Dagboeken

 
English | Nederlands

Dagboek XI

Begin november 1944 tot 7 augustus 1946


01/11/1944

[begin november 1944]

Met het opteekenen in mijn dagboek ben ik reeds sinds begin 1942 opgehouden. Het was te gevaarlijk om deze aanteekeningen in huis te hebben met het oog op een niet onwaarschijnlijke huiszoeking door de Polizei. Ik heb de voorafgegane cahiers ergens veilig opgeborgen. Gelukkig maar, want kort daarna kwam die huiszoeking! ’t Was in de lente van 1942, we woonden nog in ons huis Johan van Oldenbarneveltlaan 82, op een dinsdagnamiddag.[1] Ik was juist op weg naar onzen wekelijkschen borrel in restaurant Mercuur (omdat De Witte door de Duitschers was ingenomen). Er kwam een Duitscher, niet in uniform, die mijn kamers wilde zien. Eerst aan de dienstbode, daarna aan mijn dochter, vroeg hij, telkens onverhoeds: ‘Is pater Jacobs hier?’ Ze hadden geen van beiden ooit van den man gehoord. Mijn dochter telefoneerde naar Mercuur, dat ik, er aangekomen, terstond naar huis moest terugkeeren; waarom had ze niet meegedeeld. Deze boodschap kreeg ik bij mijn aankomst van den ober. Ik schrok ervan, want mijn vrouw was ongesteld en dien middag zou dr. Polano bij haar komen: ze had weer een ontsteking aan haar handen. Ik haastte mij dus, per lijn 8, naar huis. Toen ik uit de tram stapte, wachtte mijn dochter mij aan de halte op. Ze vertelde me wat er gaande was. Ik ging thuisgekomen terstond naar boven en trof daar een Polizeiman aan, bezig met mijn schrijftafel te onderzoeken. Hij was allesbehalve vriendelijk, gelastte me Duitsch te spreken en stelde op norsche afblaffende toon allerlei vragen. Ik bleef gelukkig doodkalm. 

            Op zijn vraag hoe ik tegenover Duitschland stond, antwoordde ik met de wedervraag: hoe zoudt gij tegenover Nederland staan, wanneer wij, bijvoorbeeld samen met de Engelschen uw land zonder oorlogsverklaring waren binnengedrongen en het bezet hadden? Hoe of ik stond tegenover het nationaal-socialisme? Ik was altijd een tegenstander van staatssocialisme en ’t nationaal-socialisme was voor mij de ergst denkbare vorm van staatssocialisme, evenals het Russisch communisme. Hij vroeg me of ik in Duitschland kennissen had en wie? Ik zei, dat ik in Duitschland vroeger vele vrienden had gehad en noemde onder anderen Justizrath dr. Julius Bachem in Keulen, Heinrich Pesch s.j. in Berlijn. Hij had nooit van deze heeren gehoord. Maar pater Muckermann? … Nooit van gehoord! (Dit was niet waar, ik had hem indertijd bij dr. Poels ontmoet, evenals dr. Brüning). Tusschen al die gesprekken in overviel hij me met de vraag: ‘Is pater Jacobs hier?’ Neen, hij is nooit hier in huis geweest. ‘Kent gij hem?’ Slechts weinig, ik weet, dat hij een vriend van dr. Poels is en heb hem één keer in een vergadering in Zuid-Limburg ontmoet.

            Toen ging hij mijn boekenkasten inspecteeren. Daarin vond hij twee planken met boeken en brochures voor en tegen het nationaal-socialisme. Al wat contra was nam hij eruit en lag ’t op den grond, blijkbaar om ’t mee te nemen. Die boeken mocht ik niet in mijn bezit hebben. ‘Maar man, dit is toch een wetenschappelijke bibliotheek. Daarin kun je toch niet eenzijdig alleen boeken van een bepaalden richting opnemen! Maar nu laat gij Mein Kampf van Hitler, alle Duitsche geschriften van Rosenberg, Feder en de andere nazi-kopstukken, ook alle brochures van de Nationaal Socialistische Beweging, hier staan en neemt alleen de  contra-litteratuur mee. Daartegen heb ik ernstig bezwaar: degeen die dit te zien krijgt en te beoordeelen, moet wel den indruk krijgen, dat ik een heele verzameling anti nationaal-socialistische lectuur heb bijeengebracht, terwijl gij toch zelf ziet, dat ik ook alle pro litteratuur heb!’ ‘Seien Sie ganz ruhig’, zei hij, ‘Ik beschuldig u toch van niets!’

            Zoo ging het door. Hij onderzocht ook een rek met wel 90 mappen, waarin allerlei, over verschillende onderwerpen verdeeld, krantenknipsels, strooibiljetten, enz. verzameld waren. Hij pakte er vier uit, waarop ‘nationaal-socialisme’ stond en lei ze opzij. Twee vielen op den grond, ik raapte ze op en legde ze op den hoek van mijn schrijftafel. Zoo kwam het, dat, toen hij later de verzamelde boeken en geschriften (onder andere ’t volledige dossier over de actie ’Naar de Nieuwe Gemeenschap’) meenam, hij deze twee mappen vergat. Gelukkig voor mij: daarin zaten juist alle herderlijke brieven van de Duitsche bisschoppen tegen ’t nationaal-socialisme!

            Toen kwam hij weer terug bij mijn schrijftafel. Er was een lade afgesloten, die moest ik openen. ‘Och’, zei ik, ‘Laat dit maar, daar zit niets voor u in.’ Ik lachte in mijn vuistje, want ik dacht wel, dat hij ze nu zeker wou geopend hebben. Ik aarzelde nog wat: ‘Dat zijn intieme papieren, voor u van geen belang.’ Toch openen! Met een zucht draaide ik ’t slot om en toonde hem den inhoud: honderden brieven van mijn vrouw! Als ik op reis was,  vroeger jaarlijks naar de vergaderingen van het Internationaal Middenstands Instituut, in welks bestuur ik reeds in 1903 door dr. Kuyper tot permanent vertegenwoordiger van de Nederlandsche regeering was benoemd, en naar de internationale middenstandcongressen – later, na dr. Nolens’ dood naar Genève, waar ik elk jaar, soms twee maal ’s jaars, heenging als eerste regeeringsgedelegeerde op de Internationale Arbeidsconferenties – schreven wij elkaar elken dag. Al die brieven en briefkaarten van haar lagen daar trouw opbewaard. Hij werd er blijkbaar door geroerd en zei: maak maar gauw toe. Ook trok hij nog de lade open, waarin tot voor kort de dikke cahiers van mijn dagboek hadden gelegen, gelukkig nu elders veilig opgeborgen! Het liep over meer dan 50 jaren en was dus voor mij een kostbaar bezit, dat nu gelukkig voor confiscatie behoed was!

            Hij vroeg of ik nog meer boeken had. ‘Beste man, in elke kast, waarin nog een plank over is, liggen boeken.’ Dat moest hij alles ook zien. Zoo kwamen we in een kast, een kleerenkast, waarin bovenin een plank was, natuurlijk met boeken! zelfs twee rijen achter elkaar. De achterste rij bestond uitsluitend uit litteratuur uit den vorigen wereldoorlog 1914-1918. Ik ontving van de gezanten alle propagandabrochures die uitkwamen, waaronder heel wat felle anti-Duitsche brochures met fotomateriaal, onder andere over den inval in België. Daarvóór stond een rij Fransche romans, vooral van P. Bourget. Ik zei achteloos: zooals u ziet, allemaal romans! 

‘Hebt u daar ook al tijd voor om romans te lezen?’

‘Och’, zei ik, ‘ik heb acht kinderen gehad en nu al 21 kleinkinderen, die willen ook wel iets te lezen hebben!’

Dat trof hem blijkbaar en hij hield met zijn onderzoek op. Hij liet een auto komen en daarin werd al ’t opgezamelde ingeladen en weggevoerd.

            Ik heb nooit meer iets van hem gehoord, noch van de Polizei. Maar die boeken en papieren ben ik kwijt! Dit speet me vooral van het volledig dossier van de actie ‘Naar de Nieuwe Gemeenschap’, veel brieven en rapporten.

            Uit dit geval leerde ik echter, dat ’t goed was geweest, dat ik mijn dagboeken tijdig had weggewerkt en dat ik voorloopig maar geen aanteekeningen moest maken. Toch is dit wel jammer, want hoeveel is er niet op te teekenen geweest.

            Maar nu de oorlog – althans in ons land – ten einde spoedt, wil ik toch over deze laatste weken – of zijn ’t misschien nog eenige maanden? – weer wat gaan opteekenen, al zal ik de papieren door ze in boeken te leggen tamelijk veilig opbergen.

            We beleven zulke wonderlijke, soms komische, maar vooral tragische en ernstige dingen, dat het voor naderhand toch wel interessant is een en ander op ’t papier vast te leggen. Al zal ik echter ook daarbij wel de uiterste voorzichtigheid in acht moeten nemen.

Je kunt nooit weten!

dagboekcahier 11

15/11/1944

[dinsdag]15 november 1944

Daar zitten we nu, al sinds begin juni, op een flat, Laan van Meerdervoort nummer 141B, twee hoog.

            Eind december – den 29en – 1942 hebben wij ons huis, Johan van Oldenbarneveltlaan 82, moeten verlaten, we moesten evacueeren. Waarom gebruikt men thans voor al die nare dingen Fransche woorden?

Onze oude vriend Piet Groenen – thans mgr. prof. P.G. Groenen, directeur van het R.K. Centraal Koloniaal Bureau – had ons uitgenoodigd bij hem te komen inwonen, daar hij in zijn groote huis toch zeker inkwartiering zou krijgen; hij had ons liever dan vreemden. Zoo verhuisden wij naar hem. We kregen daar vier kamers: zijn eetkamer in het sousterrain, dat nu voor ons tevens woonkamer werd, verder twee slaapkamers en voor mij een klein kantoortje, de wachtkamer van ’t Koloniaal Bureau, dat nu mijn werkkamer werd. Wat een verschil: ons mooie, ruime, zonnige huis, waarin [ik] twee groote ineenloopende werkkamers had en omringd was van al mijn boeken, in vijftig jaren bijeengegaard! Voor de opberging van onze meubelen, serviezen, glaswerk, gordijnen, enz. had ik te Leiden in de Ceciliastraat een leegstaande garage kunnen huren. Het grootste deel van mijn boeken vond onderdak in de bomvrije kelders van den Raad van State, een ander deel plus mijn archief en dat van dr. Nolens werd geborgen in het  gebouw van den Mijnraad, waarvan ik voorzitter ben.  Nog een ander deel, vooral de ‘mooie’ boeken, nam mijn zoon Piet in zijn kantoor, terwijl ik hetgeen ik voor mijn werk – vooral voor den Raad van State – noodig heb, mee nam naar mijn kamertje in de Laan Copes. Enkele antieke meubelen, welke ik indertijd van den schilder Piet van der Hem gekocht had, benevens het oud porcelein, dat van mijn grootouders afkomstig is, mocht ik opbergen bij mijn vriend mr. dr. Deckers in de Juliana van Stolberglaan, een waarschijnlijk zeer veilige buurt.

            ’t Was een droevig afscheid van mijn boekerij en van ons huis, waarin we juist 25 jaren gelukkig waren geweest en waar ik hard gewerkt had: eerst mijn zeven zware maar succesvolle ministerjaren; daarna mijn werk eerst in de Tweede Kamer, waarin ik als secretaris van de katholieke kamerfractie de rechterhand van dr. Nolens werd, tot ik hem na zijn dood als voorzitter van die fractie opvolgde en daarna, na Ruijs’ dood voorzitter van de Tweede Kamer werd, totdat ik in 1937 werd weggepromoveerd door mijn benoeming tot lid van den Raad van State. Veel werk had ik ook verricht eerst als hoofdredacteur van het dagblad Het Centrum en nog gedurende vier jaren van het Katholiek Sociaal Weekblad en daarna als vast medewerker van De Maasbode, waar ik samen met dr. Witlox de politieke leiding had, al had hij als hoofdredacteur natuurlijk ’t laatste woord. Maar we waren ’t bijna steeds eens.

            Al dit werk kwam door den oorlog tot stilstand. Mij bleef alleen over de afdeeling Geschillen,   die tot den dag van vandaag is blijven doorwerken, zonder eenige moeite of last van de Duitschers te ondervinden, terwijl de Raad van State zelf terstond na Seyss-Inquarts komst ter ruste werd gelegd. De leden die geen lid van de afdeeling Geschillen van Bestuur waren, werden gedwongen hun ontslag te vragen, hetgeen ze zoo dom waren om ook te doen. Gelukkig was ik juist één maand vóór de Duitsche bezetting door de koningin in de afdeeling Geschillen van Bestuur benoemd!

            Zoo woonden wij in gemeenschappelijk huishouden bij onze vriend prof. Groenen in. Alles ging goed. Alleen voor mijn vrouw was ’t soms wel moeilijk. Als gast had zij over ’t huishouden niets te zeggen en zij wilde er zich ook niet mee bemoeien. Maar als vrouw zag ze, wat Piet nooit gezien had, dat zijn huishoudster niets uitvoerde, al ’t werk aan de – Duitsche! – dienstbode overliet, die dat in ’t groote huis alleen niet afkon. ’t Was er soms ergerlijk vuil. Veel eten werd er ook door onkunde verknoeid en dat in dezen bangen tijd van gebrek aan alles! Dit werd voor haar een stijgende ergernis.

            Met vreugde ontvingen wij daarom het aanbod om met juni voor twee of drie maanden een flat te komen bewonen van een jongen chirurg, die door de Duitschers geprest was om in Wassenaar in ’t lazaret op te treden en daar met zijn vrouw ook moest wonen. Ze waren bang voor hun mooien inboedel – diefstallen zijn aan de orde van  den dag. Wij zouden dan maandelijks de huur betalen, even 70 gulden. Prachtig! We zeiden Piet Groenen, dat we graag twee maanden vacantie zouden nemen. Hij vond dat, gewoon geworden aan ons gezelschap, erg naar, maar begreep het. Hij zou ’s zondags bij ons komen kaarten.

            Zoo trokken we in juni naar de Laan van Meerdervoort. Prachtige groote kamers met ruim uitzicht. We leefden op. Ik heb hier ook de mooie werkkamer van den dokter. Beneden ons woont een tandarts met zijn vrouw, die voor ons zeer welwillend waren.

            Maar de twee maanden werden steeds verlengd. We zitten er nu nog! En gelukkig. Bij Groenen zou de toestand geheel onhoudbaar zijn geworden. Door den kolennood kan er maar één kamer door ’n potkachel, waarop ook ’t eten moet gekookt worden, verwarmd worden. Dus moeten nu Piet en zijn secretaresse, de huishoudster en de Duitsche dienstbode daarin samen zitten. Daar hadden wij met ons drieën niet bij gekund!

            Maar ook hier hebben we kolennood. Ook wij kunnen maar één kamer matig verwarmen en slechts gedurende een deel van den dag. Ik moet dus nu mijn werk in de koude tuinkamer doen: ’s morgens met doode vingers. Om elf uur gaat de kachel pas aan, om ’t eten te kooken. Na drie of vier uur moeten wij haar weer laten uitgaan. Gas is er niet meer. Electriciteit alleen ’s avonds van zes tot negen. Tot zes uur zitten we bij een kaars en om negen uur  gaan we maar naar bed, verkleumd.

            Ook de voedselvoorziening gaat op ’n holletje achteruit. De rantsoenen worden steeds kleiner. Bijkoopen gaat moeilijk en wordt elken dag duurder. Voor een mud aardappelen wordt al 175 à 200 gulden gevraagd, voor een pond boter f 80,– en zoo voort. Op de bonnen zijn de kleine rantsoenen vaak niet te krijgen. Boter helemaal niet, margarine een schijntje. Vroeger kregen we nogal bonnen van onze dochter Rie in Zevenaar, wier man als dokter nogal eens iets van de boeren krijgt. Sinds ruim een maand is er echter al geen verbinding met Zevenaar meer. Soms komt er nog een brief door. Uit Breda ook niet meer. Zoo hebben we in een paar weken al niets meer uit Breda, Zevenaar en Deventer gehoord. Hoe maken ’t de kinderen en de kleinkinderen? Zorg en angst stijgen. Vooral over Zevenaar maken we ons zeer bezorgd.

            De Duitschers zitten nog in het grootendeels verwoeste en leeggeplunderde Arnhem, de Geallieerden in Nijmegen. Of is Zevenaar al, gelijk Arnhem, ontruimd? Waar zijn ze dan? De bevolking van Venlo en Roermond werd via Duitschland naar Winterswijk gevoerd. De ellende voor al deze geëvacueerden schijnt vreeselijk te zijn.

            Het zuiden van Limburg, Zeeland en het grootste deel van Noord-Brabant zijn al door de Geallieerden bezet. Beneden de Maas zijn er bijna geen Duitschers meer. Wat nu? 

Trekken de Geallieerden nu naar het noorden – ze staan voor de opgeblazen Moerdijkbrug – en komen dus Dordrecht en Rotterdam aan de beurt der bevrijding?

            Je weet niet wat je moet verlangen. Komen ze hierheen, dan zal hier gelijk elders alles verwoest worden. Misschien moeten wij dan ook Den Haag verlaten, maar waarheen te vluchten? Men zegt: naar Gouda.

            Gaan de Geallieerden echter naar Arnhem, dan kunnen ze vandaar òf naar ’t noorden trekken òf via Utrecht of via Zutphen en Deventer (IJssellinie!) gaan en zoo de Zuiderzee bereiken. Dan zouden de Duitschers in Noord- en Zuid-Holland afgesloten zitten. Dit laatste beteekent dan hier volkomen hongersnood! En we gaan nu al met een hongerige maag naar ons koude bed!

            Zoo pieker je dag en nacht en je weet eigenlijk zelf niet wat je moet hopen. Wachten we maar af, wat de goede God over ons beschikt.

dagboekcahier 11

25/11/1944

zaterdag 25 november 1944

Een angstige week hebben we achter den rug.

’t Begon zoo mooi: zondag 19 november, St. Elisabeth, de patroonheilige van moeder de vrouw en ook van onze dochter Lies, de eenige ons overgeblevene van onze kinderen en die ons zoo trouw verzorgt. Ter eere van ’t patroonfeest mocht Ad Quaedvliegh komen eten. Sinds ruim een maand is hij, zij ’t nog niet officieel, met Lies verloofd. Wij verheugen er ons over, voor haar; maar voor ons, die als zij trouwt alleen overblijven, is die vreugde niet onvermengd. Maar ’t is een goede, hartelijke jongen, doctorandus in de economie (Tilburg), ambtenaar bij ’t departement van Economische Zaken, een werkelijk  knappe jongen en bovendien goed katholiek. Wat mag je meer verlangen? Toch bracht juist hij ons deze week de onrust!

            Maandagavond even over achten – na acht uur mogen we niet meer op straat – kwam hij buiten adem met een koffer naar boven. Hij had een tip gekregen, dat den volgenden dag de groote razzia in Den Haag op de 17- tot 40-jarigen zou beginnen. Ze worden in strijd met ’t volkenrecht gedwongen voor de Duitschers graafwerk (tankwallen) te verrichten. Hij kon dicht bij ons een schuilplaats vinden. We zaten bij een kaars, want juist dien dag had ook de electriciteitsvoorziening opgehouden en we stonden op ’t punt maar naar bed te gaan. Wat nu te doen? Hij durfde in den besloten tijd niet verder te gaan. Hij wilde dus tot vier uur ’s nachts bij ons blijven – dan is de straat weer vrij – om zich dan in ’t donker naar zijn schuilplaats te begeven. De groote kanapé werd voor hem tot bed ingericht. Van slapen kwam niet veel! Want na één uur begon de Wehrmacht al te marcheeren. Alle straten werden afgezet. Er was geen ontkomen meer. Voor ons huis stonden twee soldaten met geladen geweren geposteerd. Wat te doen? We stonden maar op en raadpleegden met onze benedenburen, een tandarts. We hebben grooten steun aan hen gehad. Eerst dachten we erover voor hem een schuilplaats op zolder te maken. Maar dit leek, daar men de huizen zou komen doorzoeken, niet veilig. Daarom werd de kelder, waarvan de ingang vlakbij de voordeur onder den trap, als de deur geopend werd,  weinig opviel, nog veiliger geacht. Al delibereerende werd er om half zeven hard gebeld! Daar begonnen ze al! Terwijl ze op de voordeur stonden te bonzen, ging hij in ’t pikkedonker den kelder in. Toen openden we de voordeur. ’t Bleek nog geen huiszoeking te zijn. Er werd een ‘bevel’ overhandigd, dat alle 17- tot 40-jarige mannen, met één deken en één dag voedsel, voor de deur moesten komen staan. In angstige spanning wachtten we af of ze terug zouden komen voor de huiszoeking. Het werd middag toen ze er aan den overkant mee begonnen. We bleven wachten. Wat ’n ellendige dag vol angstige spanning! En – ze kwamen niet! Om zeven uur rukte de Wehrmacht in. Was ’t nu afgeloopen? Neen, om acht uur werd tegenover ons, in een huis waar de vrouw pas twee dagen tevoren bevallen was en de man onder de vloer van de w.c. gedurende 30 uren verborgen heeft gezeten, voor de tweede keer huiszoeking gehouden. ’t Gevaar bleef dus. Ad had al dien tijd in den kelder gezeten. Toen vond hij een onderkomen in een andere grootere kelder. Weer een onrustige dag! Daar bleef hij tot gisterenavond. Toen is hij, hoewel ’t nog gevaarlijk was, in ’t donker naar zijn huis gegaan.

            Onderwijl zaten we ook in angst voor onzen zoon Piet, die in Wassenaar woont. Was daar de razzia ook gehouden? De een zei ja, de ander neen. We weten ’t nog niet. De telefoons zijn afgenomen, trams rijden er sinds een week ook al niet meer. Wat ’n toestanden!

            Gelukkig kregen we eergisteren – eindelijk! – een brief van Rie in Zevenaar. Hij had er veertien dagen over gedaan. Gelukkig was daar alles toen nog goed. Maar hoe is ’t er  thans? Maandag liep er een gerucht, dat er een groot offensief bij Arnhem was begonnen. Woensdag werd dit weer tegengesproken. Maar gisteren werd weer beweerd, dat Arnhem bevrijd was en dus door de Geallieerden bezet. Als dit waar is, zal Zevenaar wel in gevaar zijn gekomen, tenzij ze naar ’t noorden trekken, wat ik hoop en ook wel verwacht. Dan worden immers de Duitsche troepen die in ’t westen zitten afgesloten. Maar dat beteekent dan voor ons hongersnood!

            Ook van Joke in Deventer was er een brief, door den koerier van Finantiën meegebracht. Hij was echter ook al tien dagen oud. Gelukkig maken zij en haar man en twee kinderen ’t goed. Hun huis in Deventer hebben ze echter verlaten, omdat de spoorbrug telkens gebombardeerd werd, waarbij vele dooden vielen. Ze kregen onderdak in Olst bij een vriend. Daar zitten ze nu ’s middags met twintig man aan tafel! Allemaal évacués! Van An in Breda nog niets gehoord. Zij zal, nu Breda bevrijd is, wel weer in haar huis zijn teruggekeerd. Maar we hooren niets van hen.

            En dan de zorgen voor de voedselvoorziening! Aardappelen nog maar één kilogram per hoofd per week. Geen vleesch meer, geen melk, zelfs geen taptemelk. De Duitschers roven alles weg voor de Wehrmacht en de Polizei c.s. We gaan ’s avonds met honger naar bed en worden steeds maar magerder. Hoe lang zal het nog duren!

            De berichten van het westelijk front, vooral in ’t zuiden, zijn gunstig. 

dagboekcahier 11

30/11/1944

[donderdag] 30 november 1944

Zoo is dan de maand november voorbijgegaan, zonder dat hij den algemeen verwachten wapenstilstand heeft gebracht. Wel niemand dacht, dat we nu nóg eens een oorlogswinter zouden moeten doormaken. ’t Werd bijna onmogelijk geacht: geen steenkolen, geen voldoende voedselvoorziening, enz. Dus: kou en honger. En nu zitten we daar al middenin! ’s Morgens, hoe koud ’t ook is, durven we toch de kachel nog niet aanmaken. We willen met één kit per dag toekomen om onzen kleinen voorraad zoo lang mogelijk te strekken. Zullen we er dan Kerstmis mee halen? Konden we maar wat hout koopen! ’t Is wel bar duur, maar alsmaar in de kou zitten is bijna nog erger dan honger te hebben. Dagelijks ziet men de menschen – deftige zoo goed als gewone – sjouwen met takkenbossen, in de Boschjes gesprokkeld; dat wil zeggen men hakt gewoon de boomen om. Ook in de straten ziet men iederen morgen, dat er ’s nachts weer een boom weggezaagd is. De meeste menschen zitten al in de kou en moeten nu op deze wijze aan een beetje warmte (ook om te koken) zien te komen. Gas en electriciteit zijn er niet meer. Dus ook in deze donkere dagen geen licht. We hebben nog maar een paar kaarsen en moeten dus ook daarmee zuinig zijn. We zitten ’s avonds zoo lang mogelijk in ’t donker. We hadden in deze dagen op de volle maan gehoopt, maar helaas, elken avond een dik betrokken lucht. Behalve gisterenavond, maar toen kwam de maan  al weer later op, zoodat we er nog niet veel aan hadden. Dus maar weer om acht uur naar bed, daar is ’t in elk geval ook warmer dan in de koude kamer.

            En met de voedselvoorziening gaat ’t op een holletje achteruit. De toekomst ziet er wel heel somber uit! Boter is er sinds lang al niet meer. Maar thans is ook margarine bijna niet meer te krijgen. Aardappelen één kilogram per hoofd per week, vleesch nihil en steeds minder brood. Groente bijna niet te krijgen, zoo nu en dan een kooltje en ’n zeer enkele maal nog wortelen. Zoo oefenen we ons dagelijks om op ’t hongersnoodminimum nog het leven te houden. Zoolang we nog in de hoop leefden, dat einde november Nederland wel van den moffenplaag bevrijd zou zijn, was dit alles nog wel te dragen. Hoop doet leven! Maar nu ’t dagelijks duidelijker wordt, dat de oorlog dezen winter nog wel voort zal duren, zijn kou en honger steeds moeilijker te dragen. Hoe lang nog, o Heer! hoe lang nog?

            Bij dit alles komt dan nog het enerveerende van het vlakbij, ja zelfs in Den Haag, afschieten van de V 1 en V 2 projectielen: lange vlammende raketten, die in ontzaglijke vaart (van 300 tot 1600 kilometer per uur!) over ons hoofd schieten en een donderend geraas maken: precies ’t geluid van een sneltrein in een tunnel. Vannacht tot driemaal toe. Telkens schrik je wakker, met ’t gevolg, dat je door de schrik voorloopig niet meer in slaap kan komen. Maar bij dat benauwend donderend geluid komt dan nog de angst voor explosie. Het is al enkele malen gebeurd, dat een projectiel  kort na het afschieten òfwel in de lucht explodeert ofwel naar beneden valt en daar dan met een daverende slag uit elkaar springt. De gevolgen zijn ontzettend. Eenige huizen totaal verwoest en daarbij heele straten waarin de meeste ruiten zijn ingedrukt. Onlangs toen er een bij de Kerkhoflaan explodeerde, waren de meeste winkelruiten in de Laan van Meerdervoort aan gruzelementen. ’t Is een droevig gezicht, al die dichtgespijkerde vitrines en woonhuisvensters.

            Als daar dan een week bijkomt als de vorige, dat hier de razzia op de mannelijke personen van 17 tot 40 jaar gehouden wordt, waardoor je vol grimmige ergernis en verontwaardiging wegens dit volkenrechtelijk onrecht én ook vol angst voor je kinderen zijt, dan wordt ’t je wel eens te machtig en dreigt je de moed om vol te houden te ontzinken.

            En toch willen we volhouden, wat er ook kome en als ’t God belieft, den vrede beleven. En niettegenstaande alles blijft de hoop op de eindoverwinning levendig. In 1948 hopen we in vredestijd onzen gouden bruiloft te vieren, omringd door al onze kinderen en kleinkinderen, evenals in 1938 onze 40-jarigen bruiloft.

            Maar hoe zal de toestand zijn als Nederland weer bevrijd is? Ik heb er een zwaar hoofd in. Ik vrees, dat jong en oud dan fel tegenover elkander zullen komen te staan. De jongeren meenen nu het beter te weten, zij zullen het politieke aanschijn der aarde veranderen. Maar als je hun vage plannen leest of hoort – ik praat nogal eens met hen – dan hou je je hart vast over  zóóveel naïeve nonsens. Maar wie oud is en door ervaring wat wijzer werd, heeft thans afgedaan. Van Colijn, die in ballingschap stierf, werd koud gezegd: ‘Dit was maar ’t beste wat hij in deze omstandigheden kon doen.’ Nu meen ik ook wel, dat na den oorlog een jongere generatie aan ’t woord zal moeten komen. Maar ze zullen toch moeten erkennen, dat ze maar weinig ervaring opdeden en allerlei voorstellingen over ’t verleden hebben, die toch werkelijk kant noch wal raken. Ze zullen dus wijs doen met zich de raadgevingen der ouderen te verwerven en daarmee eenigermate rekening te houden en hun voordeel te doen. Zooals ’t thans er in België toegaat, moge ’t hier niet zijn. Maar ook daar is de ondergrond van de groote verdeeldheid, dat de jongelui die tijdens den oorlog den gevaarlijken ondergrondschen arbeid hebben verricht, er nu ook aanspraak op maken het heft in handen te hebben. ’t Is volkomen begrijpelijk, dat zich bij hen zulk een mentaliteit vertoont, temeer, omdat de meesten op staatkundig gebied volkomen onkundig zijn en van de staatkundige geschiedenis en ontwikkeling niets hoegenaamd afweten.

            In ons land zal er dan nog bijkomen, dat naar ik vrees de tegenstelling tusschen protestanten en katholieken na eenigen tijd grooter zal zijn dan vóór den oorlog. Van het herlevend antipapisme verlos ons, Heer! Thans meenen echter vooral onder de jongeren velen, dat dit juist andersom zal zijn. Ik meen: in ’t begin, ja, maar later, als de meeningen weer gaan botsen, dan vrees ik gelijk te zullen krijgen. Mogen daarom de katholieken vereenigd blijven! 

dagboekcahier 11

04/12/1944

maandag 4 december 1944

Gisteren werd er in onze kerken een herderlijk schrijven voorgelezen van den aartsbisschop van Utrecht en den bisschop van Haarlem. Het teekent wel den toestand: de drie zuidelijke bisdommen zijn vrijwel geheel bevrijd en zelfs al ’t Zeeland-deel van het bisdom Haarlem. De zuidelijke bisschoppen, aan de andere zijde der vuurlinie, zijn niet meer te bereiken. Beneden de Maas is ons land nu bevrijd, behalve een klein stukje bij Venlo, waar nog verwoed gevochten wordt. Limburg is ook tot Roermond bevrijd. Onze mijnen werken dus weer voor ons, behalve dan, dat ons boven den Moerdijk de kolen helaas niet kunnen bereiken. Hier wordt alles, zelfs de weinige nog voorradige levensmiddelen door de moffen weggevoerd en zelfs de aardappelen, naar men zegt om er alcohol van te stoken voor de helsche projectielen van de V 1 en V 2, tusschen welke wij echter niet veel onderscheid kunnen bespeuren. Vannacht zijn er weer twee mislukt. De eerste om twee uur precies kwam van dichtbij uit de Scheveningsche Boschjes. Met daverend sneltreingeluid schoot hij over ons huis. We hoorden al, dat de ontploffingen der raketten onregelmatig gingen en even later hield het lawaai op, zeer kort waarna een zware ontploffing gehoord werd. Twee uur later ontplofte er weer een, blijkbaar al bij ’t afschieten. Dit is al meer gebeurd. De gevolgen schijnen dan voor de Duitschers ontzettend te zijn. Men zag er velen met verbonden hoofden naar de blindenkliniek voeren. Het doel schijnt te zijn: Luik,  Antwerpen en vooral Londen.

            Wat den brief der twee bisschoppen betreft, deze was gelukkig gesteld en mooi van inhoud. Er werd nogmaals in geprotesteerd tegen het wegvoeren der mannelijke bevolking om ze te dwingen voor den vijand te werken in strijd met de eerste beginselen van het volkenrecht. Vervolgens werd erin gewezen op den dreigenden hongersnood en alle andere oorlogsellende voor de bevolking om tenslotte de vraag waar zoovelen zich over aftobben, te behandelen: waarom laat God dit kwaad en al dit leed toe?

            Vervolgens werd er een brief van den deken voorgelezen, waarin meegedeeld werd, dat deze week een bidweek zou zijn: elken morgen de litanie van Allerheiligen en ’s avonds het rozenhoedje, terwijl zondag a.s. een algemeene communiedag zal zijn. Vanmorgen om half acht – ’t was noodweer en nog stikdonker – was de groote jezuïetenkerk in de Elandstraat stampvol. Een man zat met een waxinelichtje in zijn hand in zijn kerkboek te bidden. Kwart over acht was de kindermis, waarin een korte toespraak. Moge Onze Lieve Heer nu eindelijk deze smeekbeden verhooren! De angst en de nood worden bij den dag grooter. De vorige week waren er vrijwel geen aardappelen meer te krijgen en als eenige groente witte kool. Vleesch is ook bijna niet meer te krijgen. In een winkel, waarin nog aardappelen waren en er daarom een queue van wel 50 menschen stonden, kwam een mof binnen, die den verkoop stopzette en even later werden de aardappelen weggevoerd. De stemming bij de bevolking wordt steeds bitterder. Door kolengebrek zit men in de kou en met een leege maag. ’t Broodrantsoen  is al weer verminderd. ’t Is nu nog maar één kilogram per hoofd per week. Dat is nog geen drie sneetjes per dag! Boter zelfs margarine is er niet meer. Vele winkels van kruidenierswaren en bakkerswagens zijn al geplunderd. Er wordt nu werkelijk honger geleden, evengoed door de meer gegoeden, wier voorraadjes bonen en erwten opraken, als door de armen. In de kerken verzoeken de pastoors, dat ieder een arm kind aan tafel zou nemen. Een mooie gedachte, maar de meeste menschen komen zelf tekort. Onze Lou met haar zes kinderen komt al veel tekort. We zouden haar zoo graag willen helpen, maar we zijn nu zelf blij als iemand ons eens een paar pond aardappelen of wortelen of bieten bezorgt. Moeder Lies heeft nu een noodbrief geschreven aan haar heerneef Maat, deken van Poeldijk om ons ’t adres van ’n goeien boer te geven die in ruil voor ’t mooie Amerikaansche horloge van mgr. Nolens ons wat aardappelen, wortelen, boter of kaas zou willen geven. Want geld nemen de boeren niet meer aan, ze hebben er al teveel van en ze vreezen terecht, dat al deze woekerwinsten na den oorlog opgeëischt zullen worden door den fiscus. Men moet hun nu goederen aanbieden om nog iets van hen los te krijgen. ’t Is toch een troostelooze wereld! De dekens en pastoors van ’s-Gravenhage hebben zich nu ook tot de pastoors ‘van den lande’ gericht om hun te vragen de boeren aan te sporen levensmiddelen naar de stad te sturen, omdat de menschen daar nu werkelijk honger lijden. Hoelang nog, o Heer, hoe lang?

            De Geallieerden behalen elken dag wel voordeelen,  maar de tegenweer van de Duitschers tegen hun offensief blijft nog steeds krachtig, vooral tusschen Nijmegen en Aken. In ’t zuiden van den Elzas schijnt ’t den Franschen fortuinlijker te gaan. Maar ook daar wordt de tegenstand weer sterker. Men zegt, dat Hitler nu Nederland wil ontruimen om meer troepen voor Duitschland in reserve te hebben. Moge ’t waar zijn, dan zijn wij hier althans de ons uitplunderende moffen kwijt! en kunnen we uit Engeland levensmiddelen bekomen.

            Moge de bidweek het einde verhaasten!

dagboekcahier 11

05/01/1945

vrijdag 5 januari 1945

Vandaag is onze oudste dochter An in Breda jarig. Sinds half october hebben we al niets meer van haar gehoord. Zij leven daar nu in bevrijd gebied. Naar we uit Rotterdam vernamen, zouden ze kort voor de bevrijding van Breda hun woning binnen twee uur hebben moeten verlaten en bij een overbuurman onderdak hebben gevonden. Thans zullen ze nu wel weer in hun huis teruggekeerd zijn en we hopen nu maar, dat zij ’t daar nu beter zullen hebben dan wij hier.

            ’t Waren wèl treurige Kerstdagen en Oude- en Nieuwjaarsdag. Een week tevoren waren de Duitschers tegen de Luxemburgsch-Belgische grens een nieuw krachtig offensief begonnen. Ze drongen 60 kilometer vooruit en bereikten bijna Luik, Namen en Dinant. Over de geheele lijn werden ze hier gestuit en geleidelijk weer teruggedrongen. Thans hebben de Geallieerden weer ongeveer een derde terugveroverd. Maar zoo was tegen de Kerstdagen de hoopvolle  stemming bij ons weer gedaald; de hoop nu weldra eindelijk na bijna vijf lange jaren weer bevrijd te worden, was weer naar verder verschiet teruggedrongen.

            Daarbij kwam de noodtoestand waarin we leefden. Geen gas meer, geen electriciteit, zelfs bijna geen anthraciet meer, de voedselvoorziening elken dag kariger. ’t Aardappelenrantsoen – ons voornaamste levensmiddel – is nu nog maar één kilogram per hoofd per week. ’t Broodrantsoen werd al tot 500 gram per week teruggebracht. Groente was al reeds wekenlang niet meer te krijgen. Trouwens op onze bonnen kregen we ook geen aardappelen en geen vleesch. Zoo stonden we er voor. Elken avond gingen we met honger naar bed.

            Maar daar kwam nu vrijdag voor Kerstmis een man aanbellen, terecht Engels genaamd. Hij kwam een groot pakket brengen uit Zevenaar van Rie en Wim. Wat een heerlijkheden kwamen daar uit! Een prachtig stuk varkensvleesch, drie hardgekookte eieren, veel peulvruchten, melkpoeder, enz. enz. Ja zelfs, uitbundige weelde: voor mij een zak heerlijke vóóroorlogsche tabak! Allemaal dingen die we al in maanden niet meer hadden genoten, behalve dan de peulvruchten; maar ons kleine voorraadje ervan was toch ook al sinds enkele weken op. Moeder en ik dansten met tranen in de oogen om de tafel waarop nu al deze heerlijkheden lagen. Dinsdag konden we ’t koffertje waarin alles gezeten had, weer met Engels teruggeven, die dan weer naar Zevenaar ging. ’t Was voor ons een ware uitkomst! Met lange dankende brieven en mooie prentenboeken voor de kinderen ging ’t koffer terug.

En voor Nieuwjaar kwam daar zoowaar nog een pakket met etenswaren van Nell uit Amstelveen. Ook daarin weer peulvruchten. Piet uit Wassenaar kwam ook nog met een zak peulvruchten en twee heerlijke schapenkarbonades. Door ruiling tegen lijfsgoederen kregen we ook nog enkele broodbonnen. Zoo waren we met de feestdagen den koning te rijk en behoefden we niet met een hongerigen maag in bed te liggen geeuwen.

Ja, die lange nachten, dat is wel ’t ergste van al. Om anthraciet en kaarsen te sparen gaan we al om acht uur naar bed om pas weer om acht uur, als ’t licht wordt, weer op te staan. ’s Nachts word je herhaaldelijk wakker geschrikt door ’t dichtbij ons afschieten van de V’s, die dan met een vaart van 600 kilometer per uur boven onze hoofden donderen. Telkens weer ontploft er een met een ontzaglijken knal, zoodat nu al groote gedeelten van ’s-Gravenhage zonder ruiten zitten. En dat bij deze kou met weinig stookmateriaal! En dan ’s morgens in een koude kamer zitten met dooie vingers en ijsvoeten, temperatuur hoogstens 43 à 45 graden. Eerst tegen half elf gaat de potkachel aan om er ’t eten op te koken. En tegen half acht is de kachel dan langzaam uitgegaan. Met de vorstdagen rondom Kerstmis konden we nooit boven de 50o komen.

En zoo leven we voort, al maar wachtende op uitkomst en het einde van al deze ellende, die nog aanzienlijk verergerd wordt door de angstige spanning waarin we verkeeren, voor Piet en de schoonzoons en de schoonzoon in spe, die nog geen 40 jaar zijn. Aan de razzia’s zijn  ze allen, Gode zij dank, ontkomen. Maar nu kwam er gisteren weer een nieuwe oproep: alle 17- tot 40-jarigen moeten zich tusschen 5 en 8 januari melden. Ze worden dan naar graafwerken hier en dan naar Duitschland gezonden. Je reinste slaven, volop in strijd met ’t volkenrecht. Hoe zal dit nu afloopen? Zoo zitten we weer in angst en zorgen voor onze kinderen.

Daar komt Engels weer binnen! Hij is ’n ware engel! Weer bracht hij een groot pak van Rie, waarin onder andere een roggebrood van acht pond! De arme kerel had op de heenreis naar Zevenaar bij Bodegraven een auto-ongeval gehad: één was er dood, één zwaar gewond, hijzelf was er tijdig uitgesprongen en zijn arm was daardoor ontwricht. Hij liep nu met zijn arm in een doek, maar kwam toch ’t zware pak zelf brengen. Een aardige, hartelijke brief weer van Rie. Gelukkig maken ze ’t in Zevenaar allen goed. Ze wil nog trachten door een ander een pak mee te laten nemen. Ze begreep er niets van, dat we in begin december niet een groot pakket hadden ontvangen; ze had ’t meegegeven aan prof. De Langen te Utrecht, die voor het Roode Kruis in Zevenaar was. Hij beloofde ’t ons zelf te gaan brengen. En we hebben niets gekregen! Helaas, er zaten zulke heerlijkheden in dat pak, onder andere een groot stuk spek! En wij leden honger.

Enfin, thans hebben we weer een heerlijk voorraadje en we kunnen nu weer zonder honger de toekomst afwachten, want dit gelooven we onwrikbaar: de Duitschers zullen verslagen worden en Nederland wordt weer een vrij land!

dagboekcahier 11

15/02/1945

donderdag 15 februari 1945

’t Gaat met mijn dagboek weer als vroeger: er is veel op te teekenen en toch komt er niets van. Thans echter niet, gelijk vroeger, omdat ik geen tijd heb, maar omdat mij de gelegenheid ontbreekt. Alles gebeurt nu in één kamer, ook het eten koken. ’s Morgens zoolang de kachel nog niet aan is, kan ik niet schrijven vanwege mijn doode wintervingers. En ’s middags is er telkens bezoek, dan kan ik ook niets uitvoeren. Gelukkig beginnen de dagen nu te lengen. Kon ik in januari maar tot vier uur iets lezen of schrijven, thans kan ik dit al tot half zes, als de lucht niet al te betrokken is.

            We hebben in januari veel kou geleden. De meeste dagen kwamen we met ons potkacheltje niet boven de 50o en begonnen we ’s morgens met 38o. Ik heb winterhanden en -voeten gekregen en vooral in de ochtenduren stijve doode vingers. Daar kun je niet mee schrijven. Gelukkig is voor ons ’t hongerspook althans voorloopig verdwenen. Dankzij de pakketten van Rie, Nell en Joke ontvangen, staan we er nu betrekkelijk goed voor. Onze grootste zorg is nu ’t gebrek aan brandstof. We hebben nog maar een beetje cokes, maar brandhout noch turf. Moge ook daarvoor uitkomst komen! Want komt deze niet spoedig, dan zitten we niet alleen in de kou, maar kunnen we ook niet meer koken. Ik heb de hulp ingeroepen van mijn vroegeren kamerbewaarder, Verstraaten, die altijd overal raad voor wist. Maar zelfs hij heeft voor ons geen blokje hout kunnen loskrijgen. Onlangs kocht ik 800 kilogram hout voor f 400,– …, maar …  we kregen het niet: de prijs was al weer opgeloopen tot f 500,–. In vredesnaam, we moeten brandstof hebben. Maar … het kwam weer niet. Gelukkig bracht Piet ons uit Wassenaar een zakje hout. Maar ’t is zóó op!

            Morgen is moeder Elisabeth jarig. Verleden jaar waren alle kinderen nog present. Nu kan dat niet meer. Alleen Nell hoopt vandaag per fiets uit Amstelveen te komen. An, van wie we nog steeds geen enkel bericht hebben, zit in ’t bevrijd gebied hermetisch van ons afgesloten. Rie uit Zevenaar en Joke uit Deventer kunnen zoover niet heen en weer fietsen. Zoo schieten alleen Nell, Lou en Piet over. Die komen nu morgen snert eten met een worst uit Deventer.

            Met den oorlog blijft het goed gaan. De Russen zijn met een ontzaglijk offensief Duitschland binnengedrongen. Oost-Pruisen is al bijna heelemaal veroverd, evenals een groot deel van Pommeren en Silezië. Ze staan nu op vijftig kilometer van Berlijn. De algemeene verwachting is, dat als Berlijn en Weenen ingenomen zijn – Buda-Pest viel al deze week – de zoolang verbeide ineenstorting in Duitschland zal komen en dat dan in maart de oorlog een bloedig einde zal vinden.

            Ik hoop ’t van harte! De toestand is hier werkelijk onhoudbaar geworden. Dagelijks sterven de menschen hier bij tientallen den hongerdood. Dysenterie neemt sterk toe. De menschen breken gewoon de ontruimde woningen, waaronder prachtige huizen, af om aan brandhout te komen. Men ziet dames in bontmantels achter handkarren met geroofd brandhout loopen! Ik vrees,  dat van ons mooie huis, Johan van Oldenbarneveltlaan 82, dat nu al zoo lang leeg staat, ook wel niet veel meer over zal zijn. Daar ’t in ’t spergebied ligt, kun je niet eens er even naar gaan kijken. Helaas, nu de zware hypotheek van f 27.000,– welke ik er in 1918, toen ik het huis voor f [2] kocht, op gevestigd kon krijgen, thans op ’n paar duizend gulden na afgelost is, zal ik van dit waardevolle pand wel niet veel meer over hebben dan de waarde van den grond. Enfin, bij alle andere ellende, kan er dit ook nog wel bij. We leven nu in de stemming: als  we ’t er maar levend af brengen! En dan hoop ik, dat we in 1948 in vredestijd, omringd van al onze zeven kinderen en zeven behuwdkinderen en onze 22 kleinkinderen (’t zullen er dan wel 25 zijn!) onzen gouden bruiloft mogen vieren.

            Maar ook dan zullen er wel zorgen zijn. Volgend jaar, 27 maart, word ik 75 jaar, dus moet ik dan op 31 maart aftreden als lid van den Raad van State. Maar daardoor wordt mijn inkomen met f 8000,– verminderd, dus bijna gehalveerd. Als ons huis er dan nog is, zullen we ’t dan nog kunnen bewonen? Enfin, geen zorgen voor den tijd: Deus providebit!

            En nu wordt oma morgen 74 jaar. Ze is de laatste maanden ook sterk vermagerd, evenals ik. In december en januari vielen we beiden weer tien pond af, dus bijna één pond per week. Maar overigens zijn we beiden gezond. De hemel geve, dat dit zoo blijve, mager maar gezond. Mogen we beiden zoo van den oorlogstijd in den vredestijd overgaan!

            De vredestijd! Hoe zal deze worden? Daarover zal ik dezer dagen mijn gedachten eens opteekenen. 

dagboekcahier 11

10/03/1945

zaterdag 10 maart 1945

We hebben weer een paar nare weken achter den rug. Maar laat me eerst het goede opteekenen. Moeders 74e verjaardag op 16 februari is een ware vreugdedag geworden. Een oase in dezen donkeren tijd. Nell was per fiets uit Amstelveen overgekomen. Ze was 15 februari naar Wassenaar gepeddeld, waar ze bij Piet en Guusje logeerde. Vrijdagmorgen kwamen zij gedrieën al vroeg aan, de noodige goede gaven als verjaarsgeschenken meebrengende. Weldra kwamen ook Lou en Stan en de laatste schoonzoon-in-spe Ad. De vreugde was volkomen. Immers de berichten van het front waren ook gunstig; de verwachting werd verdedigd, dat er in maart nu wel een einde aan deze vreeselijke moordpartij zou komen. Om één uur was het feestdiner. En ’t mocht er zijn! We waren met z’n negenen aan tafel. Lies had haar beste beentje voorgezet. We begonnen met een heerlijke koude salade, waarin zelfs vleesch en een ei. Wel een ongewoon gericht in dezen hongertijd! Ze aten allen als wolven. Daarop volgde een heerlijke erwtensoep met twee Deventersche worsten erin. Tot drie borden aten ze ervan. En tot slot een smakelijke vla. Alles besproeid met een paar glazen wijn. Wat een ongekende weelde, al zullen we er daarna wel een beetje krom voor moeten liggen! Maar ’t was heerlijk en feestelijk! Oma vooral was verblijd, dat ze nog zoo’n goeden verjaardag had. Wel was er een schaduw over deze vreugde, dat An, Rie en Joke afwezig waren. 

Van An hebben we sinds eind september nog steeds niets gehoord. Rie zit nog dagelijks met haar kinderen wegens het voortdurend granaatvuur in den kelder. Joke, die in Olst goed ingekwartierd is, maakt het met haar man en kinderen gelukkig goed, al is Deventer al herhaaldelijk door bommen getroffen, die, hoewel bestemd voor de IJsselbrug, alsmaar op de omliggende huizen terecht komen. Honderden burgers zijn er al gedood. Hun huis is gelukkig nog intact.

            Maar na dezen vreugdedag begonnen onmiddellijk de narigheden. Eerst met Nell. Ze logeerde dien nacht bij Lou, waar ze ’s nachts eensklaps hooge koorts kreeg, boven de 39o. ’t Bleek weldra, dat ze een aanval van geelzucht had, een ziekte die thans veel voorkomt en erg besmettelijk blijkt te zijn. Haar lever was sterk gezwollen. ’t Zou, zei de dokter, minstens drie weken duren eer ze weer de reis naar Amstelveen zou kunnen ondernemen. Helaas, de drie weken zijn al om en ze ligt nog steeds te bed. Gelukkig is echter de temperatuur weer normaal. Ze is echter erg verzwakt. Ze kan zeker voorloopig de reis per fiets nog niet ondernemen. De moeilijkheid is eenerzijds, dat Amstelveen per telefoon zoo moeilijk te bereiken is. Een ’s morgens vroeg aangevraagd ijlgesprek komt vaak pas ’s avonds tot stand, soms zelfs heelemaal niet. Haar man begrijpt blijkbaar den toestand niet en dringt er maar steeds op aan, dat ze terug moet komen. En vervolgens de voedselnood. Ze moet dieet houden, maar we hebben  ’t niet. We probeeren, om Lou te verlichten, haar naar ons huis te brengen, maar er is nog geen transportmiddel te krijgen.

            Daarbij nu kwam, dat de Engelschen de geheele vorige week elken dag van acht tot vijf uur Den Haag gebombardeerd hebben. Vooral verleden zaterdag, 3 maart, is ’t ontzettend geweest. Er woei een krachtige noordoosten wind. Zoo zijn in ’t Bezuidenhout en in het Korte Voorhoutkwartier geheele wijken zwaar getroffen en verbrand. Honderden huizen, vijf kerken, gingen in de vlammen op. Er zijn honderden dooden en nog veel meer zwaar gewonden. ’t Was een echte zwarte dag voor ’s-Gravenhage. In onze buurt vielen er geen bommen. Maar van ’s morgens acht uur af konden wij den ganschen dag en volgenden nacht de vlammen zien opstijgen.

            Wat ’t doel van deze bombardementen kan zijn, is niet duidelijk. Er wordt gezegd, dat de Duitschers vanuit den schouwburg in ’t Korte Voorhout onder de huizen groote kelders gegraven hebben, vol wapens en munitie en benzine. Daarop zou men gemikt hebben. Anderen zeggen: er wordt een landing in Scheveningen voorbereid, daarom moet men alvast den weg naar Utrecht vrijmaken. Hoe dit zij, ’t is vreeselijk geweest. En dan donderen dag en nacht, soms elk half uur, de geweldige V-projectielen over onze hoofden, bestemd voor Antwerpen en vooral voor Londen. Maar herhaaldelijk vallen ze al hier neer, geweldige verwoestingen aanrichtende. Vele straten zijn volkomen onbewoonbaar geworden.

            Het eenige lichtpunt is nu, dat het geallieerde offensief,  zoowel in het oosten als in ’t westen grooten voortgang heeft gehad. De Russen staan al vlak voor Berlijn, Stettin en Weenen. De Engelschen en Amerikanen zijn deze week eensklaps in ’t westen krachtig vooruitgegaan. Krefeld, Keulen, Bonn zijn al gevallen. Ze staan nu vlak voor Koblenz. Gisteren werd al op drie plaatsen – ’t eerst bij Remagen – de Rijn overschreden. Het Duitsche leger is over den Rijn gevlucht. Er schijnt groote verwarring in dat leger te heerschen. Berlijn is nu al zeventien dagen lang uit de lucht gebombardeerd. De afweer wordt steeds zwakker. Is dit nu ’t begin van de verwachte ineenstorting? Vele soldaten vertrokken van hier reeds naar het westfront. Mochten we op deze kalme wijze van hen bevrijd worden! Zonder dat een Engelsche invasie hier noodig is. Komt deze, dan gaat geheel ’s-Gravenhage er aan. De moffen hebben van onze mooie stad één groote vesting gemaakt. Wat zal de volgende week ons brengen?

            Zoo leven we thans zoowel in hoop als in vrees. En met veel zorgen. Niet alleen voor de voedselvoorziening – pakketten uit Deventer en Zevenaar kunnen ons nu niet meer bereiken, daar de IJssel door de Duitschers afgesloten is – maar vooral ook voor de brandstof. We hebben nog maar voor een paar dagen cokes en een beetje hout, dankzij Piet, die steeds maar voor ons sjouwt. Maar dan zitten we in de kou en kou is bijna nog moeilijker te verduren dan honger. En hoe moeten we dan koken? Van het kleine beetje brood dat we krijgen, kunnen we het leven niet behouden. We eten nu suikerbieten en bloembollen. ’t Gaat nogal. 

dagboekcahier 11

15/03/1945

donderdag 15 maart 1945

Op 21 februari is onze vriend Piet Groenen in ’t R.K. Ziekenhuis overleden. Hij was daar vijf weken verpleegd, lijdende aan een suikerteen. Er kwam koud vuur bij en een blaasontsteking. Hij ging hard achteruit, sprak bijna geen woord als je bij hem kwam. Ik had dadelijk den indruk: Piet komt hier niet levend uit. Hij had sinds vele jaren suikerziekte, niersteen, een sterk vergroot hart en een zeer hoogen bloeddruk. Reeds jaren geleden zei ons beider vriend dr. Meuleman: die kerel had volgens alle regelen der kunst reeds lang dood moeten zijn. Maar zijn overigens krachtige constitutie hielp er hem telkens bij een inzinking weer over heen, zelfs toen hij voor enkele jaren kleine beroertes kreeg.

            Maar thans is onze Piet overleden. Hij was een sjoviaal man, een trouw vriend, bij velen, vooral in de studentenwereld, zeer gezien. Toen wij in december 1942 ons huis moesten ontruimen, verzocht hij ons bij hem in te komen wonen, daar hij anders toch inkwartiering van vreemden zou krijgen. Hij woonde in het groote huis Laan Copes van Cattenburch 75, waarin het Katholiek Centraal Koloniaal Bureau gevestigd is, waarvan hij directeur was. We kregen als huiskamer zijn eetkamer in het sousterrain, een laag, donker vertrek en verder de groote logeerkamer voor ons beiden en een slaapkamer voor onze dochter Lies. Bovendien kreeg ik een klein kantoortje – de wachtkamer van ’t bureau – als studeerkamer.  ’t Was wel behelpen. We kwamen geheel in zijn huishouden, we aten dus gezamenlijk. Ik betaalde hem, wat zijn huishouden meer kostte dan in de correspondeerende maand van ’t vorig jaar.

Als dat eenige maanden geduurd zou hebben, ware het een idylle geweest. Maar we bleven tot 6 juli 1944, dus anderhalf jaar aan één stuk. De huishouding werd bestuurd door een juffrouw, die dat al ruim tien jaren gedaan had en een Duitsche dienstbode. Dit gaf een moeilijke verhouding. Ware er een mevrouw Groenen geweest, dan had mijn vrouw op voet van gelijkheid met haar verkeerd. Met de zich als hoofd der huishouding voelende juffrouw was dat anders. Mijn vrouw zag allerlei ongerechtigheden, veel vuil en stof en slecht, althans dom, klaar gemaakt eten. Maar zij onthield zich van alle kritiek, ook tegenover Piet, die van dit alles geen Ahnung had. Hij was blijkbaar best tevreden met zijn personeel. Tenslotte liet zijn Duitsche dienstbode hem in den steek en ging nu dienen bij … Seyss-Inquart!!

Begin juli konden we voor twee à drie maanden de beschikking krijgen over een gemeubileerd flat in de Laan van Meerdervoort. Groenen vond ’t erg, dat we zoo lang afwezig zouden zijn, hij is erg huiselijk. Maar hij begreep toch, dat we na anderhalf jaar wel eenige variatie noodig hadden en weer eens ons eigen baas wilden zijn. Hij kwam ons trouw tweemaal in de week bezoeken en zondagsavonds kaarten. Nog ’s zondags voor hij naar ’t ziekenhuis ging (ons verblijf in ’t flat werd telkens verlengd; we wonen er nu nog!) was hij bij ons. Hij vertelde wel, dat hij een ‘suikerteen’ had, waarop  ik antwoordde, dat hij beter een suikertante kon hebben, maar elken morgen kwam er een zuster bij hem om hem te verbinden en hij liep er lustig mee door. Dit is zijn dood geworden. Eensklaps kreeg hij ’s nachts hevige pijn. Er bleek een bloedvergiftiging ontstaan te zijn. Vijf weken later overleed hij, kalm slapende.

Daar wij ons domicilie nog steeds in zijn huis hebben (de bedoeling was immers, dat we een paar maanden ‘vacantie’ zouden nemen en dan weer bij hem terugkomen) en daar ook een deel van onze lijfgoederen en van mijn boeken nog zijn, terwijl bovendien de eigenlijke huurder van ons flat – een dokter die met zijn vrouw ondergedoken is, maar ieder oogenblik weer kan terugkeeren – schreef ik aan prof. Buffart te Utrecht, die waarnemend voorzitter van de Stichting Centraal Katholiek Koloniaal Bureau [is], dat ik, nu door de oorlogsomstandigheden het bestuur in den eersten tijd niet zou kunnen vergaderen en een opvolger voor Groenen benoemen, zelfs niet per correspondentie, gaarne bereid zou zijn, natuurlijk zonder salaris, tijdelijk het directeurschap waar te nemen. Prof. Buffart antwoordde onmiddellijk, dat hij – evenals de geraadpleegde aartsbisschop (de benoeming van den directeur, die een geestelijke moet zijn, moet door ’t Doorluchtig Episcopaat worden goedgekeurd) dit een prachtige oplossing vond. Gisteren kreeg ik nu ook een uitnoodiging van mr. van Haaren, waarnemend voorzitter van de Indische Missievereeniging, waarvan Groenen bestuurslid en secretaris was, om ook dit secretariaat waar te nemen tot de benoeming van een opvolger 

Wegens de ziekte van Koolen – die vrijwel kindsch is – ben ik nu ook al waarnemend voorzitter van de afdeeling Geschillen van Bestuur van den Raad van State. Wat een cumulatie van baantjes! Gelukkig niet van salarissen. Dus zal er wel niemand bezwaar tegen hebben.

We denken er nu over om ons flat maar weer te verlaten en weer in Piet’s anders leegstaand, huis te gaan wonen. De huishoudster gaat nu weg en de Duitsche dienstbode dient nu bij Zes-en-een-quart, ook genaamd Judas Manketeenus. De baan is dus vrij. Een der groote moeilijkheden is echter ’t gebrek aan brandstoffen. Ook bij Piet is er bijna niets meer. Het zal er wel koud zijn in dat groote huis!

Met ’t offensief der Geallieerden in oost en west van Duitschland blijft ’t krachtig vooruitgaan. Algemeen verwacht men nu een inzinking in Duitschland, waarna wapenstilstand zou kunnen intreden. Moge ’t zoo zijn!

dagboekcahier 11

09/04/1945

maandag 9 april 1945

Nu zitten we in de verhuizing. Vandaag over acht dagen gaan we weer naar de Laan Copes van Cattenburch 76, in ’t huis van Piet, zonder Piet. Ik ben benieuwd hoe ’t ons daar thans bevallen zal. Ik ben er blij mee, ik krijg nu weer mijn kantoortje terug, aan de zonkant. Maar onze arme Lies zal ’t nu druk krijgen zonder dienstbode. Maar ze is vol moed, dat ze ’t klaar speelt.

            Met kapelaan Buis die als gemachtigde voor den executeur-testamentair pastoor Nolet te Amsterdam optreedt, zijn er allerlei moeilijkheden. Er is geen mogelijkheid van reizen. En een brief naar Amsterdam,  Utrecht of Rotterdam doet er acht à tien dagen over. Kapelaan Buis, die een voortvarend man blijkt te zijn, wilde nu aanstonds den geheelen inboedel van Groenen verkoopen: allerlei gedupeerden uit ’t Bezuidenhout, vooral geestelijken, azen erop. Mijns inziens kon dit niet tenzij met toestemming van de eenige erfgename: de Indische Missievereeniging. Ik acht het veel beter, met ’t oog op een opvolger, om althans voorloopig, de meubelen, bedden, enz. niet te verkoopen. Van twee bestuursleden, prof. Buffart en mr. van Haaren, heb ik nu antwoord: ze zijn ’t heelemaal met mij eens. Maar kapelaan Buis beroept zich op een codicil van Groenen waarin staat, dat de inboedel verkocht moet worden en de opbrengst uitgekeerd aan de Indische Missievereeniging. ’t Is ’n onaangename positie voor mij.

            Onderwijl gaat ’t westelijk offensief der Geallieerden met snellen vaart voort. Würzburg, Paderborn, Kassel zijn al bezet. Ze zitten al vlakbij Erfurt. Maar ook ten oosten van Nijmegen is een offensief naar ’t noorden en noordoosten begonnen. De Engelschen zitten al in Zutphen. Zevenaar is bevrijd. Gisteren vernamen wij een bericht, dat vlak bij Rie’s huis, op de Turmac-fabriek, een bom was gevallen. Al hun ruiten zijn stuk. Ze zijn nu bij nonnetjes ondergebracht. In elk geval zijn ze er dus goed afgekomen. Thans zitten de Geallieerden vlak bij Deventer. We hopen, dat Joke die met man en kinderen naar Olst geëvacueerd was, wel veilig zal zijn. De bedoeling is de Duitschers hier op te sluiten: een lijn van Nijmegen, Winterswijk, Coevorden tot de Noordzee en een van Arnhem naar Kampen.  

De voedselvoorziening wordt steeds slechter. Alleen versche groenten werden de vorige week tamelijk ruim aangevoerd. Maar ’t broodrantsoen is al weer verlaagd van 800 gram per week tot 600 gram. ’t Is treurig te zien hoe de menschen er uitgehongerd bij loopen. Nog treuriger is ’t de bleeke kinderen te zien. Mocht toch spoedig een einde aan deze ellende komen!

Mijn vrienden Deckers en Wintermans zijn bij ’t bombardement van 3 maart van alles beroofd geworden. Alles is verbrand. Van ons stonden bij Deckers opgeslagen eenige antieke meubelen en ’t oud porcelein dat van mijn grootouders Kerkvliet afkomstig is. Alles is verbrand! Ook een mooi theeservies, dat mijn moeder indertijd van mijn vader gekregen had. ’t Is zonde en jammer. (Maar laat me niet klagen, de arme Deckers en Wintermans zijn alles kwijt.)

In de Goede Week kregen we, evenals verleden jaar, bericht, dat in de garage te Leiden, waarin we ons meubilair, bedden, linnen, enz. enz. hadden opgeborgen, weer ingebroken was. Lies is er met levensgevaar verleden woensdag heen gefietst. ’t Viel mee. We laten nu deze week al onze meubelen naar hier vervoeren (voorzoover we die nog hebben!) om ze in Laan Copes van Cattenburch 76 op te bergen. Ruimte genoeg.

En zoo zitten we nu in de verhuizingsperiode. De vraag is alleen maar: wat gebeurt er deze week met het offensief. Vele Duitschers hebben Den Haag al verlaten om naar ’t front te gaan. Maar er zijn er nog veel te veel over! Enfin, Deus providebit!

dagboekcahier 11

25/04/1945

woensdag 25 april 1945

We zijn verhuisd en al geheel op orde. Gelukkig is ’t mooi weer met veel zonneschijn, dus wat minder koud. ’t Is wel vreemd nu in Groenen’s huis zonder Piet! Nu is ook mr. Van Haaren, voorzitter van de Indische Missie Vereeniging, plotseling overleden. Dit is nu al ’t derde sterfgeval binnen twee maanden in dit bestuur: eerst Groenen, toen Koolen en nu mr. Van Haaren. ’t Maakt de boedelbereddering wel wat eenvoudiger. Feitelijk hebben we nu alleen maar met prof. Buffart te maken. Hij is nu, behalve penningmeester, ook waarnemend voorzitter van het Centraal Katholiek Koloniaal Bureau en waarnemend voorzitter van de Indische Missie Vereeniging, terwijl ik van beide waarnemend secretaris ben. Kapelaan Buis is nu ook wat gekalmeerd en wacht onze beslissing af.

            Met ’t offensief in oost en west blijft ’t snel vooruitgaan. De Russen hebben al een deel van Berlijn bezet. De Amerikanen zijn daar ook al. Driekwart van Duitschland is nu in Geallieerde handen. In ons land gaat ’t nu langzamer. Eerst werden Gelderland, Overijssel, Drenthe, Groningen en Friesland bevrijd. Maar in Noord- en Zuid-Holland en Utrecht hebben de moffen de dijken laten springen, zoodat nu al ’t platteland onder water staat. Zelfs de Wieringermeerpolder hebben ze met zeewater vol laten loopen. In de groote steden zitten nu nog ± 80.000 Duitschers opgesloten. ’t Broodrantsoen is nu al tot 200 gram per week gedaald. Melk en vleesch is niet meer te krijgen. Dagelijks wordt in de H. Missen het gebed in tijden van hongersnood gebeden. Wie had gedacht ooit zooiets te beleven? 

dagboekcahier 11

09/05/1945

woensdag 9 mei 1945

Te Deum laudamus! … Nederland is bevrijd! De oorlog in Europa is beëindigd.

            ’t Was vrijdagavond 4 mei ’s avonds even na negen uur. We stonden op ’t punt naar bed te gaan, toen er juichkreten uit de straat opklonken. Steeds meer menschen vertoonden zich. Wat was er aan de hand? Weldra vernamen wij het: om negen uur had de radio meegedeeld, dat de Duitsche troepen in de bezette westelijke gebieden: Denemarken, Nederland, West-Duitschland hadden gecapituleerd. We waren vrij! Vrij! … Wonderlijk was de reactie op dit bericht: vreugde, dankbaarheid en toch nog maar niet kunnen beseffen wat ’t was: vrij! We gingen ook de straat op. Steeds meer juichende en zingende stoeten kwamen voorbij, met Oranje-vlaggen. Ja, ’t bleek toch wel waar te zijn. Wanneer zouden de Tommies nu komen en de Duitschers vertrekken?

            Den volgenden morgen, na een vrijwel slapeloozen nacht, ging ik erop uit om eens in de stad te gaan zien. Spoedig vernam ik van Klein, die dichtbij ons woont, dat de Duitschers ’s nachts een oranje biljet hadden verspreid waarin de juistheid der radiomededeeling werd ontkend. Hun was er officieel niets van bekend. Zoo bleven de Duitschers gewapend op straat loopen, ze bleven fietsen vorderen, namen Nederlandsche militairen die in uniform op straat liepen, gevangen. Maar van alle huizen  waaiden reeds de Nederlandsche vlaggen met Oranje-wimpels. Een zonderlinge toestand. In verschillende plaatsen rondom Den Haag schoten de moffen op menschen die oranje droegen en gelastten de uitgestoken vlaggen weer in te halen. Zoo bijvoorbeeld in Loosduinen.

            Maandag kwam ’t in Amsterdam nog tot een bloedbad op den Dam, waar de moffen met mitrailleurs op de duizendkoppige juichende en zingende menigte schoten. Maar dienzelfden maandag was er hier al een plechtige Hoogmis met Te Deum, een door bazuinen begeleid Wilhelmus om God te danken voor de bevrijding! Zoo bleef de vreemde, onzekere tostand bestaan tot gisteren, dinsdagmiddag, toen bekend werd, dat de capitulatie om vier uur zou geteekend worden en dat[3] de Engelschen en Canadeezen het nog bezette gebied: Noord- en Zuid-Holland en Utrecht zouden binnen trekken. Daarna kwam hedenmorgen het bericht, dat Duitschland als geheel onvoorwaardelijk gecapituleerd had. En nu kwamen, eerst het Engelsche Roode Kruis, daarna eenige, vooral Nederlandsche troepen (Irene-brigade) de stad binnen. Maar steeds nog bleven de Duitschers gewapend op straat loopen. ’t Is wel een zonderlinge en hoogst gevaarlijke toestand. Maar toch staat ’t nu vast: Nederland is bevrijd! en de oorlog in Europa is geëindigd.

            Te Deum laudamus! … De ontzettende vijf lange, bange oorlogsjaren zijn voorbij. Morgen Hemelvaartdag, 10 mei, is het juist vijf jaren geleden, dat de moffen zonder oorlogsverklaring ons land binnenvielen 

            De koningin en prinses Juliana zijn al in Breda aangekomen. Wanneer zullen zij in ’s-Gravenhage wederkeeren? Wat een vreugde zal het zijn haar weer te mogen zien en toe te juichen. Ik ben innig dankbaar, dat ik dit ook nog heb mogen beleven en bid uit den grond mijns harten: Domine, salvam fac reginam nostram.

            Wat klonk dit nu weer heerlijk zondag en maandag in de kerk na de Hoogmissen. En toen maandag daarna het orgel, versterkt met bazuinen, het oude Wilhelmus inzette, zongen we allen mee, terwijl ons de tranen uit de oogen sprongen. Hoe dankbaar ook zijn wij, dat al onze kinderen en kleinkinderen gedurende den vreeselijken oorlogstijd gespaard zijn gebleven. Zwaar zijn onze beproevingen geweest, onze angsten en zorgen, we hebben honger en kou geleden, maar des te inniger is nu ook onze dankbaarheid. Te Deum laudamus! …

dagboekcahier 11

04/06/1945

maandag 4 juni 1945

’t Is dom van me, dat ik nu gedurende een maand niets opgeteekend heb. De grondreden daarvan is eigenlijk onbegrijpelijk: een zekere lusteloosheid. Is dat nu een reactie op den spannenden tijd dien we hebben doorgemaakt? Of is ’t wellicht een gevolg van de lange periode van ondervoeding en daaruit ontstane verslapping? Ik weeg nu nog maar 59,5 kilogram tegen vóór den oorlog in 1935 88 ¼ kilogram. Of  komt ’t daarvan dat de ontwikkeling van den staatkundigen, socialen en economischen toestand mij met klimmende zorg vervult?

            De koningin woont nu in Breda. Zij is met prinses Juliana  met groot enthousiasme door de bevolking ontvangen. Zij liet zich echter uitsluitend voorlichten – ook zelfs voor de komende kabinetsformatie – door ondergedokenen en illegale werkers, uiteraard allen jongere personen, zonder eenige staatkundige ervaring. Ze heeft nu opdracht tot kabinetsformatie gegeven aan prof. ir. Schermerhorn en Drees. Schermerhorn heeft als professor te Delft een goeden naam en heeft zich tijdens den oorlog veel met de illegalen bemoeid. Zoo ook Drees, vroeger stenograaf in de Tweede Kamer, later wethouder van ’s-Gravenhage en weer later lid van de Tweede Kamer. Na Albarda’s intrede in ’t ministerie-De Geer werd Drees voorzitter van de S.D.A.P.-fractie in de Tweede Kamer. Hij was een bekwaam en bezadigd man. Als menschen acht ik beiden hoog, maar zijn zij geschikt en bekwaam genoeg voor de hooge staatkundige positie die hun nu gegeven wordt? Ik vrees van niet. Geen van beiden hebben een behoorlijke bestuurservaring. Geen van beiden zijn juridisch onderlegd. Op ’t gebied der staatkunde zijn ze beiden kinderen in de boosheid.

            Uit de mijnstreek komen ook slechte berichten.  De arbeiders, zegt men, zijn daar thans voor meer dan tweederden communisten geworden, werken slecht, staken om de minste aanleiding, terwijl er nu zelfs gewapend verzet wordt gevreesd, waarom de marechaussees naar Limburg zijn geroepen.

            Maar ook elders wordt de stemming onder de arbeiders steeds ongunstiger. Werklust is er niet veel, ten deele wel als gevolg van de ondervoeding, ten deele ook, omdat de door de Duitschers uitbetaalde, vaak idioot hooge loonen niet meer worden uitbetaald.

            De Nederlandsche Strijdkrachten en ’t Militair Gezag, beiden grootendeels uit ondergrondsche werkers gerecruteerd, treden nu juist niet overal taktvol op. ’t Publiek moppert daarover en zegt terecht: daarom zijn we nu toch niet van de moffen bevrijd, dat we nu weer met zuiver nazi-methoden moeten worden bejegend! In Amsterdam hebben de communisten de leiding en nemen menschen gevangen op enkel losse vermoedens van samenwerking met de Duitschers. Al deze dingen drukken me neer en maken me zeer bezorgd voor de naaste toekomst, temeer wijl de vooruitzichten voor de voedselvoorziening zeer slecht zijn, waardoor ongetwijfeld  de mentaliteit der bevolking er niet beter op zal worden.

            Toch hebben we een paar aangename dagen doorgemaakt. Vrijdag hield er een groote auto voor ons huis stil. Eruit stapten twee militairen. Een dezer militairen was … onze oudste dochter  An uit Breda. Alleen door deze vermomming was ’t mogelijk geweest om van ’t zuiden naar ’t noorden te komen. Ze zag er goed uit. En waar we sinds september (behalve nu de laatste weken) niets van elkaar hadden kunnen vernemen, hadden we elkaar veel over onze belevenissen te vertellen! Zoo werden ’t aangename dagen. Vanmorgen vertrok ze weer, in dezelfde auto en in ’tzelfde costuum! Haar zoon, onze oudste kleinzoon, is onmiddellijk na de bevrijding van Breda in september 1944 zich gaan melden voor de Marine en werd als matroos derde klasse aangenomen. Thans is hij echter reeds voor de officiersopleiding in Zuid-Engeland.

dagboekcahier 11

22/06/1945

vrijdag 22 juni 1945

Vanmorgen kwam Kolfschoten bij me praten. Hij had reeds meermalen gezegd, dat hij eens bij mij wilde komen. Zondag voor acht dagen vroeg hij me bij ’t uitgaan van de kerk of ik hem om half vijf kon ontvangen; ik verzocht hem toen maandag te komen, wat hij aannam, maar hij kwam niet. Ik wist uit de kranten, dat H.M. hem uitgenoodigd had om bij haar te komen, klaarblijkelijk om hem te hooren over de komende kabinetsformatie. (De voorzitters der beide Kamers van de Staten-Generaal werden niet gehoord. Van de anderen alleen Beelaerts van Blokland, vice-president van den Raad van State, die echter, omdat hij vijf jaren bij de koningin in Londen geweest was, hoegenaamd niet op de hoogte is van de meeningen en toestanden hier!) Nadat opdracht tot  kabinetsformatie gegeven was aan Schermerhorn en Drees, luidde weldra ’t gerucht, dat Kolfschoten in het te vormen kabinet minister van Binnenlandsche Zaken zou worden, terwijl tevens gezegd werd, dat hij de eenige katholiek in ’t nieuwe ministerie zou zijn, wat ik – ook voor hem – wel zéér bedenkelijk vond. Ik was van plan om, ware hij me, naar hij scheen te willen doen, komen raadplegen, hem dit ten sterkste af te raden. Maar, gelijk gezegd, hij bleef weg.

            Nu kwam hij echter vanmorgen, maar niet om me te raadplegen, doch om me mee te deelen wat er gebeurd was en gebeuren ging. Schermerhorn en Drees, de twee gezamenlijke formateurs, hadden hem gevraagd, maar niet voor Binnenlandsche Zaken, doch voor Justitie. Hij had geweigerd en hen aangeraden Van Maarseveen of Loeff te vragen. Dit deden ze niet: Van Maarseveen was buiten alle illegale actie gebleven en bezat niet ’t vertrouwen der illegalen. En Loeff was hun volkomen onbekend. Zoo kwamen ze weer bij hem terug. Hij weigerde weer en raadde aan jhr. mr. Van Meeuwen te nemen. Ook dat deden ze niet of weigerde deze? Zoo kwamen ze weer bij Kolfje terug. Toen vroeg hij tijd om Romme te raadplegen. Deze wilde zelf niet, maar ried hem niet af ’t aan te nemen. Toch weigerde Kolfschoten weer, ten vierden male gevraagd. Nu enkele dagen geleden kwamen Schermerhorn en Drees weer bij hem aankloppen, nadat ze een aanmaning van H.M. hadden gekregen wat meer spoed te maken. Nu dreigden ze Kolfschoten ermee, dat ze wanneer hij bleef weigeren  van hun opdracht zouden afzien: hij was huns inziens de eenige katholiek, geschikt voor Justitie, die ’t vertrouwen der illegalen bezat. Toen zwichtte hij en nam ’t aan, zij ’t met een bezwaard hart.

Hij deelde verder mede, dat er veertien departementen zouden komen en één minister zonder portefeuille, Van Roijen, als plaatsvervanger bij afwezigheid van de minister van Buitenlandsche Zaken Van Kleffens. Van deze vijftien ministers zouden er slechts drie katholiek zijn: Kolfschoten Justitie, Michiels (burgemeester van Maastricht) Binnenlandsche Zaken en ir. Van Schaik, directeur van de kunstzijdefabriek te Arnhem (broeder van den Tweede Kamervoorzitter) voor een onderdeel van ’t departement van Economische Zaken. Een vijfde in plaats van een derde is wel heel weinig voor een ‘nationaal’ kabinet! Er zullen geen communisten in zitten. ’t Ministerie zal naar Engelsch voorbeeld een minister-president hebben (Schermerhorn) en een kabinet waarin onder andere Binnenlandsche Zaken en Justitie, met drie à vier andere ministers. Vandaag wordt de voordracht aan H.M. aangeboden en maandag zal ’t nieuwe ministerie optreden. Ik heb Kolfschoten gezegd, dat ik zijn taak vooral in de gegeven omstandigheden zeer zwaar achtte en vooral ook zeer onaangenaam, maar dat ik begreep, dat hij de benoeming na de op hem uitgeoefende pressie had aangenomen. Hij meende, dat ’t ministerie maar één à anderhalf jaar zou zitten, omdat het na de verkiezingen zou moeten aftreden om gelegenheid te geven tot vorming van een meer parlementair kabinet. ’t Ministerie-Gerbrandy zal een witboek uitgeven om zijn houding tijdens den oorlog te rechtvaardigen. Ik drong er krachtig bij  hem op aan, het begrip noodrecht zoo eng mogelijk te nemen. Mijns inziens mag – ook in verband met den eed van trouw aan de Grondwet – van de Grondwet niet worden afgeweken, tenzij ’t niet anders kan en beslist noodzakelijk is. Zoo zal mijns inziens de Raad van State over alle decreetwetten moeten worden gehoord, daar ze mijns inziens anders niet-verbindend zouden zijn. Hij was dit gelukkig met mij eens. Ik gaf hem tenslotte eenige opmontering en eenige practische raadgevingen, vooral ook hoe hij met zijn ambtenaren moest omgaan.

            Gisteren spoedvergadering van den Raad van State: een voorstel om ’t salaris der ministers weer van veertien op achttien mille te brengen gelijk in 1918. Gunstig advies. De vorige week vergaderde de Raad van State – voor ’t eerst sinds half mei 1940! – weer voor ’t eerst: vier man sterk! Er was advies gevraagd over ’n nieuw statuut voor de mijnen. Ik moest ’t rapport voorstellen. ’t Was sterk afwijzend, omdat ’t veel te ver ging en te diep ingreep. Men zegt, dat ’t vandaag tòch afgekondigd zal worden: op den valreep: den laatsten dag, dat minister Wijffels aan ’t bewind is!

dagboekcahier 11

28/06/1945

zondag 28 juni 1945

’t Nieuwe ministerie is er en heeft, behalve bij de communisten en de anti-revolutionairen, een vrij goede pers. In de samenstelling kwam op ’t laatste oogenblik nog een wijziging: niet Michiels maar Beel kwam aan Binnenlandsche Zaken: hij had deze portefeuille reeds in ’t aftredende kabinet-Gerbrandy. ’t Schijnt, dat ook Michiels niet in den smaak van de illegaliteit viel. Deze schijnt ’n soort nevenregeering te  vormen. Een bedenkelijke situatie! Een collectieve éminence grise!

            Ik hoop er ’t beste van. Geen van de nieuwe ministers heeft ooit dit ambt bekleed; ze missen dus allen ook maar eenige ervaring. En slechts twee van de vijftien ministers hebben eenige – en dan nog maar korte – parlementaire ervaring. Dit zal wel blijken het zwakke punt van dit ministerie te zijn. Of Schermerhorn, die ongetwijfeld een bekwaam en welwillend man is en daarom in Delft zeer gezien was zoowel bij zijn collega’s als bij de studenten, ook een staatsman is, zal nog moeten blijken. Hij is nog een leerling van mij, evenals zijn broer, die toen reeds de reputatie had communist te zijn. Toen ik hem op ’t examen vroeg waarom een arbeidswet noodig was, antwoordde hij: ‘Och, professor, ik voel niets voor dit soort wetgeving, de arbeiders moeten zichzelf in den klassenstrijd een behoorlijke positie veroveren.’ Hij is later naar Rusland gegaan en kwam daar in Stalin’s rijk aan ’t hoofd van het geheele spoorwegbedrijf. Sinds ’t proces tegen de verschillende bedrijfsleiders is er hier niets meer van hem vernomen. Vermoedelijk dus gefusilleerd.

            Zaterdag had ik een uitnoodiging ontvangen van Kortenhorst om in zijn kantoor naar een rede te komen luisteren, die prof. Veraart, uit Londen teruggekeerd, [zou][4] houden. Er waren ± een 25-tal personen aanwezig, onder anderen O. van Nispen tot Sevenaer en Marchant. Veraart toonde zich bijzonder verblijd mij weer te zien. Hij hield een interessante voordracht over zijn belevenissen  tijdens zijn vijfjarig verblijf in Londen. Wat hij over H.M., Gerbrandy en andere ministers meedeelde, was – indien ’t juist zou zijn – ontstellend. Hij gaf als reden voor ’t ontslag van Welter en Steenberghe op: ’t apodictisch optreden van Gerbrandy, vooral in de Radio Oranje. Gerbrandy beschouwde zich als de spreekbuis van H.M., die daar stevig op de bok zat. Ik vrees, dat zij zich nu ook wel  als de leider van het kabinet-Schermerhorn zal beschouwen, zeer ten nadeele van de positie van de kroon. Dit kabinet zal veel onaangename dingen moeten doen en daardoor op den duur veel oppositie uitlokken; dit zal dan op H.M. terugslaan. Heel haar optreden thans – haar uitsluitend oor hebben voor de illegalen – lokt thans al veel kritiek en ontstemming uit. Dit is nu juist ’t omgekeerde van hetgeen  met het constitutioneel-parlementair stelsel wordt beoogd: de kroon onschendbaar, de ministers verantwoordelijk. Ik ben benieuwd of ik haar nog zal ontmoeten en hoe zij dan tegenover mij zal zijn. Ze ontvangt de menschen, onder anderen de bisschoppen, leden van de hofhouding, enz. steeds met de vraag: ‘En wat heeft u in de illegale beweging gedaan?’ Blijkt, dat dit niet veel was, dan kan de man aanstonds weer vertrekken.

            Vanmiddag weer zitting van den Raad van State: reeds de derde. Nu betrof ’t een kleine spoedeisende wijziging van de Hinderwet. De gedachte is juist, maar de uitwerking ervan zeer onvolledig en gebrekkig. Minister Wijffels heeft nog juist daags voor zijn aftreden het ontwerpstatuut voor de mijnen, niettegenstaande ’t sterk afwijzend advies van den Raad van State, door H.M. laten teekenen. Zal dit nu de mijnwerkers  weer wat lust tot werken geven? Ik betwijfel het. ’t Nieuwe kabinet wil nog ’n stap verder gaan en de particuliere mijnen nationaliseeren.

            ’t Voornemen schijnt te zijn de Staten-Generaal in een of anderen vorm spoedig bijeen te roepen. H.M. zal dan een rede houden en daarna zullen ze dan vrijwel op non-activiteit worden gesteld. Of dat zoo gemakkelijk gaan zal, staat nog te bezien. Ook de Raad van State schijnt een rol te moeten spelen bij ’t aanvullen, na zuivering, van de beide Kamers. We zullen daar wel spoedig meer van hooren. Er is echter in den laatsten tijd een sterk groeiende ontevredenheid vooral over ’t nazi-achtig optreden van de Nederlandsche Strijdkrachten en van ’t Militair Gezag. Eenerzijds meent men, dat er niet krachtig genoeg opgetreden wordt tegen de lui die met de Duitschers hebben samengewerkt (collaborateurs), anderzijds vindt men dit optreden al te bruut en vooral al te Duitsch. Er zijn menschen die nu al maanden lang gevangen zitten en gruwelijk slecht behandeld worden, terwijl ’t geenszins voldoende zeker is, dat ze collaborateur zijn. ’t Schijnt voldoende te zijn als er maar aanklachten, zelfs anonieme, inkomen, vaak van concurrenten of vijanden en men wordt uit zijn huis gehaald en in een kamp of gevangenis opgesloten. En dan gebeurt er verder niets. Ze worden zelfs niet gehoord, omdat de wijze van berechting nog niet vaststaat! Men wacht op ‘richtlijnen’, die maar niet afkomen. Sommigen beginnen uit vrees nu ook al onder te duiken net als onder de nazi’s. Deze gespannen toestand doet mij denken aan den voortijd van de Fransche revolutie. 

dagboekcahier 11

17/05/1946

vrijdag 17 mei 1946[5]

Ziezoo. Nu heb ik de losse vellen waarop ik in 1944 en 1945 enkele aanteekeningen opstelde, hier ingeschreven. Helaas, ze zijn zeer onvoldoende om eenig idee van al ’t gebeurde te geven. Bovendien, sinds 28 juni 1945 is er heel wat gebeurd waarover aanteekeningen ontbreken. Ik heb erover gedacht thans eerst eenige herinneringen uit dezen tijd neer te schrijven. Ik vrees echter, dat als ik daarmee begin er voorloopig weer niets komt van het opteekenen van het actueel gebeuren. En dat toch is nu wel gewenscht. Immers vandaag is ’t een belangrijke dag: de eerste verkiezing na den oorlog van leden van de Tweede Kamer. Wij zitten zeer in spanning hoe de uitslag ervan zal zijn. Meer dan ooit tevoren voelt thans iedereen, dat thans werkelijk over ’t lot van ons volk zal worden beslist. Vooral: zullen de katholieken hun 32 zetels behouden? Zal de Partij van den Arbeid (de oude Sociaal-Democratische Arbeiders Partij uitgebreid met de geestverwanten van Schermerhorn) méér zetels krijgen dan de Katholieke Volkspartij? Zoo ja, dan is weer Schermerhorn de aangewezen formateur. Zoo niet, dan is de katholieke fractie de grootste en zal volgens de oude regels van het parlementaire steekspel een katholiek met de formatie worden belast. Wie? Velen denken aan prof. Romme. Hij kwam dinsdag bij me om met mij de situatie te bespreken. Hij vertrouwde, dat de katholieke fractie de grootste zou zijn. 

Wat moest er dan gebeuren? Ik zei hem, dat volgens de oude spelregelen hij wel aan bod zou zijn, waarop hij echter geenszins belust bleek. Begrijpelijk! ’t Nieuwe ministerie komt voor een schier onmogelijk taak te staan. Alleen al de finantieele toestand is zoo precair, dat ernstige catastrofen verwacht kunnen worden. In elk geval zal er geducht moeten worden ingegrepen. Juist daarom achtte ik ’t gewenscht, dat aan H.M. geadviseerd zou worden, dat er een nationaal kabinet zou moeten optreden, een kabinet voor herstel en vernieuwing, maar ook om de finantiën eenigermate op orde te brengen.

            Ik vrees echter, dat H.M. nog in de na-oorlogsche mentaliteit is en weer met Schermerhorn in zee zal willen gaan. Deze schijnt er ook op te rekenen: immers dezer dagen verluidde, dat hij reeds bezig was zijn nieuwe ministerie te vormen.

            Romme was ’t er mee eens, dat het goed zou zijn om, als een katholiek opdracht kreeg, aan te sturen op een nationaal kabinet. Maar hij achtte zichzelf voor die formatie niet de geschikte man en meende, dat er iemand moest optreden die niet al te zeer als partijman was opgetreden in den laatste tijd en daarom ’t vertrouwen van alle andere partijen zou hebben. Hij meende daarom, dat ik dan de aangewezen persoon zou zijn en daarom was hij juist komen praten. Ik antwoordde, dat dit mijns inziens volstrekt uitgesloten was. Daargelaten de vraag of ik met mijn nu 75 jaren nu nog physiek en psychisch sterk genoeg zou zijn om deze uiterst zware taak op mij te  nemen, waaraan, hoe goed ik ’t ook maak, toch zeker getwijfeld zou worden, meende ik, dat men in den geest van dezen tijd niet met een ouden man voor den dag moest komen, maar met iemand niet boven de zestig. Wie dan, vroeg hij. Helaas is ’t antwoord op die vraag moeilijk. Van Schaik is zeker bekwaam en zeer gezien bij alle partijen door zijn voortreffelijk Tweede Kamer-voorzitterschap. Maar als minister van Justitie had hij niet voldaan wegens zijn steeds aarzelen en daardoor steeds uitstellen van beslissingen. Hij is wat men noemt een knoopenteller. Wie dan?

            Zeer bekwaam en mijns inziens ook geschikt is mr. Van Maarseveen, die bijvoorbeeld als minister van Justitie zeker een prachtig figuur zou maken. Hij is nog jong, even in de 50, denk ik, spreekt goed en vlot en steeds goed overwogen. Maar ’t groote bezwaar tegen hem is dat hij geen bestuurservaring heeft. Een goed premier moet toch eigenlijk oud-minister zijn. Bovendien heeft hij niet, als ik en Van Schaik, een eenigszins boven de partijen uit staande positie. Een premier van een nationaal kabinet zou bij voorkeur uit de oud-voorzitters van de Kamer moeten genomen worden. Een man als prof. Barge, sinds enige jaren lid van de Eerste Kamer, zou ook wel geschikt zijn, maar 1. is hij staatsrechtelijk te weinig onderlegd (Schermerhorn is ’t beste bewijs, hoe bezwaarlijk dit is voor ’n premier!) en hij mist elke bestuurservaring.

            Zoo pratende was ’t voor Romme tijd om te vertrekken. Onverwacht zag ik hem ’s avonds weer.  Hij moest namelijk dien avond spreken in een groote verkiezingsmeeting in de Houtrusthallen. Men had mij uitgenoodigd tegenwoordig te zijn. Ik had geantwoord: ik voel me als een oud huzarenpaard dat, op stal gezet, in de verte den aanval hoort blazen en ongeduldig staat te trappelen, denkende aan de dagen, dat het mee in ’t eerste gelid uittrok om een groote charge uit te voeren. Ik zou dus graag komen, maar helaas kan ik ’s avonds slecht zien en ’t is een verre wandeling. Ik had dus bedankt. Maar ’s avonds vijf minuten voor acht belde mij een rector die tegenover mij woont, op en vroeg of ik met zijn auto mee wilde rijden naar de meeting. Daarop ben ik ingegaan. We reden eerst verkeerd en kwamen dus eerst kwart over acht op Houtrust. De muziek zat al lustig te spelen en juist zou de vergadering geopend worden, toen ik binnenkwam. Er verhief zich een geweldig gejuich uit de meer dan 6.000 aanwezigen. Nooit ben ik zóó enthousiast binnengehaald! Eerst sprak Andriessen, daarna kwam Romme aan ’t woord. Midden in zijn rede, sprekende over de komende sociale wetgeving hield  hij een enthousiaste dythirambe over mij, aan ’t slot waarvan de heele menigte in een minutenlang gejuich uitbrak. Ik wist niet wat me overkwam. Toch bestond de overgroote meerderheid der aanwezigen uit jongere personen. Ongezocht een ware triomfavond. Maar ik verdenk Romme, dat hij dit uitlokte om zelf aan ’n kabinetsformatie te ontkomen. 

dagboekcahier 11

19/05/1946

zondag 19 mei 1946

Vrijdag werden de verkiezingen voor de Tweede Kamer gehouden. Er was enorme belangstelling. Om elf uur waren hier in Den Haag al reeds de helft der kiezers opgekomen! Toen ik met vrouw en dochter om elf uur in ’t stembureau in de Curaçaostraat kwam, stond er ’n fotograaf van ’t dagblad Het Binnenhof klaar om me te kieken!

            ’s Avonds heb ik van zeven tot één uur aan de radio gezeten om den uitslag te hooren. Reeds spoedig was mijn indruk: de Katholieke Volkspartij zal haar positie handhaven, de Partij van den Arbeid (vroeger de Sociaal Democratische Arbeiders Partij plus de Vrijzinnig Democratische Partij, plus enkele katholieke jongeren van de Cristofoorgroep) zal tegen eigen verwachting minder zetels krijgen dan de Katholieke Volkspartij, terwijl de communisten een groote winst zullen boeken. Vooral de cijfers uit Limburg, die ’t eerst werden afgeroepen, waren verontrustend. Bij duizenden zijn de katholieke mijnwerkers blijkbaar naar de communisten overgeloopen.

            Deze eerste indruk werd steeds meer versterkt en was, toen om één uur ’s nachts de radio sloot, vrijwel geheel bevestigd. Er ontbraken alleen nog de definitieve cijfers uit Amsterdam en Rotterdam.

            Zaterdagmorgen gaven de bladen reeds den volledigen uitslag. Hij was:

aantal stemmen

procenten

zetels

Katholieke Volkspartij

1.466.510

    30.81

   32

Partij van den Arbeid

1.347.664

    28.31

  29

Anti-Revolutionaire Partij

   614.177

    12.90

  13

Christelijk Historische Unie

   373.191

      7.84

    8

Partij van de Vrijheid

(Liberale partij)

   305.202

     6.41

    6

Communistische Partij Nederland

   502.935

   10.57

  10

Staatkundig Gereformeerde Partij

   101.772

     2.14

    2

  Drie kleine partijtjes behaalden respectievelijk 0.67, 0.23 en 0.12 % en kregen dus geen zetel.

            De uitslag is dus, dat de katholieken bijna anderhalf millioen stemmen uitbrachten en van 31 op 32 zetels kwamen, terwijl de Partij van den Arbeid – dus de partij van Schermerhorn, bestaande uit Sociaal Democratische Arbeiders Partij, vrijzinnig-democraten en christen-democraten en enkele katholieke jongeren van de Cristofoorgroep, van 31 op 29 zetels daalden. Hun verwachting, dat zij de veruit grootste partij zouden blijken te zijn – ze rekenden op meer dan 40 zetels – deerlijk teleurgesteld is.

            De katholieken zitten nu in de voordeelige positie, dat zij naar twee kanten een meerderheid kunnen vormen: samenwerkende met de Partij van den Arbeid is die meerderheid 61, samenwerkende met de anti-revolutionairen en christelijk-historischen is zij 53. Er is toch dit verschil met 1933 en 1935: thans zal een samenwerking met de Partij van den Arbeid aan een groote meerderheid der katholieken geen aanstoot geven, terwijl ik in 1933 en 1935 door een samengaan met de Sociaal Democratische Arbeiders Partij zonder twijfel de Katholieke Staatspartij uit elkaar geslagen had. Dat was toen de zwakheid van mijn positie tegenover Colijn, die daar zoowel in 1933 als vooral in 1935 misbruik van maakte.

            Wat nu te doen? Ik blijf van meening: eerst trachten een nationaal kabinet te vormen; mislukt dit, dan samengaan met de Partij van den Arbeid; mislukt ook dat, omdat zij te hooge eischen stellen, dan herstel van de oude coalitie. Maar in tegenstelling met 1935 zal dit dan bij vele, vooral jongere katholieken aanstoot geven.

dagboekcahier 11

23/05/1946

donderdag 23 mei 1946

Vandaag begint de koningin met de gebruikelijke hearings over den politieken toestand. Of  zullen het weer ongebruikelijke zijn? De ontvangst der heeren zal plaats vinden in ’t slot Soestdijk. Ik ben benieuwd waarop dit alles zal uitloopen. ’t Meest waarschijnlijk acht ik het, dat Romme, die al tot voorzitter der katholieke Tweede Kamerfractie gekozen werd, de eerste opdracht zal krijgen. Hij kan dan, indien hem daarvoor ruimte gelaten wordt, drie kanten uit: 1. nationaal kabinet, 2. meerderheidsvorming met Partij van den Arbeid, 3. herstel der oude coalitie. Dit zal ook wel de volgorde der pogingen zijn. Wel zal zijn positie ietwat verzwakt zijn, wanneer hij bij de anti-revolutionairen en christelijk-historischen aanklopt, nadat de poging tot samenwerking met de Partij van den Arbeid eerst mislukt is. Toch acht ik dit minder ongewenscht dan wanneer eerst de poging om de oude coalitie te herstellen mislukt was en hij daarna bij de Partij van den Arbeid zou moeten aankloppen. Deze zouden dan – toch al teleurgesteld doordat hun verwachting, dat zij de grootste partij zouden blijken te zijn, niet is vervuld – zich weer oprichten in het gevoel van onmisbaarheid en wel eens zeer onhandelbaar kunnen worden.

            Mochten geen dezer drie pogingen slagen, dan voorzie ik dat de zaak zal eindigen met een opdracht aan prof. Schermerhorn tot vorming van een extraparlementair kabinet. Hij zou aldus in dezelfde voordeelige positie komen waarin voor den oorlog Colijn mij dwars zat. 

            Nu even een terugblik. Doordat ik eerst mijn oude aanteekeningen wilde inschrijven, is er weer een groot hiaat in mijn dagboek gekomen.

            ’t Belangrijkste is geweest: mijn 75e verjaardag en diensvolgens mijn uittreden uit den Raad van State. Zoo werd ik ’t eerste slachtoffer van de bij de cumulatiewetjes in de wet op den Raad van State aangebrachte wijziging, dat de leden, 75 jaar geworden, zouden ophouden lid te zijn. Ik vroeg dus begin maart aan H.M. mijn eervol ontslag tegen 1 april, zijnde op 27 maart 75 jaar geworden. Ik drong er bij minister Beel op aan, dat Deckers mijn opvolger zou worden. Dit is gelukt, hoewel Beelaerts als vice-president van den Raad van State moetende adviseeren, van plan bleek den onlangs afgetreden directeur van het Kabinet der Koningin Van Tets van Goudriaan voor te dragen. Ik overtuigde hem, dat een katholiek moest benoemd worden, wijl er anders nog maar één katholiek in den Raad van State zou zitten en dat dan Deckers een uitnemende candidaat zou zijn. Vreemd was, dat H.M. met het verleenen van mijn ontslag getalmd heeft. Immers Beel vertelde aan Deckers, dat hij na vijf dagen de beslissing nog niet ontvangen had en dat hij daarom een rappèl aan ’t Kabinet zou zenden.

            ’t Is sommigen opgevallen, dat ik bij mijn aftreden geen onderscheiding kreeg – dit had dan ’t Grootkruis van Oranje-Nassau moeten zijn. Ik vermoedde, dat men, gelijk na 1918, voorloopig geen onderscheidingen zou geven. Maar deze verklaring ontviel mij, toen kort daarna  mr. Trip bij zijn aftreden als president van de Nederlandsche Bank en mr. Gerbrandy na ’t uitbrengen van zijn rapport over het Londens regeeringsbeleid het Grootkruis van de Nederlandsche Leeuw ontvingen. Waarom men mij nu gepasseerd heeft, is niet duidelijk. Werd ’t door minister Beel niet voorgedragen? Of deed hij ’t wel, maar heeft H.M. het geweigerd? Dit laatste zou dan ’t lang uitblijven van het mij te verleenen ontslag ophelderen. Is deze vooronderstelling juist, dan zal ’t motief wel zijn, dat ik mij tijdens den oorlog niet genoeg illegaal heb gedragen. Alsof dit met ’t oog op ’t gewenschte doorwerken van de afdeeling Geschillen van Bestuur te verdedigen zou zijn geweest. Hoe dit zij, de zaak zelf laat mij volkomen koud, maar ’t motief zou ik wel willen weten.

            Groote belangstelling ondervond ik bij mijn 75en verjaardag. Meer dan 200 brieven, achttien bloemstukken en veel bezoek. Zelfs Schermerhorn kwam mij gelukwenschen, zooals hijzelf zei: vooral als oud-leerling.

            Ellendig is ’t, dat mijn oogen blijven achteruitgaan. Dat proces is al eenige jaren aan den gang, maar ’t werd veel verergerd toen in mei 1944 bij de operatie aan mijn voorhoofd door prof. Suermondt en prof. van der Hoeve te Leiden een spiertje van mijn linkeroog werd doorgesneden. Sindsdien zie ik veel slechter. De rails bijvoorbeeld liggen niet == maar ik zie XX. Vooral bij ’t trappen afloopen is dit zeer moeilijk. Ook bij ’t op- en afstappen van trein of tram en van trottoirs. Maar vooral bij ’t lezen en schrijven is dit zeer hinderlijk. Ik moet nu steeds mijn linkeroog toeknijpen. Als ik op straat kom, vooral bij zonneschijn, zie ik alles in een mist. Waar loopt dit op uit?

            ’t Dwarsboomt me ook in de uitvoering van de plannen die ik had. ’t Was mijn voornemen om na mijn uittreden uit den Raad van State zooiets als ‘memoires’, levensherinneringen te gaan schrijven. Ik heb daarvoor een groot archief, dat echter eerst geordend zou moeten worden. Ik vrees, dat daar nu niets van zal kunnen komen.

            Dit is de voornaamste reden geweest waarom ik na grooten innerlijken strijd aan mijn vrouw heb toegegeven, dat we niet naar ons huis in de Johan van Oldenbarneveltlaan 82 zouden terugkeeren, maar onzen intrek te gaan nemen in het groote pension der Ursulinen, Eykenburg. Daar krijgen we drie kamers (bij hooge uitzondering! de regel is één, enkelen twee kamers): een zitkamer, een slaapkamer en een werkkamer. In mijn huis zou ik voor mij vier kamers gehad hebben. Ik had er dan drie voor mijn bibliotheek en één voor mijn archief en dat van Nolens gehad. Thans zal ik ruim driekwart van mijn bibliotheek aan Nijmegen schenken; het overschietende kwart hoop ik dan in mijn werkkamer te kunnen plaatsen. Maar waar moet ik dan met mijn archief blijven? Ik vind ’t een beetje griezelig er bij mijn leven afstand van te doen. ’t Kost me al zooveel moeite om van mijn boeken afscheid te nemen!

            Eykenburg was bezet door Waterstaat, maar werd met Paschen ontruimd en vrijgegeven. Men is nu druk aan ’t repareeren. Maar ’t zal wel begin juli worden eer we er onzen intrek in kunnen nemen. ’k Heb zoo ’t gevoel alsof ik naar een oude mannenhuis verwezen word. 

Om nog even op mijn uittreden uit den Raad van State terug te komen, mijn collega’s hebben me een foto van den Raad aangeboden en, op den laatsten dag dat ik lid was, een afscheidslunch in Vieux Doelen. Beelaerts sprak een vriendelijk afscheidswoord. Prins Bernhard zond een mooi telegram, daar hij verhinderd was aan de lunch mee aan te zitten. Van H.M. en prinses Juliana vernam ik niets, tenzij ’t officieele bedankje in dat ontslagbesluit.

Mijn verjaardag hebben wij zaterdag tevoren huisselijk gevierd: alle kinderen waren aanwezig, dus zaten we met zestien aan tafel. Ieder had een gerecht meegebracht. ’t Was meer dan overvloedig! Rie bracht bovendien 25 havana’s mee.

dagboekcahier 11

28/05/1946

dinsdag 28 mei 1946

Gisteren heeft mr. Beel, thans minister van Binnenlandsche Zaken, opdracht gekregen een kabinet te vormen dat in de Tweede Kamer steun zou vinden. Hij kan dus alle kanten uit, behalve een extra-parlementair kabinet. Dus precies dezelfde opdracht als ik in 1935 ontving. Maar hij staat er nu gunstiger voor dan ik toen. Ik had toen alleen een kabinet kunnen formeeren met als meerderheid de katholieken en de sociaal-democraten. Dat ging toen nog niet; de katholieken waren daarvoor toen nog niet rijp. Had ik het gedaan, dan zou de Katholieke Staatspartij in tweeën zijn gesplitst. Thans echter zal er slechts bij een kleine minderheid bezwaar worden gemaakt tegen een samengaan met de Partij van den Arbeid, waarin de Sociaal Democratische Arbeiders Partij is opgegaan. Ik ben benieuwd hoe hij ’t doen zal. Ik beschouw hem als een bekwaam man, degelijk katholiek, maar eigenlijk met te weinig parlementaire  ervaring om als premier op te treden. Toen ik onlangs bij hem was, zei hij: ik beschouw het als de grootste fout van ons ministerie, dat er heelemaal geen menschen met ministerieele en zelfs bijna geen parlementaire ervaring in zitten. ’t Is in elk geval een goed teeken, dat hij dit bezwaar gevoeld heeft. Ik geloof niet, dat dit bij Schermerhorn ’t geval is geweest.

            We hebben nu, zeer ten schade van ons land, een jaar lang een ministerie van dilettanten gehad. Vandaar de vele fouten die ’t gemaakt heeft.

            Romme zal wel blij zijn, dat hij op deze wijze zelf van de kabinetsformatie af is.

dagboekcahier 11

01/06/1946

zaterdag 1 juni 1946

De verkiezingen voor de Provinciale Staten op woensdag jongstleden hebben weer een verrassenden uitslag gehad. De Katholieke Volkspartij is nog meer vooruitgegaan en de Partij van den Arbeid nog meer teruggegaan, terwijl, helaas, de communisten nog weer sterk in stemmenaantal toenamen. Voor den formateur Beel lijkt me deze uitslag wel gunstig. Zijn positie tegenover de Partij van den Arbeid is versterkt. Maar daar staat tegenover, dat een samengaan met deze partij, zooals dit ongetwijfeld in zijn voornemen lag, het bezwaar zal meebrengen, dat de kracht van deze wederpartij thans moeilijk te berekenen is. De indruk is sterk gewekt, dat deze nieuwe partij, die bedoelde alle andere partijen te overkoepelen, thans reeds in ontbinding verkeert. Vandaar weer de aanwas der communistische stemmen en ook die van de christelijk-historischen en katholieke stemmen. Wat schiet er nog over als dit proces blijft doorwerken? 

dagboekcahier 11

07/06/1946

vrijdag 7 juni 1946

Dat is woensdag een mooie dag geweest, de trouwdag van onze Lies met drs. Quaedvlieg. Voor ons ook een tragische dag: ’t is onze laatste dochter die ons verlaat. We blijven nu weer met ons tweetjes over, zoals we voor 48 jaren begonnen zijn. Lies is onze groote steun geweest in den oorlogstijd. Door haar onvermoeid streven zij wij in het leven gebleven. Toch was ’t altijd een zorg voor mij, dat zij als eenige ongehuwd zou achterblijven. Daarom heb ik voor twee jaar voor mijn groote operatie aan mijn hoofd nog een extra beschikking gemaakt: zij zou, vóór de verdeeling, eerst f 5.000,– ontvangen, omdat de anderen ongeveer dit bedrag voor hun huwelijksuitzet hadden gekregen.

            En ziedaar, nu is ze ook getrouwd! Al onze zeven kinderen zijn nu getrouwd en we hebben van onze eenige schoondochter en onze zes schoonzoons nooit anders als veel vreugde en groote liefde beleefd. Wij kunnen ook in dit opzicht den goeden God niet genoeg dankbaar zijn.

            ’t Was ’n mooie trouwdag: prachtig weer, alle kinderen aanwezig, de twee oudste kleindochters waren bruidsmeisjes en ’t jongste kleinkind, nog geen vier weken oud, was ook present, omdat het om de drie uur gevoed moest worden. Een plechtige mis in de Jacobuskerk. Veel belangstelling. Na de H. Mis overhandigde de deken zelfs een telegram van Z.H. den paus, met pauselijken zegen! Dat was ons vroeger nog nooit ten deel gevallen. Wel waren er ook nu weer gelukwenschen van H.M. de koningin, van prinses Juliana en van prins Bernhard. Mgr. Giobbe, de  internuntius, had een prachtig bloemstuk gezonden met een eigenhandig schrijven. Dit ontving ik ook van kardinaal de Jong. ’t Was waarlijk grandioos en onze eenvoudige Lies straalde van vreugde en glorie!

            Het feestmaal was in Huize Hasebroek. Alle kinderen waren present, ook Ads ouders en eenige zuster. ’t Was echt genoeglijk. Er werden geestige voordrachten gehouden en ’t was in ’n ommezien zes uur: het jonge paar vertrok naar ’s-Bosch, zijn geboortestad, waar ze het Lieve Vrouwtje wilden vereeren. ’n Mooi begin!

            Gisteren moest ik al weer naar Amsterdam om ’t 25-jarig bestaan van ’t Internationaal Christelijk Vakverbond mee te vieren. De voorzitter, de Belg Pauwels, begroette mij hartelijk-uitbundig en ik had weer veel ovatie in ontvangst te nemen. Toen wilde men, dat ik ook ’t woord zou voeren. Ik kon eraan herinneren, dat ik als minister van Arbeid voor 25 jaar ook in de oprichtingsvergadering aanwezig was geweest en er mijn warme instemming had betuigd. Thans, na 25 jaar, kon ik zeggen: ’t is goed geweest, maar in ’t verleden waren we teveel in ’t defensief; in de komende 25 jaar moeten we tot ’t offensief overgaan. Ik herinnerde aan de eerste Sociale Week te Utrecht, waarop Domela Nieuwenhuis aanwezig was. In de pauze sprak ik hem aan en hij zei me: in de toekomst zal ’t gaan tusschen u en mij, tusschen ’t katholicisme en ’t communisme, al de rest zal vanzelf verdwijnen. De eigenlijke strijd zal tusschen ons beiden zijn. Na de vergadering zei me ’n Belgische geestelijke, dat kardinaal Van Roey de vorige week een brief van den paus had gehad, waarin deze ook gezegd had: we moeten tot ’t offensief overgaan  ’t Was ’s nachts twaalf uur toen Piet me met zijn wagentje thuis bracht. ’t Waren twee vermoeiende, maar mooie dagen. En nu gaan moeder de vrouw en ik aanstonds naar Marlot, waar onze op één na oudste dochter woont om acht dagen bij hen te logeeren om wat uit te rusten; echter ook omdat we hier, nu Lies weg is, zonder hulp zitten. Ze komt donderdag a.s. weer terug van de verre! reis naar Valkenburg en zal ons dan dagelijks komen verzorgen tot we, begin juli, onzen intrek zullen nemen in ons nieuwe home, huize Eykenburg!

dagboekcahier 11

26/06/1946

donderdag 26 juni 1946

’t Is een heerlijk verblijf voor ons geweest in Marlot bij Lou en Stan. We waren er ruim acht dagen, dus ook met ’t Pinksterfeest. Jammer, dat ’t weer niet erg meewerkte: veel wind, nogal regen en Tweede Pinksterdag zelfs een geweldige donderbui met windhoos. Gelukkig dat we in de radio hoorden, dat ’t over ’t heele land noodweer was geweest behalve in Maastricht! Lies en Ad hadden ’t dus in Valkenburg goed gehad! Woensdag 12 juni moesten we weer terug, want ik had 13 juni twee vergaderingen, om tien uur en drie uur van de Centrale Commissie voor de Drinkwatervoorziening.

            Onderwijl waren Lies en Ad ook terug en volgens afspraak kwam ze ons helpen. Maandag 17 werd ze echter ongesteld, kreeg hevige vloeiingen en ’s middags maakten we ons werkelijk angstig. Twee getelefoneerde dokters waren niet thuis, eindelijk een derde, vlakbij, kon komen. Hij constateerde een bij huwelijk meer voorkomende psychische depressie, waardoor de gewone menstruatie tot gevaarlijke heftige bloedingen kon overgaan. Ze kreeg een tampon, een spuitje, druppels, enz.  en de vloeiingen verminderden. Ze moest echter zeker eenige dagen volstrekte rust houden. Wat een toestand! Ze kwam ons helpen, omdat we zonder hulp zaten en nu lag ze zelf te bed, twee hoog (op de eerste étage zijn de kantoren van het Centraal Indisch Missie Bureau) en moest nageloopen worden! ’t Kon moeilijk ellendiger! Toch werd ’t dat toch. Vooreerst vernam ik van zuster Reinilda, dat er geen sprake van was, dat we ongeveer 1 juli in Eykenburg zouden kunnen komen, maar dat ’t zeker wel 1 augustus zou worden! Daar zitten we nu! En pater Keller s.j., de nieuwe directeur, opvolger van prof. Groenen, moet het huis Laan Copes van Cattenburch 76 betrekken. Maar ’t werd nog erger: ik kreeg een brief van onzen schoonzoon Frans Bielders, rechter in Breda, die mij mededeelde, dat hem den raad gegeven was eervol ontslag te vragen om erger te voorkomen! Hij vroeg mij om raad, maar deelde mee, dat hij en An van meening waren, dat hij ’t niet moest doen, omdat hij anders schuld bekende, die er niet was.

            Hij is na de bevrijding als rechter ‘gestaakt’, omdat hij tijdens den oorlog zich soms in Duitsch-freundliche zin zou geuit hebben. Zoo zou hij, toen een jongen terecht stond die zich binnen korten tijd al voor de derde maal aan diefstal schuldig gemaakt [had] hem toegevoegd hebben: ‘Was dan maar liever in Duitschland gaan werken.’

            Na meer dan een jaar kwam eindelijk zijn zaak voor bij de zuiveringscommissie voor de rechterlijke macht. Na ’t hooren van vele getuigen besliste deze commissie, dat de feiten, voorzoover ze juist waren gebleken, niet ernstig waren en zij gaf daarom een gunstig advies. 

            Maar nu moest de zaak nog voorkomen bij het ‘Hooge College voor de Rechterlijke Macht’, waarvan door den plotselingen dood van prof. Scholten thans mr. Van Schaik voorzitter is. Deze commissie droeg nu aan mr. De Bie, president van de rechtbank te Rotterdam, op de zaak opnieuw te onderzoeken. Deze deed dit gedurende twee dagen alle getuigen nog eens hoorende. Na een week vroeg hij Bielders nog eens bij hem te komen; er moesten nog twee getuigen gehoord worden. Na dit verhoor zei hij hem: ‘Ik geef u den raad eervol ontslag te vragen om erger te voorkomen.’ Zoo stond ik ervoor: wat te raden? Ik kon me niet voorstellen, dat De Bie dit buiten voorkennis van Van Schaik zou gedaan hebben. Ik ging daarom naar hem toe en zei hem: ‘Ik kom nergens over spreken; ik kom je alleen als vriend een advies vragen.’ Ik lei ’t geval uit en vroeg toen: ‘Wat raadt gij me aan te antwoorden?’ De anders altijd aarzelende Van Schaik zei prompt: ‘Je moet hem dit zoo sterk mogelijk aanraden, ’t is in zijn eigen belang.’ Dat was duidelijk. Blijkbaar denkt ’t Hooge College anders over deze zaak dan het college in eerste instantie en wil het tot ontslag besluiten, maar hem gelegenheid geven de eer aan zichzelf te houden en eervol ontslag te vragen. Ik zond toen terstond een uitvoerigen brief naar Breda om te betoogen, dat hij den raad van De Bie moest opvolgen en ontslag vragen, hoe ellendig ik dit ook vond.

            Nu kwam hij eergisteren eensklaps over om me een brief van An te brengen, die beslist tegen was, dat hij door ontslag te vragen schuld zou bekennen en om me mee te deelen, dat hij den procureur-generaal Speyart van Woerden, die in ’t college in eerste instantie zitting had, was gaan opzoeken om hem om raad te vragen. Deze zei ook:  niet doen. Er zijn geen ernstige feiten, ze kunnen je niet ontslaan. Ook Van Schaik had me dit gezegd, maar erbij gezegd: zijn houding is defaitistisch geweest en zoo iemand kan niet in de rechterlijke macht blijven. Volgens Speyart van Woerden kon op dezen grond echter geen ontslag gegeven worden, er moesten feiten zijn, gepleegd bij de uitoefening van ’t ambt en die feiten waren er niet, althans geen ernstige. Hij wilde met ’t Hoog College gaan praten om ze van [hun]ongelijk te overtuigen. Dit is gisteren gebeurd, maar zonder succes. En nu raadde ook hij aan: neem dan maar eervol ontslag. Hij zou dit doen, maar wilde er toch eerst nog met An over praten. Ik wacht dus af. Het is werkelijk verschrikkelijk! Ik weet er geen raad op. Waar moet hij van bestaan? Ik kan hem niet meer, gelijk vroeger, bijspringen: ik gaf hem in acht à tien jaren ruim f 20.000,–, voor mij ook toen al een veel te hoog bedrag. Soms moest ik ’t zelf leenen. Maar thans nu mijn inkomen door mijn uittreden uit den Raad van State met de helft verminderd is, houd ik precies genoeg over om het pension Eykenburg te betalen. Ik heb nog twee levensverzekeringen loopen, waarvoor ik f 2400,– premie moet betalen, bovendien nog een paar duizend gulden aflossing van de hypotheek op mijn huis. Zoo zullen we er de eerste jaren heel krap voorzitten. In elk geval kan daar niets van af.

            ’t Is een heel nare week, die we achter den rug hebben. 

dagboekcahier 11

23/07/1946

dinsdag 23 juli 1946

Ik kom juist terug van de plechtige opening van de Staten-Generaal door H.M. de koningin. De troonrede was wel de langste die ooit in onze Staten-Generaal is voorgelezen. Er waren nu voor ’t eerst luidsprekers aangebracht, zoodat ik haar nu goed heb kunnen verstaan. De vorige keer geen woord! terwijl we thuis in de radio haar woord voor woord hadden kunnen verstaan. ’k Heb weer heel wat menschen gesproken. Dat is eigenlijk ’t eenige aangename van deze plechtige samenkomst.

            1 juli hadden we een auto om naar Heerlen te rijden. Daar logeerden we tot donderdag 4 juli bij onze oude vriendin Lies Meuleman. Vandaar bracht dezelfde auto ons naar Zevenaar, waar we tot maandag bleven. Rie reed met ons mee terug om oma tot zaterdag 13 juli te helpen en aan Lies nog wat rust te geven. Zoo komen we de moeilijke maand juli toch nog vrij goed door. Het staat nu vrijwel vast, dat we 1 augustus onzen intrek in Eykenburg kunnen nemen. We zijn nu al druk aan ’t pakken. Ik zoek mijn boeken uit, die helaas ten deele geheel vergaan uit de kelders van den Raad van State naar boven zijn gekomen. Ik kan in mijn ééne werkkamer nog ongeveer een kwart deel plaatsen. De overige driekwart zal ik aan Nijmegen schenken. ’t Gaat me echter wel erg aan ’t hart, dat uitzoeken was een voortdurend afscheid nemen! En wàt te houden, wàt weg te geven?

            Enfin, gisteren ben ik er door gekomen. Oef!! Ik heb er verschillende dagen aan moeten besteden.

            Maandag [7][6] juli kwamen we uit Zevenaar terug,  want dinsdagavond 8 juli moest ik een jongerenmeeting in den Dierentuin bijwonen. Ik had de uitnoodiging van deze jongeren zeer gewaardeerd. ’t Was ’n pracht vergadering. Meer dan duizend jonge mannen en vrouwen vulden de groote zaal. Er waren drie sprekers. De eerste – de jongeren-commissaris in de Katholieke Volkspartij – hield beschouwingen over ouderen en jongeren, die vrijwel geheel parallel liepen met wat ik als jongere daarover in 1905 – dus veertig jaar geleden! – geschreven had in de politieke studie ‘Christelijke politiek’. ’t Was werkelijk een verheugenis deze enthousiaste jongerenmeeting bij te wonen. Dat geeft toch bij alle groote zorgen over het heden toch wel goede hoop voor de toekomst!

dagboekcahier 11

07/08/1946

woensdag 7 augustus 1946

Een moeilijke veertien dagen hebben we achter den rug. Op 1 augustus zijn we verhuisd naar Eykenburg, onze toekomstige en naar we hopen onze laatste aardsche woning. ’t Was een moeilijke tijd, eerst het inpakken, daarna het uitpakken en plaatsen in onze drie kamers: een zitkamer, een slaapkamer en voor mij een studeerkamer. Hoeveel we al hadden weggegeven aan de kinderen en verder verkocht, ook al om de groote kosten een beetje te dekken, er was nog veel te veel over. Van mijn boeken zal ik hoogstens een derde kunnen plaatsen. Een deel daarvan is nu al hier. Morgen ga ik dan inpakken wat nog in het gebouw van den Mijnraad opgeborgen ligt en de  volgende week komt dan nog een gedeelte van de boeken die in den kelder van den Raad van State sinds 1942 opgeborgen lagen en zich nu bevinden in het groote kantoorgebouw van mijn zoon. Dagenlang ben ik daar bezig geweest om ze uit te zoeken. ’t Was soms ’n zware inwendige strijd voor me: wat houden, wat weg doen? Veel kon ik niet meer naar hier laten komen. In de vijf boekenkasten die ik hier kon plaatsen, kan slechts een betrekkelijk klein deel van mijn bibliotheek worden opgenomen. Al het overige ben ik van plan om aan de R.K. Universiteitsbibliotheek te Nijmegen te schenken. Na mijn dood kunnen ze dan de rest krijgen, voorzoover de kinderen er niet wat van willen behouden. Ook ’t archief van Nolens gaat daarheen. Mijn eigen archief wil ik nog hier houden, al weet ik nog niet hoe ’t hier te bergen.

            Onder die verhuisdrukten, waarbij vooral Lies en Ad ons heerlijk geholpen hebben, zat ik onverhoeds tot over de ooren in ’t werk. Vooreerst als voorzitter van de Centrale Commissie voor de Drinkwatervoorziening. Er was een subcommissie belast met ’t opstellen van een algemeene wet voor de drinkwatervoorziening. Onlangs overleed plotseling dezer voorzitter. Omdat ’t heette, dat deze subcommissie zoo goed als gereed was met haar werk, nam ik toen zelf dit voorzitterschap maar op mij. Maar ’t bleek me spoedig, dat men de zaak wat al te gunstig had  voorgesteld. We hebben nu al tweemaal vergaderd en nog zijn we niet klaar gekomen. Zeker nog één vergadering zullen we noodig hebben, maandag a.s. en … dan is de eerste lezing gereed! Er is weer veel in veranderd – vooral in de toelichting, die trouwens ook nog verder uitgebreid zal moeten worden – en dus zullen we dan een tweede lezing moeten doorworstelen.

            Maar veel meer werk en vooral beslommering gaf me juist in deze reeds overbezette weken mijn voorzitterschap van de Centrale Commissie voor de Statistiek. Eenige maanden geleden kwam dr. Idenburg, de directeur-generaal van ’t Centraal Bureau voor de Statistiek, bij me om me mee te deelen, dat hij de benoeming tot directeur-generaal van het Lager Onderwijs bij ’t ministerie van Onderwijs had aangenomen en dus ontslag had aangevraagd als directeur van het Centraal Bureau voor de Statistiek. In zijn plaats zou als waarnemend directeur benoemd worden prof. Bakker, lid van de Rekenkamer, oud-hoofdambtenaar bij ’t Centraal Bureau voor de Statistiek. Ik was onaangenaam verrast door deze mededeeling achteraf; ik vond, dat Idenburg wel vooraf daarover had moeten komen spreken. Hij zei, dat hij dat opzettelijk nagelaten had, omdat hij begreep, dat ik dan aandrang op hem zou hebben uitgeoefend om te blijven, terwijl zijn besluit toch vaststond. 

            Nog erger werd het, toen mr. dr. Deckers mij daarna kwam vertellen, dat Idenburg, die naar zijn meening sterk antiroomsch was, prof. Bakker naar voren had geschoven, omdat hij voorkomen wilde, dat de heer Smit, het hoofd van de Landbouwstatistiek, tevens echter adjunct-directeur van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hem vervangen zou (zooals hij bij zijn afwezigheid steeds deed) en zoo een pré zou krijgen om hem op te volgen. Deze Smit is een hoogst bekwaam statisticus, die eigenlijk in ons land de landbouwstatistiek heeft opgebouwd tot een zoo voortreffelijk geheel. Toen voor enkele jaren, nadat ik er vijftien jaar voor gevochten had, de landbouwstatistiek eindelijk bij het Centraal Bureau voor de Statistiek was ondergebracht, was Smit meegekomen en om hem te paaien tot adjunct-directeur van ’t Centraal Bureau benoemd. Deze man was nu zonder dat men hem iets gezegd had gepasseerd en ernstig gegriefd door de benoeming van prof. Bakker tot waarnemend directeur. En – Smit was bon catholique!

            Ik voelde me door al dit geïntrigeer – dat bleek ’t steeds meer: een gekonkel van hooge departementale ambtenaren met hooge ambtenaren van de Statistiek – ook gegriefd: ik had als voorzitter van de Centrale Commissie in dit alles gekend moeten worden en – ik wist van niets!

            Toen kwam Methorst bij me, de vroegere directeur van ’t Centraal Bureau voor de Statistiek. Hij kwam me spreken over de benoeming van een nieuwen directeur. Ook hij achtte Smit daarvoor  ongeschikt: hij was een bekwaam landbouwstatisticus, maar miste de breedheid van visie en het organisatietalent, voor ’t directeurschap noodig. Hij zou met de afdeelingschefs moeilijk kunnen omgaan, omdat hij zich teveel met de details van hun werk zou bemoeien. Hij had een anderen candidaat: prof. Derksen, die chef was van een der hoofdafdeelingen. Hij was in alle opzichten geschikt. Zoo was ook de meening van prof. Tinbergen en van de voornaamste afdeelingschefs.

            Ik had Deckers mijn bevreemding te kennen gegeven, dat Smit nooit bij mij was komen praten. Hij zou hem mij sturen. Na eenige weken kwam Smit. Ik liet hem zijn hart volledig uitstorten. Mijn indruk was: ongetwijfeld een zeer bekwaam man die allergrievendst behandeld was, maar ik vroeg me toch ook af of hij een goed algemeen directeur zou zijn. Van hem vernam ik ook, dat prof. Derksen óók katholiek was, maar … een apostaat!

            Onderwijl was ’t kabinet-Schermerhorn afgetreden en opgevolgd door ’t kabinet-Beel, waarin de katholiek Huysmans de opvolger werd van ir. Vos als minister van Handel en Nijverheid. ’t Zou voor hem wel zeer moeilijk zijn den katholiek Smit te passeeren door den apostaat Derksen te benoemen!

            Toen ik verleden donderdag bij ’t eeuwfeest van de St. Vincentiusvereeniging minister Huysmans ontmoette, deelde ik hem mede, dat ik hem over deze zaak wilde spreken vóór als voorzitter der Centrale Commissie mijn advies uit te brengen. Van hem vernam ik toen, dat Idenburg ontslag zou krijgen als directeur-generaal bij Onderwijs en daarom op zijn oude post wilde terugkeeren!

            Ik heb toen een vergadering uitgeschreven van ’t presidium van de Centrale Commissie (mij en de twee vice-presidenten Schouten en Oud). Oud was verhinderd. Ik had  ervoor gezorgd, dat Schouten ook vooraf een onderhoud met Smit had, opdat hij volledig ook van die zijde zou ingelicht zijn. Ik begon met de vreemde geschiedenis te vertellen en sprak als mijn meening uit, dat Idenburg maar niet zóó zou kunnen terugkeeren, daar hij immers eervol ontslag had gehad en dus opnieuw benoemd zou moeten worden. De toezegging van minister Vos, dat hij de positie een half jaar voor hem zou openhouden, had mijns inziens geen waarde en bond zijn opvolger niet. Ik had Idenburg graag willen behouden. Maar hij had me getoond, dat hij eigenlijk iets anders ambieerde. Kwam hij terug, voor hoelang zou dit zijn? Schouten dacht er net zoo over. Hij had nu ook inlichtingen over Idenburg, waaruit zou blijken, dat hij zijn directeurschap eigenlijk verwaarloosd had en de afdeelingschefs onafhankelijk hun eigen gang had laten gaan. Afgesproken werd, de zaak aan te houden totdat ik minister Huysmans gesproken had.

            Na enkele dagen – middenin mijn verhuisdrukte – kwam nu Idenburg bij me, zeer in zijn wiek geschoten. Hij had gedacht, dat wij hem met open armen zouden ontvangen hebben. Ik heb de zaken toen heel openhartig met hem besproken.

            Vanmorgen nu had ik een onderhoud met minister Huysmans. Hij deelde mij een en ander mee over den gang van zaken: aan zijn departement zaten aan ’t hoofd allerlei hooge (nieuwe) ambtenaren, door Vos aangesteld. Ze zouden ook moeten verdwijnen, evenals die bij Onderwijs, maar hij zou ’t wat kalmer aanleggen. Ze hadden hem de zaak als zeer eenvoudig voorgelegd: er was nu geen vacature, omdat Idenburg, volgens Vos’ belofte, terugkeerde. Dat hij voor een en ander ’t advies moest vragen van de Centrale Commissie voor de Statistiek, in elk geval van den voorzitter daarvan, was hem niet meegedeeld.

            Afgesproken werd, dat hij het presidium van de Centrale Commissie zou uitnoodigen tot een onderhoud om met hem de geheele zaak te bespreken.

dagboekcahier 11

[1] De hierna volgende tekst, tot aan de aantekening onder 17 mei 1946, is vanaf maart 1946 door Aalberse van eerder gemaakte losse notities in cahier XI van het dagboek overgeschreven. Vgl. de notitie van 5 maart 1946, hierboven opgenomen als naschrift bij de dagboekaantekening van 10 mei 1941.

[2] In het manuscript is het bedrag onleesbaar.

[3] In het manuscript gevolgd door: ‘door’.

[4] Oorspronkelijk: ‘te’.

[5] Zie voor een naschrift van 5 maart 1946 bij cahier X het einde van de dagboekaantekening van 10 mei 1941.

[6] In het manuscript abusievelijk: ‘8’.