Provinciale Staten van Limburg (1816-1861)

Provinciale Staten van Limburg (1816-1861)

In het bestand zijn de volgende functies opgenomen:

Toelichting:

Institutionele toelichting Provinciale Staten van Limburg (1816-1861)

Naam:
De grondwet van 1815 spreekt over de Staten; de grondwet van 1848 over de Provinciale Staten.

Datum oprichting:
De benoemingen werden gedaan bij kb van 20 februari 1816. De eerste vergadering vond plaats op 18 maart 1816. Na de opstand in en de afscheiding van Zuidelijk Nederland in 1830 hielden de Staten van Limburg op te functioneren. In de herziene grondwet die op 4 september 1840 (Staatsblad nrs. 48-59) kracht van wet kreeg werd Limburg een Nederlandse provincie. Het kb van 28 september 1841 behelsde een reglement voor de hernieuwing van de Staten. De benoemingen werden gedaan bij kb van 30 september 1841. De eerste vergadering vond plaats op 12 oktober 1841.

Vestigingsplaats:
Maastricht.

Zetelaantal:
1816-1830: 60.
1841-1850: 39.
Sedert 1850: 45.

Zetelverdeling:
1816-1830: ridderschap 20, steden 20, landelijke stand 20.
1841-1850: ridderschap 13, steden 13, landelijke stand 13.
1850-1852: 5 kiesdistricten. Dit was een overgangsregeling. De Wet houdende regeling van de verdeling der provincies in kiesdistricten van 5 november 1852 (Staatsblad nr. 197) legde de indeling in kiesdistricten vast.
Sedert 1852: 9 kiesdistricten.
Zie bijlage.

Zittingstermijn:
1816-1825: drie jaar.
Sedert 1825: zes jaar. De overgangsregeling bepaalde dat leden die in 1825 gekozen waren zitting hadden tot 1829, en leden die in 1826 gekozen waren tot 1831. Vanaf de verkiezingen in 1827 zou de zittingstermijn zes jaar geweest zijn. Deze termijn gold sedert 1841.

Rooster van aftreden:
1818-1825: jaarlijks trad een derde deel van de leden van iedere stand af. Om in buitengewone vacatures te voorzien werd voor elk lid een plaatsvervanger gekozen, die in geval van overlijden of ontslag optrad.
1825-1830 en 1841-1850: om de twee jaar trad een derde deel van de leden van iedere stand af. Het stelsel van plaatsvervangers verviel; ontstond een tussentijdse vacature dan moest een nieuwe vergadering van het kiescollege plaatshebben. De verkiezingen vonden op 1 juni plaats, de leden traden op 1 juli af.
Sedert 1850: om de drie jaar trad de helft van de leden af. De periodieke verkiezingen werden gehouden op de tweede dinsdag in mei, op de eerste dinsdag in juli werd afgetreden. Verkiezingen na buitengewone vacatures vonden plaats binnen twee maanden na het ontstaan ervan.
Voor de gehele periode 1814-1861 gold dat de systematiek van het rooster van aftreden bij buitengewone vacatures de zetel volgde en niet de persoon, die derhalve geen volle termijn kreeg.

Personeel:
De griffier werd tot 1850 door de koning benoemd. De provinciale reglementen van 1817 bepaalden dat aan de benoeming een voordracht van drie of meer voorafging, opgesteld door de Staten. Bij kb van 14 augustus 1823 werd bepaald dat de griffier geen lid van de Staten mocht zijn. Na de invoering van de Provinciewet in 1850 werd de griffier benoemd en ontslagen door de Provinciale Staten op voorstel van Gedeputeerde Staten.

Benoeming/verkiezing:
De eerste bezetting in 1816 kwam tot stand door benoemingen van de souvereine vorst. Vanaf 1818 werden de leden gekozen. De onderscheiden standsreglementen bepaalden dat de edelen werden gekozen door de provinciale ridderschap in directe verkiezing, stedelijke vertegenwoordigers in een verkiezing met de dalende trappen stedelijk raad - kiescollege - stemgerechtigden, en de plattelandsdistricten eveneens getrapt hun leden kozen, door een kiescollege dat gekozen werd door de stemgerechtigden.
In de grondwet van 1848 werd bepaald dat de verkiezing van de leden van Provinciale Staten direct door de ingezetenen gebeurde. De vertegenwoordiging in standen verdween.
Om een overzicht te krijgen van de beginfase, waarin de koning de benoemingen deed, zijn ook degenen opgenomen die in 1816 benoemd werden maar deze benoeming niet aannamen (en feitelijk geen lid geweest zijn van de Provinciale Staten).

Aanvangs- en einddatum in het Repertorium:
De aanvangsdatum is de dag van zitting nemen. De provinciale reglementen van 1817 vermeldden dat de aftreding jaarlijks op de eerste van de maand juli zal zijn. (De verkiezingen waren op 1 juni, de vergadering werd geopend op de eerste maandag in juli.) De provinciewet van 1850 gaf als datum van aftreden de dag dat de nieuwe vergadering geopend werd (de eerste dinsdag in juli. De nieuwe leden werden op de tweede dinsdag in mei gekozen).
De Limburgse Staten hielden na de Belgische afscheiding in 1830 op te functioneren. De einddatum voor degenen die gekozen of herkozen waren in 1826-1830 is het eind van hun reglementair bepaalde zittingstermijn, tenzij er sprake was van overlijden of ontslag.

Bronnen:
Rijksarchief Limburg, Provinciaal bestuur (04.01) nrs. 2779-2785 (notulenregisters); nr. 12459 e.v. (gedrukte notulen); nr. 12528 e.v. (verslagen van Gedeputeerde Staten).

Naamlijst:
Nuyens, E., en J.H.J. Gulikers, Ledenlijst van de Provinciale Staten in Limburg 1816-1958 (op studiezaal in het Rijksarchief Limburg).

Literatuur:
-Nuyens, E.M.Th.W., Inventaris der archieven van het provinciaal Bestuur van Limburg 1814-1913(Maastricht 1982).
-Nuyens, E.M.Th.W., De staatkundige geschiedenis der provincie Limburg vanaf haar ontstaan tot aan haar uiteenvallen in 1839 ([z.pl.] [1956]).
-Verbeet, G.J.B., Limburg op de tweesprong. Welvaart en politiek dilemma 1814-1839 (Maastricht 1978).

Opmerkingen:
De opeenvolgende provinciale reglementen voor Limburg werden vastgesteld bij kb van 4 december 1815, bij kb van 26 februari 1818 en bij kb van 30 mei 1825. De Provinciewet (Staatsblad nr. 39) trad op 10 juli 1850 in werking.

Bijlagen:
De zetelverdeling:

stad 1816 1825 1841
Hasselt 2 2
Maaseik 1 1
Maastricht 6 6 6
Roermond 3 2 2
Sittard 1 1 1
Tongeren 2 2
St. Truiden 2 2
Venlo 2 2 2
Weert 1 2 2
totaal 20 20 13

Aanvankelijk werd Sittard door twee - door de koning benoemde - leden in de Staten vertegenwoordigd. Dit tweede lid zou Sittard gaan afwisselen met Maaseik. Omdat in 1818 Weert tot stad werd verklaard verviel deze bepaling. De eerste vertegenwoordiger voor Weert kwam in 1819 in de Staten. In 1825 kreeg Weert een tweede lid ten koste van Roermond.

plattelandsdistrict 1816 - 1830 1841 - 1850
Bergen 1 1
Beringen 1
Bilzen 1
Borgloon 1
Bree 1
Brustem 1
Echt 1
Eijsden 1
Gronsveld 1
Gulpen 1 1
Heerlen 1 1
Heijthuizen 1 1
Herk-de-stad 1
Horst 1
Kessel 1 1
Koninksem 1
Mechelen 1
Meerssen 1 1
Oirsbeek 1 1
Susteren 1 1
Thorn 1 1
Valkenburg 1 1
Zonhoven 1
totaal 20 13

kiesdistrict 1850 1852
Gulpen 4
Heerlen 9 4
Horst 4
Maastricht 9 6
Meerssen 5
Roermond 9 6
Sittard 9 5
Venlo 9 5
Weert 6
totaal 45 45