Dagboeken

 
English | Nederlands

Dagboek XII

7 augustus 1946- [26 november 1947]


dagboekcahier 12

13/08/1946

dinsdag 13 augustus 1946

Een drukke week achter den rug!Vooreerst de voortzetting van onze verhuizing. Thans zijn ook mijn boeken en mijn archief, die sinds onze evacuatie in december 1942 in het gebouw van den Mijnraad opgeborgen waren, hier teruggekomen, dankzij de goede hulp van den adjunct-secretaris Peeters. Het viel me mee, dat ik nu mijn geheele archief hier heb kunnen opbergen. Zal ik er nu toch toe kunnen komen om met behulp daarvan mijn ‘levensherinneringen’ te boek te stellen? Toen ik onlangs bij het eeuwfeest van de St. Vincentiusvereeniging kardinaal de Jong – van huis uit historicus – ontmoette, sprak deze me erover aan: ‘Ik heb met vreugde uw plan vernomen om nu memoires te gaan schrijven.’ Ik zei hem, dat ik dit inderdaad van plan was geweest, maar dat de sterke achteruitgang van mijn oogen mij deed vreezen, dat ik dat plan zou moeten opgeven. ‘Maar dat moet u niet doen; het is een veel te groot belang, dat gij dit alles zelf nog opstelt; uw archief is anders voor den lateren historicus een dood materiaal; gij alleen zijt in staat daar leven in te blazen. Gij moet naar hulp zoeken; men kan voor u lezen en schrijven, gij kunt dicteeren. Dus zelfs als uw oogen nog zwakker worden, zult gij op die wijze toch deze arbeid wel kunnen voltooien.’ Ik beloofde hem mijn best te zullen doen. Maar waar geschikte medewerkers te vinden? En hoe ze te betalen? 

            Met mijn finantiën verkeer ik in een moeilijke positie. Door mijn aftreden uit den Raad van State is mijn inkomen met de helft verminderd. Van ± 20 mille ben ik nu gedaald op ± tien mille. Daarvan moet af f 6300,– voor ’t pension Eykenburg; f 2400,– voor premies levensverzekering. Ik houd dus niet eens genoeg over om de belastingen, die steeds zwaarder worden, te betalen. Ik kan nog ± f 1000, – verdienen met ’t schrijven van artikelen, maar verder kom ik niet meer. Ik zal geleidelijk op mijn kleine vermogen moeten inteeren. Daarbij komen thans de herstelkosten van ons huis in de Johan van Oldenbarneveltlaan 82, een kleine f 3000,–, de kosten voor ’t aanleggen van centrale verwarming daarin f 5800,– en dan de verhuiskosten en de kosten voor ’t trouwen van onze dochter Lies en de installatie van haar woning. Dat zijn leelijke happen! Ik heb dit kunnen financieren door aan Rie en Wim vier stukken staatsleening te verkoopen à f 1010,– per stuk. Maar dan verder? Zoo zijn finantieele zorgen mijn leven lang mijn deel geweest en zullen ze ’t tot het einde wel blijven!

            Voorts heb ik ’t druk met de interne moeilijkheden over de statistiek. Met minister Huysmans had ik een aangenaam onderhoud over de questie Idenburg en Smit; vrijdagmiddag een vergadering bij hem met verschillende deskundigen over de aanstaande volks-, beroeps- , bedrijfs- en woningtellingen. Ik bewonderde de wijze waarop minister Huysmans deze moeilijke vergadering leidde. Ik had hem  vooraf een uitvoerige nota gezonden ter bestrijding van de booze uitstelplannen van zijn departement. Helaas had hij deze te laat ontvangen en dus nog niet kunnen lezen. Toch bleek wel, dat hij ’t geheel met mij eens was. Deze week nu nog een bespreking met hem, waarbij ook de vice-presidenten Schouten en Oud aanwezig zullen zijn om de questie Idenburg en Smit te bespreken en tot een oplossing te brengen. Hij belde me hierover vrijdagavond nog op en ’t bleek, dat wij ’t daarover beiden volkomen eens waren.

            Gisteren nog weer een vergadering van de subcommissie wetgeving van de Centrale Commissie voor de Drinkwatervoorziening. Het wetsontwerp kregen we eindelijk gereed. Het zal nu in november in de Centrale Commissie moeten behandeld en vastgesteld worden. Met dat al waren ’t een drukke acht dagen.

            Ook door veel bezoek. Zoo kwamen Rie en Wim uit Zevenaar, An uit Breda en gisteren kwam ook Piet van zijn vacantie terug. Ze waren allen enthousiast over onze nieuwe behuizing. An en Piet bleven bij ons eten.

            Nu, ook ons bevalt ’t hier uitstekend. De nonnetjes zijn bijzonder aardig voor ons; het eten is werkelijk voortreffelijk, onze drie kamers zijn groot en vol licht (we wonen op ’t zuiden) en de kapel is drie deuren van ons vandaan. We komen nu trouw elken morgen om acht uur in de H. Mis.

dagboekcahier 12

22/08/1946

donderdag 22 augustus 1946

’t Is weer druk geweest deze week. Maandag om half tien had ik al vergadering van ’t presidium van de Centrale Commissie voor de Statistiek, omdat we om half elf bij minister Huysmans verwacht werden. Ik wilde gaarne vooral de zaak Idenburg-Smit bespreken om bij den minister namens ons drieën te kunnen optreden. Ongelukkigerwijze was Schouten verhinderd en was dus alleen Oud present. Ook waren Idenburg, Bakker (de waarnemend directeur) en de secretaris Versteghe present. Het bleek, dat Idenburg weer wat hooger van den toren blies. Hij wilde zelfs den eisch stellen, dat hij nu directeur-generaal zou worden. Oud voelde daar wel wat voor.

            Even half elf kwamen we samen bij den minister. Deze las ons vertrouwelijk eenige stukken voor, onder andere het advies door Idenburg over Smit uitgebracht, dat nu juist geen aangenamen indruk maakte. We bleken ’t tenslotte eens, dat Idenburg weer benoemd zou worden. De questie directeur-generaal bleef in petto. Met 1 september was de vervanging door prof. Bakker afgeloopen. Volgens ’t Koninklijk Besluit zou dus vanzelf dan Smit, als zijnde adjunct-directeur, als waarnemend directeur optreden totdat Idenburg weer benoemd zou zijn. Dit was voor hem dus een rehabilitatie, waarop hij wel recht had. Op mijn vraag of ’t waar was, dat Smit de ambtenaren die thans de statistiek aan ’t departement behandelen, had opgestookt tegen ’t houden van de volks-, beroeps- en woningtelling, zei de minister, dat deze ambtenaren  hem positief verzekerd hadden, dat dit niet het geval was: ze hadden geheel hun eigen meening gegeven. Daarmee viel wel een ernstig bezwaar tegen Smit weg.

            Het onderhoud was bijzonder aangenaam; ook Oud was er zeer content over. Na ons kwam de directeur (eigenlijk thans directrice) van het Kabinet der Koningin bij den minister. In de wachtkamer had ze met den secretaris (die op verzoek van den minister niet met ons mee naar binnen was gegaan) over het geval Idenburg gepraat. Volgens haar stond het volstrekt nog niet vast, dat Idenburg bij Onderwijs zijn ontslag zou krijgen. De koningin stond op het standpunt, ‘dat zij geen automaat was’.

            Toen ik dinsdagmiddag bij minister Beel dit vertelde, lachte deze. ‘Ik heb vanmorgen juist aan de koningin gezegd, dat ’t heele kabinet achter minister Gielen zou staan; ze weet dus wat haar te wachten staat  als ze in deze met de familie Kohnstamm zou willen meegaan en weigeren dit ontslag goed te keuren.’

            Ook het onderhoud bij minister Beel was zeer interessant. Hij vroeg mijn meening over een groote moeilijkheid waarmee hij thans zat. Zij betrof Indië. Hij vroeg me of ik opgemerkt had, dat de regeering ten aanzien van Indië een anderen koers uitging. Ik zei hem, dat ik dit met instemming had geconstateerd uit de feiten. Hij zei, dat Van Mook binnen een jaar weg zou zijn. Maar hoe moest nu de Commissie-Generaal worden samengesteld? Hij had Steenberghe gevraagd en dezen tenslotte, na  aanvankelijke weigering overgehaald. Maar deze had één voorwaarde gesteld: hij wilde niet samen met Schermerhorn gaan. Maar de Partij van den Arbeid stond daarop. Nam hij Schermerhorn niet, dan zou dit vrij zeker tot een crisis leiden. Dus Steenberghe niet nemen? Maar wie dan? Max van Poll? Hij twijfelde of deze wel ten volle geschikt was. Ik ook. Hij is bekwaam, maar heeft al de bezwaren die bij een autodidact plegen te worden aangetroffen. Ik zei, dat men mijns inziens Schermerhorn kon nemen, mits hij goed ingekapseld werd door naast hem twee sterke figuren te plaatsen. Zoo eene was zeker Steenberghe, maar Max van Poll niet. Als derde had Beel gedacht aan De Boer, in Amsterdam. Ik ken dezen niet en kon dus niet beoordeelen of hij sterk genoeg was.

            Ik erkende de moeilijkheid waarvoor Beel stond: òf Schermerhorn nemen òf een crisis riskeeren. Maar zag ook niet aanstonds hoe uit dit dilemma te komen. Zou Schermerhorn niet te bewegen zijn zich niet beschikbaar te stellen? Staat ’t zoo vast, dat er van zijn niet-benoeming een crisis het gevolg zou zijn? Beel had Drees geraadpleegd, maar ’t werd mij niet duidelijk hoe deze zich precies had uitgelaten. ’t Is wel een zware impasse waarin Beel ten deze verkeert. Want voor de toekomst van ons land hangt er voor de te nemen beslissing teveel af. Moge de H. Geest hem voorlichting schenken. Met deze bede verliet ik hem. ’t Speet me, dat ik hem geen positieven raad kon geven.

dagboekcahier 12

07/09/1946

zaterdag 7 september 1946

Donderdag was ’t ’n mooie dag. Ik had een uitnoodiging ontvangen van de R.K. Werkgeversvereeniging om haar ‘congres’ (van één dag met drie inleidingen) in het Kurhaus bij te wonen. Door trampech kwam ik even te laat. De vergadering was al begonnen. Ik bleef dus achter in de zaal. Ik had zoo’n beetje ’t gevoel in die omgeving, dat ik daar stond als de tollenaar, rouwmoedig als oud-minister van Arbeid op mijn borst kloppend, ‘Heeren, weest mij armen zondaar genadig!’ Enfin, toch beter dan wanneer ik fier naar voren was geloopen, alsof ik zeggen wilde: ‘Heer, ik dank u, dat ik niet ben gelijk dezen.’ Er ware ook geen reden geweest in deze vergadering voor dit fariseesch gegrijns: met stijgende belangstelling hoorde ik de drie inleidingen, vooral die van den voorzitter mr. dr. Regout. Dat was nu waarlijk een onvervalscht katholiek sociaal geluid. Zelfs ging hij me op ’n enkel punt wat te ver! Ik voelde behoefte bij ’t debat ook ’t woord te vragen om mijn verheugenis, ja zelfs ontroering, uit te spreken over ’t gehoorde. Wat zijn we in de laatste tien, vijftien jaren vooruitgegaan! Wie had voor vijftien jaren verwacht, dat zulk een sociale redevoering door den voorzitter in een werkgeversvergadering ooit zou worden uitgesproken. Wat een storm van verontwaardiging zou er toen tegen zoo’n rooden voorzitter zijn losgebarsten! En nu: algemeen bleek men er hartelijk mee in te stemmen! Quadragesimo anno heeft wèl invloed gehad! 

            Gisterenmiddag kreeg ik bezoek van Max van Poll. Hij kwam me mijn meening vragen of hij de benoeming in de Commissie-Generaal voor Nederlandsch Indië zou aanvaarden. Steenberghe had bedankt, omdat hij niet samen met Schermerhorn in deze commissie van drie wilde zitten. Beel heeft toen Van Schaik gevraagd; Schermerhorn had er in toegestemd, dat deze als voorzitter der Tweede Kamer voorzitter van de Commissie zou worden. Maar … Van Schaik bedankte voor de eer. Toen was Van Poll aan bod. De fractie was ’t ermee eens, dat hij ’t aan zou nemen, mits Schermerhorn geen voorzitter zou worden. Maar deze bleef daarop staan, alleen voor Van Schaik wilde hij wijken, niet voor Van Poll.

            Wat een last hebben we van dezen – overigens voortreffelijken – man. Was ’t niet Burke die eens zei, dat men een héél groot patriot kon zijn en toch maar een heel klein staatsmannetje? Zoo staat ’t ook met Schermerhorn. Toen Beel formateur werd, eischte hij het medeformateurschap; Beel weigerde. Toen: de portefeuille van Buitenlandsche Zaken. Beel weigerde weer. Toen: minister zonder portefeuille. Beel weigerde nog eens: hij wilde hem als pas afgetreden minister-president terecht niet in zijn kabinet hebben. Hij bood hem echter aan: burgemeester van Amsterdam. Dat weigerde nu Schermerhorn: zoo gemakkelijk kwam men niet van hem af. Thans eischt hij ’t voorzitterschap van de Commissie-Generaal. Zijn partij staat achter hem. Geeft Beel niet toe, dan is dit de breuk, dus de crisis. Dit lijkt  akelig veel op politieke chantage. Met dat al zat Van Poll nu met het antwoord op de vraag: aannemen of niet? Inderdaad een moeilijke beslissing.

            Toch aarzelde ik thans niet meer in mijn advies: aannemen. Er staan tegenover elkaar te groote belangen. Eenerzijds: het houden van Nederlandsch Indië in het rijksverband. ’t Is nu duidelijk, dat Beel en Jonkman hieraan willen vasthouden en dat nu ook Schermerhorn daar in mee gaat, althans er zich bij neerlegt. Anderzijds het groote belang van de missie in Nederlandsch Indië. Daarvoor is ’t noodzakelijk, dat er een flink, goed op [de] hoogte zijnd katholiek deel uitmaakt van de Commissie-Generaal. Daartegenover ’t dreigement van de crisis. Ik geloof, dat dit meer is dan een dreigement tot afpersing van een bepaald besluit. De lieden van de Partij van den Arbeid zitten zelf ook in een dwangpositie. Voor Schermerhorn, wiens invloed in deze partij zeer groot is, is ’t een questie van prestige, vooral van ijdelheid. Komt deze crisis, dan wordt onze positie in Indië en ook in ’t buitenland nog veel moeilijker dan ze toch al reeds is.

            Vandaar mijn advies: aannemen. Blijkbaar was Van Poll met dit advies in zijn schik. Hij ging nu nog enkele bestuursleden van de Katholieke Volkspartij raadplegen, omdat Romme (die afwezig is, namelijk in Engeland) uitdrukkelijk verklaard had: als Schermerhorn voorzitter wordt, dan komt er geen katholiek in de Commissie-Generaal zitten. Hij moest zich dus dekken om daarvan af te wijken. Hij krijgt een moeilijke taak! 

dagboekcahier 12

21/10/1946

maandag 21 october 1946

’t Is jammer, dat ik den laatsten tijd zoo weinig heb opgeteekend. Daar was vooreerst de Commissie-Generaal. Deze is naar Indië vertrokken met Schermerhorn als voorzitter. Beel heeft getracht in de instructie dit voorzitterschap alle feitelijke beteekenis te ontnemen. De ervaring heeft helaas al geleerd, dat hij daarin niet is geslaagd. Schermerhorn houdt weer volop redevoeringen en praat weer telkens zijn mond voorbij! Onlangs had ik Beel aan de telefoon. Ik vroeg hem: kun je dien meneer in Indië niet een slot op zijn mond leggen? ‘Ik wou, dat ik ’t kon!’ Hij zei echter, dat hij nog steeds goeden moed had, dat men in Indië tot overeenstemming zal komen. Reeds voordat de Commissie-Generaal ging, had hij me gezegd, dat Van Mook vóór januari van ’t tooneel zou verdwijnen. Thans verluidt inderdaad, dat Van Mook om gezondheidsredenen ontslag had gevraagd. ’t Is echter de vraag of hij de positie in Indië niet reeds al te zeer heeft bedorven, dat daar nog iets goeds van kan worden gemaakt. Er is nu al een wapenstilstand gesloten, maar de oproerige benden houden zich er niet aan. Misschien ligt hierin voor ons wel een voordeel. Er blijkt toch ook, dat de ‘Repoebliek’ het gezag niet kan handhaven. Engeland zal dan wel gedwongen worden te erkennen, dat ons gezag er moet blijven. In ’t algemeen doet de rol door Engeland thans in ons Indië gespeeld,  akelig veel denken aan ’t oude ‘perfide Albion’. Met groote zorg zie ik daar de ontwikkeling der dingen, zorg voor ons land, maar nog meer voor de bevolking van Indië!

            Onlangs heb ik nog weer eens, op uitnoodiging, een vergadering bijgewoond, die me veel vreugde gaf en moed voor de toekomst.’t Was de openingsavond van een groote éénjarige cursus voor de jongeren in de Katholieke Volkspartij. Met groote instemming volgde ik het gesprokene en toen aan ’t slot de voorzitter me vroeg of ik ook nog een woordje wou zeggen, heb ik daaraan gaarne en met warmte voldaan. Ik sprak wel een kwartier en deelde een en ander mede over de Sociale Weken en de cursussen voor leidende figuren in de R.K. vakbeweging, welke ik een dertig jaren geleden ontworpen, georganiseerd en uitgevoerd had. Welke heerlijke vruchten hebben ze afgeworpen!

            Ik hoop, dat men in de partij thans een gelijk voordeel van deze cursussen zal hebben. Ik was zelf verbaasd over het enthousiasme waarmee deze vergadering van uitsluitend jongeren mij, oudje, begroette! Toch deed ’t me goed.

            In ons nieuwe thuis – Eykenburg – blijft het ons steeds goed bevallen. Onze drie kamers zijn nu geheel op orde. De boeken die ik behouden kan – ongeveer een derde van ’t geheel! – staan al goed geordend in de kasten, dankzij vooral de hulp van onzen jongsten schoonzoon Ad Quaedvlieg. Maar ook ’t overige, de bediening, het eten, de entourage, enz. ’t is alles even uitstekend! Ik hoop, dat we hier oud zullen worden en jong blijven! 

dagboekcahier 12

13/11/1946

woensdag 13 november 1946

Deze week – maandag – een bezoek gehad van Piet Kasteel, gouverneur van Curaçao. ’t Is nog de oude Piet! Ruim twee uur bleef hij praten. Ik heb weer veel gehoord, dat mijn zorgen over ons Oost- en West-Indisch beleid nog weer vergroot. Wat ’n janboel is ’t daar en hier! Achter zijn rug is hij hier beklad. Ja, hij is wat loslippig en hij heeft niet bedacht, dat zijn boutades en dan nog vaak verdraaid, naar hier overgebriefd worden. Wat hij over de toestanden daar vertelde, is bijna ongelooflijk. De leider van de katholieke partij Gomez, is non-practicant! Hij werd indertijd in ’t St. Canisiuscollege weggevaagd en als student in Nijmegen werd hij wegens onzedelijk levensgedrag niet tot de promotie toegelaten. Hij promoveerde toen in Amsterdam! Deze man is nu hier geweest aan ’t hoofd van een delegatie om de regeering voor te lichten. Hij werd ook door de koningin ontvangen. Kasteel is nu overgekomen om de regeering zijnerzijds in te lichten. Bij den minister van Overzeesche Gebieden was hij blijkbaar slecht ontvangen. Hij zou nu nog een onderhoud met Beel hebben en zou daarvan laten afhangen of hij zijn ontslag zou vragen. Ik raadde hem aan zoo lang mogelijk op zijn post te blijven. Ik houd er niet van weg te loopen als er moeilijkheden zijn.

            Dat heb ik in 1925 ook niet gedaan, toen de moeilijkheden bij Futura en ’t Centrum uitbraken. Men raadde mij toen ook aan: ga eruit voor de bom barst. Ik ben als president-commissaris aangebleven en heb  zoo de uitbarsting kunnen voorkomen. Sinds eenige jaren is deze zaak nu volkomen rustig gebleven. Ik schrikte daarom op, toen ik de vorige week een aangeteekenden brief kreeg van Van Werkhoven, den waarnemenden directeur en liquidateur, waarin hij tegen 1 december a.s. zijn ontslag nam en vroeg een opvolger te benoemen aan wien hij het archief zou kunnen overdragen. Was er iets aan de hand? Dreigden er onaangenaamheden? Ik vroeg hem terstond om nadere berichten. Hij antwoordde toen, dat hij al viermaal aan mr. De Vilder te Amsterdam – die ’t door mij bijeengebrachte Futurafonds beheert – om geld gevraagd had, onder andere f 120,– om de vennootschapsbelasting te betalen, maar dat hij, hoewel hij al viermaal den deurwaarder aan zijn woning had gehad, niets ontving. Ik heb met behulp van mijn zoon van De Vilder gedaan gekregen, dat hij onmiddellijk het gevraagde bedrag zond. Aan Van Werkhoven schreef ik een dringenden brief om hem tot aanblijven te bewegen. Ik beloofde hem ’t beheer van ’t fonds nu zelf in handen te zullen nemen. Hij antwoordde uitvoerig en nog niet heelemaal positief. Maar ik heb toch hoop, dat als ik erin slaag ’t fonds uit De Vilders handen te krijgen, hij toch wel weer zal aanblijven.

            Terwijl ik dit schreef, kwam er een postpakket van Rie uit Zevenaar met tabak en sigaren! Wat ’n uitkomst! Mijn tabak was op en ik kon nog maar één sigaar per dag rooken! Nu is er weer voorraad. Temeer, omdat ook Piet deze week een pakje tabak kwam brengen. Kinderen, beste dank! 

dagboekcahier 12

22/11/1946

vrijdag 22 november 1946

Een drukke week loopt ten einde. Maandag werden de zeventien artikelen gepubliceerd van het in Indië door de Commissie-Generaal en de Indonesische delegatie gesloten akkoord. ’t Was verbijsterend dit stuk te lezen. Denzelfden avond werd ik al door Assmann uit Roosendaal opgebeld om me te vragen voor ’t Nieuwsblad van Brabant (de vroegere Grondwet) een paar artikelen te schrijven waarin ’t akkoord vooral bezien zou worden uit staatsrechtelijk oogpunt. Ik voldeed er onmiddellijk aan en reeds dinsdagavond postte ik de twee artikelen. Woensdag schreef ik ook in gelijken geest een artikel voor De Maasbode. Gisterenavond stond – helaas slecht gecorrigeerd – mijn eerste artikel in ’t Brabantsch Nieuwsblad. De Maasbode had mijn artikel nog niet opgenomen. Ik ben bang, dat Witlox weer bang is zich al te precies uit te spreken. Ik deed dit, omdat duidelijkheid hier noodzakelijk is.

            Ik wees er vooral op, dat ’t voorgestelde akkoord in flagranten strijd is met de Grondwet en dus alleen in den vorm van een grondwetsherziening – dus met tweederde meerderheid! – kan worden aanvaard. Immers vooropgezet wordt de erkenning van de Republiek Indonesië als onafhankelijken souvereinenen staat, waarmee dan deze overeenkomst door ’t Koninkrijk der Nederlanden wordt gesloten. Dit is in strijd met artikel 1 van de Grondwet. Vervolgens wordt dan beoogd en ook overeengekomen binnen twee jaar tot stand te brengen de Vereenigde Staten van Indonesië, wat dus beteekent de volledige afscheiding van Nederlandsch-Indië van ’t  Koninkrijk der Nederlanden, dus verbreking van het rijksverband.

dagboekcahier 12

25/11/1946

maandag 25 november 1946

Net had ik vrijdagmiddag een aanvang gemaakt met iets op te teekenen, toen generaal Bajetto me kwam opzoeken, natuurlijk om over Indië te praten. Zoo is ’t de vorige week bijna elken dag gegaan.

            ’t Begon al dinsdagmiddag op De Witte. Ik had mijn beide artikelen voor ’t Brabantsch Nieuwsblad gepost en was niettegenstaande regen en wind voor mijn gewone dinsdagsch bezoek naar De Witte gegaan. Daar was Wintermans. Deckers liet om vijf uur weten, dat de vergadering van den Raad van State erg lang zou duren, dus dat hij wel niet zou kunnen komen. Maar toen kwam mr. Van Baren, de antirevolutionaire burgemeester van Delft. Hij zei expres te komen, omdat hij me hoopte daar aan te treffen. Hij wilde me bewegen ’t initiatief te nemen voor een groote actie, vooral onder de katholieken, tegen ’t ontwerp Indisch akkoord. De katholieke fractie had de beslissing in handen: stemde ze voor, dan was ’t aangenomen en Nederlandsch-Indië voor Nederland verloren. Stemden ze tegen, dan zou misschien ’t ministerie-Beel wel aftreden en dan kon de oude rechtsche samenwerking hersteld worden.

            ’t Gevolg was ’n geanimeerd gesprek over ’t akkoord. Door mijn zoojuist geschreven artikelen zat ik er goed in. De burgemeester was opgetogen en drong des te harder aan op een initiatief mijnerzijds voor een openbare actie. Hij voorspelde, dat dan  onmiddellijk de groote meerderheid der katholieken achter mij zou staan. Door mijn hoofd flitste wat dit alles voor mij – 75-jarige! – zou beteekenen. Ik beloofde hem de zaak rijpelijk te overwegen.

            Woensdagmorgen belde me staatsraad Rutgers, ook anti-revolutionair, op om me te spreken te vragen. Goed, hij zou om half twaalf komen. Ik dacht: zeker opgestookt door Van Baren! Maar ik vergiste me. Hij kwam uit zichzelf, zij ’t na overleg met Schouten, den voorzitter der anti-revolutionaire Tweede Kamerfractie, om me voor te stellen samen met acht à tien vooraanstaande Nederlanders, liefst oud-ministers, een brief aan den ministerraad te schrijven om tegen ’t aannemen van ’t Indisch akkoord te waarschuwen. Ik voelde er wel voor, vooral omdat hiermee geen publieke actie beoogd werd. Maar ik wilde toch niets doen dan na Romme geraadpleegd te hebben. Dit achtte ik fair, daar hij voorzitter van de katholieke Tweede Kamerfractie is en dus ten deze wel zeer grote verantwoordelijkheid draagt. Ik belde hem op en om half drie was hij al bij mij. Ik deelde hem mee wat er gaande was. Hij apprecieerde, dat ik er hem in wilde kennen. Hij was ’t echter geheel eens met ’t plan en meende, dat zulk een brief wel van invloed zou zijn op Beel en Drees, van wie beiden bekend was, dat ze aarzelden over den te volgen weg. Hij deelde op mijn vraag ook mede, dat alle leden van de fractie tegen dit akkoord waren. Ze wilden echter, voor een besluit te nemen, nog afwachten wat Van Poll, die zondag terug zou zijn, zou rapporteeren. Hij verklaarde van diens houding niets te begrijpen. Hij had voortdurend met hem in  correspondentie gestaan. Tot 25 october had Van Poll voet bij stuk gehouden. Maar daarna was hij, zonder eenige motiveering te geven, omgeslagen! (Rutgers zei me later, dat dit wel een gevolg van ’t Indische klimaat kon zijn; dat brengt soms plotseling een geestelijke inzinking en wilsverzwakking mee. Hetzelfde zei me vanmorgen ook Welter, die Van Poll bij diens eerste reis in Indië vergezeld had en had opgemerkt, dat deze niet tegen het afmattend klimaat kon).

            Ik belde dus om vier uur Rutgers op om hem te zeggen, dat ik bereid was mee te doen. Er was echter groote haast bij de zaak, daar de ministerraad reeds zaterdagochtend zou vergaderen en onze brief dus uiterlijk vrijdagavond bij Beel, den minister-president, zou moeten zijn. We spraken af, dat we beiden een concept zouden maken; hij zou dan om negen uur weer bij me komen en we konden dan ’t stuk samen opstellen. Hij zou ’t dan ’s nachts laten tikken en aan de tien uitgekozenen een exemplaar zenden om het dan vrijdag tusschen elf en vier uur [’s middags] in ’t gebouw van den Raad van State te komen teekenen. Afgesproken.

            Ik ging onmiddellijk aan ’t werk en had mijn concept voor ’t diner gereed: twee foliovellen. Om negen uur kwam hij. We lazen elkaar ons beider concepten voor. Mijn conclusie was, dat de kop en de staart van mijn concept beter was en dat de middenmoot van hem beter was. Ik ried hem daarom aan de twee stukken op deze wijze met elkaar te vereenigen. Hij was ’t ermee eens. 

            Vrijdag om elf uur trok ik erop uit, nam een verkeerde tram: lijn 12 in plaats van 20 en kwam in plaats van bij den Raad van State aan ’t station Hollandsch Spoor aan! Vandaar kwam ik met lijn 9 op mijn bestemming. Gelukkig was ik wat later, want nu ontmoette ik er de oud-ministers Kan en Van Dijk, die ook kwamen teekenen. Ze waren zeer ingenomen met ons initiatief en vooral Kan prees zeer vorm en inhoud van den brief.

            Juist was ik thuisgekomen, toen ik opgebeld werd door generaal Bajetto, die me te spreken vroeg. Afgesproken: om half vijf zou hij komen. Hij bleek gestuurd te zijn door ’t bestuur van het Nationaal Jongeren Verbond om mij voor te stellen het initiatief te nemen voor een manifest, dat dan aan verschillende vooraanstaande heeren van allerlei richting ter teekening zou worden aangeboden. Ik deelde hem toen vertrouwelijk mede, wat zoojuist geschied was. Hij was er zeer mee ingenomen en deelde mijn meening, dat het na dit vertrouwelijk stuk geen pas gaf om nu tegelijkertijd me weer aan ’t hoofd te stellen van een publieke actie; daardoor zou de indruk dien we hoopten, dat ons vertrouwelijk gegeven advies zou maken, zeker verzwakt worden. Maar wat hun nu te antwoorden? Ik vond er dit op: ik was ’t geheel eens met hun voornemen, maar kon er niet aan meedoen, omdat ik als minister van Staat door de koningin om advies gevraagd zou kunnen worden. Het zou dus geen pas geven me vooraf agitatorisch te bewegen. Dat vond hij  een prachtige uitvlucht!

            Gisterenavond werd in de radio meegedeeld, dat generaal Kruls als hoofd van de landmacht en admiraal Helfrich als hoofd van de zeemacht zich naar H.M. hadden begeven om haar hun ernstige bezwaren tegen de militaire passages van ’t Indisch akkoord mee te deelen.

            Vanmorgen werd ik weer opgebeld door mr. Welter, die me wou raadplegen over een manifest. Hij kwam om half twaalf en was zwaar geladen. Hij wilde een manifest door vooraanstaande Nederlanders laten teekenen, maar wilde daarbij ook voormannen uit de arbeidersbeweging, den middenstand en de landbouworganisaties. Van Dijk zou ze opsporen onder de anti-revolutionairen, hij zou voor de katholieken zorgen. Daarom kwam hij mij vragen: wie? Ik gaf hem de wegen aan om goede namen van liefst in Den Haag wonenden te krijgen. Hij wilde ook een brochure uitgeven, waarin hij zou uiteenzetten hoe het akkoord zou moeten luiden om voor Nederland acceptabel te zijn en toch aan de Indonesiërs redelijke bevrediging zou verschaffen.

            Ik hoop, dat hij moge slagen! Ik dacht eerst, dat ook hij namens ’t Nationaal Jongeren Verbond kwam. Maar van deze actie was hem niets bekend.

            Mijn artikel voor De Maasbode geschreven, werd daarin vrijdagavond opgenomen.

            Zondag kwam Van Poll terug, vandaag komen Schermerhorn en De Boer. En wat dan?? 

dagboekcahier 12

29/11/1946

vrijdag 29 november 1946

’t Bleek, dat Welter hoopte, dat ik zijn manifest, dat hij me toezond, ook zou teekenen. Na mijn antwoord aan ’t Nationaal Jongeren Verbond kon ik dit niet doen, wat ik hem mededeelde. Ik behoefde hem nu ook niet te zeggen, dat ik tegen zijn manifest ernstig bezwaar had. ’t Was een erg opgewonden stuk. Wel vijfmaal kwam erin voor: Nederland verzaakt. ’t Deed me denken aan ’t oude doopformulier met het verzaken aan den duivel en al zijn pomperijen! ’t Is nog niet uitgekomen. Wel stond er gisterenavond een – beter gesteld – manifest in de bladen ondertekend door verschillende generaals en admiraals en enkele anderen, zoo ook den voorzitter van ’t Nationaal Jongeren Verbond. Vermoedelijk is dit dus ’t manifest waarover Bajetto me was wezen polsen.

            In de pers wordt ’t ook rumoeriger.  Mijn artikelen in ’t Brabantsch Nieuwsblad  zijn bijna geheel, onder andere in Trouw, het anti-revolutionair orgaan, opgenomen. Ik heb nu nog twee artikelen geschreven, één voor De Maasbode, gericht tegen een hoofdartikel – vermoedelijk van een der Leidsche proffen – in de Nationale Rotterdamsche Courant, waarin tegen mijn grondwettige bezwaren eenige slappe tegenwerpingen werden gemaakt en één voor ’t Brabantsch Nieuwsblad om nog enkele andere vernomen tegenwerpingen te weerleggen. Ik hoop, dat ze beide vanavond verschijnen, want morgen zal de ministerraad vermoedelijk een beslissing nemen. Gisteren vergaderde hij met de Commissie-Generaal van negen tot drie en van vier tot half zeven en – ze waren nog niet klaar gekomen. Morgenochtend om negen uur gaan ze weer door. De hemel geve hun wijsheid!

            Onderwijl heeft de katholieke kamerfractie langdurig met Van Poll vergaderd. Ik hoorde nog niets van den uitslag.

            Gisterenavond werd ’t manifest volledig in de radio voorgedeclameerd. Daarna volgde een – veel te heftige – rede van mr. Caron, die vooral Van Mook en Schermerhorn onder handen nam en eigenlijk uitschold.

dagboekcahier 12

17/12/1946

dinsdag 17 december 1946

Gisteren zijn in de Tweede Kamer onder overgroote belangstelling de debatten over ’t Indisch akkoord begonnen. Zaterdag schreef ik nog een laatste artikel hierover in ’t Brabantsch Nieuwsblad, na een gesprek met Romme. Ik heb de grondwettige bezwaren nog eens onderstreept en tenslotte betoogd, dat men ze misschien zou kunnen ondervangen door bij de onderteekening van ’t akkoord uitdrukkelijk het beding in te voegen, dat alles wat overeengekomen werd, was behoudens goedkeuring door den grondwetgever. Daarmee was dus ook de erkenning van de regeering der Republiek, waartoe mijns inzien onze regeering niet bevoegd was, ondervangen.

            Romme heeft dit nu overgenomen en dit als voorwaarde gesteld voor zijn instemming met het akkoord. Ik ben wel zeer benieuwd hoe de regeering hierop reageeren zal. Ik heb anders wel pleizier beleefd van mijn artikelen. Vele bladen hebben ze soms zelf in extenso overgenomen, terwijl gisterenmiddag in de Tweede Kamer verschillende sprekers ze citeerden, zooals ook door redenaars voor de radio al geschied was. Zoo hoop ik, dat de zeer verzwakte eerbied voor de Grondwet er weer een beetje door versterkt zal zijn.

            Vrijdag ontving ik een lang telegram van Gerbrandy, waarin hij meedeelde, dat hem verzocht was een ‘overkoepelend comité’ van zeventien personen te vormen, dat de actie der verschillende anti-comités zou coördineeren,  waarbij hij me uitnoodigde zaterdagmiddag half vier ‘vrijblijvend’ een bespreking op de Witte Brug bij te wonen. Ik zond bericht van verhindering. Als ik had kunnen gaan, zou ik betoogd hebben, dat men eerst het verloop van de debatten in de Tweede Kamer moest afwachten. Zondagavond belde Gerbrandy mij op om me te vragen of ik in ’t comité zitting wilde nemen. Ik zei neen; ik heb me strikt bepaald tot de staatsrechtelijke bezwaren tegen ’t akkoord; de verschillende acties steunen echter bijna alle op zakelijke en gevoelsbezwaren. Daar wenschte ik geen verantwoordelijkheid voor te dragen. Ik wees op de opruiende rede door generaal Röell voor de radio gehouden, die dreigde desnoods met ‘ondergrondsche’ actie, als ’t akkoord aangenomen werd.

            Thans is er een manifest van dit comité door de radio gepubliceerd. Tot de onderteekenaars behooren de katholieken Van Angeren, Welter, Gimbrère.

            Een reden, welke ik niet noemde was, dat, als de katholieke Tweede Kamerfractie met de regeering meeging – waarop groote kans bestaat – ik haar niet een steek in den rug wilde geven. ’t Wordt ook steeds duidelijker, dat de actie, aanvankelijk tegen ’t akkoord, wordt een politieke actie tegen ’t kabinet-Beel. Ook daaraan wensch ik niet mee te doen.

            Ik wacht nu met spanning het resultaat van de debatten in de Tweede Kamer af. De jonge Ruijs verklaarde zich tegen ’t akkoord. Wat zal Romme doen, als de regeering geen voldoend antwoord op zijn vragen geeft? En wat zullen de andere katholieken dan doen? 

dagboekcahier 12

23/12/1946

maandag 23 december 1946

Vrijdag zijn de debatten in de Tweede Kamer afgeloopen met de aanneming van een motie door Romme voorgesteld en verwerping van een motie-Schouten.

            De zaak is toch eigenlijk heel zonderling geloopen. Daar was eerst de overeenkomst door de Commissie-Generaal geparafeerd en waartegen ik onoverkomelijke grondwettelijke bezwaren had, allereerst al om artikel 1, waarin de regeering van de Republiek Indonesië werd erkend. Nadat daartegen in het land een ware storm was opgestoken, legde de regeering aan de Tweede Kamer over een memorie van toelichting, achteraf opgesteld door de Commissie-Generaal, nadat zij de hier gerezen bezwaren vernomen had. Verschillende artikelen werden zoo uitgelegd, dat er eigenlijk geheel iets anders mee bedoeld zou zijn dan er toch maar duidelijk in te lezen stond. De Commissie-Generaal beriep zich voor haar zonderlingen uitleg op tijdens de besprekingen gehouden ‘bindende notulen’. Was ’t dus de bedoeling de Indonesiërs te misleiden door in de overeenkomst heel iets anders te zeggen, althans te suggereeren dan blijkens die bindende notulen eigenlijk de ware bedoeling was? Of wordt nu ’t Nederlandsche volk door de quasi-bindende notulen misleid? In elk geval, ’n rare geschiedenis.

            De regeering kwam nu zelf met een  uitvoerige verklaring, waarin ze de memorie van toelichting als authentieke uitlegging onverbrekelijk aan de overeenkomst vasthaakte, evenals hare eigen verklaring, die op sommige punten nog weer verder ging dan de memorie van toelichting van de Commissie-Generaal.

            Over deze drie stukken kwam nu het debat, ingezet door een magistrale rede van Romme, die vooraf nog met mij overleg had gepleegd. Ik had hem aangeraden eraan vast te houden, dat de regeering niet ’t recht had een overeenkomst te sluiten, waarin bepalingen stonden welke met de Grondwet in strijd zijn. Zij zou dus moeten verklaren – en dit zou in de overeenkomst moeten worden opgenomen – dat zij gesloten werd ‘behoudens goedkeuring door den grondwetgever’. Ging zij daarop in, dat was mijn voornaamste – grondwettelijke – bezwaar ondervangen. De figuur was dan wel niet mooi, maar kon geaccepteerd worden.

            In dezen geest sprak nu ook Romme. Het antwoord van de regeering was nog niet geheel duidelijk en precies. Daarom heeft Romme nu dit punt in zijn motie opgenomen, welke met een ruime tweederde meerderheid werd aangenomen. Ik kon tevreden zijn over ’t succes van mijn artikelen in ’t Brabantsch Nieuwsblad, die niet alleen door verschillende bladen, zelfs in extenso werden overgenomen, maar ook in de Tweede Kamer bij ’t debat herhaaldelijk, soms zelfs  zeer uitvoerig werden geciteerd. En door de aanneming van de motie-Romme heb ik geheel bereikt wat ik beoogde. Van grondwetsschennis [of][2] van toepassing van staatsnoodrecht is geen sprake. De Grondwet blijft gelden, zoolang ze niet herzien is. Daarmee vervalt de in artikel 1 uitdrukkelijk genoemde erkenning ‘van de regeering der Republiek Indonesië’. Deze regeering is nu – gelijk ik ’t in een mijner artikelen uitdrukte – thans niet anders dan een comité van Indonesiërs, zich noemende en schrijvende: de regeering van de Republiek Indonesië. Daarmee is dus deze republiek niet als zelfstandigen staat erkend, wat in strijd zou zijn met artikel 1 van de Grondwet.

            Maar hoe zal ’t nu verder loopen? Zullen de Indonesiërs nu deze overeenkomst, die feitelijk tot driemaal toe (memorie van toelichting van de Commissie-Generaal, regeeringsverklaring, motie-Romme) ingrijpend en principieel werd gewijzigd, toch onderteekenen? Ik moet ’t zien eer ik ’t geloof. Tenzij de Commissie-Generaal thans weer daar aan ’t in- en uitleggen slaat om daar de gemoederen te bedaren!

            Er ging vandaag een gerucht, dat Romme naar Indië zou gaan als opvolger van den luitenant-gouverneur-generaal van Mook. Bij onderzoek bleek me dit een gerucht zonder vasten grond. Gelukkig! Romme blijve hier! 

dagboekcahier 12

13/01/1947

maandag 13 januari 1947

Kerstmis, Oudejaar, Nieuwe jaardag … al de feestdagen zijn voorbijgegaan, rustig en vredig. We zitten nu al vijf maanden in Eykenburg en ’t bevalt ons nog steeds even goed. [We hebben hier nu eigenlijk meer bezoek van onze kinderen dan vroeger. Ze weten, dat ze hier altijd welkom zijn en dat ze ons geen moeite of overlast bezorgen. Eersten Kerstdag aten Lies en Ad bij ons, Tweeden Kerstdag Piet en Guusje, Oudejaarsavond waren Lies en Ad weer bij ons. Onderwijl kwamen Nell en Ton ons opzoeken. De vorige week stond Joke uit Deventer weer voor ons: al voor de vijfde keer sinds we hier wonen. En zoo gaat ’t door. Vandaag een nieuwe sensatie. Ons petekind Elly Martens wordt vandaag twintig jaar. Oma trok er vanmorgen met een taxi heen en komt weer om zes uur terug. Zoo was ik – voor ’t eerst – aan den lunch alleen. En hoewel de zon vroolijk scheen, vond ik ’t somber, omdat ik de gedachte maar niet kwijt kon: zou dat in de toekomst ook zoo zijn, dat ik hier alleen overblijf?][3] Blijkbaar heeft moeder Lies ook wel die gedachte, want al tweemaal hoorde ik haar zeggen: ja, ’t is hier heel goed, maar je moest nu ook maar samen tegelijk doodgaan, want voor wie overblijft is ’t toch een naar bestaan, zoo alleen. Laten we maar hopen, dat we hier nog lang samen mogen zijn!

            Van de week stonden er weer drie artikelen van me in ’t Brabantsch Nieuwsblad en in de Maasbode! In mijn  ‘rust’ werk ik nog stevig door. Die in ’t Brabantsch Nieuwsblad gingen nog weer over Indië, een nabeschouwing over de ontwerpovereenkomst. Ik schreef ze op verzoek van de redactie. En in de Maasbode ging er een over ’n boek van Smeenk, een ander over Indië en twee – die al eenige weken op plaatsing hadden gewacht – waren een voortzetting van mijn artikelenreeks over grondwetsvernieuwing. De regeering heeft reeds de benoeming van een staatscommissie aangezegd, dus begint Witlox er nu ineens haast mee te maken! Ik zal er nu ook maar weer mee doorgaan.

            [Zaterdagmorgen was ik bij Van Maarseveen. Ik had hem even te spreken gevraagd, omdat Van Werkhoven maar niet ophoudt met brieven schrijven, vooral over zijn eventueele aansprakelijkheid bij een faillissement van Futura, en De Vilder maar niet opschiet met ’t zenden van de door hem toegezegde gegevens. Van Maarseveen was ’t met mij volkomen eens, dat Van Werkhoven geenerlei risico loopt. Er gebeurt immers niets verkeerds! Al pratende klaagde hij over zijn moeilijkheden, vooral met de koningin.][4] Zij wil blijkbaar de gratieverleening aan verschillende ter dood veroordeelden maar niet teekenen. Hij zit er mee, omdat de volgende week zijn begrooting in de Eerste Kamer komt en er dan natuurlijk gevraagd zal worden, waarom die doodstraffen nog niet zijn uitgevoerd of waarom er geen gratie is verleend. Natuurlijk mag hij zich niet op de moeilijkheden met de koningin beroepen. Maar wat moet hij dan zeggen? Ik raadde hem aan de koningin te waarschuwen, dat dit dreigt en erbij te voegen, dat je moeilijk de verantwoordelijkheid voor langer uitstel op je kunt nemen. 

dagboekcahier 12

24/01/1947

vrijdag 24 januari 1947

Ik voel me beroerd. Al een dag of acht heb ik migraine-achtige hoofdpijn. Dit is voor mij ongewoon, omdat een migraine-aanval na ’t innemen van één pastille Sanalgine binnen een kwartier pleegt te verdwijnen. Nu niet. Iederen nacht begint ’t weer opnieuw en de Sanalgine heeft weinig uitwerking. Ik vermoed, dat ik me overwerkt heb! Ik heb de laatste weken veel geschreven voor Brabantsch Nieuwsblad en voor de Maasbode, ook op verzoek een artikel voor de Katholieke Illustratie over het Koninklijk Huis in mijn herinneringen, bij gelegenheid van de in februari verwachte geboorte van een prins of prinses. ’t Is nogal goed uitgevallen, al was ’t moeilijk niet teveel te zeggen. Ook schreef ik een artikel bij ’t vijftigjarig bestaan van den Katholieken Bakkersbond, die dit aan mij gevraagd had, omdat ik in 1919 den nachtarbeid verboden had. Ook daarin heb ik eenige herinneringen verwerkt. Bovendien veel brieven, mijn hernieuwde zorgen voor Futura, vandaag vergadering van de Centrale Commissie voor de Drinkwatervoorziening en binnenkort een zitting van ’t Centraal College voor ’t Medisch Tuchtrecht. Dit geeft voor mij als voorzitter nogal werk en dit is te vermoeiender, omdat helaas mijn oogen steeds slechter worden en het lezen me daardoor veel inspanning kost. Ik vermoed dus, dat ik ’n beetje teveel gedaan heb en dus wat rusten moet. Maar hoe?

dagboekcahier 12

22/05/1947

donderdag 22 mei 1947

Eindelijk is moeder Elisabeth weer hersteld en hebben we zoojuist onze eerste wandeling buitenshuis gemaakt. Sinds lang tekende ik niets op. Ten deele omdat ik ’t … te druk had! 5 mei jongstleden bestond de katholieke staatkundige organisatie der katholieken in Nederland 50 jaar. Van twee kanten was me een artikel gevraagd: door De Opmars, het partijorgaan over dr. Schaepmans invloed op ’t staatkundig leven in ons land en door ’n combinatie van zes katholieke dagbladen over Schaepmans invloed op de katholieke politiek in deze 50 jaren. Bovendien was me gevraagd om op zondag 18 mei de feestrede te houden over dr. Schaepman en de emancipatie der katholieken bij gelegenheid van de plaatsing van een gedenksteen in ’t perceel Papestraat 18 te ’s-Gravenhage, waar dr. Schaepman gedurende tien jaren als kamerlid gewoond had. Men had me ook gevraagd op 17 mei de feestrede te houden in de groote Tivolizaal te Utrecht, waar in een groote partijvergadering herdacht werd, dat op 5 mei [1897][5] in diezelfde zaal door dr. Schaepman de katholieke staatkundige organisatie tot stand kwam. Ik heb daarvoor bedankt, omdat ik niet wist hoe ’t met mijn oogen zou gaan. [Ik moest nog naar prof. van der Hoeve te Leiden, die over ’t al of niet opereeren van mijn oogen zou beslissen. Ik wist dus niet of ik 17 mei wel beschikbaar zou zijn. Onderwijl ben ik bij prof. van der Hoeve geweest. Zijn meening was: voorloopig nog][6]   niets doen. Ik moest in september nog maar eens terugkomen. Daarna kwam de aanvrage voor de rede te ’s-Gravenhage. Deze nam ik nu aan, al zag ik er wel tegen op, omdat ik die rede wegens mijn slecht gezicht geheel uit ’t hoofd zou moeten houden. Toch is ’t gelukkig goed afgeloopen. Ik sprak een half uur ongeveer en de aanwezigen waren er blijkbaar zeer opgetogen over, al heb ik verschillende dingen die ik had willen zeggen, niet gezegd.

            ’t Was wel wonderlijk te bedenken, dat ik een der zeer weinigen ben, die deze 50 jaar zeer actief in de partij ben werkzaam geweest. Helaas heb ik de vergadering in Tivoli in [1897][7] niet bijgewoond. Ik zat toen hard aan mijn proefschrift te werken en dat moest klaar, want ik had het erop gezet in november op St. Elisabethsdag te promoveeren. Wat gelukt is. Maar daarom liep ik die historische vergadering en Schaepmans groote rede mis.

            Er liggen nog drie artikelen van me over de aanstaande grondwetsherziening bij De Maasbode op plaatsing te wachten. Ik heb nu net tijd om de twee artikelen die men mij voor ’t Staatkundig Maandschrift van de partij gevraagd heeft, te schrijven. Ik ga daar nu mee beginnen.

            En dan heb ik nog ander werk op me genomen. Men heeft me aangezocht om bij de juni-eindexamens van de Middelbare Meisjes School van ’t R.K. Lyceum als gecommitteerde op te treden bij de geschiedenisexamens. Ik zal dus nu mijn historische kennis ook nog een beetje moeten opfrisschen. Waar ’n mensch al niet toe komt!

            En dan nog eerst voor de 25e keer grootvader worden. Gelukkig maakt Lies ’t goed.[8]

dagboekcahier 12

10/07/1947

donderdag 10 juli 1947

’t Is eigenlijk jammer, dat ik zoo weinig opteeken. Maar er komt niets van, zoo druk ben ik bezet! Zoo heeft men mij aangezocht om voor ’t gedenkboek dat ’t volgend jaar uitkomt, een groot artikel van ± twintig quarto bladzijden te schrijven over de koningin. Ik nam ’t aan, vooral omdat ik ’t zoo gelukkig vond, dat men nu eens voor dit artikel een katholiek vroeg. Maar nu drukt ’t me, want half augustus moet ’t gereed zijn. Eergisteren, 8 juli, heb ik een rede gehouden te Utrecht bij de herdenking, dat ’t R.K. sanatorium Berg en Bosch 25 jaar bestond. In 1919 heb ik ’t gebouwd en ’t in 1920 geopend. Begrijpelijk, dat men me er nu bij vroeg. Maar die speechen kosten me meer tijd dan vroeger; toen schreef ik ze op en las ze voor. Nu gaat dat niet omdat ik te slecht zie. Ik moet dus improviseeren, maar de voorbereiding daartoe kost me veel meer tijd. En zoo heb ik gisteren hier in Eykenburg weer een rede gehouden; de rector vierde zijn zilveren priesterfeest en men verzocht mij namens de bewoners van dit gastvrij huis een rede te houden.

            En dan al die aanvragen van menschen, die me spreken willen. ’t Is ellendig, want je zou ze zoo gaarne willen helpen, maar ik kan dat toch niet doen! Waar zou ik er den tijd voor kunnen vinden!

            Gelukkig is in juni ons 25ste kleinkind Marliesje geboren. Alles is goed gegaan en blijft goed gaan. Onze Lies heeft zich dapper gehouden![9]

dagboekcahier 12

25/07/1947

vrijdag 25 juli 1947

[Dinsdag 22 juli was ’t onzen 49e trouwdag: wij zijn ons 50e jaar ingetreden! ’t Was ’n gezellige dag. Frans en An, Stan en Lou kwamen eten. Zuster Reinilda had voor een feestmaal gezorgd. En ’s avonds kwamen nog Piet en Guusje. ’t Was gezellig, maar ook ernstig: ’t was tevens een afscheidsmaal voor Frans, die half augustus naar Nederlandsch-Indië vliegt om voor drie jaren rechter te Medan of Palembang te worden. Dus mijn illusie, dat we in 1948 op onzen gouden bruiloft al onze kinderen en kleinkinderen, evenals in 1938 om ons vereenigd zouden zien, is al verdwenen.][10]

            Maar zal die reis wel doorgaan: zondag 20 juli  deelde de regeering in de radio mede, dat zij aan dr. van Mook opdracht had gegeven tot militair-politioneel optreden in Indië,  speciaal op Java en Sumatra.             Eindelijk! ’t Was allang duidelijk, dat ’t ertoe zou moeten komen. Met Soekarno cum suis, die even onbetrouwbaar als machteloos bleken, was niet samen te werken. Toch heeft de regeering, met eindeloos geduld, ernaar gestreefd. Ik kan me begrijpen, dat men voor deze uiterste beslissing terugdeinsde. Wat zou de houding van Engeland en de Vereenigde Staten zijn? Mijns inziens had men met deze lui nooit moeten onderhandelen. Feitelijk waren zij toch oproerlingen en ze hadden met de Jappen samengewerkt. Maar zouden toen Engeland en Amerika gewapend optreden hebben toegelaten?  Ongelukkigerwijs had men de zaak geheel in handen gegeven van Schermerhorn,  een praatjesmaker die zichzelf een staatsman acht. 

            Maar nu is ’t toch zoover gekomen! Moge nu dit optreden, hoewel laat gekomen, toch niet blijken te laat geweest te zijn. We denken nu ook aan onzen oudsten kleinzoon, [Wim Bielders, die onmiddellijk na de bevrijding van Breda zich vrijwillig als matroos derde klas meldde en nu al opgeklommen is tot adelborst. Hij vaart nu al twee jaren in de Indische wateren. Moge hij behouden terugkeeren!][11]

             In deze eerste week zijn de operaties goed verloopen. Mogen ze spoedig leiden tot een bevredigende oplossing! Ik zit onderwijl te werken aan mijn stuk over koningin Wilhelmina voor ’t gedenkboek-1948.

dagboekcahier 12

23/08/1947

zaterdag 23 augustus 1947

Gelukkig ben ik met mijn stuk over de koningin voor ’t officieele herdenkingsboek-1948 gereed gekomen. Gisteren heb ik de copie aan den heer Leendertse, den secretaris van de redactieraad opgezonden. Oef! Met mijn steeds slechter wordend gezicht is ’t ’n moeilijk en zeer vermoeiend werk geweest, al kon ik voor ’t grootste deel gebruik maken van mijn grote artikel dat in 1938 het geheele feestnummer van De Maasbode vulde.

            Onderwijl zat ik vol zorg over Indië. Het politioneel optreden onzer troepen had een voorspoedig verloop. Maar eensklaps is de Veiligheidsraad zich op verzoek van Australië met deze zaak gaan bemoeien, volkomen ten onrechte en op ongelooflijk partijdige wijze. Ten onrechte, omdat de Republiek Indonesië nog geen staat is en er dus geen conflict was tusschen twee souvereine  staten, maar een interne aangelegenheid van het Koninkrijk der Nederlanden, waarmee dus de Veiligheidsraad geen bemoeienis kon hebben. Mr. Van Kleffens heeft dit standpunt in de Veiligheidsraad voortreffelijk uiteengezet en verdedigd. Maar zonderling genoeg besloot de Veiligheidsraad, in ’t midden latend of hij al of niet bevoegd was, om aan Nederland en aan de Republiek Indonesië te verzoeken het vuren te staken. Beide partijen verklaarden dit verzoek in te willigen, maar de republiek vocht nog veel harder door! Zoo is er thans een volkomen onhoudbare toestand. Maar onderhand blijft de Veiligheidsraad delibereeren! ’t Blijkt, dat Engeland, Frankrijk en België op onze hand zijn, goeddeels ook de Vereenigde Staten en tenslotte zelfs ook China. Maar we komen dan nog twee stemmen tekort. Rusland is natuurlijk fel tegen ons, dus ook Polen. Australië, Syrië (die ’t voorzitterschap heeft!) en Brazilië ook. Australië heeft nu voorgesteld een commissie voor onderzoek en arbitrage naar Indië te zenden. Gisterenavond zou daarover de beslissing vallen, maar de zaak werd weer tot maandag aangehouden.

            Mijn inziens is arbitrage volkomen onaanvaardbaar: dit ware de meest aperte erkenning van de republiek als souvereine staat. Ik ben benieuwd welke houding de regeering tenslotte zal aannemen. ’t Is een wel zeer moeilijke beslissing! Weigeren we, dan zal er internationaal een zwaar onweer tegen ons land uitbarsten. De havenarbeiders – grootendeels communistisch georganiseerd – oefenen nu al reeds een boycott op onze schepen uit. Britsch-Indië weigert nu reeds onze vliegtuigen op doorreis naar Nederlandsch-Indië op zijn vliegvelden toe te laten. En wat dan???

dagboekcahier 12

24/08/1947

zondag 24 augustus 1947

Vanmiddag kwart voor vier werd ik opgebeld door den minister-president, die me vroeg of ik hem over ’n half uur kon ontvangen. Afgesproken. Hij kwam tegen half vijf om mijn raad te vragen over ’t volgende:

            Hij was van meening, dat in Indië nu doorgezet moest worden en Djokja, de hoofdstad der republiek, moest worden ingenomen; de expeditie zou niet meer dan drie dagen duren. Dit was ook de meening van Van Mook. Maar de ministers van de Partij van den Arbeid waren daartegen. Ze menen, dat hun partij dan uit elkaar zal springen. Drees, die het tot nu toe met hem eens geweest was, had de vorige week een vergadering bijeengeroepen van de kamerfractie, het partijbestuur en de ministers van de Partij van den Arbeid. Het gevolg was, dat hij nu ook er tegen was. Alleen minister Lieftinck hield stand. Minister Neher, die nu in Indië is, was niet aanwezig. Maar hij had vrijdag nog aan Beel geseind, dat met spoed doorgezet moest worden, omdat de toestand in Indië onhoudbaar was. Drees beriep er zich op, dat hij bevreesd was voor represaillemaatregelen van den Veiligheidsraad. Nu komt deze raad maandag weer bij elkaar. Dan zal wel de eindbeslissing vallen. Beel meende, dat ’t compromisvoorstel Australië-China zou worden aangenomen, dat voor ons acceptabel is. Maar vanmiddag om één uur had ik in de radio gehoord, dat Bernard Person, die bericht geeft over de vergaderingen in  Lake Success, meedeelde, dat de laatste verwachting was, dat dit voorstel verworpen zou worden en dat daarna dan wel ’t voorstel van Australië zou worden aangenomen, dat voor ons onaannemelijk is, daar het arbitrage wil over alle punten, wat dus feitelijk de erkenning de jure inhoudt van de Republiek Indonesia als souvereine staat. Ik vroeg Beel of dan Amerika geen veto zou willen uitbrengen? Neen, zei hij, dat willen ze niet. 1e omdat ze Rusland steeds ’t gebruikmaken van ’t vetorecht zoo fel verweten hebben en 2e wegens de openbare mening in de Vereenigde Staten. Wel had hij gehoopt, dat Frankrijk zijn veto zou uitspreken. Maar vanmorgen had Van Kleffens hem geseind, dat deze hoop vrijwel vervlogen was. De vraag was nu wat ik van een eventueele kabinetscrisis en de oplossing ervan dacht.

            Ik vroeg eerst: hoe staat de koningin tegenover de voortzetting van de politioneele actie in Indië? Beel antwoordde: ze is ’t heelemaal met mij eens, zelfs had ze de vorige week al gewild, dat daartoe besloten werd. Beel had dit besluit nog aangehouden, omdat hij nog steeds erop hoopte, dat hij de ministers van de Partij van den Arbeid zou bekeren. Maar dit was hem niet gelukt en dus wilde hij nu doorzetten. Hij zou nog de beslissing te Lake Success afwachten en wilde dus dinsdagmorgen ministerraad houden en dan de bom laten barsten. Hij dacht, dat de koningin hem dan, wegens ’t uittreden van enige ministers, met de reconstructie van ’t kabinet zou belasten.

            Ik meende, dat dit niet kon,omdat niet maar enkele ministers uittraden, maar alle ministers van de Partij van den Arbeid (op één of twee na, misschien). Het is een  normaal parlementair kabinet, dat steunt op twee partijen: Partij van den Arbeid en Katholieke Volkspartij. Door dit uittreden, feitelijk als een gevolg van een partijbesluit was aan ’t kabinet zijn fundament ontvallen. Mijns inziens moest dus ’t geheele ministerie aftreden. De koningin kan dan natuurlijk aan hem weer de formatie van een nieuw, al of niet parlementair kabinet opdragen. Ik wees hem op een antecedent: in 1929 had de koningin aan Ruijs opdracht gegeven een parlementair kabinet te vormen, maar met de bijvoeging, dat als hij daarin niet kon slagen, dat hij dan ook een extraparlementair kabinet kon vormen. Zulk een dubbele opdracht moet hij ook zien te krijgen. Want er is groote haast bij: uiterlijk donderdag, had Van Mook geseind, moet tot de opmars naar Djocja besloten worden. Het was echter zeer de vraag of hij in twee dagen een kabinet zou kunnen vormen. Wat dan? Als demissionair kon hij toch moeilijk met misschien één stem meerderheid in den ministerraad zulk een hoogst gewichtig besluit nemen en uitvoeren. Trouwens, hij wilde ook eerst de Tweede Kamer erin kennen. Zou deze hem in zulk een precaire positie deze volmacht geven? De anti-revolutionairen en christelijk-historischen zullen met een rechtsch kabinet willen en dus voor hun stem deze eisch stellen. Alles bij elkaar, een zeer verwarde en vrijwel hopeloze positie! En dat terwijl de toekomst zoowel van Nederland als van Indië op ’t spel staat!  Beel zei: als de Veiligheidsraad het voorstel van Australië aanneemt, draaien de lui van de Partij van den Arbeid misschien nog wel bij! 

dagboekcahier 12

28/08/1947

woensdag 28 augustus 1947

De dingen zijn in Lake Success toch beter gelopen dan gedacht was. Frankrijk heeft wèl een veto uitgebracht en het voorstel van Australië-China is tòch aangenomen. Feitelijk is dus aangenomen wat Van Kleffens had gesuggereerd. Nu tòch tegen Djocja optrekken ware een zoodanig verzet tegen de Veiligheidsraad (die nog eens met op één na algemene stemmen het verzoek tot vuren te staken had herhaald), dat dit wel een vrijwel unanieme verontwaardiging zou uitlokken. Maar als de Indonesiërs nu toch blijven vuren? Welnu, dan zou men daarna, als dit door de consuls die rapport zullen uitbrengen is geconstateerd, alsnog ter afweer tot dit doorzetten kunnen besluiten.

            De ministerraad, die gisteren zou gehouden worden, is uitgesteld tot vandaag. Het zou me verwonderen als Beel nu toch zou willen doorzetten. Door dit op te schorten voorkomt hij een scheuring in zijn kabinet en zou onze positie in de Veiligheidsraad versterkt worden. Alleen is ’t wel een ontzettende verantwoordelijkheid jegens het Indonesische volk, die we daarmee op ons laden. Maar van twee kwaden moet het minste gekozen worden.

dagboekcahier 12

29/08/1947

donderdag 29 augustus 1947

De ministerraad heeft gisteren tweemaal vergaderd, ’s morgens van tien tot twee uur en ’s avonds van acht uur tot ? Het resultaat is nog niet meegedeeld. Ik ben er zeer benieuwd naar.

            Vanmorgen een zeer onaangename verrassing. De secretaris van de redactieraad jaarboek 1898-1948 deelde me mee, dat hij mijn eergisteren ontvangen artikel had doorgelezen en … dat het eminent is, maar niet voldoet aan de verwachting. Er komt teveel in over het  regeeringstijdperk en te weinig over de koningin zelf. Het stuk over ’t regeeringstijdperk wil hij er uit hebben en dat over het parlementair-constitutionele stelsel sterk besnoeid en dit alles dan vervangen door een levensbeschrijving van de koningin! Eigenlijk is daardoor mijn heele artikel kapotgemaakt. Mijn doel was de koningin te laten zien in de lijst van haar tijd. Trouwens was mij toch gevraagd een artikel over koningin Wilhelmina als constitutionele vorstin en in hare verhouding tot het volk. Daaraan voldeed ik. Ik heb er toch wel ernstig bezwaar tegen om nu de ongetwijfeld beste en meest gedegen gedeelten van mijn artikel te schrappen en dit te vervangen door wat laf gewauwel. Ik meen vast, dat dit zeker niet in den geest van H.M. zou zijn.

            Ik heb nu mevrouw Tellegen, de directrice van het Kabinet der Koningin, opgebeld of ik haar spreken kon. Ze vroeg: waarover? Ik deelde ’t kort mee. Goed dan, vanmiddag om half vijf.  Ik hecht veel waarde aan haar oordeel, omdat zij na de bevrijding de meest intieme raadsman van H.M. is geweest. Desnoods kan ik dan nog eens gaan praten met Beelaerts van Blokland, die voorzitter is van de raad van redactie en vermoedelijk mijn bezwaren ook wel zal deelen.

dagboekcahier 12

26/11/1947

woensdag 26 november 1947

Dom van me, dat ik drie maanden lang niets optekende! En er was toch wel een en ander geweest, dat het optekenen waard was! Enfin. Ik zal maar weer eens beginnen. Ik zal maar geen terugblik werpen. Mijn aangenaam onderhoud met mevrouw Tellegen,  mijn onderhoud daarna met Beelaerts van Blokland, de voorzitter van de redactieraad voor het gedenkboek, die ’t beiden geheel met mee eens waren. Wel bleek, dat mijn stuk, berekend op twintig bladzijden druks er 30 zou beslaan! Ik heb daarom het hoofdstuk over het regeeringstijdperk eruit genomen. Al ’t overige bleef echter onveranderd. Juist kwam er een brief van Witlox, die me voor De Maasbode een groot artikel vroeg; daarvoor is nu dit hoofdstuk bestemd. Ik zal er alleen een kop en een staart aan moeten maken. Dat werk was dus ook niet vergeefs verricht.

            Dan was er ’t voornemen van de koningin om een tijd lang geheele rust te nemen, in welke tijd de prinses Juliana als regentes zou optreden. Dit tijdperk eindigt al weer op 1 december a.s. De geruchten, dat de eigenlijke reden was, dat de koningin met het huidige ministerie niet meer wilde samenwerken, bleken dus wel duidelijk slechts Haagsche kletspraat te zijn. Ik ben eindelijk gezwicht voor ’t verzoek om in ’t Brabants Nieuwsblad, gelijk vroeger in De Tijd ‘Haagsche brieven’ te schrijven. Sinds tien weken schrijf ik nu in dit blad wekelijks een ‘Haagse kroniek’.

            Met mijn ogen blijft ’t achteruitgaan. Ik kan steeds moeilijker zien. ’s Avonds lezen gaat helemaal niet meer en overdag gaat ’t steeds moeilijker. In januari moet ik weer bij prof. Van der Hoeve terugkomen. Misschien acht hij dan de staar operabel en zal ik weer goed kunnen zien![12]

dagboekcahier 1

woensdag 7 augustus 1946

(vervolg) Het onderhoud met minister Huysmans was wel heel interessant. Het gaf me wel een kijkje achter de schermen. Hij beklaagde zich erover, dat hij omringd was door versch door Vos gecreëerde hoofdambtenaren, allen partij-mannen, maar die van den gang van zaken slecht op de hoogte waren. Ik deelde hem mee, dat Vos eenige maanden voor zijn aftreden sterken aandrang op mijn zoon had uitgeoefend om ook een hooge functie te aanvaarden, zoo ongeveer adjunct secretaris-generaal, met een hoog salaris. Vermoedelijk om het partijkarakter der vorige benoemingen wat af te zwakken. Ik had hem, omdat ik voorzag, dat velen van deze hoofdambtenaren bij de komende onvermijdelijke sterke bezuiniging op de departementsuitgaven spoedig weer zouden moeten verdwijnen, sterk ontraden om op dit aanbod in te gaan. ‘Had dat maar niet gedaan’, zei de minister, ‘ dan had ik nu tenminste één betrouwbaar man naast mij gehad!’ Hij deelde mee, hoe men trachtte er hem te laten inloopen door hem de noodige voorlichting te onthouden. Zoo had men hem er ook niet opgewezen, dat hij volgens ’t Koninklijk Besluit verplicht was mijn advies te vragen over de directeursbenoeming bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ik zei: ze hebben me steeds genegeerd, vermoedelijk, omdat ze ’t zelf niet wisten! 

            Hij bleek echter vast van plan om verschillende van deze partijbenoemingen van hooge – ten deele overbodige – ambtenaren ongedaan te maken. Maar hij zou ’t wat kalmer aanleggen dan zijn collega Gielen het gedaan had. Behalve een interpellatie in de Tweede Kamer had deze zich ook reeds op ’t lijf gehaald, dat hij bij de koningin op ’t matje moest komen, vooral om zich te verantwoorden over het ontslag van dr. Idenburg. Daaruit blijkt wel, hoe er geïntrigeerd wordt: Idenburg is gehuwd met een dochter van prof. Kohnstamm, die ook al een hooge functie bij het departement van Onderwijs heeft gekregen. Zijn zoon is na de bevrijding particulier secretaris geworden van H.M. Langs deze lijn werd zij dus tegen Gielen ten bate van Idenburg opgejuind! ’t Is een onfrissche geschiedenis.

            Maar er is nog een andere kant aan deze zaak. De minister van Landbouw staat achter Smit. Wordt Smit gepasseerd, dan komt hij – zooals hij mij reeds had aangekondigd – weer in een of andere functie bij Landbouw. Practisch beteekent dit, dat de landbouwstatistiek dan weer naar Landbouw wordt teruggehaald! Zoo heeft ’t geïntrigeer van Idenburg ook zakelijk zeer ernstige gevolgen.

            Bij dit alles komen nu ook nog moeilijkheden over een aanstaande volks-, beroeps- en woningtelling. Smit schijnt in zijn verbolgenheid enkele ambtenaren van Handel en Nijverheid overtuigd te hebben, dat de door ’t Centraal Bureau voor de Statistiek voorgestelde tellingen of niet of anders moeten gehouden worden. Daarom heb ik nu weer a.s. vrijdag een bespreking aan ’t departement.[1]

[1]  Op deze plaats ligt in het cahier een knipsel uit een onbekende krant, getiteld ‘Eenheid zonder dwang’, handelend over de besluitvorming in de katholieke kamerfractie; aangestreept is een passage over ‘de zachtzinnige Aalberse’.

[2] In het origineel: ‘noch’.

[3] De voorgaande passage tussen teksthaken is in het manuscript met potlood doorgehaald. 

[4] De voorgaande passage tussen teksthaken is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[5] In het manuscript abusievelijk ‘1891’.

[6] De voorgaande passage is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[7] In het manuscript abusievelijk ‘1901’.

[8] De voorgaande twee zinnen zijn in het manuscript met potlood doorgehaald.

[9] De voorgaande drie zinnen zijn in het manuscript met potlood doorgehaald.

[10] De voorgaande passage tussen teksthaken is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[11] De voorgaande passage tussen teksthaken is in het manuscript met potlood doorgehaald.

[12] De voorgaande alinea is in het manuscript met potlood doorgehaald. Aan het einde van de tekst is in een onbekende hand - vermoedelijk die van Aalberses echtgenote - met potlood het woord ‘stakkert’ bijgeschreven. De twee hierna volgende bladzijden zijn uit het manuscript gescheurd.