer, want 1. was hij de eenige in de fractie, die ’t niet met de motie eens was en 2. hij is steeds aarzelend en zet niet door, ziet alsmaar onoverkomelijke moeilijkheden. Ik vrees dus, dat hij niet zal slagen. Dit zou ’n ware ramp zijn. 

            Ik wou, dat hij maar eens met mij kwam praten. Ik zou hem dan krachtig aansporen en hem zeggen: gij moet slagen, hoe dan ook. Vanavond heeft hij een bespreking met Verschuur, voorzitter van de Katholieke Staatspartij en Deckers, voorzitter van de katholieke kamerfractie. Ik heb Deckers gemachtigd hem mijn meening zoo kras mogelijk mee te deelen. ’t Zou waarlijk een blamage zijn, wanneer de katholiek, die nu aangewezen wordt, niet slagen zou. Wat dan?

            Vanmorgen belde me de minister-van-twee-dagen Damme (Sociale Zaken) op. Hij deelde me mede, dat ’t (demissionaire!) kabinet gisteren besloten had onmiddellijk aan ’t werk te gaan, als ware ’t reeds zeker, dat ze toch zouden aanblijven! Hij wilde nu graag over ’n paar dingen – onder andere Hooge Raad van Arbeid – spreken. Ik stelde hem voor ’n paar dagen te wachten om te zien welk verloop de crisis zou hebben. Dat vond hij toch ook maar ’t beste!

            Ik had voor Deckers reeds een schetsje opgesteld voor ’n concept-regeeringsprogram. Ik gaf ’t hem hedenmiddag. Hij kan ’t desnoods ook aan Van Schaik geven. Het luidde als volgt:

In ’t algemeen wil het kabinet voortzetten de politiek, gevoerd door het vierde kabinet-Colijn, met dien verstande, dat het er rekening mee  zal houden, dat het nieuwe kabinet steunt op een andere meerderheid in de Tweede Kamer.

Het kabinet zal daarom vermijden iets te doen, wat in strijd zou zijn met de staatkundige beginselen van de groepen, waarop het steunt.

Hieruit vloeit voort wat uit het regeeringsprogram 1937 al of niet kan worden overgenomen.

Het kabinet stelt op den voorgrond het nauwe verband tusschen volkswelvaart en staatsinkomsten en streeft daarom allereerst naar, door verhooging van de volkswelvaart in moederland en overzeesche gewesten, verhooging van het inkomen van den staat.

Dit zal ook bij de noodzakelijke belastingverhoogingen in het oog moeten worden gehouden. Zij zullen de volkswelvaart zoo weinig als mogelijk zal zijn mogen aantasten.

Voorop wordt dus gesteld bevordering van landbouw, nijverheid, handel en scheepvaart door alle daartoe geëigende middelen, vooral door bevordering en aanmoediging van samenwerking.

Verhooging van de volkskracht beschouwt het kabinet als eerste middel tot versterking van ’s lands defensie.

Ook een redelijke zorg voor de werkloozen behoort daartoe. 

Zal die zorg allereerst moeten bestaan in het bevorderen van uitbreiding der werkgelegenheid in het normale bedrijfsleven, zij zal zich ook moeten uitstrekken tot handhaving en uitbreiding van werkgelegenheid, door de overheid te scheppen.

Bij de zorg zoowel voor de volkswelvaart als voor ’s lands defensie zal rekening moeten worden gehouden met den zorgwekkenden toestand, waarin zich ’s lands finantiën bevinden. Op zichzelf nuttige, maar niet strikt noodige uitgaven zullen zoover mogelijk moeten worden ingeperkt, zooal niet achterwege gelaten.

Het verkrijgen van een sluitend budget is daarbij een ideaal waarnaar het kabinet met allen ernst zal hebben te streven.

Versterking van volkskracht en van ’s lands defensie zijn noodig voor het heden maar ook voor de toekomst van ons volk. Daarom is het geoorloofd binnen redelijke grenzen de daarvoor noodige kosten zoodanig te verdeelen, dat zij niet ten volle in het heden op de burgers drukken, ook omdat deze nog steeds gebukt gaan onder de gevolgen van de economische wereldcrisis.

Nederland blijve voeren een zelfstandigheidspolitiek, die allereerst tot uiting behoort te komen in de handhaving eener strikte neutraliteit. 

Naar economische samenwerking tusschen moederland en overzeesche gebieden worde gestreefd.

Een goede regeling van het middelbaar en hooger onderwijs worde tot stand gebracht. Uitbreiding van vakonderwijs, in verschillenden vorm, is gewenscht, mede om tegemoet te komen aan het, niettegenstaande de werkloosheid, in verschillende takken van nijverheid blijkend gebrek aan vakbekwame arbeiders.

De afdeeling Volksgezondheid, wederom vereenigd met de afdeeling Volkshuisvesting (thans bij Binnenlandsche Zaken) blijve een onderdeel van het departement van Sociale Zaken. Daarbij behoort ook de zorg voor het krankzinnigenwezen, welke in 1918 ten onrechte bij Binnenlandsche Zaken is gebleven.

dagboekcahier 10

05/08/1939

zaterdag 5 augustus 1939

’t Is alles anders geloopen. Na Van Schaik, die geen opdracht kreeg, werd De Geer weer bij H.M. geroepen. Gepubliceerd werd, dat hij nu niet als voorzitter van de christelijk-historische fractie, maar als minister van Staat geraadpleegd was. Maar hij ging onmiddellijk met verschillende personen praten. Blijkbaar stuurt hij aan op een ‘nationaal’ kabinet. Gisteren kreeg hij opdracht. En hij publiceerde deze rare mededeeling, die ’t bewaren wel waard is:  ‘Het kamervotum van donderdag 27 juli zie ik als een ernstigen misgreep. Maar ik heb mijn land te lief om hen, die dezen misgreep begingen, op te jagen naar een consequentie, die ik op dit oogenblik èn uit nationaal èn uit internationaal oogpunt in hooge mate bedenkelijk acht. Uit partijoogpunt of als politieke sport moge dit zijn charme hebben, het landsbelang eischt thans iets anders. Daarom heb ik mij bereid verklaard een kabinet te vormen van de breedst mogelijk samenstelling, althans een poging daartoe te doen.’

            Zoojuist meldt Piet Kasteel mij, dat de sociaal-democraten niet bereid zijn mee te doen. Wel wordt gezegd, dat Steenberghe en Welter in het kabinet-De Geer zullen treden. ’t Is kras, na dezen voorafgeganen uitbrander van den formateur!

            Ik heb me blijkbaar over een en ander te veel opgewonden. Sinds heden veertien dagen – dus juist tijdens den duur der kabinetscrisis! – ben ik onder doctor’s handen. ’t Begon met onmogelijkheid om te urineeren, vandaag voor veertien dagen. Daar mijn medicus met vacantie was, ging ik naar den uroloog dr. Croïn. Ook hij was afwezig en ik werd behandeld door zijn nog jongen assistent Van Asbeck. Nu is dr. Peeters weer terug en ook dr. Croïn. En nu  zijn de heeren ’t niet eens. Croïn wil opereeren, Peeters wil me naar Brussel hebben voor een bestraling met 500.000 volt. Wat moet ik nu doen?

            Met dat al voel ik me beroerd. Hoofdpijn en niettegenstaande dagelijkschen inspuitingen met Hombreol, toch nog vooral ’s morgens zeer moeilijke loozing. Dat drukt me neer.

            En nu is nogal vannacht om één uur negen minuten ons tweede princesje geboren! Om zeven uur werden we wakker van de kanonschoten. En een kwartier later hing de vlag al uit. Leve ons princesje!

dagboekcahier 10

13/08/1939

zondag 13 augustus 1939

Een merkwaardige week is achter den rug. Het nieuwe kabinet-De Geer is geconstitueerd, Piet en Guusje kwamen woensdag van de huwelijksreis terug, Lou kreeg haar zevende baby, ons zestiende kleinkind. En met de gezondheid gaat ’t goed: Peeters vindt nu zelfs de Brusselsche bestraling niet noodig. Hij heeft me weer onderzocht: bloeddruk 120, in november was ’t 140. Maar ’t bloedonderzoek gaf minder goed resultaat: er bleek weer teveel eiwit in. Morgen wordt ’t onderzoek nog eens herhaald en dan donderdag weer inwendig onderzoek van dr. Croïn. Daarvan zal dan afhangen wat er met me moet gebeuren. ’t Gekke is, dat zoodra de crisis opgelost was, alles weer  vrijwel normaal ging. ’k Denk, dat de heele zaak niets anders is geweest als een nerveuze aandoening, gevolg van mijn te intens meeleven met de minsterieele crisis. De Geer is klaar gekomen, met twee sociaal-democraten erin: Albarda aan Waterstaat en Van den Tempel aan Sociale Zaken. Ik ben er blij mee; nu zijn we over ’t doode punt. Colijn heeft de slag in ’t algemeen, maar speciaal tegen de katholieken, finaal verloren. Men weet nu in de toekomst, dat de ‘uiterste noodzaak’ maar niet is geweest een camoufleerende formule, maar dat we, als ’t moet, bereid zij met de sociaal-democraten saam te werken. Daardoor is eensklaps de numeriek sterke positie der katholieke kamerfractie nu ook feitelijk sterk geworden.

            Piet en Guusje hebben, na de eerste narigheden door Piets heftige keelontsteking met 39.5 temperatuur, tenslotte toch een goede reis gehad. Vroolijk en tevreden kwamen ze woensdag terug.

            Met Lou is alles ook goed gegaan. ’t [Was] weer een meisje. Ze schijnt ons slechte voorbeeld te volgen: op zeven kinderen heeft ze nu pas één jongen! In januari komt Joke aan de beurt. Ze maakt ’t bij voortduring goed.

            Donderdag komt An met twee kinderen logeeren. Ik vind ’t heerlijk, als ’t nu voor oma maar weer niet te druk is. Lies is met vacantie: een reisje naar Spa. Naar Zwitserland vond ik in den steeds gespannen internationale toestand te ver en te gevaarlijk.

dagboekcahier 10

29/08/1939

dinsdag 29 augustus 1939

Wat zal ’t worden? Oorlog of vrede? Vandaag schijnt ’t de beslissende dag te zullen worden. Welk een verantwoordelijkheid voor hen, die de beslissing moeten nemen! Valt Duitschland Polen aan, dan volgt onmiddellijk de oorlogsverklaring van Engeland en Frankrijk. Wat zal Italië doen? Ik geloof, dat Mussolini, den ondergang van zijn eigen land voorziende, gelijk Italië ook in 1914 deed, Duitschland in den steek zal laten. Het plan schijnt, dat Engeland en Frankrijk zich aanstonds met volle kracht op Italië zullen werpen. Maar als ’t zich neutraal verklaart, wat zal dan Duitschland doen? Hier wordt geloofd, dat (als Italië aan den As trouw blijft!) Duitschland zich in ’ t westen slechts verdedigen zal en dan met alle overige krachten, sterk gemotoriseerd, op Polen zal werpen. Roemenië is Polens bondgenoot. De Duitschers schijnen erop te rekenen, dat ze Polen in vijf à zes weken onder den voet kunnen loopen. Daarna zouden ze zich dan naar het westen kunnen keeren. Griekenland en Turkije staan ook aan de kant van Engeland en Frankrijk. Spanje zal, nu nazi-Duitschland plotseling een verbond met Rusland heeft gesloten, zich wel neutraal houden. Wat zal Rusland doen? Ik hoop, dat de bolsjeviki Duitschland in den steek zullen laten: verdiende loon.

            Ik maak me bezorgd over Rie in Zevenaar. Wim moet als medicus daar blijven. Maar als de Duitschers zich, vooral als Italië afzijdig blijft, op Rotterdam zullen werpen om Engeland te kunnen aanvallen en een duikbootenbasis te hebben, gelijk in 1914-1918 in Zeebrugge, dan loopt de weg over Zevenaar. Als dan, wat ’t plan is, de mooie nieuwe bruggen opgeblazen worden, dan zit de bevolking gevangen. Ik heb ’t advies gevraagd aan mijn collega in den Raad van State generaal Muller Massis: hij zegt: geen gevaar, zeker de eerste zes weken niet. Maar oud-minister Van Dijk, pas afgetreden, was daar niet zoo zeker van, als Italië neutraal bleef; hij zei: ik zou ’t zekere maar voor ’t onzekere nemen en je dochter met haar twee kleintjes naar Den Haag laten komen. Ik heb haar alles door de telefoon uitgelegd, ze moet ’t nu zelf maar beslissen. Ze wil namelijk haar man niet alleen achter laten en blijft dus liever.

            ’t Is ’n moeilijk te beslissen geval. Wellicht komt vandaag de uitkomst. Ik geloof nog steeds niet in het uitbreken van den oorlog, die een wereldramp zal worden als de geschiedenis nog niet gekend heeft. Ik geloof, dat Hitler maar steeds dreigt, maar tenslotte niet zal doorzetten, indien Engeland en Frankrijk maar sterk op hun stuk blijven staan. En dit schijnt nu wel ’t geval te zijn. Een da capo van München zou voor de toekomst evenzeer vol onheil zijn en den oorlog alleen uitstellen.

dagboekcahier 10

01/09/1939

vrijdag 1 september 1939

Het is gebeurd. De Duitsche troepen zijn vanmorgen van drie kanten Polen binnengedrongen. Ik hoorde Hitler’s redevoering in den zoogenaamden Rijksdag. ’t Was afschuwelijk om aan te hooren. Een hysterische politicus, die misschien niet loog, maar wel beslist zeer grove onwaarheden sprak. Alle schuld is bij Polen. Ik las vanmiddag in ’t boek over de drie Chamberlains juist de geschiedenis van september 1938: de aanval op
Tsjecho-Slowakije, nog door Chamberlain tegengehouden, in ’t vertrouwen op Hitler’s woord: alleen ’t Sudetenland moest hij nog hebben, daarna had hij in Europa geen territoriale aspiraties meer. En in april bezette hij ’t overige Tsjecho-Slowakije en thans rukt hij Polen binnen, zoogenaamd om Dantzig, maar mijns inziens om den corridor en Silezië, met zijn rijke mijnen. Zijn rede was vanmorgen bijna gelijkluidend met die van verleden jaar september. Om zes uur komt nu ’t Lagerhuis bijeen. Chamberlain zal nu antwoorden met den aanval op Duitschland, samen strijdend met Frankrijk, gesteund door Roemenië, Griekenland en Turkije. Wat zal Mussolini doen? Ik geloof, dat hij ‘in ’t belang van Duitschland’ zich welwillend neutraal zal houden. Maar hoe zullen Frankrijk en Engeland Duitschland bereiken? Over de Siegfriedlinie? God behoede ons vaderland!

dagboekcahier 10

03/09/1939

zondag 3 september 1939

Heden om twaalf uur hebben Engeland en Frankrijk den oorlog verklaard aan Duitschland. ’t Was te verwachten. Een sommatie was gericht aan Hitler om de vijandelijkheden in Polen te staken en zijn troepen terug te trekken. Hij heeft er zelfs niet op geantwoord! Chamberlain heeft ’t in ’t Lagerhuis wel vastgenageld, dat deze wereldoorlog te wijten was aan de zinnelooze eerzucht van één man. Twee vragen rijzen nu: hoe zal tenslotte het geknechte Duitsche volk dit opvatten en: hoe zullen Engeland en Frankrijk Polen te hulp komen? Dit zal van tweeërlei afhangen: wat zal Italië doen en wat Sovjet-Rusland, Hitler’s jongste bondgenoot. Valt Rusland Polen aan – zijn oppermilitairen deden gisterenavond reeds hun triomphale intocht in Berlijn! – dan kan Duitschland zich tegen ’t westen keeren. Daarin ligt ook een gevaarkans voor ons. Doet Mussolini mee, dan zullen de Engelsche en Fransche vloten zich allereerst tegen Italië wenden. Dit geeft echter aan Polen weinig soulaas. Of gaat de Engelsche vloot met vliegtuig-moederschepen naar de Oostzee? Angstige tijd, dien wij tegemoet gaan. Lies en ik werden in 1871 geboren, tijdens den Fransch-Duitschen oorlog. Wij maakten  den wereldoorlog 1914-1918 mee. Zou nu onze sterfdag liggen binnen dezen nieuwen wereldbrand?

God behoede onze kinderen en kleinkinderen.

dagboekcahier 10

19/09/1939

dinsdag 19 september 1939

De koningin heeft heden de zitting der Staten-Generaal geopend met een sombere, toch niet al te sombere, troonrede. Duitschland heeft Polen in veertien dagen voor tweederde onder den voet geloopen. En zondagmorgen om zes uur zijn de Russen zonder oorlogsverklaring, niettegenstaande het bestaande niet-aanvalspakt, Polen binnengetrokken. Arm Polen! Zijn lot schijnt nu bezegeld. Onderwijl is Frankrijk in ’t westen een offensief begonnen, dat vóór de Siegfriedlinie in het niemandsland wel succes schijnt te hebben, maar niet opschiet. Duitschland zal nu een deel van zijn troepen uit Polen naar het westen kunnen dirigeeren. Engeland heeft troepen in Frankrijk geland. Zoo is vandaag de toestand. Maar hoe zal hij zich ontwikkelen? Is Rusland Polen binnengerukt om Duitschland te helpen of om het tegen te houden, een al te groot stuk van Polen te annexeeren? Hoe is de toestand in Duitschland? Is het waar, dat er een algemeene ontevredenheid is, gereed om uit te barsten? Is het waar, dat er geweldige twisten  zijn tusschen de nazi-leiders? Goebbels heet doodgeschoten, anderen zijn gevangen gezet, in Slovakije zou er ernstige muiterij onder de troepen zijn.

            Ik kan niet gelooven, dat dit alles, zelfs als het waar zou zijn, practische beteekenis zou hebben. Ik geloof, dat wij er rekening mee te houden hebben, dat deze oorlog weer lang zal duren. En – erger nog – dat er groote kans is, dat wij in ’t gedrang zullen komen. Het groote Duitsche leger kan alleen aan de Fransche grens niet tot volle ontwikkeling van zijn kracht komen. In Frankrijk stuit het op de Maginotlinie. Toch heeft Duitschland haast. Een langen oorlog kan het niet verdragen. Zal men dan er niet toe besluiten om, gelijk in 1914 door België, thans door ons land naar Frankrijk te trekken om dan tevens Rotterdam te bezetten en er een tegen Engeland gerichten duikboothaven van te maken?

            Ook met Engeland krijgen we last. Het meent, dat Duitschland alleen langs economischen weg te overwinnen is. Het moet daarom dus doorvoer over ons land beletten. Zal het ook niet eischen, dat wij zelfs uit eigen land niet aan Duitschland leveren, wat het als contrabande heeft verklaard? En, zouden wij ons daardoor laten intimideeren, zou Duitschland dan niet  verklaren, dat wij onze neutraliteit hebben verbroken? Zoo zie ik moeilijkheden en gevaren van alle kanten.God alleen kan in dezen nood uitkomst geven.

dagboekcahier 10

24/09/1939

zondag 24 september 1939

Goebbels is niet dood. Hij heeft eergisteren tot de internationale journalisten gesproken en onder andere gezegd, dat Duitschland er niet over denkt de neutraliteit van Nederland, België en Luxemburg te schenden. Jammer alleen, dat men aan zulke verzekeringen, zelfs als ze door Hitler zelf gegeven worden, zoo weinig waarde zou kunnen hechten! Het ziet er anders beangstigend raar in de wereld uit. Duitschland heeft ongeveer tweederde van Polen aan Rusland afgestaan. Er worden in de gemeenten al sovjets ingesteld! Hitler, die er zich altijd op beroemd heeft Duitschland van het communisme bevrijd te hebben, haalt nu zelf de Russen in Centraal-Europa. Hongarije kwispelstaart al en Roemenië wil al pootjes geven, terwijl Turkije – pas met Engeland en Frankrijk verbonden – akelig lief tegen Rusland doet. En Mussolini heeft gisteren eensklaps, na maanden gezwegen te hebben, weer zijn mond opengedaan om zijn draai-terug naar Duitschland-Rusland voor te bereiden. Zoo gaat ’t er voor Frankrijk en Engeland wel naar uitzien. Wat zal uit dit alles nog groeien?? 

dagboekcahier 10

15/01/1940

maandag 15 januari 1940

Het nieuwe jaar is zoo goed begonnen, voor ons althans. 21 juli 1938 trouwden Joke en Han op onzen trouwdag. Joke hoopte zoo, dat nu – evenals An bij ons – haar eerste kleine ook na anderhalf jaar op vrijdag 5 januari zou geboren worden. En ziet, ’s avonds om tien uur ging dien dag de telefoon, uit Deventer opgebeld: Joke heeft een flinken zoon! En weer was ’t als voor 40 jaar, toen onze eerste baby kwam, Eerste Vrijdag! Zaterdag is hij Peter gedoopt. En zondag zijn moeder en ik haar op gaan zoeken. Alles was prachtig in orde. En te onzer eere dooide ’t dien dag, één dag, temidden van weken fellen vorst! Ja, ’t jaar 1940 is voor ons goed begonnen.

            Zal ’t zoo blijven? Gisterenmiddag kwam ’t bericht door de radio, dat de verloven waren ingetrokken – evenals in België – met ’t oog op den internationalen toestand, die verscherpt was. Rusland strijdt nu in Finland. Wil Duitschland nu tegen België en ons land beginnen?

            Reeds dreigde ’t in de eerste helft van november. De regeering was gewaarschuwd. Alle voorzorgen aan den oostgrens werden genomen. Na een week dreef de bui echter af. Zal ’t nu  ook zoo gaan? Laten we ’t hopen. Maar ’t is griezelig zoo altijd op den rand van den afgrond te leven. Zal 1940 een vredesjaar worden? Of zullen wij eerst nog in den oorlog betrokken worden? Wij weten het niet. God alleen weet het. Moge Hij onze koningin en ons volk beschermen!

dagboekcahier 10

19/04/1940

vrijdag 19 april 1940

Nog steeds duurt de oorlog voort en ons land komt steeds moeilijker tusschen de beide partijen te zitten. Hedenmiddag deelde jhr. De Geer, voorzitter van den ministerraad, mede, dat heden het geheele land in staat van beleg werd verklaard, nadat dit reeds met verschillende gedeelten van ons land reeds ’t geval was. Dreigt er meer gevaar? En zoo ja van welken kant? Ook België en Zwitserland namen gelijksoortige maatregelen. Na de bezetting van ’t neutrale Denemarken op ’n ultimatum, ’s nachts om drie uur, waarop binnen één uur het antwoord verwacht werd, na het binnenrukken van het evenzeer neutrale Noorwegen, dat geheel verrast werd en zelfs nog niet gemobiliseerd had, zou men kunnen denken, dat Duitschland thans ook ons land zou willen bezetten om ook vandaar uit Engeland te  kunnen bestoken. Maar anderzijds en daar scheen jhr. De Geers mededeeling wel op te duiden, of juister: óók te duiden, kan men denken, dat Engeland, geleerd door wat in Noorwegen geschiedde, ons zijn bescherming wil opdringen. Of – en dit geloof ik veeleer – heeft de regeering thans vooral het oog op het binnenlandsch gevaar van verraad? ’t Is in Noorwegen gebleken, dat Duitschland alles met behulp van nazi-vrienden had voorbereid. Eensklaps komt nu in alle landen een verscherpt toezicht op vreemdelingen en een krachtiger optreden tegen verraders-in-spe. Ongetwijfeld geeft de staat van beleg thans aan de militaire macht zeer vergaande bevoegdheden om tegen communisten en N.S.B.-ers preventief op te treden. Reeds werden er gisteren al huiszoekingen gedaan. ’t Is toch eigenlijk diep treurig en wel een bewijs voor de afdwaling der geesten in dezen tijd, dat bij het gevaar hetwelk ons land bedreigt men allereerst moet denken aan het gevaar van binnenuit! Ik heb zeven à acht jaren geleden in de Tweede Kamer al reeds voor dit gevaar gewaarschuwd en aangeraden er tijdig afdoende maatregelen tegen te treffen.

            Zelf zit ik met deze moeilijkheid: in de eerste helft van juni vergadert weer de Internationale  Arbeidsconferentie te Genève. Daar ik met ingang van 1 april benoemd zou worden tot plaatsvervangend lid van de afdeeling Geschillen van Bestuur van den Raad van State, had ik via mejuffrouw Stemberg den minister laten weten, dat het mij aangenaam zou zijn, wanneer hij thans een ander – bijvoorbeeld den pas als minister van Sociale Zaken afgetreden prof. mr. Romme – in mijn plaats ter benoeming tot eerste gedelegeerde zou willen voordragen. Juist in de zomermaanden pleegt ’t plaatsvervangend lid zitting te hebben wegens het achtereenvolgens met vacantie gaan van de vaste leden der afdeeling Contentieux.

De minister betoogde mij in een onderhoud, dat de regeering er zeer op stond, dat ik juist dit jaar de benoeming nog zou aannemen. Vooreerst, omdat het wegens het aanwezig zijn van de afgevaardigden van Engeland en Dominions, en van Frankrijk een moeilijke conferentie zou worden. Reeds had de Zwitserse regeering onzen steun gevraagd om eraan mee te werken, dat de conferentie strikt neutraal zou blijven. Daarom wilde men een gedelegeerde, die in ’t Geneefsche serail thuis was en er de knepen kende. Bovendien krijgt Nederland, door ’t uittreden  van Italië en Japan, voor ’t eerst een permanenten zetel in den Conseil d’Administration. Ook voor ’t bekleeden van die – thans ook zeer moeilijken – post, meende men mij noodig te hebben. Zoo heb ik mij tenslotte laten overhalen, tot groot verdriet van mijn vrouwtje, die mij in dezen bangen tijd niet graag in het buitenland ziet. De reis is ook verre van aangenaam; vooral in Frankrijk – immers thans is de eenige route naar Genève via Parijs – is men zeer moeilijk. Van hier naar Parijs duurt de reis thans ± twaalf uur, tegen negen voorheen.

            Ik vraag me echter af of de conferentie wel zal doorgaan? Noorwegen en Denemarken kunnen wel niet komen. En Zweden? Het gevaar, dat òf België, Zwitserland of Nederland onderwijl tegen hun zin toch in den oorlog betrokken zullen worden, blijft dreigen en zal elke volgende week dreigender worden. Als dat ongeluk gebeurt, hoe dan terug te komen?

            Om met iets aangenaams te eindigen: mijn verjaardag – 27 maart – viel dit jaar bij hooge uitzondering buiten den Vasten, die van mijn vrouw – 16 februari – erin. Met afwijking van anders, wilden we dus dit jaar mijn verjaardag vieren, door een Festessen  van alle kinderen. En zoo waar, het is gelukt, al was ’t dan niet op den dag zelf, maar op zaterdag 6 april. Allen waren ze aanwezig en met moeder en ik erbij, zaten we met vijftien personen aan tafel. ’t Was heel gezellig en zeer vroolijk. Een week tevoren was Joke al gekomen met haar zoon van drie maanden. Een heerlijke gezonde jongen, met het gezicht van grootvader Klep, maar tenminste met mijn haar! Ik hoop, dat de kinderen, als wij er niet meer zijn, toch die jaarlijksche reünie zullen volhouden. Dat schept een band van saamhoorigheid en maakt ze tot een werkelijke familie.

dagboekcahier 10

10/05/1940

vrijdag 10 mei 1940

Een historische datum, helaas!

Vannacht om vier uren werden we wakker door zwaar geronk van vele groote vliegtuigen en het daverend geraas van afweergeschut en het fel geratel van mitrailleurs. Ik dacht, dat ’t ongeveer acht uur was en dat er oefeningen werden gehouden. Lies ging naar beneden en zette de radio aan. Weldra bleek de wreede werkelijkheid: bij tientallen werden aan alle kanten Duitsche vliegmachines gesignaleerd. Spoedig daarop werd bericht, dat in verschillende plaatsen parachutisten, veelal  als Nederlandsche soldaten verkleed, naar beneden kwamen. Dat was dus duidelijk de overvalsoorlog van Duitschland tegen Nederland, vermoedelijk ook tegen België. Dinsdagmiddag had de regering blijkbaar een waarschuwing ontvangen en waren weer, gelijk reeds enkele weken geleden, alle verloven ingetrokken. Vandaag zouden de treinen weer volgens ’t gewone spoorboekje rijden. We dachten: ’t gevaar is zeker weer afgewend. Dinsdagmiddag was in den Raad van State meegedeeld, dat we ons, indien er iets gebeuren mocht, paraat moesten houden om, wanneer de zetel der regeering buiten Den Haag zou worden verlegd, haar te volgen. Een koffer met benoodigdheden voor twee à drie weken moesten we gereed houden. We zouden per autobus vervoerd worden. Waarheen? Onbekend. Ik vind ’t naar mijn vrouw te moeten achterlaten. Maar plicht gaat voor.

            Zeer zijn we in angst hoe ’t in Zevenaar zal zijn. Zou ons arme Rietje met haar twee kleintjes vannacht zijn moeten vluchten? En dan Joke in Deventer. De radio deelde mede, dat de IJsselbrug reeds opgeblazen was. Wat een toestand: gisteren nog vrede, thans oorlog, zonder eenige sommatie  of aankondiging! De radio deelde zoojuist de proclamatie van de koningin mede. Een mooi, waardig en krachtig stuk, dat ook in ’t buitenland wel effect zal hebben. Engeland en Frankrijk komen ons natuurlijk te hulp. Maar hoe zullen de Vereenigde Staten reageeren? Ik denk, dat daar de inval in Nederland nog grooter indruk zal maken dan de inval in België in 1914.

Zoojuist hoor ik van een leidster van het Roode Kruis, dat de nieuwe kazernes hier in Den Haag door bommen geheel verwoest zijn. De radio heeft er nog niets over meegedeeld. Wel dat in Rotterdam watervliegtuigen op de Maas gedaald zijn en caoutchoucboten hebben uitgezet. Ik vrees, dat de druk van Duitschland vooral in de eerste dagen ontzettend zal zijn. Ze zullen het land willen demoraliseeren voordat Engeland en Frankrijk te hulp kunnen komen.

dagboekcahier 10

11/05/1940

zaterdag 11 mei 1940

De nacht is rustiger geweest dan ik gedacht had. Tot twee uur voortdurend motorgeronk en alarmsein. Van twee tot zes hebben we rustig geslapen. Ook deze morgen was ’t rustig, maar nu vanmiddag na twee uur voortdurend  luchtafweerberichten in de radio. Bij tien- en twintigtallen komen de Duitsche vliegtuigen met parachutisten binnen: boven Leiden, Wassenaar, Gouda, Brielle, Rotterdam, Schoonhoven, Hooge Zwaluwe, Breda, Steenbergen, Boxtel, Tilburg, enz. ’t Is afschuwelijk om aan te hooren.

            Over de grenstroepen nog steeds geenerlei bericht. ’t Is ellendig, dat we niets van onze kinderen hooren; telegraaf noch telefoon werken en ook ’t postverkeer staat voorloopig stil. God en Zijn lieve Moeder moge[n] al onze kinderen en kleinkinderen in heilige hoede nemen. Ik heb wel telefonisch verkeer met officieele adressen. Maar daar heb je weinig aan. O God, wees ons allen genadig, bescherm onze koningin en behoed ons volk!

dagboekcahier 10

13/05/1940

maandag Tweede Pinksterdag 13 mei 1940

Zoojuist meldde de radio, eerst dat de princes met de twee kleine princesjes naar Engeland was vertrokken om de dynastie in veiligheid te stellen. En kort daarop, dat de Duitschers in Noord-Brabant al tot de Langstraat waren doorgedrongen en hooger op tot de Waterlinie waren genaderd. Engeland helpt alleen nog maar met vliegmachines in ons land, Frankrijk helpt België met gemotoriseerde troepen. Zoo ziet ’t er  voor ons land slecht uit. Vanmorgen belde de secretaris van den Raad van State me op, dat er nog geen bericht was of de zetel der regeering verlegd zou worden. Zal dit nu spoedig gebeuren? De Raad van State gaat dan ook mee, waarheen is geheim. Ik zie er erg tegen op, niet zoozeer voor mijzelf, als wel omdat ik mijn lieve Liesje dan hier moet achterlaten. Ik weet nu niet hoe ’t met de kinderen is. Dan zal ik ook niet weten hoe ’t haar gaat. Een ontzettend vooruitzicht. Gelukkig is onze dochter Lies dan nog bij haar, met de trouwe dienstbode. Maar hoe zullen deze drie vrouwen zich moeten redden, als Den Haag bezet wordt en er wellicht Duitsche inkwartiering komt? O mijn God, help ons toch, wees ons genadig, bescherm mijn vrouw, bescherm onze kinderen en kleinkinderen, bescherm ook mij, opdat ik ze allen, als dit lijden geweken moge zijn, weer zal terugzien. En anders – wees mij, armen zondaar, genadig en geef sterkte en kracht aan mijn lieve liefste Liesje, die me meer dan veertig jaren lang nooit anders dan goed gedaan heeft, o God, help haar![33] 

            Twee uur later. Ik heb collega Kan opgebeld om hem te vragen of hij de beschikking over ’n auto had, als we moesten vertrekken. Ja, zijn zoon was er met zijn wagen, maar hij dacht dat ’t mogelijk was, dat de Raad van State niet zou gaan. Hij scheen te weten, dat niet alleen princes Juliana en haar kinderen, maar ook de koningin zelf, vergezeld van Beelaerts van Blokland, vice-president van den Raad van State, naar Engeland vertrokken was. Hij vermoedde, dat ook reeds eenige ministers daarheen waren. Ik belde toen Steenberghe op, tweemaal ‘in gesprek’. Toen Van den Tempel. Zijn bode zei: de minister heeft het gebouw verlaten? Naar den ministerraad? vroeg ik. Neen, zei hij aarzelend, er is geen ministerraad. Toen belde ik Verstraeten op, mijn oude kamerbewaarder, nu van Steenberghe. Hij verbond me met den minister. Ik vroeg hem of de Raad van State vertrekken moest? Ik voegde erbij, dat ’t mijns inziens een dwaasheid was, daar hij nooit door de regeering over ’t politieke beleid gehoord was. Hij zei, dat ’t nog niet beslist was, maar dat hij met Beelaerts moest overleggen, maar hem maar niet bereiken kon. Hij beloofde me, zoodra hij hem gesproken had, mij weer op te bellen. Ik belde toen Kan weer op, die me  toen meedeelde, wat ik reeds te vroeg opteekende, dat ook H.M. met Beelaerts vertrokken was naar Engeland. Vergeefs trachtte ik weer verbinding met Steenberghe te krijgen: steeds in gesprek. Even later belde Kan me weer op. Hij zei: ik weet ’t al, wij gaan niet weg. Hoe ontzettend al dit nieuws ook was, ik voelde toch een groote opluchting, dat ik mij niet in deze bange uren van mijn vrouwtje behoefde te scheiden. Gode zij dank! Mijn koffers stonden al goeddeels klaar. Ik heb nu alles aan mijn vrouw meegedeeld. Ik had haar sinds gisteren al eenigermate voorbereid, maar over Engeland had ik nog niet gesproken. Toen zij dàt hoorde, schrok ze erg, maar ze kalmeerde weer doordat ze meteen wist, dat onze reis niet doorging en dat ik dus bij haar kan blijven. Ik vrees, dat we nu bange dagen tegemoet gaan. Maar we zijn in Gods hand. Op Hem is ons vertrouwen.

dagboekcahier 10

14/05/1940

dinsdag 14 mei 1940

Goddank, vanmorgen een brief van An in Breda, geschreven vrijdagochtend 10 mei. Ze meldt, dat Liesje, ons oudste kleinkind, reeds  woensdagmorgen uit Venray thuis gekomen was. Dat is dus één zorg minder. Op onze briefkaarten nog niets gehoord. Hoe zal het thans in Breda zijn? Er was gisteren een bericht, dat er Fransche gemotoriseerde troepen waren aangekomen. De Duitschers zijn er echter al noordelijker voorbijgetrokken: ze waren gisteren in de Langstraat. Maar vanmorgen was het bericht, dat ze reeds den Moerdijk waren overgetrokken. Blijkbaar had men de twee bruggen nog niet opgeblazen. Het noorden (oosten) hebben zij in handen. Ik vrees, dat Deventer dus ook al wel bezet is. Van Zevenaar vermoedde ik dit reeds vrijdagmiddag. Arme Joke en Rie, hoe zullen ze ’t toch wel maken? Hoorden we maar eens iets.

            Vannacht een rustige nacht. Maar ik heb maar tot drie uur geslapen. Na vier uur was er blijkens ’t zwaar kanongebulder een zeeslag voor onze kust. Maar daarna bleef ’t rustig in de lucht. Ik denk, dat de Duitschers al hun krachten inspannen om Rotterdam te bereiken. Maar dan zitten ze tusschen in ’t zuiden de Belgische, Fransche en Nederlandsche legers en ten noorden de Nederlandsche soldaten. Ons leger  heeft zich uit het oosten nu geheel in de stelling-Holland teruggetrokken. De inundaties zijn geschied. Waren er geen vliegtuigen, dan zouden de Duitschers daarvoor wel een tijdlang opgehouden worden. Vanmorgen een goede proclamatie van den opperbevelhebber. Hij maakte duidelijk waarom koningin en ministers vertrokken waren: vooral om het contact met de overzeesche gebieden niet te verliezen. Maar op de bevolking heeft dit vertrek, naar ik verwacht had, geen goeden indruk gemaakt. De Duitsche radio had ook al gezegd: de regeering laat het volk in den steek. Ik ben blij, dat ik gisteren gedaan kreeg, dat de Raad van State niet vertrok. Het lijkt me ook juister, dat wij bij den opperbevelhebber blijven. Ik schrok vanmorgen, toen de christelijke radio meedeelde, dat dr. Colijn om negen uur het volk zou toespreken. Gelukkig ging dit niet door. Eerlijk gezegd, ik vertrouw hem niet in deze omstandigheden. Gelukkig, dat we nog steeds de radio hebben. Hoe verschrikkelijk zal ’t zijn, als deze eens bezet wordt en we alleen maar Duitsche berichten zullen ontvangen.

dagboekcahier 10

15/05/1940

woensdag 15 mei 1940

Een verschrikkelijke dag was die van gisteren. ’s Middags werd Rotterdam gebombardeerd. De rookwolken kon men hier in Den Haag zien. Vandaag vernam ik van Van Karnebeek, dat de burgemeester Oud ’s morgens om elf uur een sommatie had ontvangen om de Duitsche troepen onbestreden binnen te laten, daar anders om twee uur ’t bombardement van de stad zou aanvangen. Hij belde onmiddellijk Van Karnebeek, den commissaris der koningin in Zuid-Holland, op. Deze meende, dat de beslissing bij den opperbevelhebber lag. Hij ging naar hem toe. Deze was niet overtuigd, dat de Duitschers deze vreeselijke bedreiging zouden uitvoeren. Indien dit niet gebeurde, was er geen reden geweest om aan de sommatie gevolg te geven. Kwam het bombardement, dat dan achtereenvolgens gevolgd zou worden door ’t bombardement van Utrecht, Amsterdam en ’s-Gravenhage, dan moest de tegenstand beëindigd worden. De hulp in de lucht van Engeland was onvoldoende; wij hadden het grootste deel van onze vliegtuigen reeds verloren. Verdere tegenstand ware  daarom nutteloos en zou leiden om van ons land één groote puinhoop te maken. Helaas, het dreigement was geen bluf: om twee uur begon het. De binnenstad werd geheel verwoest. Het groote ziekenhuis aan de Coolsingel werd zwaar getroffen, verschillende patiënten zijn verbrand. Toen nam de opperbevelhebber het zware besluit, dat wij den strijd zouden opgeven en wapens neerleggen. In een sobere maar mooie rede deelde hij dit door de radio mee. Om zeven uur ’avonds hield onze tegenstand op. Maar om half negen werd toch nog onze marinehaven Den Helder gebombardeerd, waartegen de opperbevelhebber protesteerde. Berlin was niet per telegraaf of telefoon te bereiken. Daarom deelde het Duitsche gezantschap dit per Nederlandsche radio aan de Duitsche regeering mede.

            Zoo is deze oorlog van nog geen vijf volle dagen beëindigd. Aan de eer is voldaan. Maar tienduizenden zijn gesneuveld. Wat zijn de gebeurtenissen in deze vijf dagen snel op elkaar gevolgd! ’t Is of ’t al wel twee weken geleden is, dat op vrijdag 10 mei ’s morgens om vier uur de Duitsche inval begon. 

            En wat nu? Vanmorgen was ik in de stad, omdat ik in ’t gebouw van den Raad van State moest zijn. Op ’t Binnenhof stond ’t vol met Nederlandsche soldaten, die, daar aangekomen, ontwapend werden. Er waren al reeds vele Duitsche soldaten per motor binnengekomen. Velen zag ik er voor ’t leege paleis van de koningin. Maar ’t publiek, dat talrijk was, was zeer kalm. Velen stonden gemoedelijk met Duitsche soldaten te praten. Ik betreur het, dit te moeten zeggen: het schijnt dat de volkswoede zich thans veel meer keert tegen de koningin en de ministers, die ons volk in dit ernstige uur aan zijn lot overlieten dan tegen de Duitsche soldaten, die hun plicht doen. Ik ben sterk bevestigd in mijn eerste opinie, dat deze vlucht naar Engeland een groote fout is geweest. De dynastie zal er, vrees ik, een ernstige knauw door krijgen. Ik ben blij, dat de leden van den Raad van State – behalve dan de vici-president, een persoonlijke vriend en particuliere raadsman van de koningin – niet zijn meegegaan. Eigenlijk moesten wij nu ’t gezag in handen nemen volgens den geest van onze Grondwet. Vanmorgen kwam Rutgers daarover spreken. Ik  was het met hem eens, dat we zoo spoedig mogelijk bijeen moesten komen en dan uit ons midden een commissie moesten benoemen, die in overleg met het Duitsche bestuur zou moeten treden. Ik ried hem aan deze zaak met generaal Muller Massis te bespreken, dien ik ’t meest geschikt achtte om als voorzitter van die commissie op te treden. Ik hoorde echter niet meer van hem. Maar een uur later werd ik namens Colijn verzocht om drie uur ’s middags in ’t Dr. Kuyperhuis te komen, we zouden dan een bespreking houden met De Vos van Steenwijk (voorzitter Eerste Kamer), Van Schaik (voorzitter Tweede Kamer), Van Karnebeek (commissaris van de koningin in Zuid-Holland), Koolen, lid Raad van State, en Van Dijk, oud-minister van Defensie. Zoo kwamen we bijeen. Ik kwam te laat, omdat ik lang had moeten stilhouden met mijn taxi voor een lange colonne Duitsche motorwagens met soldaten. Ik bemerkte echter, dat Colijn heftig tegen ’t kabinet-De Geer had uitgevaren. Hij schetste den verontwaardigden afkeer van ons volk. Men was juist aan ’t betoogen tegenover hem,  dat thans openlijke kritiek op ministers of koningin wegens hun ‘vlucht’, zelfs indien gerechtvaardigd, toch fout zou zijn. Wij moesten veeleer de bevolking kalmeeren en vertrouwen inboezemen. Tenslotte werd afgesproken, dat Van Karnebeek vanavond ten deze overleg zou plegen met den opperbevelhebber, we zouden dan morgenochtend om half tien weer bijeenkomen.

            De vraag is, wat zal nu Engeland doen? ’t Schijnt, dat de Duitschers vreezen, dat de Engelschen ons nu zullen gaan bombardeeren (of wellicht alleen, dat ze over ons land naar Duitschland zullen vliegen?), daarom moet vanavond alles weer verduisterd zijn.

dagboekcahier 10

16/05/1940

donderdag 16 mei 1940

Vanmiddag om kwart over twee hebben we volgens afspraak weer geconfereerd, nu ten huize van De Vos van Steenwijk, voorzitter van de Eerste Kamer. Van Karnebeek bracht rapport uit over zijn bespreking met den opperbevelhebber generaal Winkelman.  Maar eerst stelde hij een prealabele vraag: met welke bedoeling zijn we bij elkaar? Is het, zooals gisterenavond dr. Colijn in De Standaard deed, om kritiek uit te oefenen op de koningin en de ministers wegens hun vertrek naar Engeland,  dan doe ik niet mee. Is het echter om te beraden wat we in ’t belang van ons volk kunnen doen en daarbij de regeering te steunen, goed, dan doe ik mee. Colijn zei, dat hij zelf ook overtuigd was, dat hij niet in dit gezelschap hoorde. Eigenlijk koos alleen zijn partijgenoot Van Dijk, zij het maar zwak, zijn partij. Alle anderen lieten zich scherp afkeurend over Colijns artikel uit.

            Van Karnebeek deelde mede, dat de algemeene toestand betrekkelijk gunstig was. De Duitschers traden overal zeer gematigd op. Het doel scheen te zijn een groot Duitsch ministerie met ± 200 ambtenaren in te stellen, dat dan met onze departementen zou samenwerken. De Duitschers interesseerden zich voornamelijk voor Noord- en Zuid-Holland en Utrecht; het overige deel van ons land zou slechts zwak bezet worden. Hun oogmerk was blijkbaar om hier de basis te leggen voor hun grooten aanval op Engeland. Ze hadden er dus zelf belang bij om hier den toestand zoo kalm mogelijk te houden. Ons belang was dus hen niet te prikkelen en niet achterdochtig te maken. Hij ontraadde daarom elk optreden onzerzijds. Ook tegenover de regeering was dit beter,  omdat anders de schijn zou worden gewekt (vooral na Colijns betreurenswaardig artikel) alsof wij hier een provisioneele regeering wilden vormen. Dit zou ook verdeeldheid in ons volk verwekken. Het bleek, dat eigenlijk allen het hiermee eens waren. Eenstemmig werd dus besloten voorloopig niets te doen, ook geen manifest of eenige andere publicatie op te stellen. Winkelman bleek zeer verontwaardigd over ’t niets doen van Engeland, dat slechts acht bommenwerpers, die we niet noodig hadden, zond. Frankrijk had ook steun toegezegd en zond naar Brabant een aantal soldaten, die van Gamelin opdracht hadden de Moerdijkbrug te beschermen. Maar ze kwamen niet verder dan Breda en weigerden een stap verder te zetten, niettegenstaande tot driemaal toe – ik meen door den Franschen gezant – hun dringend verzocht werd naar den Moerdijk te gaan. Het gevolg is, dat er thans een sterke anti-Engelsche geest in ons volk ontwaakt is. Men voelt zich bedrogen en verraden. Verraders waren er ook in ons leger geweest. Bij de Grebbelinie doodden de soldaten hun kapitein, toen hij hen beval de positie op te geven en terug te trekken. Zoo schijnen ook andere officieren in de Duitsche kaart gespeeld te hebben.  Die anti-Engelsche gezindheid wordt nog versterkt door het gematigde en taktvolle optreden der Duitsche militairen. Op straat ziet men telkens talrijke groepen rondom Duitsche soldaten met belangstelling luisterende naar hun krijgsverhalen. Ook hun optreden tegenover de burgemeesters en tegenover Van Karnebeek als commissaris der koningin en tegenover den opperbevelhebber Winkelman is volkomen correct en vaak zelfs welwillend. Dit alles moet ons nopen alles te vermijden wat die goede verstandhouding zou kunnen verstoren.

            Ik ben blij, dat onze bespreking aldus verloopen is. Morgenochtend half elf komt de Raad van State bijeen. Ik zal ernaar streven, dat deze in gelijken geest een besluit neemt.

            Van Karnebeek deelde nog mede, dat de Duitschers toegezegd hadden, dat zij niet tegen de Nederlandsche joden zouden optreden, maar tegenover de Duitsche joden, die naar hier zijn uitgeweken, behielden zij zich alle vrijheid voor.

            Helaas, er komt onder de Nederlandsche joden hier ook een zelfmoordepidemie op. Zoo heeft onze collega mr. Limburg gisteren  zelfmoord gepleegd. Het Tweede Kamerlid Van Gelderen heeft zijn vrouw en kinderen, daarna zichzelf doodgeschoten.

            Over den algemeenen toestand is niet veel met zekerheid op te maken. In België schijnen de Duitschers ook met kracht voort te dringen. Vandaag woedt er een groote veldslag tusschen Namen en Antwerpen. Brussel wordt ook met een bombardement bedreigd. Engeland heeft vannacht bommen geworpen op het Rijnland in Duitschland, zoo op de Krupp-fabrieken. Wat zal ’t einde worden?

dagboekcahier 10

17/05/1940

vrijdag 17 mei 1940

Vanmorgen om half elf Raad van State. De vraag was: wat moeten we doen? gewoon doorwerken of stopzetten? Ten aanzien van wetsontwerpen en algemeene maatregelen van bestuur hebben we nog verschillende ontwerpen liggen, waarover nog advies moet worden uitgebracht, terwijl bij de afdeeling Geschillen van Bestuur nog vele zaaken aanhangig zijn. Besloten werd eerst de meening van den opperbevelhebber te vragen en dan dinsdag weer vergaderen om ’n beslissing te nemen.

            Goddank hebben we nu van alle kinderen berichten, dat ze ’t goed maken. Alleen van Zevenaar weten we nog niets. Maar ik neem aan, dat Zevenaar reeds den eersten dag zonder strijd bezet is geworden. Ook uit Breda hebben we alleen bericht van 10 mei. Daarna zijn er echter Fransche troepen gekomen. Of deze nog met de Duitschers in strijd gekomen zijn, is niet bekend. Wel is bekend, dat te ’s-Bosch en Tilburg niets is voorgevallen. We hopen dus maar het beste. In Deventer is ook alles rustig geweest. Joke en Han en de kleine maken ’t goed: een buurman kwam ons dit gisteren meedeelen.

dagboekcahier 10

18/05/1940

zaterdag 18 mei 1940

Vanmorgen een brief van Joke en – eindelijk – een briefkaart van Rie. Goddank maken ze ’t in Deventer en Zevenaar goed. Maar nu zitten we opnieuw in zorg over An in Breda. Gisteren vernamen we, dat op 10 mei ’s middags Breda geëvacueerd was, naar Zundert. Maar niemand weet, waar deze geëvacueerden thans zijn. Zijn ze naar ’t zuiden in België getrokken? Wellicht zitten ze dan nu in ’t noorden van Frankrijk. Zelfs de burgemeester is nog weg en niemand weet waar hij is. Dit   is wel een pijnlijke onzekerheid. Arme An, wat heeft ze met haar vier kinderen wellicht in de laatste dagen uitgestaan!

            Vanmiddag half één naar de begrafenis van collega Limburg geweest. Er was veel belangstelling. Gelukkig vernam ik daar, dat hij geen zelfmoord gepleegd had. Daar hij zelf altijd gezegd had, dat Hitler hem niet levend zou aantreffen, lag ’t vermoeden van zelfmoord voor de hand, temeer, omdat men niets over eenige ziekte had gehoord. Wel zag hij er in onze laatste vergadering van den Raad van State op 7 mei opvallend slecht uit.

            Gisterenmiddag heb ik een eenigszins vreemd en zeker bevreemdend bezoek gehad van dr. Emile Verviers. Sinds de debâcle van het Spaarfonds voor Bodemcultuur in 1925 hadden we elkaar niet meer gezien. Hij kwam me voorstellen om met hem samen te werken, ja waartoe eigenlijk? Hij is gelieerd zoowel met Zwart Front als met de Nationaal-Socialistische Beweging, heeft indertijd met Mussert samen een tijdschrift opgericht. Hij is een eenigszins wonderlijke figuur, ongetwijfeld zeer knap, maar vreemd. Ik begreep er uit, dat hij een soort samenwerking tot stand wilde brengen tusschen verschillende  sociale organisaties voor een soort Actie naar de Nieuwe Gemeenschap, met zich in pijlsnellen vaart bewegende.[34] Hij is fel anti-democraat, meer fascist dan nationaal-socialist. Hij schold heftig op Colijn, op ’t ministerie-De Geer en de koningin, op het parlementaire stelsel, op de democratie, op de joden, enz.        

            Als ik geen leidende rol begeerde, verzocht hij althans mijn naam als sympathiseerend te mogen gebruiken. Ik heb geantwoord, dat mij zijn plan bijzonder vreemd voorkwam en op dit oogenblik bijzonder gevaarlijk. Vooreerst zou het verdeeldheid in ons volk brengen en vervolgens argwaan kunnen wekken bij de ons land bezettende Duitschers. Ik weigerde dus zeer beslist mee te doen en zelfs om op welke wijze ook mijn naam te leenen. Ik verklaarde mij alleen bereid zijn plannen mee te deelen in de eerstvolgende vergadering van het werkcomité van de Actie naar de Nieuwe Gemeenschap. Hiermee kreeg ik hem na een onderhoud van meer dan anderhalf uur eindelijk weg, na hem nogmaals gewezen te hebben op ’t gevaarlijke van zijn plan, niet slechts voor hem, maar voor ons volk.

dagboekcahier 10

19/05/1940

zondag 19 mei 1940

Wij zijn in stijgende ongerustheid over het lot van An en Frans en hun vier kinderen. Ze zijn uit Breda reeds 10 mei, ’s namiddags, geëvacueerd. We wisten er niets van, toen Guusje vrijdag een brief van haar ouders kreeg, die, vlak bij An wonende, ook geëvacueerd waren, maar reeds dinsdag weer terug waren. Ze waren in Zundert geweest. Vanmiddag kreeg ik een pater s.j. aan de telefoon, hij was ook geëvacueerd geweest naar Hoogstraten en ook dinsdag teruggekomen. Maar uit den brief van mevrouw Ingen Housz van donderdagavond blijkt, dat An en Frans toen nog niet terug waren. Ze hadden hen in Zundert ook niet gezien. Ik vrees, dat ze doorgegaan zijn naar België. Gisteren kwam hier nog de heer van Mierlo uit Breda, evenzeer geëvacueerd, hij kwam met ’n auto uit Zeeland. Daar zouden ze dus ook kunnen zijn. Ik belde nog op aanraden van mr. Kan den referendaris van Binnenlandsche Zaken op, Van Boven. Deze zei: de Nederlandsche legerleiding achtte geen evacuatie van Breda noodig, maar de Franschen eischten haar. Ze zouden naar België gedirigeerd moeten worden, maar de Belgische gezant vroeg dringend ze hier te houden. Hij had gehoord, dat alle geëvacueerden weer terug waren, maar achtte dit  zelf niet volkomen geruststellend, daar dit wellicht alleen sloeg op die uit Zundert en Hoogstraten. ’t Ellendige is, dat Breda noch per telefoon noch per telegraaf te bereiken is. En autoverkeer is ook niet toegestaan.

            ’t Is een afschuwelijke onzekerheid, waarin we verkeeren, temeer, omdat het thans in Zeeland, België en Frankrijk veel onveiliger is dan hier. Zeeland heeft nu gisteren ook gecapituleerd, nadat daar, vooral op Walcheren, verwoed gevochten is. België is al voor driekwart veroverd; Brussel gaf zich zonder strijd over, Antwerpen werd gisteren bezet. Zoo is ’t in ’t noorden van Frankrijk al evenmin veilig.

dagboekcahier 10

20/05/1940

maandag 20 mei 1940

Nog steeds geen bericht over Breda. Wel hoorden we nu van drie zijden, dat alle geëvacueerden terug waren, maar ik vertrouw daar niet op. Ieder zegt dit van de groep waartoe hij zelf behoorde, maar daarom geldt ’t nog niet voor alle groepen. Ik ben zoo bang, dat ze in België beland zijn en zoo binnen de vuurlinie zijn gekomen. Nog steeds is Breda niet te bereiken, noch per telefoon noch per post. Pijnlijke onzekerheid! 

            Gisterenavond bracht de radio het bericht, dat dr. Seyss-Inquart door den Führer tot rijkscommissaris benoemd was. Hij krijgt nu het burgerlijk bestuur, terwijl het militaire bestuur bij den Duitschen opperbevelhebber in Nederland blijft. Misschien is het een goed teeken, dat er een Oostenrijker tot rijkscommissaris benoemd werd. We zullen er maar ’t beste van hopen. De meeste gerustheid geeft de gedachte, dat het belang der Duitschers meebrengt, dat hier alles zoo rustig mogelijk blijft.

            Brussel en Antwerpen en St. Quentin zijn nu ook in Duitsche handen. In Zeeland zijn nu ook de wapens neergelegd. Vooral op Walcheren en bij Vlissingen is er hevig gestreden. Middelburg moet een puinhoop zijn.

            Gisterenavond kregen we hier een vriendin van Lies, leerares aan de R.K. Huishoudschool te Rotterdam. Ze heeft daar ’t bombardement meegemaakt. Een bom viel op de school en zette alles in voller laaie. Ze heeft rondgezworven en is nu gelukkig hier onder een veilig dak. ’t Is ontzettend wat ze heeft meegemaakt. Bij haar verhalen moest ik steeds denken: wat zal An met haar kinderen niet ondervonden hebben! Een afschuwelijke gedachte, temeer,  omdat we zoo volkomen machteloos zijn om haar te hulp te komen. Wisten we maar, waar ze was! Gelukkig, dat we nu omtrent alle andere kinderen volkomen gerust zijn.

            Vanmiddag weer een bezoek van Verviers gehad, hij moest me noodzakelijk spreken. Ik hoorde echter niets nieuws van hem. ’t Werd alleen nòg duidelijker, dat hij een rol wilde spelen en mij daarbij gebruiken. Ik heb beslist geweigerd. In ’t belang van ons volk moeten we zelfs den schijn vermijden alsof we samenspanden, zelfs ten goede. De meest loyale houding onzerzijds tegenover de Duitsche bezetting is gebiedende eisch. Morgen vergadert de Raad van State weer en woensdag weer de afdeeling Geschillen van Bestuur. Nu Limburg overleden is, zal ik er wel gewoon lid van worden. Maar hoe kan de koningin me benoemen? Nu ben ik voor drie maanden benoemd tot plaatsvervangend lid. Deze benoeming duurt echter slechts tot 1 juli. Wat dan? Enfin, wie dan leeft, dan zorgt.

            In ’t land schijnt alles Gode zij dank rustig. Er zijn geen berichten over moeilijkheden of wrijvingen.

dagboekcahier 10

21/05/1940

dinsdag 21 mei 1940

Nog steeds geen bericht van An. Wel vernamen we gisterenavond weer van iemand, die in Breda geweest was: alle geëvacueerden zijn terug. Maar ik geloof dit niet, omdat we – nu toch de postverbinding weer hersteld is – nog steeds niets van An hoorden. Ik ga steeds meer gelooven – en hopen – dat ze naar Antwerpen gegaan zijn. En vandaar kunnen ze ons op geenerlei wijze bereiken. Moed houden!

            Gisterenmiddag vergaderde de Raad van State. De opperbevelhebber schijnt hem te willen uitschakelen en hem zelfs voor ‘besluiten’, die ’t karakter dragen van wetten of algemeene maatregelen van bestuur niet [te] willen hooren. Dit komt ons verkeerd en onjuist voor. Verkeerd, omdat ’t onnoodig in strijd is met de Grondwet. Volgens den ouden rechtsregel nemo plus juris kon de koningin, die zelf verplicht is den Raad van State te hooren, hem daartoe niet machtigen. En onjuist, omdat, als er een Duitsch burgerlijk bewind komt, het van groot belang is, dat de Raad van State ingeschakeld blijft. Wij hebben hem andermaal een brief geschreven om hem hierop te wijzen. Hij wil alleen de afdeeling Geschillen van Bestuur behouden. Naar Kan me zei: omdat daarin de jongere leden van den Raad van State zitting hebben en hij met de ouderen niet te maken wil hebben.

            Ik deelde Kan mede, dat Verviers bij me geweest was en dat hij hem ook wilde bezoeken. Kan zuchtte en zei: al die halve N.S.B.-ers willen nu een rol spelen. Hij had Westerman ook al bij zich gehad, die met gelijke plannen rondliep als Verviers. Hij was ’t echter met mij eens, dat al dergelijke acties sterk te ontraden waren in ’t belang van ons volk. Ik hoorde nog, dat er van ’s avonds negen uur tot ’s nachts half twee een vergadering van N.S.B.-ers in het Duitsche gezantschap gehouden was. Ook deze lieden willen nu een rol gaan spelen. Het verluidt, dat de benoeming van Seyss-Inquart niet doorgaat, omdat zoowel de Duitsche gezant als de Duitsche opperbevelhebber zich er sterk tegen gekant hebben.

dagboekcahier 10

22/05/1940

woensdag 22 mei 1940

Ook hedenmorgen nog geen bericht van An uit Breda. Wel belde Nell op, uit Amstelveen en was er een briefkaart van Rie. Ze maken ’t beiden met hun mannen en kinderen goed, maar zijn ook erg ongerust over An. Zoojuist telefoneerde Lou, dat Piet en Guusje een brief van hun ouders hadden gehad. Deze melden, dat er ongeveer 1000 Bredaënaars naar Antwerpen geëvacueerd zijn en dat ze vermoeden, dat An en Frans en hun vier kinderen daar ook toe behooren. Juist wat ik van den aanvang gedacht heb. 

            Gisterenavond is weer voor ’t eerst De Maasbode verschenen in samenwerking met de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Ik had juist ’s morgens een brief aan dr. Witlox geschreven om hem mijn deelneming met de verwoesting te betuigen. Ik weet niet of de kranten artikelen mogen opnemen. Ik heb hem daarom vandaag weer geschreven om hem mijn diensten aan te bieden. Er is verleden jaar een uitstekend boek van een Engelschman verschenen over de beteekenis van de Middellandsche Zee. Vóór 10 mei was ’t reeds mijn voornemen daarover in verband met dr. Kuypers ‘Om de oude wereldzee’ een artikel te schrijven. Misschien is zooiets toegelaten. In elk geval is het in hooge mate actueel nu Italië op ’t punt schijnt te staan wederom den overwinnaar te hulp te snellen.

dagboekcahier 10

23/05/1940

donderdag 23 mei 1940

Nog steeds geen bericht van An. Dit beangst me temeer, omdat ik gisteren van ir. Krul vernam, dat althans een deel van de naar Antwerpen geëvacueerden maandagmiddag in Breda was teruggekeerd. Ik begin nu te vreezen, dat zij bij degenen waren, die via België naar Noord-Frankrijk gegaan zijn. Dan zitten ze thans midden in ’t oorlogsgebied. Pijnlijke onzekerheid! Ik had van den aanvang de stille hoop, dat ze naar Antwerpen naar hun vrienden Schellen  getrokken waren. Vandaar is er weer iemand per fiets naar Breda om naar hen te informeeren. Ik hoop toch maar, dat hij een of ander gunstig of althans geruststellend bericht meebrengt.

            Vanmorgen kreeg ik bericht, dat de Engelschen de mijnen gebombardeerd hebben, gisterenmiddag. Maar ze hebben alleen ’t spoorwegviaduct bij Heerlen vernield. De Engelsche radio heeft, zegt men, bericht, dat de Franschen Atrecht weer veroverd hebben. Het Duitsche bericht, dat de Franschen via Atrecht getracht hebben de omsingeling te doorbreken, maar tevergeefs, klopt hier wel mee. Wat zal er allemaal nog gebeuren?! Och, hadden we maar bericht van An!

dagboekcahier 10

24/05/1940

vrijdag 24 mei 1940

Nog steeds geen bericht van An en Frans en hun vier kinderen. Wel kwam er vanmorgen een expresse-brief van mevrouw Ingen Housz, die meedeelde, dat An, evenals zij, aangewezen waren om naar Zundert te gaan. Hadden ze ’t maar gedaan: die naar Zundert gingen, waren na enkele dagen weer in Breda terug. Ze had van Ans dienstmeisje vernomen, dat ze een koffer met goed bij een mevrouw hadden gebracht, die naar Antwerpen ging. Dit klopt dus met mijn vermoeden, dat ze naar mevrouw Schellens in Antwerpen zijn gegaan. Waarom  zijn ze dan nog niet terug? Velen van de 20.000 die naar Antwerpen vluchtten en daar blijkens de bladen gebrek aan eten en drinken hadden, zijn sinds maandag, geholpen door de Duitsche soldaten, weer teruggekeerd. Als hun op hun vlucht maar niets overkomen is. Op den weg van Breda naar Zundert lagen verschillende gedoode personen, mannen, vrouwen en kinderen. Hier is wel niet waar: geen tijding, goede tijding. Met den dag stijgt onze onrust en bezorgdheid.

            Vanmorgen kwam De Bruijn bij me. Hij had vernomen, dat de benoeming van Seyss-Inquart toch door zou gaan. De werkgevers en arbeiders van alle organisaties hebben zich aaneengesloten. Men hoopt daardoor een ontbinding dezer organisaties te voorkomen. Vanmiddag kwam Max van Poll wat praten. Hij is uiteraard vol zorg voor zijn toekomst. Ik tracht de menschen zoo goed mogelijk te kalmeeren. Vanmorgen ook weer ’n briefkaart van Witlox. Hij kan voorloopig nog geen copy gebruiken.

dagboekcahier 10

26/05/1940

zondag 26 mei 1940

Nog steeds geen berichten over An en Frans en hun vier kinderen. ’t Is nu vandaag veertien dagen geleden, dat ze – op Eerste Pinksterdag – uit Breda vluchtten. We weten nu, dat ze in Zundert geweest zijn.  Maar niemand heeft ze verder gezien. Ik blijf vermoeden, dat ze naar Antwerpen doorgefietst zijn. Maar als ze daar gebleven zijn, waarom zijn ze dan nu nog niet terug? Reeds maandag jongstleden kwam de eerste groep uit Antwerpen terug. Er werd ook gepubliceerd, dat de Duitsche troepen de vluchtelingen bij hun terugkeer behulpzaam zouden zijn door ze met vrachtauto’s te vervoeren. Maar er moeten er wel 20.000 geweest zijn, waarbij zich geleidelijk tot 80.000 Belgen aansloten. Ook deze komen nu terug. ’t Is mogelijk, dat ze nog niet aan de beurt zijn kunnen komen. Maar waarom zijn ze niet per fiets teruggekeerd? ’t Is meen ik maar vier uur fietsen van Antwerpen naar Breda. Gelukkig is nu de telefonische verbinding met Breda hersteld. Gisterenavond werden we om zeven uur door Guusje opgebeld. Ze zei, dat ze nog niet terug waren, maar dat dit nog met duizenden ’t geval was. Als die nu maar niet, zooals eerst ’t plan schijnt geweest te zijn, naar Noord Frankrijk doorgegaan zijn. Daar zitten ze nu midden tusschen de strijdende legers! … Om negen uur werden we weer uit Breda opgebeld. We waren al verheugd: ze zijn dus misschien terug! Maar helaas, ’t was – wat pas na een half uur bleek – een verkeerde aansluiting. Vandaag is kapitein Schellen, alhier, met een auto naar Antwerpen om zijn  vrouw op te zoeken, bij wie we vermoedden, dat ze verbleven. Misschien hooren we dus morgen iets naders. Ir. Krul gaat morgen ook met ’n auto naar Breda. Maar wat zal hij daar kunnen vernemen, als ze er niet zijn? Toch klamp je je aan alles vast, in de vage hoop, iets te hooren. Maar we maken onderwijl angstige dagen door en onze bezorgdheid stijgt met het uur. Vandaag 26 mei, verjaardag van Phons Schmedding. Hij is gelukkig, dat hij al deze ellende niet heeft behoeven mee te maken.

dagboekcahier 10

28/05/1940

dinsdag 28 mei 1940

Nog steeds geen bericht van An en Frans en hun kinderen? Waar zitten ze toch? Gisteren belde me de burgemeester van Breda op, die van ir. Krul, dien ik verzocht had hem op zijn doorreis door Breda op te zoeken, vernomen had, dat wij zeer angstig waren over ’t lot onzer kinderen. Hij vond nog geen reden voor ongerustheid. Hij meende wel zeker, dat ze niet in Antwerpen waren, maar vermoedelijk in Kortrijk of Brugge vertoefden. Er waren echter nog duizenden Bredanaars niet terug. Hij zou echter verder zoeken en me terstond bericht zenden als hij iets vernam. Van kapitein Schellen ook niet gehoord dan dat hij zaterdag nog niet vertrokken was, omdat hij de noodige papieren nog niet had kunnen loskrijgen. Guusje kwam gisterenavond ook uit  Breda terug, waar ze haar ouders bezocht had, omdat ze met iemand die permissie had, mocht meerijden. Ze had in vele winkels navraag gedaan of men hen ergens gezien had. Na Zundert had hen echter niemand meer gezien, ook niet in Hoogstraten of in Antwerpen. Waar zouden ze toch zitten? Ik ben steeds meer beangst, dat ze te ver doorgegaan zijn en zoo tusschen de strijdende legers gekomen zijn. Goddank heeft nu hedenmorgen ook de Belgische koning de wapens neergelegd. Een erge tegenvaller voor Frankrijk en voor Engeland. Maar hij wilde zijn volk en zijn land niet verder in een hopeloozen strijd laten vernietigen. Wat zal het einde zijn van dit alles?

            Morgen voor ’t eerst zitting van de afdeeling Geschillen van Bestuur, waarvan ik sinds 1 april plaatsvervangend lid ben. Nu echter mr. Limburg overleden is, zal ik wel in zijn plaats tot gewoon lid benoemd worden.

            Vanmorgen kwam Nell hier. Ze was naar Rotterdam geweest en gruwde van de ontzettende verwoesting. Vanmiddag kwam Ton haar halen. Hij bracht zijn nicht mee, mevrouw Stevens, die ontzettende verhalen deed over ’t bombardement, dat ze meegemaakt heeft. ’t Is afschuwelijk, dit alles te hooren. O gruwel der verwoesting!

dagboekcahier 10

01/06/1940

zaterdag 1 juni 1940

Nog steeds geen enkel bericht over An en Frans en hun kinderen. Ik vrees steeds meer, dat zij, na in Brussel hun chèque gewisseld te hebben, verder naar ’t zuiden zijn doorgegaan. Waar zitten ze dan nu? Tusschen de strijdende troepen? Of zijn ze al verder en hebben ze de lange tocht voortgezet naar het zuiden van Frankrijk? Dan zullen we wel nog langer tijd op eenig bericht moeten blijven wachten. En onze angst stijgt met elken dag, zelfs al hechten we geen geloof, dat de Fransche soldaten de Hollandsche vluchtelingen als dekking zouden hebben gebruikt. Och, waren ze toch niet zoo ver gegaan. ’t Was hier, zelfs in Breda, veel minder onveilig dan thans daar. Kaptein Schellens heeft eindelijk gisteren verlof gekregen over de grens te gaan om zijn vrouw in Antwerpen te bezoeken. Wij hadden eerst gedacht, dat ze daar zouden zijn. Maar dan zouden ze nu waarschijnlijk toch al wel terug zijn. Maar misschien zijn ze er even geweest en hebben ze daar meegedeeld wat hun plannen waren.

            Vanmorgen heeft de Raad van State vergaderd om zijn houding te bepalen tegenover de rijksbestuurder dr. Seyss-Inquart. Van den opperbevelhebber  hadden we nog steeds geen antwoord over onze opmerkingen betreffende de inschakeling van den Raad van State  bij ’t uitvaardigen van maatregelen van wetgevende aard. Thans hebben wij ons met dezelfde opmerkingen gewend tot ’t college van secretarissen-generaal, met verzoek ze aan den rijksbestuurder voor te leggen. Ik ben benieuwd naar ’t antwoord. Mijns inziens ware ’t verstandig, wanneer hij den Raad van State tot officieelen adviseur behield: dit zal bij de bevolking grooter vertrouwen wekken en de rust bevorderen, wat toch ook een vitaal belang is voor de Duitschers. Goddank gaat tot heden alles goed, dank zij ook de zeer welwillende houding welke de Duitschers aannemen. ’t Is daarom te betreuren, dat de Engelsche radio in zijn Nederlandsche uitzendingen driemaal per dag onze bevolking tracht op te ruien. Cui bono?

            Op ’t oorlogstooneel staat ’t er voor de Geallieerden slecht voor. Het Engelsch-Fransche leger in Vlaanderen en Artois is volkomen verslagen. De Duitschers hebben nu de kust van Abbeville tot Duitschland in hun bezit en kunnen uit Boulogne en Calais Engeland ernstig bedreigen. Er zijn er nog die meenen, dat het Fransche leger, beneden de Somme staande, sterk genoeg is om de Duitschers te weerstaan. Ik betwijfel of de Franschen tegen de ontzettende stootkracht van het sterk gemotoriseerde Duitsche leger bestand zijn.

dagboekcahier 10

07/06/1940

vrijdag 7 juni 1940

Woensdag ontving ik een brief van mijn ouden vriend Bolsius, in Roermond. Zijn moeder was een Smeets. Mevrouw Smeets, de moeder van dr. Smeets, had iemand op de fiets naar Brussel gestuurd, omdat ze vermoedde, dat haar dochter naar haar broer Van Liebergen in Brussel was gegaan. Dit vermoeden bleek juist, ze was daar Tweeden Pinksterdag met An en Frans en de vier kleinkinderen geweest. Ook is nu gebleken, dat ze Eersten Pinksterdag bij mevrouw Schellen te Antwerpen geweest zijn. Dit alles bijeenvoegende, kom ik tot dit relaas. Ze moesten naar Zundert evacueeren. Zoo zijn ze per fiets daarheen gereden. Daar ontmoetten ze dr. Smeets met haar wagen. Ze lieten hun fietsen staan en reden met haar naar Antwerpen, waar ze om zes uur ’s avonds bij mevrouw Schellen aankwamen, bij wie ze overnacht hebben. An wilde daar blijven, maar Frans zette door, dat ze naar Brussel zouden gaan, omdat Antwerpen als vesting meer gevaar liep gebombardeerd te worden dan Brussel, een open stad. Zoo vertrokken ze helaas naar Brussel, waar ze bij de familie van Liebergen overnacht hebben. Op Derden Pinksterdag bevatten de Brusselsche bladen den raad te evacueeren, omdat den volgenden dag Brussel gebombardeerd zou worden. Zoo zijn ze om vier uur ’s middags weer  vandaar vertrokken, hopende naar Normandië te kunnen gaan. Hier houdt het spoor op, verder weten we niets van hen. Niemand heeft hen ergens ontmoet. Zijn ze nu in Normandië? Of zijn ze in Vlaanderen of Artois tusschen de strijdende legers geraakt? We weten er niets van. Ellendige onzekerheid! En zelfs als ze in Normandië gekomen zijn, waar hebben ze die vier weken van bestaan? Zooveel geld zullen ze niet bij zich gehad hebben; van verschillende teruggekeerde vluchtelingen hoort men, dat ze in Frankrijk gruwelijk afgezet zijn. Men rekende er twee francs voor een gulden (in plaats van ruim twintig!), men vroeg voor een broodje een rijksdaalder. Zelfs voor ’n glas water moest men dik betalen, enz. ’t Is gruwelijk, niet te weten hoe ’t hun gaat.

            Daarjuist ontvang ik een brief van den burgemeester van Breda, die meedeelt aan Buitenlandsche Zaken gevraagd te hebben een oproep door de gezanten en de radio uit te geven, dat de Bredanaars aan de betrokken gezanten hun adres moeten opgeven. Hij vroeg me dit verzoek te steunen. Natuurlijk zal ik dit terstond doen.

            Over den Raad van State is nog steeds geen beslissing genomen. Maar ’t ziet er wel naar uit, dat men alleen de afdeeling Geschillen zal erkennen. 

dagboekcahier 10

13/06/1940

donderdag 13 juni 1940

Hoewel hier te lande naar gelang van de omstandigheden alles betrekkelijk goed verloopt – de bevolking blijft rustig en schikt zich op bewonderenswaardige wijze in zijn lot, daarbij ongetwijfeld geholpen door de onverwacht welwillende en begrijpende houding, welke de Duitsche bezetting bij voortduring blijft handhaven –, wordt de algemeene toestand in de wereld toch steeds donkerder. Nu is ook Italië in het strijdperk verschenen, op het moment, dat de Duitsche troepen reeds op ’n 50 kilometer afstand van Parijs zijn genaderd. ’t Is de taktiek in Polen door Rusland gevolgd. Maar of deze ‘dolkstoot in den rug des buurmans’, zooals Roosevelt Italië’s oorlogsverklaring qualificeerde, eenzelfde succes zal hebben, staat nog te bezien. Zullen thans Turkije en Griekenland zich aan de zijde der Geallieerden scharen? Egypte heeft reeds zijn gezant uit Italië teruggeroepen. En de Vereenigde Staten kiezen steeds openlijker de zijde der ‘democratieën’.

            Ook ten aanzien van onze naar Frankrijk doorgevluchte kinderen en kleinkinderen stijgt door dit alles mijn bezorgdheid. Nog steeds geen enkel bericht van of over hen. Buitenlandsche Zaken werkt ook mee hen op te sporen. 

Zijn ze erin geslaagd naar Normandië te komen, dan zijn ze daar onderhand ook niet meer veilig. Cherbourg en Le Hâvre worden voortdurend door de Duitschers gebombardeerd. Van het oosten uit komt nu ook het Italiaansche leger opzetten, terwijl de Duitsche stoottroepen van het noorden naar het zuiden dringen. Gisterenavond waren ze nog maar 20 kilometer van Parijs verwijderd, terwijl de beneden-Seine reeds door hen overschreden wordt. Millioenen Fransche vluchtelingen spoeden zich nu naar het zuiden, waar reeds voedselschaarste is. Zoo komen onze kinderen steeds meer in ’t gedrang. Zullen [ze] er nog in slagen naar Spanje te ontkomen? Zondag is het nu al vijf weken geleden, dat ze uit Breda vluchtten. Bijna alle vluchtelingen, op een kleine 2000 na, zijn alweer terug. Waren ze maar niet in de auto van dr. Smeets gestapt. Op hun fietsen zouden ze wel niet verder dan Brussel gekomen zijn. Waren ze maar, zooals An blijkt gewild te hebben, in Antwerpen gebleven, dan waren ze nu ook terug. Uit midden- of zuid-Frankrijk kunnen ze niet terugkomen: ze zouden dan eerst de Fransche, daarna de Duitsche fronten moeten passeeren! Moge Sint Antonius onze verloren kinderen spoedig terugbrengen!

dagboekcahier 10

15/06/1940

zaterdag 15 juni 1940

Eindelijk een teeken van leven. Vanmorgen bracht de post een briefkaart, gedateerd 11 juni, van Olga Liebeskind te Genève. Zij schreef: ‘Gott Lob kann ich euch gute Nachricht geben von madame A. Bielders. Sie schreibt mir, dasz sie gesund sei mit Familie … Also, viele gute Grüsze von Familie Bielders, machen Sie sich keine Kummer.’

            ’t Is niet veel, maar na vijf weken niets van hen gehoord te hebben, waren we er toch zeer verheugd over. Nu krijgen ook betekenis twee berichten, welke we gisteren ontvingen. Vooreerst van mevrouw Ingen Housz, dat zij gehoord had, dat familie Smeets bericht hadden ontvangen, dat dr. Smeets met een rechter uit Breda en zijn gezin in Bretagne waren. Vervolgens belde Nell op, dat ze van Ank in Breda vernomen had, ook van de familie Smeets, dat ze in Zwitserland waren.

            Blijkbaar is dit eenzelfde bericht, met deze vergissing, dat ’t bericht uit Zwitserland gekomen was. Ik vermoed dus, dat ze verder naar het zuiden zijn gegaan na ’t bombardement van Cherbourg en Le Hâvre en naar Bretagne gegaan zijn. Daar zitten ze voorloopig nog veilig.  Vandaar hebben ze blijkbaar naar Zwitserland geschreven, omdat er geen postverbinding is tusschen Frankrijk en Nederland, wel tusschen Frankrijk en Zwitserland en tusschen Zwitserland en Nederland.

            We weten thans tenminste iets. Hoe lang zal ’t nog duren eer we ze terugzien? De oorlog gaat anders snel. Gisteren zijn de Duitschers Parijs binnengerukt, dat door de Fransche regeering tot open stad verklaard en niet verdedigd was. Ze trekken nu snel naar ’t zuiden op, in de hoop ’t Fransche leger te kunnen vernietigen. Wie weet, hoe spoedig heel Frankrijk bezet is! En dan kunnen ze naar hier komen.

dagboekcahier 10

17/06/1940

maandag 17 juni 1940

Weer een goed bericht van An en Frans. Vanmiddag om half drie ontvingen we een briefkaart van mevrouw Hiolen, die bij haar dochter in Zwitserland gestrand is, dat ze een brief van An had ontvangen uit Bordeaux, waar ze tot 15 juni kamers hadden kunnen huren. Zij en Frans en de vier kinderen zijn allen gezond en zitten in zorg over ons, omdat we niets van hen gehoord hebben. Deze brief is gedateerd 4 juni, dus al bijna veertien dagen geleden. Ze zaten echter in Bordeaux veilig. Als ze er nu maar gebleven zijn. Zoojuist deelde de radio mede, dat Pétain, na den val gisterenavond van  Reynaud als minister-president, hem opgevolgd zijnde, aan de Duitschers aangeboden had de wapens neer te leggen. Dit is dus voor Frankrijk ’t einde van den oorlog. Hoe verschrikkelijk dit ook is, volgt er voor ons de goede conclusie uit, dat An en Frans nu weldra zullen kunnen repatrieeren. Maar wat zullen voor ons land de gevolgen van dezen eclatanten nederlaag zijn? Engeland zal nog wel doorvechten. Van een vredessluiting zal voorloopig nog wel geen sprake zijn. Wij blijven dus voorshands nog bezet gebied.

dagboekcahier 10

27/06/1940

donderdag 27 Juni 1940

In tien dagen teekende ik niets op en toch, hoe ontzettend veel is er gebeurd. Frankrijk heeft gecapituleerd en met Duitschland en Italië een wapenstilstand gesloten op harde voorwaarden. Thans gaat de eindstrijd tusschen Engeland en het vereenigde Duitschland-Italië. Onderwijl gaat hier de ontwikkeling van den toestand voort in snellen vaart. De Nationaal-Socialistische Beweging treedt steeds meer op den voorgrond, gesteund door den Duitschen bezetter. Dit wekt, vooral wegens de nog steeds in omloop zijnde verhalen over door N.S.B.-ers gepleegd verraad, scherpe reactie bij de bevolking. Daarnaast tracht het Nationaal (vroeger: Zwart) van Arnold Meijer steun te verkrijgen vooral van de katholieken, bewerende, dat de  Duitschers dit gaarne zouden zien, omdat ze eigenlijk liever de Nationaal-Socialistische Beweging opzij zouden schuiven. Onderwijl worden er pogingen aangewend een nieuw Nationaal Front te vormen. Zoo was er gisterenavond een vergadering in ’t departement van Onderwijs, waar de groep Woudschoten – vooral christelijk-historischen, maar waarbij ook enkele katholieken zijn aangesloten – [trachtte] een nationale groepeering te vormen, staande buiten de partijen, die men reeds als afgedaan beschouwt, die de uiterste groepeeringen opzij zou willen dringen door namens de groote meerderheid der Nederlanders bij de Duitsche overheid op te treden. Weer daarnaast wordt een gelijke poging aangewend door eenige leden van zeer verschillende politieke partijen. Nog weer daarnaast is, naar men zegt, Colijn bezig eenige mannen van niet al te scherpe politieke kleur rondom zich te verzamelen, om dan met een manifest als redder des vaderlands te kunnen optreden. Maar zijn schandelijk Standaard-artikel tegen de koningin en het kabinet-De Geer zal hem daarbij leelijk in den weg zitten. Hij zou reeds een onderhoud met Seyss-Inquart gehad hebben. Onderwijl gaat de studiecommissie uit de Actie ‘Naar de Nieuwe Gemeenschap’ voort met het opstellen van een  staatkundig en sociaal-economisch en cultureel program, dat dan bij eventueele besprekingen door ons gebruikt zou kunnen worden.

Deze veelheid van pogingen heeft tot gevolg, dat ik elken dag verschillende personen bij me krijg om me te raadplegen. Zoo mr. Verschuur, die echter al te bang is om krachtige leiding te kunnen geven, pater Stokman, die bij de Woudschoten-conferentie aangesloten is en tevens secretaris is van de studiecommissie ‘Naar de Nieuwe Gemeenschap’, mr. van Meeuwen, voorzitter van St. Adelbert, die ook bij Woudschoten aangesloten is, de beide heeren De Vilder uit Amsterdam, bij wie men aangeklopt had om geld voor de Nationaal Front-beweging, jhr. mr. O. van Nispen was twee maal bij me, omdat Schlichting, hoofdredacteur van De Tijd, hem aangezocht had om deel te nemen aan een bespreking, welke blijkbaar ook beoogde een Nationaal Comité in ’t leven te roepen. Gisteren kwam ook Vervoort, hoofdredacteur van een krant in Eindhoven, bij me, om te betoogen, dat ik de aangewezen, door alle partijen vertrouwde man zou zijn, om ’t initiatief te nemen tot de oprichting van een centraal, leidinggevend, comité. Iederen avond ben ik doodmoe van al die besprekingen, waarvan echter het goede is, dat ik van alles wat er gaande is, op de hoogte kom. Mijn idee is het daarheen, door  het geven van raad, te leiden, dat al deze naast elkaar loopende pogingen tot elkaar gebracht worden. Ik acht ’t niet volstrekt onmogelijk, dat als er een Nationaal Comité zou optreden, dat 60 procent der bevolking achter zich had, de Duitschers dat comité als representatief zouden willen erkennen.

            Rest echter de moeilijkheid, dat wij geenerlei contact met de koningin hebben. Toch zou zij mijns inziens erin gekend moeten worden, wanneer we tenslotte iets positiefs zouden willen ondernemen. Ik vrees nu, dat, als zij hier eens terugkomt, zij volkomen vreemd tegenover dit alles zal staan. Ze ondergaat nu al te zeer den invloed harer Engelsche omgeving. Dit geldt ook voor prins Bernhard. Hij heeft eergisteren voor de Engelsche radio een rede gehouden – een scheldpartij bijvoorbeeld op Hitler – welke dit bewijst. Hij deelde ook mee, dat bij een Duitsch officier ’t bevel gevonden was, dat de koningin en heel het koninklijk huis gevangen genomen moesten worden en naar Berlijn vervoerd. Als ’t waar is, is ’t wel heel kras en zou dit de uittocht naar Engeland verklaren.

            Maar nu, tot slot, iets goeds: steeds meer indirecte berichten krijgen we van An en Frans en de kleinkinderen. Ze maken ’t allen goed en vertoeven in een dorp bij Bordeaux. Er wordt nu hard aan  gewerkt ze weer te doen repatrieeren. Dinsdag is een comité uit Breda vergezeld van twee Duitsche hooge officieren naar Parijs vertrokken om de ± 400 vluchtelingen, die in of bij Bordeaux vertoeven, weer naar Breda terug te brengen.

            Dinsdag hebben we de laatste vergadering van den Raad van State gehouden. De laatste; immers, er is een Verordnung verschenen, maandag jongstleden, waarbij aan den Raad van State alle grondwettelijke en wettelijke bevoegdheden voorshands werden ontnomen. Alleen de afdeeling Geschillen van Bestuur blijft doorwerken. Nu werd mondeling door collega Kan namens ’t college van secretarissen-generaal meegedeeld, dat verwacht werd, dat de leden die niet in die afdeeling zitten, terstond ontslag zouden vragen; zoo niet, dan zouden ze ’t ongevraagd tegen 1 juli krijgen! ’t Is erger dan grof. ’t Geldt Hasselman, Schokking, Rambonnet en Muller Massis, menschen dus met een langen staat van dienst, waarvoor je je hoed moogt afnemen. En nu – door dit college van ambtenaren – à bout portant over boord geworpen als oud vuil! Ik blijf, als lid der afdeeling Geschillen van Bestuur, maar ware ’t niet zoo, ik zou niet, gelijk zij nu doen, ontslag hebben gevraagd, maar me dan liever maar hebben laten ontslaan. Dit lijkt me in casu minder oneervol dan het gevraagd eervol ontslag.

dagboekcahier 10

01/07/1940

maandag 1 juli 1940

Gisteren van tien tot drie uur bezoek van dr. Witlox gehad. Hij deelde me velerlei mee over de moeilijke positie van De Maasbode, waardoor me de slappe, wankelmoedige houding van het blad verklaard werd. Hij had reeds een lang verhoor door de Gestapo ondergaan. Zoo moest hij onder andere de namen der medewerkers opgeven. Veel waarde werd ook gehecht aan ’t antwoord op de vraag: welke connecties hij met emigranten had gehad. Vooral Muckermann schijnt bij de Duitschers de kwade pier te zijn. Wie met hem omgang of correspondentie heeft gehad, staat nu op de zwarte lijst. Er is nu al eenige malen in de radio omgeroepen, dat Nederlanders, die naar Frankrijk gevlucht zijn, zich ten spoedigste bij den dichtstbijzijnden Nederlandsche consul of Deutsch-Nationalen Wohlfahrtsdienst moeten melden, ze zullen dan geholpen worden om te repatrieeren. Zaterdag was prins Bernhard jarig. Bijna iedereen op straat liep met oranje of met een witten anjer, den lievelingsbloem van den prins. Voor ’t paleis der koningin en bij het standbeeld van prins Willem I en de koningin-moeder Emma waren stapels oranje bloemen gelegd. Het optreden van N.S.B.-ers leidde echter weldra tot opstootjes. De Duitschers zullen nu wel duidelijk gezien hebben, dat als ze een gunstigen geest bij de  Nederlanders willen kweeken, ze zich niet van de Nationaal-Socialistische Beweging moeten bedienen. Uit Brabant vernam ik, dat vele katholieken, ook geestelijken, zich [aan]getrokken voelden tot steun aan het Nationaal (olim: Zwart) Front van Arnold Meijer[35], omdat ze deze beweging althans minder antipathiek achten dan de Nationaal-Socialistische Beweging van Mussert. Mijns inziens is ’t toch ook fout. We moeten nu een breed nationaal front – los van de uiterste groepen – vormen. Wat zaterdag voorviel, leert al wel, hoe de houding van het volk zal zijn als de koningin hier terugkeert. En dan zou men leelijk zitten, ook met ’t Zwart Front.

dagboekcahier 10

06/07/1940

zaterdag 6 juli 1940

Ik krijg zoo ’t gevoel, dat de toestand zich hier steeds meer verscherpt. Goed begrijpen doe ik dit niet, omdat ik meende, dat nu ’t offensief tegen Engeland gaat beginnen, de Duitschers er alle belang bij hebben, dat de bevolking hier zoo rustig mogelijk blijft. Maar steeds driester en prikkelender treedt de Nationaal-Socialistische Beweging op, telkens weer opstootjes veroorzakende. Dit zou niet gebeuren, als ze niet wisten, dat de Duitschers ze de hand boven ’t hoofd hielden. Vreemd doet ’t echter weer aan, dat de Duitschers aan ’t Nationaal Front van Arnold Meijer, de groote concurrent van Mussert, blijkbaar ook de vrije hand laten.

            Er gebeuren anders van Nederlandsche zijde  domme dingen genoeg. Ik ben woensdag woedend geweest op Verschuur. Twee avonden van half negen tot half elf heeft hij met mij den toestand besproken. Hij wilde, als voorzitter van de R.K. Staatspartij, het initiatief nemen om eenige personen uit de verschillende partijen bijeen te roepen en dan een soort van nationaal front te vormen. Ik ontried hem dit sterk. Mijns inziens moeten nu de politieke partijen en de vooraanstaande politici niet op den voorgrond treden. De zaak moet van niet-politieke en vooral jongere menschen uitgaan. De politici moeten zich daarbij dan aansluiten en hun op ervaring berustende raadgevingen verstrekken, maar niet zelf de leiding nemen. Zoo zou men een groot nationaal front kunnen krijgen, dat wellicht dan ook het oor der Duitschers zou kunnen hebben. Vooral waarschuwde ik hem tegen Colijn, die ook zooiets aan ’t ondernemen schijnt te zijn – er kwam al een brochure van hem uit – en die, naar zijn aard, als redder des vaderlands wil optreden. Mijns inziens is dit glad verkeerd.Vooreerst, omdat Colijn, als Engelsch gezind, bij de Duitschers in een slecht blaadje staat. Vervolgens, omdat hij zich door zijn afschuwelijk Standaard-artikel tegen de koningin en ’t ministerie ook voor ons inacceptabel heeft gemaakt. Ik ten minste wensch met hem niet  meer te maken te hebben. Deze man, die met alle geweld steeds en ook nu een rol wil spelen, is een voor ons volk gevaarlijke machtswellusteling.

            Er waren ook besprekingen van de groep-Woudschoten: sociaal voelende, niet-politieke jongeren van verschillende godsdienst. Deze groep wilde nu een driemanschap voorop stellen: Linthorst Homan, commissaris der koningin in Groningen, De Quay, professor te Tilburg en thans regeeringscommissaris voor Sociale Zaken, en Goudriaan, directeur-generaal van de Nederlandsche Spoorwegen. De eerste is van huis uit liberaal, maar sterk sociaal voelend, de tweede is katholiek, maar heeft helaas geen enkele staatkundige ervaring, de derde is gewezen sociaal-democraat en hoogst bekwaam.

            Welnu, zoo ried ik Verschuur aan, ga achter deze beweging staan, steun ze en geef hun goeden raad. Ik dacht, dat hij ’t met me eens was. Maar nu heeft hij verleden maandag de partij- en fractievoorzitters der zes groote partijen bijeen geroepen – alleen zijn eigen fractievoorzitter dr. Deckers liet hij onkundig hiervan. ’t Gevolg is geweest precies wat met alle macht voorkomen had moeten worden, dat er een commissie van drie benoemd is –Colijn, Verschuur en nog een[36] – die een manifest aan ’t Nederlandsche volk zal ontwerpen. Zoo heeft hij de leiding aan Colijn in handen gespeeld.

            Hoe grond verkeerd dit is, bleek al aanstonds  uit het feit, dat gisteren aan De Standaard, waarin Colijn de hoofdartikelen schrijft, voor acht weken verboden is te verschijnen!

            Woensdagmorgen ontmoette ik Verschuur in de tram, toen ik naar den Raad van State ging. Ik heb heftig tegen hem uitgepakt. Hij was er heelemaal beduusd van. Maar de fout is gemaakt en ik vrees, dat deze zich wreken zal.

            Zoojuist kwam ’t Verordeningenblad. ’t Is om van te schrikken! Met reuze schreden gaan we den verkeerden weg op. Eén verordening over de verbeurdverklaring van vermogen van vereenigingen of personen, waarvan verwacht mag worden, dat ze in de toekomst tegen het Duitschen volk of rijk zullen zijn. Daar vallen dus de koningin en de ministers alvast onder! Verder een verbod om naar een andere dan Nederlandsche of Duitsche radio te luisteren. Zoo verliezen we elk contact met de regeering die te Londen verblijft.

            Helaas, van An en Frans en de kleinkinderen nog steeds geen bericht. Er zijn twaalf autobussen naar Parijs gegaan om de Nederlandsche vluchtelingen terug te brengen. Maar hoe komen ze van Bordeaux naar Parijs? Er zijn in Zuid-Frankrijk zeven millioen Fransche en Belgische vluchtelingen; er heerscht daar nu groote voedselschaarste. Waren ze maar terug!!

dagboekcahier 10

15/07/1940

maandag 15 juli 1940

Eindelijk een goed bericht over An en Frans en de kleinkinderen: de burgemeester van Breda berichtte ons, dat ze op de lijst der terug te leiden vluchtelingen voorkomen en dat wij nu mogen verwachten, dat ze einde dezer week in Breda terug zullen zijn. Ze worden met autobussen uit Bordeaux gehaald. Gode zij dank! ’t Is nu al negen weken, dat ze gevlucht zijn. Wat zullen ze hebben doorgemaakt. ’t Schijnt, dat de toestand in Zuid-Frankrijk allerellendigst was doordat daar zeven millioen Fransche en Belgische vluchtelingen opgehoopt waren. Vandaar groote voedselschaarste. Als ze nu deze week maar terugkomen! We hebben er al voor gezorgd, dat er boter, kaas en dergelijke in hun woning aanwezig is.

            Mijn standje aan Verschuur heeft effect gehad; meer nog echter mijn besprekingen met Deckers en Feber. Feber zit in ’t partijbestuur en heeft daar mijn opvattingen verdedigd. Gevolg: Verschuur bleef er alleen staan met zijn voorstel, dat de gezamenlijke partijleiders zouden optreden. Deckers heeft de fractie bijeen gehad en ook daar vond het plan Verschuur bij niemand verdediging. Gevolg: ’t is nu den kant uitgegaan, dien ik de beste vond. De partijleiders hebben zich nu achter ’t driemanschap der Woudschoters geplaatst. Er werd nu een manifest opgesteld, dat van ’t driemanschap zou uitgaan en dat de partijleiders en anderen – ± 40 menschen – ter aanbeveling mede  zouden onderteekenen. Gisteren vernam ik echter van Van Poll, dat er een kink in den kabel was: de Duitschers hebben dit manifest afgewezen op grond dat er in den aanhef gezegd werd ‘met handhaving van Nederlands onafhankelijkheid en het huis van Oranje’. Dit mocht niet. Ik ben benieuwd hoe ’t nu verder zal gaan. Linthorst Homan heeft nu op z’n eentje een brochure uitgegeven, waarvan ’t Handelsblad gisteren eenige uittreksels gaf. Heel goed. Maar wat nu? Wij kunnen het behoud der onafhankelijkheid en van ’t huis van Oranje toch niet prijs geven! Maar als daarvan nu ’t gevolg is, dat de Nationaal-Socialistische Beweging ’t heft in handen krijgt, wordt ’t nog erger. Uit Duitsche berichten blijkt steeds duidelijker, wat men wil. Europa wordt georganiseerd onder leiding van Duitschland. Wij worden een randstaat, zonder eigen leger of diplomatie en in het economische de leiding van Duitschland aanvaardende. Dus slechts een onafhankelijkheid in schijn, een soort protectoraat. Wat zal de toekomst brengen?

            Men vermoedt, dat deze week de groote aanval op Engeland begint. Maar gisteren waren er hier allerlei geruchten. Vooreerst: muiterij onder de Duitsche troepen die vinden, dat ’t nu welletjes is geweest. Vervolgens: dat Duitschland groote troepenmassa’s naar zijn oostgrens dirigeert, tegen Rusland? ’t Kan een belangrijke week worden!

dagboekcahier 10

24/07/1940

woensdag 24 juli 1940

Zondag was ’t al reeds tien weken geleden, dat An met haar man en kinderen uit Breda vluchtten. En nog steeds zijn ze niet terug. Wel hooren we langs allerlei lange omwegen, dat ze ’t goed maken, dat ze ± 40 kilometer van Bordeaux af aan zee zitten, dat ze nu spoedig terugkomen, enz., maar ze blijven weg. Gisterenavond stond er al weer ’n groep Bredaënaars in de krant, die uit Zuid-Frankrijk, zelfs uit Toulouse en Tarbes terugwaren: ze waren tot Antwerpen per spoor gereisd. ’t Is bijna ongelooflijk, temeer omdat Toulouse en Tarbes niet in ’t bezet gebied liggen. Enfin, we zullen maar geduld hebben. Dat moeten we hier in zoo velerlei opzicht hebben. De pogingen van ’t driemanschap zijn nog steeds niet geslaagd. Telkens hoort men er nieuwe namen bij: De Jonge, Fentener van Vlissingen, enz. Maar telkens verdwijnen ze weer. Zoojuist belde Piet me op, dat ’t gisterenavond klaar gekomen is en dat er vanavond een oproep in de kranten komt. We zullen zien. Ik voorspel deze heeren groote moeilijkheden. De Duitschers – ’t wordt steeds duidelijker – willen hier een soort neven-regeering, waartoe deze heren zich zeker niet zullen leenen. Onderwijl wordt de Nationaal-Socialistische Beweging steeds meer openlijk door de Duitschers gesteund. De N.S.B.-er Woudenberg is aan ’t hoofd van ’t Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen gesteld, de N.S.B.-er Rost van Tonningen aan ’t hoofd van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij. De christelijke  en de katholieke vakcentrales hebben een Duitscher als commissaris gekregen zonder wien ze niets mogen doen. Ik meen, dat dit alles in strijd is met ’t ook door Duitschland geratificeerde traktaat van 1907, waarin de rechten en plichten in een bezet gebied zijn vastgelegd. Maar wat doe je ertegen? Hitler heeft nu, zonder echter eenige voorwaarde mede te deelen, aan Engeland per radio vrede aangeboden. Gisterenavond heeft Halifax er evenzeer per radio op geantwoord met een zeer krachtig neen. Er viel ook niets anders te verwachten. Wat nu? Zal Duitschland nu trachten een inval in Engeland te doen? Ik geloof ’t niet. Alle militairen, die men er hier over hoort, zeggen, dat zulk een aanval, zelfs bij opoffering van een ontzaglijk aantal menschenlevens absoluut zeker tot mislukking is gedoemd. Wat dan? Alleen bommenwerperij per vliegtuig? Maar daarmee kun je geen land veroveren. Ik voorzie daarom, dat de oorlog – tenzij er een instorting van ’t moreel der bevolking in Engeland of in Duitschland komt – ik acht beide onwaarschijnlijk – nog lang kan duren. En dan komen wij, als bezet gebied, in steeds beroerder conditie. Reeds nu wordt ’t verbruik steeds meer ingeperkt. Onze overvloed is naar Duitschland verdwenen. Wat zal dit deze winter moeten worden??

dagboekcahier 10

01/08/1940

donderdag 1 augustus 1940

Gode zij dank! An is terug met drie kinderen, Frans en Wim zijn, op hun fiets, nog onderweg. An is van Bordeaux met den wagen gekomen en heeft er ruim tien dagen over gedaan. Frans en Wim hebben de tocht – 1200 kilometer – per fiets gemaakt en zijn morgen al veertien dagen onderweg. Jammer dat ik juist even een straatje om was gaan loopen, om even vijf uur belde An op: ‘We zijn er!’ Gelukkig waren moeder en Lies thuis. Morgen komen An en Liesje hierheen. Dat zal een blij weerzien zijn!

dagboekcahier 10

05/08/1940

maandag 5 augustus 1940

Vrijdagvoormiddag zijn An en Liesje hier gekomen en tot zondagvoormiddag gebleven. ’t Begon met een groote teleurstelling. Moeder, Lies en ik waren naar ’t station gegaan, waar ook Piet en Lou kwamen. Zoo stonden we vijf man sterk de teruggekeerde vluchtelingen op te wachten. Over tijd kwam eindelijk de lange en overvolle trein binnen. Maar helaas, geen An en Liesje. Zeker de aansluiting in Lage Zwaluwe gemist! Maar na ’n half uur zou de volgende trein binnenkomen. We gingen een kopje koffie drinken en stonden weldra weer paraat op ’t perron. De kleine en niet volle trein kwam op tijd binnen, maar weer geen An en Liesje. ’t Bleek ook, dat deze trein niet uit Dordrecht, maar slechts uit Rotterdam kwam. Dus maar weer een half uur wachten. Gelukkig kwam ik op ’t idee, dat we ze misschien wegens de drukte bij de vorige trein gemist hadden. We belden ons huis op en … An kwam aan de telefoon! Ze had zoo’n haast gehad om naar huis te komen, dat ze achterin de trein gezeten, dus vlak bij den uitgang, naar beneden waren gehold, denkende daar Lies te vinden. Voor hen was ’t ook ’n teleurstelling, dat er niemand was! We zijn met ’n taxi naar huis gedraafd en daar stonden ze! An zag er goed uit, alleen vermagerd; Liesje zag er patent uit. Aan één stuk door hebben ze hun wedervaren zitten vertellen. ’t Was erger geweest dan we gedacht hadden, maar toch de laatste vier weken, toen ze in een klein bladplaatsje bij Bordeaux (Mimizan)[37] een schamel optrekje gehuurd hadden, toch weer minder erg dan we gevreesd hadden. De terugtocht was heel erg langzaam gegaan wegens benzinegebrek. Ze waren echter vol lof over de door de Duitschers gegeven medewerking. Frappant was de tegenstelling aan de Nederlandsche grens. An had nog 50 Reichsmark. Men had haar aangeraden ze te verstoppen. Gelukkig had ze dat niet gedaan. Den controleerenden Duitschen soldaat gaf ze dus haar schat op. Ja, dat mocht niet ingevoerd worden: niet meer  dan tien Mark! An betoogde, dat dit haar eenige bezit was en dat ze daarvan met haar drie kinderen moest leven tot haar man terug zou zijn. De man liet zich vermurwen: ja, dat zijn toch ook buitengewone omstandigheden en daar kunnen de gewone regels toch niet voor gelden. En –  ze mocht haar 50 Mark behouden. Vijf minuten later de Nederlandsche grens en dus de Nederlandsche douane. Groote vreugde, dat ze eindelijk, na bijna twaalf weken, weer behouden terug waren. Maar … ze mochten niet verder, omdat het met 1 juli ingegane kwartaal van de wegenbelasting niet betaald was! Tenminste, ze hadden ’t bewijs niet bij zich. Maar daar deze belasting automatisch op de giro afbetaald was, was ’t zeker, dat ze dus voldaan was. ’t Hielp niet. Ze moesten een lange formulierenlijst invullen en de belasting betalen. Als ze dan thuis het betalingsbewijs vonden – en ’t lag er ook werkelijk op tafel! – dan konden ze weer terugbetaling vragen! Of ze nu geëvacueerden waren, daar had de douane niets mee te maken, hij mocht ze zonder betalingsbewijs niet doorlaten! Dat gaf een oponthoud van drie kwartier.

            Welke verhalen hebben we gehoord! Meermalen hebben ze in de vuurlinie gezeten. Vijf meter van hen af viel een bom. Liesje was pikzwart. Maar gelukkig geen van vijven gedeerd. Soms vijf dagen achtereen  hadden ze niets te eten dan droog Fransch waterbrood. Zelfs water was in België en Noord-Frankrijk niet te krijgen. Nederlandsche consuls waren nergens te vinden: ze hadden zelf al de vlucht genomen! Vol lof waren ze over den honorairen consul te Bordeaux. Deze leende ze ook 2000 francs. Van een rijken Belg, dien ze ontmoetten, konden ze nog tienduizend francs leenen. Ze konden echter maar zeer sobertjes leven. Doch, Gode zij dank, al dit leed is geleden. Eigenlijk hebben ze nog veel meer leed gehad van hetgeen ze vreesden, dat onderwijl in Nederland gebeurde. Ze dachten, dat hun huis te Breda verwoest was, dat ik gevangen zou zijn genomen en althans wegens ’t niet meer uitbetalen van pensioen en salaris geheel zonder inkomen. Gelukkig bleek nu, dat van  al die narigheid niets waar was!

            Zaterdagavond werden we uit Breda opgebeld: Frans en Wim! Nu was de vreugde volkomen. Ook zij waren na een vermoeiende reis – 1200 kilometer per fiets door vooral in Noord-Frankrijk totaal verwoeste streken – behouden teruggekeerd.

            Zondagmorgen zij we met een dankbaar hart gezamenlijk ter kerke gegaan en na ontbeten te hebben vertrokken toen An en Liesje, weer verlangend den man en vader en den zoon en broeder terug te zien. An was helemaal heesch van ’t praten! 

dagboekcahier 10

16/09/1940

maandag 16 september 1940

’t Is eigenlijk heel dom, dat ik nu in anderhalve maand niets heb opgeteekend. Hoe ’t komt, weet ik zelf ook niet. Misschien in hoofdzaak, omdat mij de lust ertoe ontbreekt. ’t Is ook zoo’n ellendige tijd, dien wij doormaken. Je ziet het gaandeweg misloopen en je staat er volkomen machteloos tegenover. Ik heb er wel over gedacht een brief te schrijven aan den rijkscommissaris om hem te vragen mij te willen ontvangen. Ik zou hem zoo graag eens willen waarschuwen, dat de Duitschers tegenover de Nederlanders thans op den volstrekt verkeerden weg zijn. Zij schuiven de Nationaal-Socialistische Beweging steeds meer op den voorgrond en de leiders daarvan zeggen zelf, dat zij binnenkort de macht in handen zullen hebben. Reeds zijn twee secretarissen-generaal afgezet, mijn oude vriend Scholtens aan Sociale Zaken – mijn eerste en gebleven de beste – benoeming, welke ik als minister van Arbeid gedaan heb en mr. Van Poelje, aan Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Voor den laatsten was er nog een aanleiding: hij had op 31 augustus in strijd met ’t Duitsche bevel ter eere van den verjaardag der koningin, aan zijn ambtenaren vrij gegeven. Bij Scholtens was er niet zulk een aanleiding. Naar hij me schreef, was blijkbaar zijn hoofdfout geweest, dat hij wenschen van de Duitschers als wenschen behandelde en zijn beslissingen dan naar zijn  eigen overtuiging nam. ’t Schijnt, dat zij echter de wenschen als bevelen beschouwden en dat zij daarom met hem niet konden opschieten. Hij kreeg zijn ontslag! ’t Is zonde en jammer, want van alle secretarissen-generaal is  hij zonder twijfel de beste en meest betrouwbare. Daarna is gevolgd het ontslag van drie procureurs-generaal. Die te ’s-Gravenhage is vervangen door een volbloed N.S.B.-er, die in normale omstandigheden zeker nooit voor dit hooge ambt in aanmerking zou zijn gekomen. De Sociaal-Democratische Arbeiders Partij is in handen van Rost van Tonningen gesteld en ’t Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen in die van Woudenberg, twee N.S.B.-ers. Als er nu iets is, dat de sociaal-democratische arbeiders woedend moet maken, dan in ’t dit. ’t Zou voor hen veel minder erg geweest zijn, wanneer deze beide lichamen onder een Duitscher gesteld waren. Dat zouden ze in de gegeven omstandigheden wel betreurd, maar verdragen hebben, maar dit niet. Als nu waar zal blijken, dat Mussert aan ’t hoofd der Nederlandsche regeering zal gesteld worden, dan vrees ik het ergste. Men voelt, hoe ’t woelt en bruist in de verschillende lagen der bevolking. Terecht of ten onrechte, algemeen beschouwen de Nederlanders de N.S.B.-ers als landverraders. Dat deze nu toch door de Duitschers aan de macht in den staat   geholpen worden, zal de verhouding tot de Duitschers in den grond bederven.

’t Is vreemd, maar waar: toen na den inval op 10 mei reeds op 15 mei de wapens werden neergelegd, was de aanvankelijk woede tegen den Duitschen overweldiger spoedig bekoeld; men beschouwde de aanwezige Duitsche militairen – die zich overigens ook overal voorbeeldig  gedroegen – als menschen die hun plicht deden jegens hun eigen vaderland. Daar had men begrip voor. En weken lang was wederzijds de verhouding goed. Daarbij kwamen de rustige, van goed begrip van de Nederlandsche mentaliteit getuigende, redevoeringen van Seyss-Inquart. Ze wekten vertrouwen, ook in de toekomst. Men ging zich steeds meer verzoenen met de gedachte, dat Nederland na den vrede nauw zou moeten samenwerken met Groot-Duitschland. Men begreep, dat hier veel anders zou moeten worden. Ware dit zoo voortgegaan, dan geloof ik stellig, dat de verhouding tot Duitschland geleidelijk nog beter zou zijn geworden. Deze goede gang werd echter spoedig verstoord door het optreden van de N.S.B.-ers, die klaarblijkelijk daarbij op den steun der Duitschers konden rekenen. Zoo vrees ik, dat de gevoelens van afkeer jegens de Nationaal-Socialistische Beweging, die zeker bij ruim 90 procent der bevolking bestaan, zich nu daardoor ook gaan keeren tegen de Duitschers  Men voelt, dat ’t steeds meer broeit. Als er iets gebeurt – bijvoorbeeld een mislukte aanval op Engeland – of een of ander spontaan straatrelletje met eenige dooden als gevolg, dan kan de vlam eensklaps uitslaan. ’t Afschuwelijkst denkbare zal dan gebeuren: een algemeene, plotselinge opstand van een getergd volk, maar dat ongewapend staat tegenover zwaar gewapende tegenstanders en dus meedoogenloos zal worden neergeslagen. Zoo zie ik de zaken een steeds meer verkeerden keer nemen. Dat zou ik nu wel eens aan Seyss-Inquart duidelijk willen maken. Maar hij kent me niet, zal me dus ook niet vertrouwen. Mijn waarschuwing zou wellicht, hoe goed ook bedoeld, een averechtsche uitwerking hebben. En toch … àls ’t zoo doorgaat, dan zie ik de toekomst donker in.

            De oorlog woedt voort. Londen is nu al een week lang door de Duitschers gebombardeerd. Gezien, wat er in enkele uren te Rotterdam voor ontzettend onheil door ’t bombardement op 15 mei is aangericht, kan men bevroeden hoe gruwelijk thans de toestand in Londen is. Wat zal ’t einde zijn? En wanneer zal het komen? En hoe zal ’t dan zijn? Deus providebit.  

dagboekcahier 10

20/09/1940

vrijdag 20 september 1940

Vandaag vernam ik iets wat geheel bevestigde, wat ik reeds van elders vernomen had. En zelfs meer dan dat. Göring, die in Frankrijk het bombardement op Londen leidt – het gaat nog maar steeds door – is ervoor, dat Nederland onafhankelijk zal blijven bestaan, ook omdat hij vreest voor onze koloniën, wanneer Nederland eenvoudig geannexeerd zou worden: een conflict met de Vereenigde Staten is dan zeer waarschijnlijk. Maar Himmler, die in Berlijn bleef, denkt daar anders over. Hij staat ook gunstiger tegenover de Nationaal-Socialistische Beweging dan Göring. Zoo stond ’t de vorige week: Himmler wilde, dat alle partijen, ook Nederlandsche Unie en Nationaal Front zouden verboden worden en dat Mussert opdracht zou krijgen een ministerie te vormen, terwijl de Nationaal-Socialistische Beweging dan zou blijven bestaan. Men dacht, dat Engeland binnen veertien dagen om vrede zou gevraagd hebben. Seyss-Inquart, die hier blijkbaar de zaken beter inziet, was expres naar Berlijn gegaan om Himmler te betoogen, dat zijn plan fout was. Het hielp niet. Om de antipathie tegen Mussert en de Nationaal-Socialistische Beweging te verminderen, zou Hitler eerst uitspreken, dat Nederland bij Duitschland gevoegd zou worden; Mussert zou hem dan een pathetisch verzoekschrift zenden om hem te smeeken Nederland onafhankelijk te laten voortbestaan. En grootmoedig zou de Führer  dan op zijn verzoek voldoen. Dit alles zou vrijdag gebeurd zijn. ’t Is niet gebeurd. Wat is daarvan de reden? Den een zegt: omdat Engeland langer standhoudt dan men gedacht had; de ander: er dreigt voor Duitschland weer onraad uit Rusland: er is weer groot troepenvervoer – ook uit ons land – naar de Russische grens. Rusland heeft weer, bij de grens, ‘militaire oefeningen’ gelast. Hoe dit zij, het voornemen om Mussert als minister-president te laten optreden, is niet uitgevoerd. Misschien heeft ook de aartsdomme rede van den pas benoemden N.S.B.-er Van Genechten tot procureur-generaal bij de begrafenis van den gevallen N.S.B.-er Ton, waarin hij tegen Vrijmetselarij en Jezuïeten fulmineerde en aankondigde, dat de Nationaal-Socialistische Beweging de macht in handen zou nemen, waarvoor hij bij Seyss-Inquart werd geroepen om een geducht standje in ontvangst te nemen, daar ook wel iets toe bijgedragen. Hoe dit zij, voorloopig althans schijnt dit heillooze plan van de baan.

dagboekcahier 10

15/10/1940

dinsdag 15 october 1940

Ik heb geen lust om veel in mijn dagboek te schrijven. Wat weten we eigenlijk? In de radio en in de dagbladen krijgen we alleen de D.N.B.- berichten. Naar de andere zenders mogen we niet luisteren en ik houd me daar streng aan. Ik wil niet, dat men tegen  mij ook maar één rechtmatige grief kan aanvoeren. Mijn vrees, dat de verhoudingen geleidelijk scherper worden, wordt steeds meer bevestigd. Ik houd mijn hart vast, dat dit eens tot een uitbarsting zal komen. Toch blijft ’t bezettende Duitsche leger zich in alle opzichten keurig en correct gedragen. Nog nooit hoorde ik daar een aanmerking over. Toch voel je, dat de stemming in het volk steeds feller anti-Duitsch wordt. Wat is daarvan de oorzaak? Mijns inziens is de voornaamste de werkelijk kortzichtige wijze, waarop de Duitschers zich steeds openlijker achter de Nationaal-Socialistische Beweging scharen. En het volk haat de N.S.B.-ers,  in wien het, niettegenstaande herhaalde tegenspraken, nu eenmaal verraders blijft zien. Zelfs al meenen de Duitschers, dat deze haat volstrekt ongegrond is, dan nog moesten ze er mee rekening houden. Nu bereiken zij, dat de werkelijk verwonderlijk goede stemming jegens Duitschland in de eerste weken na den wapenstilstand geleidelijk en vrijwel algemeen omslaat: de hartgrondige afkeer jegens de N.S.B.-ers gaat nu op de Duitschers over. Daar komen twee dingen bij: de voedsel- en kolenschaarste wordt steeds pijnlijker gevoeld. Het volk weet, dat hier groote voorraden levensmiddelen waren en dat onze mijnen meer koolen produceeren dan wij kunnen verbruiken. Het schrijft dus de toenemende schaarste en de prijsstijgingen toe aan  het feit, dat de Duitschers onze voorraden wegvoeren. Daar komt nu bij, dat de Duitschers de vorige week weer 130 Nederlanders hebben gevangen genomen en in Duitschland geïnterneerd, als represaillemaatregel wegens het gevangen houden in onze koloniën van de daar wonende Duitschers – iets waaraan wij nu eenmaal niets kunnen veranderen. De eerste keer werden hoofdzakelijk oud-indischgasten en personen van de hofhouding gevangen genomen, die bij ’t groote publiek onbekend waren. Thans echter heeft men vooraanstaande politieke personen gevat, die wel bekend en in hun groep zeer gezien zijn. Zoo van de katholieken Deckers en Goseling, van de christelijk-historischen Tilanus en De Savornin Lohman, enz. enz. Dit heeft geweldig kwaad bloed gezet. Hierbij komen nu allerschandelijkste uitlatingen over de koningin en prinses Juliana in de Duitsche radio – vooral Bremen, dat in ’t Nederlandsch uitzendt – en zelf thans ook door ’t Algemeen Nederlandsch Persbureau in onze Nederlandsche radio. De Duitschers hebben er blijkbaar geen begrip van welk een eerste plaats het koninklijk huis in de schijnbaar koele harten der Nederlanders inneemt. Ik denk zoo dikwijls: was er maar eens een gelegenheid, dat alles rustig uiteen te zetten aan Seyss-Inquart, die telkens weer in zijn redevoering zulk een goed begrip van onzen  volksaard blijkt te bezitten. Ik vrees, dat hij in hoofdzaak door verbitterde N.S.B.-ers en bevende ambtenaren wordt voorgelicht. Maar zou hij mij, als ik hem kon spreken, vertrouwen? Ik vrees van niet, want hij kent mij niet.

De vorige week liep ’t gerucht, dat behalve Deckers en Goseling ook ik opgepakt was. Van alle kanten werd er hier en bij mijn kinderen opgebeld. En er bleek wel uit hoeveel kwaad bloed dit, gelukkig valsche, bericht gezet had. Zal ik aan de beurt komen? Misschien niet wegens mijn leeftijd, hoewel ik nog eenige maanden van de 70-jarigen leeftijd af ben of wellicht wegens mijn lidmaatschap van de afdeeling Geschillen van Bestuur (Raad van State), waarin ik niet gemist kan worden.

Hoe zal dit alles eindigen? ’t Bombardement van Londen is nu al vijf weken aan den gang. De toestand moet daar zeer ernstig zijn. Zal Engeland dit nog lang uithouden? Of rekent men daar nog op een ingrijpen van de Vereenigde Staten als begin november Roosevelt zal herkozen zijn? Dat een oorlog tusschen de Vereenigde Staten en Japan dreigt, is wel duidelijk. Maar zal dit in den algemeenen toestand veel verandering brengen? De Engelschen bombardeeren elken nacht ook Duitsche steden, terwijl ook wij ons deel van hun bommen krijgen. Wat zal ’t einde zijn?

dagboekcahier 10

08/02/1941

zaterdag 8 februari 1941

In drie maanden niets opgeteekend. Mij ontbreekt de lust ertoe. En wat op te teekenen? Wij hooren veel, maar we weten zoo bitter weinig. En op een holletje gaat ’t steeds verder den verkeerden weg op. Nu zijn er weer twee commissarissen der koningin ontslagen (Limburg en Utrecht) en door N.S.B.-ers vervangen. Deze week kreeg De Maasbode bevel voorshands niet meer te verschijnen. Waarom? Ik begrijp er niets [van].[38] Er heeft geen onvertoogen woord in gestaan. Andere kranten schrijven veel vrijmoediger en hebben geen last. Verteld wordt, dat ook de Volkskrant geschorst is en Ons Noorden zelfs opgeheven. De studentenvereenigingen zijn ontbonden en hun bezittingen worden geliquideerd. Zoo ook de Leidsche Sanctus Augustinus, die ik in 1903 met Struycken samen oprichtte. De politie mag geen proces-verbaal meer tegen N.S.B.-ers opmaken. Steeds driester treden ze op. De vorige week is Mussert met Seyss-Inquart naar München geweest als gast van Himmler. Tegen de joden wordt steeds feller opgetreden. Joodsche professoren zijn van hun ambt ontheven, zoo Meijers te Leiden, een jurist met Europeeschen naam, en de nobele Josephus Jitta te Delft. Gevolg: een staking van de studenten en daarna sluiting van de universiteit te Leiden en van de Technische Hoogeschool te Delft. In allerlei betrekkingen worden N.S.B.-ers  benoemd, zoo burgemeesters te Hilversum en Tubbergen, twee nieuwe secretarissen-generaal aan ’t departement van onderwijs, een hoofdcommissaris van politie te ’s-Gravenhage, enz. enz. Iedere dag brengt weer slecht nieuws. En dit alles maakt, dat de gisting onder de vrijwel geheele bevolking met den dag toeneemt. De vorige week werd er te Hilversum op een Duitschen schildwacht geschoten. Den volgenden dag werden 35 burgers uit hun huis gehaald als gijzelaars. Van de 21 doctoren zijn er 20 bij, omdat ze zich op hun ambtsgeheim beriepen. ’t Schijnt, dat er bloedsporen gevonden zijn, waaruit afgeleid, dat de dader zelf ook gewond was. Men wil nu weten tot welken dokter hij zich gewend had. Met 1 mei zullen de joodsche doctoren, advocaten, vroedvrouwen, enz. hun praktijk alleen maar mogen uitoefenen ten aanzien van rasgenooten.

            En zoo gaat ’t maar door. Iedere dag brengt weer nieuw ellendig nieuws. Mijn angst voor wat er zal gebeuren, als ’t tot een uitbarsting zal komen wordt elken dag grooter.

            En onderwijl gaat de oorlog door. Sinds begin september wordt Engeland – speciaal Londen – elken nacht met vliegtuigen gebombardeerd. Elken dag worden groote schepen getorpedeerd. Maar de Engelschen hebben blijkbaar sterke zenuwen.

            Italië heeft aan Griekenland den oorlog  verklaard, maar hun legers in Albanië moeten steeds meer terugtrekken. Evenzoo in Afrika tegenover de Engelsche troepen. In Roemenië, dat geheel aan Duitschen kant is gaan staan, is een geweldig oproer in bloed gesmoord. Wat zal Bulgarije doen? En wat Turkije? De verhouding tusschen Frankrijk en Duitschland schijnt ook nog niet in ’t reine. Beweerd wordt, dat Duitschland de Fransche Middellandsche Zee havens wil bezetten en dat Pétain dit weigert. Gebeurt dit, dan verwacht ik, dat ’t groote Fransche leger dat nog in Afrika is onder Weygand, weer de zijde van Engeland zal kiezen. Japan treedt steeds meer dreigend op jegens ons Indië. Dat het uitloopt op een oorlog tusschen de Vereenigde Staten en Japan, geloof ik vast. Ook al, omdat Duitschland daar belang bij heeft om de hulp van de Vereenigde Staten aan Engeland te doen afnemen.

            Zoo ziet de toestand er in de geheele wereld dreigend uit. En wat zal tenslotte Rusland doen, als alle anderen uitgeput zijn? Zal er na den wereldoorlog de bolsjewistische wereldrevolutie komen? Als God niet ingrijpt om een einde te stellen aan al deze ellende, zal het slot zijn de vernietiging van de christelijke beschaving in Europa, maar ook daarbuiten. 

dagboekcahier 10

10/02/1941

maandag 10 februari 1941

Gisterenmiddag heb ik bezoek gehad van den heer Peeperkorn, den hoofdredacteur van De Maasbode. Hij deelde mij omstandig mee, hoe het gegaan was. Een voorman van de S.S., vergezeld van verschillende manschappen, kwam in ’t begin der vorige week – ik meen dinsdag – bij de bureaux van de Maasbode. Hij vroeg naar den directeur. Bij hem binnengeleid las hij hem de ukase voor, waarbij gelast werd, dat de Maasbode niet meer mocht verschijnen, direct noch indirect. Op alle geldswaarden werd beslag gelegd, terwijl  persen en lokalen verzegeld werden. Eenige reden werd niet opgegeven. Toen Kuypers ernaar vroeg, kreeg hij ten antwoord ‘Daar weet ik niets van.’ Kuypers vroeg hem bij wien hij nu in beroep kon gaan. ‘Beroep?’ was ’t verbaasde antwoord. ‘Beroep? Maar zooiets bestaat bij ons niet.’ Toen heeft men getracht verschillende Duitschers te spreken. De civielen wisten echter van ’t geheele geval niets en waren er zelfs zeer verwonderd over. Eindelijk kwam hij bij den vertrekkenden persman, die hem welwillend ontving: hij wist van niets, had ook niets meer te zeggen, want zijn werk hier was afgeloopen. Hij vermoedde echter – achtte het ‘waarschijnlijk’ –  dat het een antwoord was op den brief van de bisschoppen, voor veertien dagen in de kerken voorgelezen, waarin ’t oude verbod voor katholieken om aan de werkzaamheden van de Nationaal-Socialistische Beweging  deel te nemen of haar te steunen, nog weer eens werd gehandhaafd. ’t Verwonderlijke is, dat De Tijd, die dezen brief tegen het verbod in toch had gepubliceerd, een boete kreeg opgelegd van f 5000,– en dat de Maasbode, die zich tot verontwaardiging van vele lezers aan ’t verbod van publicatie gehouden had, nu geschorst is! Deze vertrekkende persman gaf den raad om naar dr. Schmidt, de rechterhand van Seyss-Inquart, te gaan. Deze was nu naar Berlijn en komt woensdag terug. Hij zou er vermoedelijk wel meer van weten.

            Peeperkorn deelde me nog mee, dat ook mijn brief aan hem van 6 december 1940 in beslag was genomen. Ze keken zijn papieren na en toen ze in mijn brief de woorden ‘Mit brennender Sorge’ lazen, zeiden ze: ‘Ha! geef dat briefje maar mee!’

            Deze brief luidde als volgt (ik was bezig met een viertal artikelen te schrijven over ‘Democratie en gezonde volksinvloed’. Het eerste was geplaatst. Maar toen ik het tweede zond, schreef Peeperkorn me, dat hij ’t niet durfde opnemen, daar ‘de overzijde’ er aanmerking op had gemaakt en meende, dat de Maasbode ‘terugkrabbelde’. Daarom schreef ik hem 6 december 1940):

 

Allereerst mijn hartelijke gelukwenschen met het groote feit, dat gij weer een eigen huis  hebt kunnen betrekken. Ik acht het een reusachtige prestatie, dat dit reeds na een half jaar is mogen gelukken. Aan De Maasbode is de verandering goed zichtbaar. Gelukkig, want de laatste weken liet de druk wel zeer veel te wenschen over.

Thans het artikel Parlementair stelsel en gezonde volksinvloed. Het was feitelijk, onder een anderen titel, een vervolg op het voorafgegane artikel over Democratie en volksinvloed en het lag in mijn bedoeling, dat er nog enkele op gevolgd zouden zijn. Mijn bedoeling was om geleidelijk te komen tot een wat nadere omschrijving van het begrip ‘gezonde volksinvloed’. Men kan daar van alles onder verstaan, zoowel het oude parlementaire stelsel, het daaraan voorafgegane constitutioneele stelsel, de methode van volksstemmingen, ja zelfs nog de instelling van adviseerende lichamen. Het is uit hetgeen ik hierover vroeger in De Maasbode schreef, wel duidelijk, dat ik met dit laatste niet tevreden zou willen zijn. Feitelijk schuilt daarin de reactie naar de achttiende eeuw. Het vorsten-absolutisme was niet verderfelijker dan het absolutisme dat thans door velen blijkbaar wordt nagestreefd. Het heeft er alle nadeelen van, terwijl er nog enkele andere bijkomen. Het was mijn bedoeling, dit met groote voorzichtigheid en zeer geleidelijk in eenige artikelen duidelijk te maken. Hoe men in ’t artikel Democratie een terugkrabbelen heeft kunnen zien, is mij niet duidelijk, evenmin wat u onder de ‘overgevoelige overzijde’ verstaat. Is dit de Unie of iets anders? De Unie heeft zelf uitdrukkelijk verklaard, dat zij vasthield aan gezonden volksinvloed. Daarop thans nog eens terug te komen om te trachten het begrip zakelijken inhoud te geven, kon toch onmogelijk terugkrabbelen genoemd worden. Maar zelfs als men dat van de zijde van de Unie zou zeggen, begrijp ik niet goed, waarom wij niet een eigen meening zouden mogen uitspreken. Ik ben overtuigd, dat meer dan de helft van de aanhangers van de Unie katholiek zijn. Ik meen dus, dat de Unie, met onze opvattingen terdege rekening zal hebben te houden. Men kan toch niet vergen, dat wij  als een gewillige kudde ook dan zonder te kikken zullen volgen, ook wanneer wij meenden, dat men steeds verder den verkeerden weg opgaat. Gij weet, dat het ook mijn meening is, dat wij de Unie zooveel en zoolang mogelijk moeten steunen, maar ook daar zijn grenzen, die ik niet zou willen overschrijden. Wanneer de Unie steeds dichter tot de Nationaal-Socialistische Beweging nadert en steeds duidelijker streeft naar een autoritair regiem, dan zie ik dat mit brennender Sorge. Ik meen, dat wij als katholieken aan deze principieele uiteenzetting van den paus moeten vasthouden.

Ziedaar mijn meening. Gij weet echter, dat ik volkomen erken, dat gij het recht hebt als verantwoordelijk hoofdredacteur met mijn bijdragen te doen wat gij meent, dat er mee gedaan moet worden. Al blijf ik, dit wil ik eerlijkheidshalve er bijvoegen, er zelf stellig van overtuigd, dat het goed is, wanner wij tegenover de Unie geen struisvogelpolitiek voeren. In welwillenden vorm en in opbouwenden geest zullen wij ons het recht van kritiek en zeker van raadgeving moeten blijven voorbehouden.

(Volgt iets over de brochure van Romme, waarover P. mij verzocht had te schrijven, evenals over de loonen- en prijzenpolitiek. Dan vervolgde de brief:)

Over de loon- en prijzenpolitiek zal ik ook wel trachten iets te schrijven, maar ook hier meen ik, dat men met volle zeilen naar een zuiver staatssocialisme streeft. Als overgangsmaatregel, zoolang er geen behoorlijke ordening tot stand is gekomen, kunnen wij dit aanvaarden, zooals wij ook de sociale verzekering, zooals Talma die opgezet had, indertijd aanvaard hebben, maar ook toen, het was in 1910 ongeveer, heb ik zeer uitdrukkelijk gewaarschuwd tegen het staatssocialistisch systeem, dat eraan ten grondslag lag en verdedigd, dat wij dat alleen als een voorloopige regeling konden aanvaarden totdat de tijd gekomen was om tot een meer maatschappelijk systeem over te gaan. Zelf heb ik dat in 1920 gedaan bij de landbouwongevallenverzekering, waarvan de uitvoering voor meer dan 90 procent  ligt bij de bedrijfsvereenigingen.

Er zijn in den laatsten tijd heel wat dingen gebeurd, die mij met groote zorg vervullen. Zoo de beide benoemingen aan het departement van Onderwijs, het optreden van prof. Snijder, het tot stand komen van een nieuwen journalistenbond als bijwagen van de Nationaal-Socialistische Beweging enz. enz.

Dit alles gaat een zeer bepaalde richting uit en ik vrees, dat wij binnen korten tijd gevangen zullen zitten in een volledig nationaal-socialistisch systeem onder leiding van de Nationaal-Socialistische Beweging. Juist wat wij door het steunen van de Nederlandsche Unie hadden willen voorkomen.

            Met beste groeten, totus tuus, A.

Zoo luidde deze brief, die nu in handen van de S.S. is. Wat zal zij er mee doen? Er staat geen enkel voor Duitschland beleedigend woord in. Maar wel blijkt er heel duidelijk uit, dat ik tegen de Nationaal-Socialistische Beweging ben en niet met de autoritaire staatsopvatting noch met het nationaal socialisme sympathiseer. Iets wat ik met 90 procent der Nederlanders gemeen heb. We zullen maar rustig afwachten.

            Zondag wordt mijn Liesje 70 jaar. Al onze dochters hebben we voor dien dag uitgenoodigd. Het zou wel zeer treurig zijn, wanneer er vóór dien dag iets onaangenaams gebeurde. Maar … Van Sonsbeeck kreeg op zijn zilveren bruiloft wel zijn ontslag als commissaris der koningin in Limburg thuis! Ik tracht echter geen zorgen voor den tijd te maken. Als ze komen zijn ze al erg genoeg en toch bijna altijd minder erg dan men zich tevoren had voorgesteld. Ik stel mij in Godes heilige bescherming.

dagboekcahier 10

21/02/1941

vrijdag 21 februari 1941

Zondag 16 februari vierde mijn lieve Liesje haar zeventigsten verjaardag. Niettegenstaande de sombere en zorgwekkende tijdsomstandigheden is deze dag een ware feestdag geweest met een gevoel van hartgrondige dankbaarheid gevierd. Dankbaar waren wij voor het feit, dat de goede God die haar mij gaf als de grootste schat in mijn leven, haar zoo lang voor ons heeft gespaard. Dankbaar, dat zij deze dag in zulk een uitstekenden staat van gezondheid heeft kunnen vieren. Dankbaar vooral ook, omdat al onze kinderen dien dag aanwezig konden zijn: onze vijf gehuwde dochters, Piet met zijn jonge vrouwtje, dat ons jongste kleinkind Anne-Liesje meebracht en de eenige dochter die we nog thuis hebben, Lies, het meest volkomen evenbeeld van haar moeder, toen zij nog haar leeftijd had. Joke was al vrijdag gekomen, An, Rie en Nell volgden zaterdag. En zondag waren we allen vereenigd, eerst ’s morgens in de kerk, later aan een, dank de rijkelijk meegebrachte bonnen, welvoorzienen disch. In den loop van den dag belden alle schoonzoons op om hun schoonmoeder, op wie ze allen zonder uitzondering dol zijn, geluk te wenschen. We hebben ’t zóó verdeeld: op moeders verjaardag alle dochters en de eenige zoon en op  mijn verjaardag – 27 maart a.s. – alle schoonzoons en natuurlijk ook Piet, onze stamhouder. Zoo kunnen we beide vierdagen gezellig in huis vieren. Maar dan hoop ik, als de omstandigheden het toelaten, daarna nog eens onze achttien kleinkinderen bij elkaar te zien.

            Zoo zijn deze prettige, vroolijke dagen een ware oase geweest in dezen somberen tijd. Bijna dagelijks gebeuren er dingen, die mij met steeds grooter zorg vervullen. Dezer dagen kwam weer een verordening af, waarbij voor alle religieuzen bij ’t lager en het nijverheidsonderwijs (de huishoudscholen) 40 procent op hun salaris wordt gekort. Toen dit in de dagen dat de onderwijspacificatie tot stand kwam ook werd geopperd, waren mannen als Troelstra en De Savornin Lohman daar gloeiend tegen. Zij zagen er een pure onrechtvaardigheid in, daar zij ’t zelfde werk verrichten als de leeken-onderwijzers en wijl de staat er niets mee te maken heeft hoe een onderwijzer zijn salaris gebruikt. En thans, een katholiek dagblad als de Residentiebode praat deze korting aanstonds goed! Ik vrees, dat dit de eerste stap is op den weg van de totale vernietiging van het bijzonder onderwijs, gelijk dit in Duitschland geschied is. Reeds nu incasseerde Het Vaderland deze onrechtvaardige korting dankbaar, maar niet voldaan: er moest nog een  bepaling bijkomen, waarbij aan religieuzen verboden werd hoofd van een school te zijn. Dat zal dus wel de tweede stap worden. En zoo is er iederen dag weer wat anders.

            Gisteren stond er een verslag in de bladen van een Duitsch-Nederlandschen nationaal-socialist, waarin de verklaringen van dr. Seyss-Inquart bij zijn ambtsaanvaarding als rijkscommissaris feitelijk werden teruggenomen: Nederland zou alleen dan zijn onafhankelijk bestaan kunnen herkrijgen, wanneer het nationaal-socialistisch werd: Duitschland kan geen kleinen staat aan zijn grenzen dulden, indien deze staat volgens andere beginselen bestuurd werd als het Derde Rijk. In zijn rede kwamen ook sterke bedreigingen voor tegen dr. Colijn; omdat hij 72 jaar was, zou men hem met rust laten, maar als hij het waagde een rol te spelen, dan had men voldoende materiaal tegen hem om hem moreel te vernietigen. Ook tegen het ‘politiek katholicisme’ werd heftig uitgevaren. De toekomst gaat er met den dag somberder uitzien. Wat zal er nog allemaal over ons arme volk komen? En wat zal het einde zijn? Deus providebit, dat is onze eenige troost, waarbij wij onze kalmte kunnen bewaren. 

dagboekcahier 10

22/02/1941

zaterdag 22 februari 1941

Niet omdat we vandaag herdenken, dat we ons voor 45 jaren verloofden – waar is de tijd gebleven! – ook niet omdat vandaag onze op één na oudste dochter Lou haar 39en verjaardag viert – ze ziet er met haar zeven kinderen uit alsof ze pas 29 werd! – wil ik iets opteekenen. De aanleiding is het bezoek, dat Schaepman, het Tweede Kamerlid, me gisteren bracht om mij zijn te Londen opgedane ervaringen mee te deelen. Hij kwam om drie uur en vertrok pas bij zessen! Maar welk een droef relaas kreeg ik te hooren! Hij is door de Nederlandsche ministers te Londen slecht behandeld, wellicht dat dit zijn kijk versomberd en de herinnering aan ’t ondervondene verbitterd heeft. Maar als een ongeloofwaardig man heb ik hem nooit leeren kennen. Hij was als commissaris in de Nederlandsche N.V. Bata naar Brazilië geweest, toen de 10e mei aanbrak. Hij strandde in Lissabon. Vandaar trachtte hij naar Nederland te komen en kwam zelfs tot bij Zeeuwsch-Vlaanderen, achter de Fransche troepen, die hem geen doortocht wilden verleenen. Hij ging toen weer terug naar Parijs, waar Loudon voor hem met Londen telefoneerde. Loudon zei hem toen, dat de Nederlandsche regeering hem verzocht naar Londen te komen. Toen hij daar aankwam, keken de ministers hem aan of ze zeggen wilden: wat kom je hier doen? Toen zijn geld opraakte, vroeg hij een voorschot op zijn salaris als kapitein en zijn schadeloosstelling als kamerlid. Zij boden hem aan … f 12,– per week! terwijl zij zichzelf een  verblijfsvergoeding van f 42,– per dag hadden toegekend! Hij bedankte voor deze fooi en verzocht terug te mogen keeren, wat hem echter geweigerd werd. Vandaar een onaangename en gespannen verhouding. Eindelijk kreeg hij door een Engelsch Lagerhuislid een exit-permit. Zoo kwam hij weer in Lissabon en met behulp van den Duitschen gezant aldaar weer in patria.

            Volgens zijn zeggen nu was de toestand in Londen aldus. De koningin had vrijwel alleen omgang met Beelaerts en met Van ’t Sant, den veelbesproken oud-hoofdcommissaris van politie te ’s-Gravenhage, die bij haar inwoonde en vervolgens met de heeren van Unilever. Haar verhouding tot de ministers was zóó slecht, dat zij op een dag aan De Geer toevoegde: ‘Hoe minder ik de heeren zie, hoe aangenamer mij dat zou zijn.’ De oorzaak hiervan is, dat de ministers den oorlog voor ons als afgeloopen beschouwden en met Duitschland over den vrede wilden onderhandelen. Dit weigerde de koningin zeer beslist. Toen zeiden ze, dat de regeering dan niet in Londen kon blijven, maar naar Indië moest vertrekken, waar Van ’t Sant zeer tegen was. De koningin weigerde ook dit. De bom tusschen de koningin en De Geer is tenslotte door het volgende gebarsten: Indië vroeg 100 millioen voor de defensie. De Geer wilde maar 25 millioen geven. Na lang gehaspel maakte de ministerraad daar 50 millioen van. Toen   deelde de koningin aan De Geer mee, dat zij genoeg van hem had en dat zij hem ongevraagd als minister ontsloeg. Om te voorkomen, dat De Geer naar Nederland terug zou keeren, waar men hem niet vertrouwde, kreeg hij een opdracht in Indië. Zo kwam hij in Lissabon en vandaar schreef hij, dat hij zijn opdracht teruggaf en met behulp van den Duitschen gezant vertrok hij naar Berlijn en vandaar kwam hij, vrijdag voor acht dagen, hier terug. Onderwijl had echter de radio Oranje te Londen meegedeeld, dat het vroegere bericht, dat De Geer om gezondheidsredenen ontslag had gevraagd en gekregen, onjuist was geweest, want dat hij ongevraagd ontslag had gekregen en naar Lissabon was vertrokken, nadat hij aan de koningin schriftelijk beloofd had niet naar Nederland terug te keeren; dat hij deze belofte nu gebroken had, en dus als een deserteur moest worden beschouwd. Met welke gevoelens ’t Nederlandsche volk hem ontving valt te begrijpen. Dag en nacht wordt hij door Nederlandsche politie bewaakt. Verleden maandag ontmoette An hem in de Van Aerssenstraat. Er kwam juist een chique meneer voorbij, die, hem herkennende, vlak voor hem op den grond spuwde. Gisterenavond heeft hij nu in Het Vaderland gepubliceerd, dat hij terug was gekomen, omdat hij meende, dat zijn plaats was bij zijn vrouw en bij zijn volk en dat hij hier als een vergeten burger wilde leven.

            Zoo ben ik geleidelijk afgedwaald van hetgeen  Schaepman mij over Londen meedeelde. Hij vertelde nog, dat de Nederlandsche ministers daar ieder afzonderlijk woonden. Albarda en Van den Tempel woonden in het duurste hôtel van Londen. Ze bemoeien zich met niets. De Engelsche regeering laat ze links liggen. Het contact wordt onderhouden door den Nederlandschen gezant Michiels van Verduynen. ’s Middags komen ze bijeen in een flatgebouw, waar op de zevende tot negende verdieping gevestigd is ‘the government of the Netherlands’, eerst onder bewaking van Engelsche politie, later door een paar Hollandsche marechaussés. Welter is nu belast met de portefeuille van Finantiën, waardoor Indië de gevraagde 100 millioen terstond kreeg. Gerbrandy is nu voorzitter van den ministerraad. Ziedaar zoo een en ander, wat ik van Schaepman vernam. Als ’t waar is, is ’t bedroevend.

dagboekcahier 10

27/02/1941

donderdag 27 februari 1941

Maandagmorgen werd ik nu juist niet aangenaam verrast door dit briefje, een doorslag op een dun vodje papier:

Rotterdam 22 februari 1941

N.V. De Courant ‘De Maasbode’

Den heer: prof. mr. P.J.M. Aalberse

M.H.

Wij zijn verplicht u hierbij te ontslaan, terwijl wij u aan het einde van de maand februari ook geen loon kunnen uitkeeren. Wij danken u voor de ons bewezen diensten.

Hoogachtend,

N.V. De Courant ‘De Maasbode’

(stempel:) Johan Kuypers, directeur

Dinsdagmiddag vernam ik van Wintermans het volgende: zaterdagmorgen kwam de Duitsche politie weer in de bureaux van De Maasbode. De zaak werd gesloten en aan het geheele personeel, hoog en laag, moest op staanden voet ontslag worden gegeven. Aldus geschiedde. Persen en gebouwen werden verzegeld. Dit is dus wel het einde van De Maasbode. ’t Is treurig èn om de zaak zelve èn om het groote personeel, dat nu broodeloos is gemaakt.

Denzelfden dinsdagmiddag vernam ik, dat er te Amsterdam een zeer uitgebreiden werkstaking was uitgebroken – zoo bijvoorbeeld in het gemeentelijk trambedrijf – als protest, omdat maandag eenige honderden joden door de Duitsche politie waren gevangen genomen en naar Duitschland gevoerd. Er waren in den laatsten tijd al voortdurend relletjes in Amsterdam geweest als gevolg van ’t brute optreden van de W.A.-troepen van de Nationaal-Socialistische Beweging, die bovendien stelselmatig relletjes uitlokten. Ook in andere plaatsen – Haarlem, Zaandam, enz. – zei men, dat relletjes waren uitgebroken. Gevolg: gisterenavond verscheen er een proclamatie van generaal Christiansen, waarin hij mededeelde, dat hij in overleg met Seyss-Inquart het burgerlijk bestuur in Noord-Nederland in handen had genomen en nu alle optreden van partijen, ook zelfs het dragen van uniformen en insignes, verbood.  Op het aanhitsen tot staking in voor de weermacht belangrijke bedrijven stelt hij de doodstraf.

Zoo is ’t gekomen gelijk ik het al sinds lang voelde aankomen. Het prikkelend optreden van de Nationaal-Socialistische Beweging, het brute afranselen niet alleen van joden maar ook van andere burgers door de W.A., de verschillende benoemingen van soms volkomen onbekwame N.S.B.-ers zelfs in de hoogste posten, het gevoel van volkomen rechteloosheid en machteloosheid tegenover dit optreden, de krasse maatregelen tegen de joden die den normalen Hollander ertoe drijven de hem zelf misschien onsympathieke partij voor den man die de klappen krijgt te kiezen, dit alles deed een steeds ondraaglijker wordende spanning ontstaan. Een kleine aanleiding was voldoende om een uitbarsting te doen ontstaan. Deze is nu in Amsterdam gekomen.

Gunstig acht ik het, dat nu generaal Christiansen het heft in handen heeft genomen. Men zegt, dat hij wel hard is, maar verstandig en dat hij steeds tegen ’t optreden van de Nationaal-Socialistische Beweging gekant was en zelfs onlangs Göring heeft gewaarschuwd, dat hij, als ’t zoo doorging, de verantwoordelijkheid niet langer zou kunnen dragen: hij wenschte achter het front rust, geen relletjes.

Van andere zijde schijnt er nu toch ook tegen de W.A. te worden opgetreden. Ik vernam, dat de procureurs-generaal aan de burgemeesters hadden opgedragen een onderzoek naar het verleden der W.A.-mannen in te stellen. Uit Limburg vernam ik, dat daar nu wel zou blijken dat nog geen vijftien procent van hen zonder vroeger strafvonnis waren! Dit zal wel overdreven zijn, maar ’t schijnt toch wel, dat er onder deze lieden heel wat ongure elementen rondloopen. Met spanning zie ik de komende dagen tegemoet. Ik acht ’t niet uitgesloten, dat wat in Amsterdam gebeurd is, verder in het land aanstekelijk zal werken.

Er gebeuren de wonderlijkste dingen. Vanmiddag heb ik Mijnraad. Onder meer komt er een voorstel van de directie der Staatsmijnen ter tafel om in Hoensbroek een groot gezellenhuis voor f 66.000,– aan te koopen, om dit dan op haar verzoek aan de N.S.D.A.P. (de Nederlandsche organisatie van de hier wonende Duitschers) te verhuren voor 50 gulden per maand! Dus een weinig verkapt subsidie van ± f 4500,–! Zooiets hadden de Staatsmijnen vroeger eens moeten doen bijvoorbeeld ten gunste van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij of van de Katholieke Staatspartij! Welk een gehuil zou er dan uit de Nationaal-Socialistische Beweging zijn opgestegen!

dagboekcahier 10

10/03/1941

maandag 10 maart 1941

Amsterdam, Hilversum en Zaandam zijn gestraft wegens de relletjes met ‘zoengelden’ van respectievelijk vijftien, tweeënhalf en een kwart millioen gulden, binnen zes weken op te brengen door hen, die voor een inkomen van f 10.000 in de inkomsten zijn aangeslagen! De burgemeesters van Amsterdam en Zaandam zijn ontslagen, niet de N.S.B.-burgemeester van Hilversum, ofschoon deze toch de relletjes niet heeft weten te voorkomen! In deze drie gemeenten is nu de raad afgezet, de wethouders in hun functies geschorst en een regeeringscommissaris benoemd (in Hilversum de N.S.B.-burgemeester). De burgemeester van Haarlem is ook ontslagen en door ’n N.S.B.-er vervangen. En zoo gaat het voort. ’t Blijkt nu achteraf, dat er in Amsterdam, Zaandam en Hilversum tijdens de relletjes over uitgebreide lijn twee dagen door vele arbeiders gestaakt is. Het Duitsche krijgsgerecht heeft achttien Nederlanders ter dood veroordeeld wegens sabotage, spionage, berichtgeving aan Engeland over uitvarende schepen, enz. ’t Zijn veelal nog jonge lieden, vooral uit Vlaardingen; ook employés van Wilton, men zegt zelfs een der directeuren, omdat daar twee gereedgekomen onderzeeërs gesaboteerd zijn.  Maar al die dingen hoor je maar bij geruchte. Alleen ’t feit der terdoodveroordeeling is officieel gepubliceerd. Maar door dit alles wordt de stemming onder ’t publiek er niet beter op. Terreur is het slechtste middel om Nederlanders kalm en onderworpen te houden.

            Onderwijl gaat de oorlog voort. Engeland heeft groote successen behaald in Afrika; Griekenland heeft Albanië zeker voor een vierde op de Italianen veroverd. Maar Duitschland heeft eerst Roemenië en de vorige week ook Bulgarije bezet. Nu schijnt Joego-Slavië, dat nu geheel omsingeld is, aan de beurt te komen. Naar verluidt is Rusland zeer ontstemd over de bezetting van Bulgarije en zal Turkije, wanneer Griekenland nu ook van Bulgarije uit door Duitschland zal worden aangevallen, zich ook in den oorlog begeven.

            In de Vereenigde Staten is nu, na wekenlange obstructie in den Senaat, Roosevelts wet tot hulpverleening aan Engeland met tweederde van de stemmen aangenomen. De Vereenigde Staten schijnen nu de naar Engeland varende schepen te willen gaan convoyeeren. Dit moet wel tot botsingen met Duitschland aanleiding geven. Maar dan zal Japan wel tegen de Vereenigde Staten moeten optreden, al heeft ’t daar blijkbaar weinig zin in. Frankrijk onder Pétain schijnt daarentegen steeds meer toenadering tot Duitschland te vertoonen. 

            Zoo gaan we ’t voorjaar tegemoet in de bange vrees, dat de oorlog die nu al in Europa, Azië en Afrika woedt, zich weldra tot een werkelijke wereldoorlog zal ontwikkelen. Zal dan Duitschland zijn grooten aanval op Engeland beginnen? Een feit is, dat ze hierheen steeds meer troepen zenden. Maar alle deskundigen hier zeggen, dat deze aanval op Engeland zulk een uiterst gevaarlijke onderneming is, dat ze niet kunnen gelooven, dat Duitschland dit werkelijk van plan is. Zij verwachten veeleer een oorlog tegen Griekenland en Turkije. Onderwijl gaan echter de dagelijksche bomaanvallen op Engeland voort. De toestand daar moet toch wel ellendig zijn.

            En onderwijl zitten wij hier bovendien nog in groote zorg over onzen zoon Piet. Hij heeft binnen korten tijd twee hevige pijnaanvallen in de maagstreek gehad. Zijn dokter meende: galsteen. Wim schreef ons terstond: laat hij toch een röntgenfoto laten maken; zooiets komt op zijn leeftijd vrijwel nooit bij mannen voor. En hij heeft gelijk gehad. Zaterdag werd de foto genomen en het blijkt nu, dat hij een maagzweer heeft. Hij moet nu gedurende eenige weken rust houden en mag alleen melk gebruiken. O H. Rafaël, hemelsche geneesheer: ga tot hem en genees hem! 

dagboekcahier 10

05/04/1941

zaterdag 5 april 1941

Ik heb een paar drukke weken achter den rug.Veel werk voor den Raad van State, een vergadering van het Centraal College voor Medisch Tuchtrecht, een van den Mijnraad, een van de Centrale Commissie voor Drinkwatervoorziening en een van een subcommissie, welke opdracht heeft een wetsontwerp op te stellen voor de regeling over de geheele lijn van de drinkwatervoorziening. Daarbij heb ik op [me] genomen om op korten termijn een artikel van ± 5000 woorden te schrijven voor een feestboek bij gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de R.K. Jonge Werkgeversvereeniging over Rerum Novarum en Quadragesimo Anno. Ik ben er bijna mee klaar.

            En tusschen al die drukte door vierde ik donderdag 27 maart mijn 70en verjaardag. Wegens de tijdsomstandigheden had ik gedacht – en ook wel gehoopt – dat die dag vrijwel onopgemerkt zou zijn voorbijgegaan. Op een vraag had ik geantwoord, dat ik geen officieele receptie wenschte te houden, maar dat ik ’s middags thuis zou zijn. En wat ’n dag is ’t geworden. Ongeveer tweehonderdvijftig brieven kwamen binnen, onder andere van den bisschop van Haarlem, van allerlei, ook niet-katholieke, sociale organisaties, van soms mij geheel onbekende personen, maar die mij toch wilden huldigen. Meer dan veertig groote bloemstukken kwamen binnen, waaronder bijzonder  prachtige, zoo van de leden en oud-leden van den Raad van State, van den Mijnraad, van de Centrale Commissie voor de Statistiek, van de Centrale Commissie voor de Drinkwatervoorziening, van het Centraal Medisch Tuchtcollege, van verschillende vakbonden en verder van particulieren. ’t Was werkelijk overweldigend!

            En dan het aantal bezoekers! Zelfs de 84-jarige mr. Fock, medeminister van Staat, was verschenen! Van Schaik, Van Wijnbergen, O. van Nispen tot Sevenaer, Verschuur, Deckers, enz. enz. Van vier tot zes waren de beide benedenkamers voortdurend vol. Hoeveel hartelijkheid heb ik ondervonden. Het heeft mij geroerd.

            Een verrassing was ook, dat alle dochters, behalve Joke die de vorige week pas ’n paar dagen geweest was, present waren. Helaas Piet niet. Maar hij maakt ’t gelukkig toch goed. ’s Morgens kwamen de vertegenwoordigers van de R.K. werkgevers-, arbeiders-, middenstands- en boerenorganisaties om me gezamenlijk een kastje met ruim twintig geschiedkundige boeken aan te bieden. ’t Trof me, omdat ik sinds 1900 al op samenwerking tusschen die bonden voortdurend aangedrongen heb. En, op dienzelfden 27en maart kwam er een bericht, dat een kentering in den oorlog kan betekenen. 

dagboekcahier 10

17/04/1941

donderdag 17 april 1941

Nog zelden heb ik een doodsbericht met zooveel ontroering vernomen als dat hetwelk Kolfschoten mij donderdagnamiddag namens de weduwe kwam brengen over den dood van mr. Goseling, op Tweeden Paaschdag te Weimar in het kamp Buchenwald.

            Het is werkelijk ontzettend. Nog geen 50 jaren oud in volle levenskracht, maar gebroken door zijn opsluiting in dit afschuwelijke interneeringskamp. Eenigen tijd geleden had hij om de zending van een deken gevraagd, omdat hij ’t er zoo koud had. Waarschijnlijk heeft hij hem nooit gekregen, want later schreef hij, dat die deken wel ongeschonden zou terugkomen. En nu is hij overleden aan longontsteking.

            Afschuwelijk is ’t zooals dit zijn vrouw werd meegedeeld. Dinsdagmorgen kwam er iemand van de Nederlandsche politie aan haar huis. Zij was niet thuis, daar ze de Paaschdagen in Amsterdam had doorgebracht. Ze moest dan, thuis gekomen, maar de politie opbellen, nummer 22. Ze deed het en vroeg wat er was? ‘Even kijken, o ja, daar heb ik ’t al. Is mr. Carolus Goseling uw man?  Nu, hij is dood, overleden aan longontsteking.’ Om drie uur kon ze bij de Duitsche politie nadere bijzonderheden komen vernemen.

            Ik ben er zeer van onder den indruk. Goseling en ik waren zeer bevriend, al was er wel meeningsverschil  tusschen ons en al heeft hij niet altijd naar mijn opvatting heelemaal correct tegenover mij gehandeld. Maar altijd heb ik zijn groote bekwaamheid erkend en hem steeds beschouwd als mijn opvolger. En nu dit droeve einde, 49 jaren oud, na een half jaar opsluiting in een interneeringskamp, een duidelijke wraakneming van de N.S.B.

Hij laat maar één zoon achter, die binnenkort zijn doctoraal rechten in Nijmegen zou doen om dan te gaan trouwen. Zijn vrouw – een Duitsche! – blijft dan alleen achter. Arme stakkerd.  En wat hangt ons nog meer boven ’t hoofd? Iederen dag gebeuren er dingen, verordeningen, benoemingen, enz., die je diep ergeren. ’t Ergste is ’t gevoel van volkomen rechteloosheid en onmacht.

            Joego-Slavië is nu ook onder den voet geloopen. Nu is Griekenland aan de beurt. En dan – het blijkt al – volgt Egypte. Wat zullen Turkije en Rusland doen? Wat kunnen ze doen?! De kentering, welke ik op 27 maart meende te zien komen, is een andere richting uitgegaan als ik toen dacht. Waar en wanneer zal ’t einde zijn?

            Bij al deze narigheid één zonnestraal: op Tweede Paaschdag is Piet weer hier geweest. Hij maakt het goed, al zal hij nog lang dieet moeten houden. Maar – zij ’t voor halve dagen – dinsdag mocht hij weer aan ’t werk gaan.

dagboekcahier 10

10/05/1941

zaterdag 10 mei 1941

Welk een datum: 10 mei. Vandaag is ’t een jaar geleden, dat het Duitsche leger ons land binnendrong en ons binnen vijf dagen tot capitulatie dwong. Welk een bitter jaar ligt achter ons! Welk een jaar ligt thans vóór ons? Alles wijst erop, dat de Vereenigde Staten, evenals in den oorlog van 1914-1918, ook thans weer Engeland te hulp zullen komen. Zoo zullen dan de vereenigde Angelsaksische machten staan tegenover vrijwel geheel Europa, onder de leiding van Duitschland. Maar vrij zeker zal dan ook Japan partij moeten kiezen en tegenover Amerika optreden. Voor ons Nederlandsch-Indië wordt dit een question to be or not to be. Vanmorgen deelden de kranten mee, dat dan ook Frankrijk zijn schepen met zijn vloot zal gaan beschermen. Een feit is ’t, dat Frankrijk een steeds grooter toenadering tot Duitschland vertoont. En misschien moet van Spanje, belust op Gibraltar, hetzelfde gezegd worden. En misschien zelfs van Turkije, op welks steun Engeland ongetwijfeld gehoopt had. Wat zal ’t einde zijn?

            Ik zie het zoo: Duitschland kan Engeland niet overwinnen, maar Engeland kan ook Duitschland niet verslaan. De vraag zal daarom zijn: welk volk zal ’t het eerst opgeven? De Engelschen zijn taai, maar de Duitschers zijn nog steeds aan de winnende  hand. Wel komen er telkens weer berichten over groeiende ontevredenheid in het Duitsche volk en zelfs in het Duitsche leger, ook berichten over de bitter-felle tegenstelling tusschen het staatsleger (de Wehrmacht) en het partijleger (de S.S.). Maar daar staat tegenover, dat het Duitsche volk zal begrijpen, dat een nederlaag door revolutie of muiterij thans, veel meer nog dan in 1918, zal leiden niet alleen tot verlies van al het gewonnene, maar tot algeheele vernietiging.

            En zoo gaat de oorlog door. Elken nacht word je eenige malen wakker door het overvliegen van vliegtuigen en elken volgenden dag lees je in de kranten, dat de Engelschen in Duitschland en de Duitschers in Engeland dood en verderf gezaaid hebben door het uitwerpen van hun brand- en springbommen. En onderwijl wordt de voedselpositie, ook in ons land, in snellen vaart elken dag slechter. Europa en Engeland zijn als twee belegerde vestingen. Zal tenslotte de honger tot het einde dwingen? Dan zal na het zwarte jaar dat achter ons ligt, nog een zwarter jaar volgen. God geve een spoedig einde aan dezen afschuwelijken oorlog! 

dagboekcahier 10

05/03/1946

Aanteekening 5 maart 1946[39]

Het werd te gevaarlijk om mijn dagboek voort te zetten. Elken dag konden de moffen mij weghalen en dan mijn woning doorzoeken en dan dit dagboek vinden en in beslag nemen. Ik bracht het daarom half mei 1941 naar notaris Van der Steenstraeten en deponeerde bij hem, ter bewaring in zijn safe, mijn in drie verzegelde pakketten bij elkaar gevoegde [in] tien dikke schrijfboeken vervatte dagboek. Daar zou het, hoopte ik, wel veilig liggen.

            Gelukkig dat ik dit gedaan heb. Want kort daarna kreeg ik werkelijk een huiszoeking en werden allerlei boeken en papieren in beslag en meegenomen;  zoo onder andere alle boeken en schrifturen tegen het nationaal-socialisme, verschillende mappen met krantenknipsels, het geheele dossier ‘Actie voor de Nieuwe Gemeenschap’, waarvan ik voorzitter was geweest. Jammer! Ik hoorde er niets meer van, maar kreeg ook niets ervan terug.

            Had ik mijn dagboek nog in mijn bezit gehad, het ware zeker ook meegenomen en dus voorgoed verdwenen! Wel ben ik naderhand, op losse vellen in boeken verstopt, nog weer enkele aanteekeningen gaan te boek stellen – ik zal ze nu in deel XI gaan overschrijven – maar ’t waren toch maar enkele zeer voorzichtige opteekeningen, voorzichtig, omdat er steeds gevaar bestond voor in beslagneming.

            Na 5 mei 1945 – de capitulatie der Duitschers – heb ik de stukken nog maar bij den notaris gelaten. Door de omstandigheden – het huizen in één kamer – kwam er toch niets van opteekenen. Nu ons verblijf als évacués in de woning van mgr. Groenen, hopen we, ten einde loopt, meende ik ’t moment wel gekomen om mijn dagboek weer in mijn bezit terug te brengen. Alzoo deed ik gisterenmiddag.

dagboekcahier 10

[1] Aalberse schrijft abusievelijk ‘juli’.

[2] In het manuscript staat in deze en de volgende alinea abusievelijk drie maal ‘juli’.

[3] In het manuscript staat in deze en de voorgaande alinea abusievelijk twee maal ‘22’.

[4] Dit oorspronkelijk in het dagboek liggende advies berust nu in AA, inv. nr. 1226, in concept en eigenhandig afschrift; het laatste is hieronder opgenomen.

[5] Op de voorgaande bladzijde van het dagboek is een ongedateerde krantenfoto ingeplakt, die Aalberse toont bij het verlaten van het huis van formateur Colijn.

[6] De zinsnede tussen teksthaken is in het manuscript met pen doorgehaald.

[7] De naam van deze aanstaande schoonzoon (of schoondochter?) is in het manuscript met balpen onleesbaar gemaakt.

[8] Behalve deze brief van Aalberse aan Aengenent d.d. 11 september 1934 lagen oorspronkelijk nog enkele andere brieven over deze kwestie in het dagboek (15-19 september 1934), die aan het eind van deze dagboekaantekening eveneens zijn opgenomen. Deze stukken bevinden zich nu in AA, inv. nr. 269 (correspondentie met Aengenent).

[9] Brief van Aalberse aan Aengenent. Datering oorspronkelijk (doorgestreept) ‘februari’.

[10] Hier breekt de tekst van de brief af, omdat het onderste deel is weggesneden, waardoor 7-8 regels tekst ontbreken. Hierin worden kennelijk twee mogelijke ontwikkelingen geschetst.

[11] Op deze plaats breekt opnieuw de tekst van de brief af, omdat het onderste deel is weggesneden; vermoedelijk ontbreekt echter alleen de slotformule.

[12] Opnieuw oorspronkelijk (doorgestreept) ‘februari’.

[13] In het manuscript abusievelijk: ‘voorkomen’.

[14] In het manuscript: ‘voor’.

[15] In het manuscript gevolgd door ‘wij’.

[16] De volgende tekst is weliswaar opgenomen onder 25 juli 1935, maar kennelijk later, na 15 augustus, toegevoegd.

[17] Beide stukken, afkomstig uit AA, inv. nr. 1230, zijn hierna in de tekst gevoegd. Het ‘formatiedagboek’ is een origineel typoscript met correcties van Aalberse. Het rapport aan de koningin is opgenomen in de tekst van de dagboekaantekening van 28 juli 1935. Vanaf de dagboekaantekening van 16 september 1935 vervolgt de tekst van cahier X. 

[18] In het origineel: ‘Ruigen Hoek’.

[19] Op deze plaats zijn in het typoscript circa zeven regels blanco gelaten, misschien met het oog op nog in te voegen tekst.

[20] Deze titel is met potlood toegevoegd. Het hierna afgedrukte stuk – een getypte doorslag – is eveneens afkomstig uit Archief-Aalberse, inv. nr. 1230.

[21] In het typoscript ten onrechte: ‘mijn’.

[22] Oorspronkelijk (doorgehaald): ‘stemmen’.

[23] Oorspronkelijk abusievelijk ‘juli’.

[24] Het woord ‘fractie’ is naderhand doorgestreept.

[25] Vanaf hier gaat de tekst van cahier X verder.

[26] Aalberse schrijft abusievelijk ‘Moller’.

[27] In het manuscript abusievelijk: ‘maart’.

[28] Het afschrift van dit oorspronkelijk in het dagboek liggend advies, dat hierna wordt afgedrukt, bevindt zich in AA, inv. nr. 1260.

[29] In het origineel abusievelijk: ‘vier’.

[30] In het manuscript abusievelijk ‘juni’.

[31] De volgende alinea is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[32] Men kan dit onduidelijk geschreven woord ook lezen als ‘kaustic’.

[33] Op deze plaats, beneden aan de bladzijde, volgt: ‘zie ommezijde.’

[34] Hier breekt de zin af.

[35] In het manuscript luidt de voorgaande zinsnede: ‘zich getrokken voelden tot steun aan het Nationaal (olim: Zwart) Front van Arnold Meijer aansluiten’.

[36] In potlood is hierboven geschreven: ‘Drees’.

[37] De plaatsnaam Mimizan is met pen bijgeschreven.

[38] In het origineel: ‘in’.

[39] Deze passage is de laatste tekst in cahier X van het dagboek, bijgeschreven nadat Aalberse zijn dagboek (dat elders was ondergebracht) weer had teruggekregen.