Nederland en de Europese integratie, 1950-1986

 
English | Nederlands
S01881
29-04-1971
Samenvatting
317. Idee├źn President Pompidou.
Hartogh stuurt een memo van Italianer (no. 365 van 27/4) door over deze kwestie, die nogal afwijkt van de benadering van DGPZ. Volgt visie van Italianer.
Thorn koestert weinig illusies over het belang van de losse opmerkingen van Pompidou. Zijn benadering is nog oppervlakkiger en hij gaat zelfs enkele door de Franse president gestelde problemen uit de weg. Thorn deelt de 'werkhypose' van de president, dat de Europese regering moet voortkomen uit de nationale regeringen en niet uit de Europese Commissie. Het lijkt erop dat aangekoerst wordt op versterking van de intergouvernementele samenwerking en een verder terugdringen van de Commissie. De vraag van Thorn of de Europese ministers het embryo zullen vormen van de Europese uitvoerende macht, is dan slechts een rethorische vraag.
De oplossing die Thorn voorstaat, nl een Raad van Europese Ministers met een algemene bevoegdheid, die lid blijven van hun nationale regeringen, ontlast misschien de ministers van Buitenlandse Zaken, maar zal zowel voor de PV's als voor de vakministers moeilijk te verteren zijn.
De oplossing om het voorzitterschap van de Raad te laten bekleden door de voorzitter van de Commissie is blijkbaar enkel bedoeld om de ministers en nationale diensten van het voorzittend land te ontlasten. Deze voorzitter is niet onafhankelijk daar hij de voorstellen van de Commissie moet verdedigen.
Zie ook