Perioden: karakter

Perioden: karakter

Van 1795 tot 1798

Na de inval van het Franse leger in 1795 en het einde van de oude Republiek vonden veel ongelijktijdige politieke en institutionele veranderingen plaats. Dat gebeurde op plaatselijk, provinciaal en landelijk niveau. Wel bleef de decentrale structuur in de nieuwe Bataafse Republiek voorlopig bestaan, met autonome provinciale besturen. De Staten-Generaal bleven voorlopig bestaan, maar de Raad van State en het stadhouderschap werden snel opgeheven. Hun uitvoerende taken kwamen in handen van enkele Comité’s.

In 1796 droegen de Staten-Generaal hun gezag over aan een verkozen Nationale Vergadering, met opdracht een grondwet te ontwerpen. Dat laatste is de Eerste en daarna de Tweede Nationale Vergadering niet gelukt.

Van 1798 tot 1801

Een radicale staatsgreep van 22 januari 1798 en de iets gematigder staatsgreep van juni 1798 hebben wel geleid tot een grondwet. Naast een Vertegenwoordigend Lichaam dat de wetgeving ontwierp en bekrachtigde, kwam een Uitvoerend Bewind te staan. Het had 'Agenten' voor de eigenlijke uitvoering van het beleid. Ministeries deden zo voor het eerst hun intrede.

De grondwet van 1798 maakte een einde aan de provinciale zelfstandigheid. Bestuur en rechtspraak moesten in het hele land volgens hiërarchisch-centralistische principes worden ingericht. De provinciale besturen moesten eenvormig worden, onder controle van bovenaf.

Na een korte tussenperiode met Intermediaire Administratieve Besturen in de oude provincies, werden in 1798 departementen ontworpen met nieuwe grenzen. De namen waren naar Frans voorbeeld gebaseerd op rivieren, bijvoorbeeld het Departement van de Delf. Het was de bedoeling ook de rechterlijke macht volgens dit stramien te hervormen, maar daarvan is het niet meer gekomen.

Van 1801-1805

In 1801 trad het gematigde Staatsbewind aan, met naast zich het Wetgevend Lichaam van het Bataafse gemenebest. Op uitvoerend niveau werden de agenten weer vervangen door collegiaal bestuur in de vorm van Raden met een eigen beleidsterrein. De provinciale besturen kregen hun oude grenzen terug, maar bleven beperkte uniforme taken houden. Wel mochten ze eigen, door het Staatsbewind goedgekeurde, reglementen voor het interne bestuur van hun gewest invoeren. Daarmee trad weer een zekere variatie op.

Van 1805-1806

Eenhoofdig gezag deed zijn intrede met Raadpensionaris Schimmelpenninck. Naast het Wetgevend Lichaam kwam er nu naar Frans voorbeeld een Staatsraad met adviserende bevoegdheden op het gebied van wetgeving. De ministeries werden met Secretarissen van Staat elk weer toevertrouwd aan één persoon. Op provinciaal niveau bleef het collegiale bestuur wel bestaan, maar het werd tweeledig. Naast de Departementale Besturen kwamen in rang gelijkwaardige Raden van Financiën die een deel van de taken overnamen. Dit waren nationale instellingen onder verantwoording van de Secretaris van Staat voor de Financiën.

Van 1806-1810

Met de komst van Lodewijk Napoleon kwam een hectisch proces op gang. De staatsinstellingen werden zoveel mogelijk naar Franse voorbeelden omgevormd. De Koning probeerde collegiaal bestuur uit te bannen ten gunste van eenhoofdige hiërarchische leiding. Een Wetgevend Lichaam keurde door de Koning met de Staatsraad voorbereide wetten goed. Voor de uitvoering van het beleid had de Koning Ministers en Directeuren-Generaal met deeltaken. De Ministeries werden strak georganiseerd in divisies en bureaus. Het gewestelijke bestuur kwam in 1807 in handen van een Landdrost per Departement, zij het met naast zich nog een aantal Assessoren.

Van 1810-1813

In juli 1810 trad Lodewijk Napoleon af en besloot Keizer Napoleon het Koninkrijk Holland volledig op te nemen in Frankrijk. De eerste fase van het napoleontische bewind beslaat de periode van deze inlijving tot en met december van dat jaar. Een Lieutenant-Général de l' Empereur en Hollande nam onder supervisie van Napoleon de taken van Lodewijk Napoleon over. Het Wetgevend Lichaam en de Staatsraad verdwenen als overbodig van het toneel, maar de Ministeries bleven het lopende beleid uitvoeren. Ook de Landdrosten in de Departementen en de rechterlijke macht zetten hun taken voorlopig ongewijzigd voort.

Vanaf januari 1811 begon een tweede fase, die had moeten uitmonden in volledige integratie van Holland in het Keizerrijk. Dit proces werd, evenals in andere geannexeerde gebieden, begeleid door een in principe tijdelijke Gouverneur-Général in Amsterdam, gesteund door enkele Intendanten. Zij moesten voor de bestuurlijke, rechterlijke, financiële en kerkpolitieke inbedding in Frankrijk zorgen en advies geven inzake de bemanning van de instellingen. De Keizer met de centrale overheden in Parijs hadden intussen uiteraard al de volledige zeggenschap. Daar werd het inhoudelijke beleid uitgestippeld, ook voor het voormalige Holland.

Het land werd onmiddellijk verdeeld in nieuwe Prefecturen met andere grenzen en namen dan de oude Departementen. Aan het hoofd stonden Préfets die alleen verantwoordelijk waren voor de gang van zaken in hun gebied. Inhoudelijk stond de Préfet in rechtstreeks contact met de regering in Parijs. Ook de rechterlijke macht werd geheel gereorganiseerd naar Frans model.

Van alle aanpassingen heeft de invoering van de Franse belastingen door de Intendant Général des Finances de meeste voeten in de aarde gehad. Hij heeft deze niet vóór de opstand van november 1813 rond kunnen krijgen. Een nieuw reglement voor de protestantse kerken in Nederland is op de valreep niet meer vastgelegd.

In november 1813 was het overduidelijk dat de macht van Napoleon tanende was. In Den Haag en Amsterdam werden stappen ondernomen die zouden leiden tot de aanstelling van Willem Frederik van Oranje als Souverein Vorst.