Adela van Hamaland (952-1021)

 
English | Nederlands

ADELA gravin van HAMALAND (geb. ca. 952 – gest. na 1021), omstreden erfgename van het graafschap Hamaland. Dochter van Wichman II, graaf van Hamaland (reg. 952-kort na 973?), en Liutgard (gest. 962). Adela van Hamaland trouwde (1) met Immed (gest. ca. 983?, voor 996); (2) met Balderik (gest. 1021). Uit huwelijk (1) werden 5 kinderen geboren, huwelijk (2) bleef kinderloos.

Adela van Hamaland was de oudste dochter van de machtige en rijke graaf Wichman II van Hamaland (De Graafschap en De Liemers). Haar moeder Liutgard was een dochter van graaf Arnulf van Vlaanderen en Adela van Vermandois. Adela – vernoemd naar haar grootmoeder – had een zuster, eveneens Liutgard geheten, en een broer, Wichman III. Deze stierf op jonge leeftijd.

Adela’s eerste echtgenoot wordt in de Vita Meinwerci (de niet altijd even betrouwbare levensbeschrijving van bisschop Meinwerc van Paderborn, zoon van Adela en Immed) graaf van Renkum en edelman uit het bisdom Utrecht genoemd. Vermoedelijk is Immed echter afkomstig uit het Keulse. Adela en Immed kregen vijf kinderen. Na de dood van Immed zette Adela zijn bewind voort, wat mede blijkt uit het feit dat zij munten liet slaan met het opschrift Adala cometissa. Het is ook mogelijk dat zij in die functie optrad als regentes voor haar zoon Dirk.

Strijd om de erfenis

Adela is bekend geworden door haar strijd om de macht in Hamaland. Haar vader begiftigde het op de Elterberg gelegen en door hem gestichte ‘jufferenstift’, de vrouwenabdij Elten, met een groot deel van het familiegoed. Vervolgens stelde hij zijn dochter Liutgard als eerste abdis aan. In 973 stelde de keizer het stift op verzoek van Wichman en Liutgard juridisch gelijk met de rijksstiften te Quedlinburg, Essen en Gandersheim. Zo kwam het direct onder bescherming van de keizer. Bovendien verkreeg Elten immuniteit, die het onttrok aan de rechtspraak van de graven en het beschermde tegen lokale potentaten. Op deze manier werd het behoud van het bezit gewaarborgd. Na de dood van vader Wichman (vermoedelijk kort na 973) schonk Liutgard haar gehele erfdeel aan het stift.

Over deze erfenis ontstond een strijd tussen Liutgard en Adela. Twee van Liutgards vazallen, Balderik en Godizo, legden een burcht van Adela in de as, volgens Alpertus van Metz (11de eeuw) ‘vanwege het vele onrecht dat Adela haar zuster, vrouwe Liutgard, steeds aandeed’. Toen Liutgard omstreeks 995 gestorven was en Adela, aldus Alpertus, ‘als een furie’ de strijd om Elten begon, kwam het vrij snel tot een huwelijk tussen haar en bovengenoemde Balderik. Deze liet hiermee een fraai staaltje opportunisme zien: aanvankelijk was hij vazal van de ene zus, na haar dood echtgenoot van de andere.

Nog voordat Adela met Balderik trouwde, had zij zich volgens Alpertus van Metz al meester gemaakt van het erfdeel dat Liutgard aan het stift had geschonken. Op bevel van keizer Otto II moest ze echter weer afstand doen van die goederen. Haar huwelijk met Balderik was duidelijk bedoeld om haar verloren erfdeel terug te krijgen. Vrijwel direct na zijn jawoord bezette Balderik de Elterberg, waarna Otto III tussenbeide kwam. Hij stelde een regeling voor om de geschillen op te lossen: een boedelscheiding tussen Elten enerzijds en Balderik en Adela anderzijds.

In 996 kwam het inderdaad tot de verdeling van een groot aantal landgoederen. Er wordt gezegd dat het echtpaar de strijd daarna staakte. Dit is echter niet het geval. Direct na de dood van Otto III bezetten Balderik en Adela opnieuw Elten (en moesten zij dit op bevel van de nieuwe keizer Hendrik II weer verlaten). Later blijkt Balderik op te treden als graaf in Hamaland en op de Veluwe. Zijn huwelijk met Adela was daarvoor een absolute maar uiteindelijk toch geen doorslaggevende voorwaarde. In ieder geval heerste het paar over een inmiddels uitgestrekt gebied. In de Vita Meinwerci staat misprijzend beschreven hoe Adela en Balderik, staand op een versterking nabij Renkum, ‘verlekkerd uitkijken over hun bezittingen en zich verkneukelen over hun rijkdommen’.

In het vervolg van de machtsstrijd in Hamaland kwam het tot de moord op de belangrijkste rivaal van Balderik, Wichman van Vreden. Adela kreeg daarvan de schuld. Zij werd gezien als aanstichtster, terwijl Balderik voor de dader werd gehouden. De bondgenoten van Wichman belegerden de burcht Uplade bij Elten, waaruit Balderik inmiddels was gevlucht maar waar Adela was achtergebleven. De belegerden waren in het nadeel door hun geringe aantal, en hadden volgens Alpertus van Metz ‘zelfs vrouwen met helmen op het hoofd, op de muur opgesteld; zo deden ze het voorkomen alsof die ook strijders waren, in de hoop dat de vijanden bij het zien van het schijnbare aantal gewapenden zouden wanhopen aan de mogelijkheid de vesting in te nemen’. Toen de belegerden zich ten slotte overgaven, kreeg Adela met al haar have en goed een vrije aftocht. De burcht werd in brand gestoken.

Overlevering

Het zijn vooral de kroniekschrijvers die Adela in een kwaad daglicht stellen. Alpertus van Metz schilderde Adela in zijn Gebeurtenissen van deze tijd af als een vrouwelijke Kaïn. Toch zag hij ook enig talent: 'Het is overigens hoogst verwonderlijk dat deze gezusters, geboren uit de meest doorluchtige ouders, zozeer van elkaar konden verschillen, dat men evenzoveel deugden in de een kan prijzen als gebreken aanwijzen in de ander […]. We moeten maar stilzwijgend voorbij gaan aan hetgeen men over Adela vertelde: dat ze veel te luid praatte, wulpse taal uitsloeg, even harmonisch gekleed ging als ze van binnen losgeslagen was, en door haar oogopslag haar onevenwichtigheid verried. Wij weten evenwel dat ze met veel talent in allerlei werk bedreven was, dat ze talrijke dienaressen diverse weeftechnieken had bijgebracht, en dat ze in het vervaardigen van kostbare gewaden bijna alle vrouwen in onze streken overtrof. Dat is de enige beschaafde trek die men in haar erkent’.

In het vervolg van zijn relaas aarzelt Alpertus niet Adela neer te zetten als degene die haar zus zou hebben vergiftigd. De schrijvende monnik was natuurlijk vooringenomen. Bovendien meldt hij dat Adela zich in de ogen van sommigen had verlaagd door te trouwen met een man beneden haar stand. Het is waarschijnlijk dat zij een minder prominente rol speelde dan bijvoorbeeld Alpertus ons wil laten geloven en dat Balderik een aanzienlijker positie innam dan wordt meegedeeld.

Kortom, Adela verzette zich tegen de beschikkingen van haar vader en wekte daarmee de toorn van de kroniekschrijvers. Thietmar van Merseburg noemt haar een tweede Herodias (de vrouw van Herodes, die haar dochter Salome opstookte om het hoofd van Johannes de Doper te vragen in ruil voor haar dans) en de onbekende biograaf van Adela’s zoon bisschop Meinwerc is al niet milder gestemd. Aan hem is het te danken dat Adela bovendien als moordenares van haar oudste zoon Dirk te boek staat. Dat lijkt ver bezijden de waarheid. Zij is dan ook nooit veroordeeld voor dit vermeende misdrijf.

Juist de onwaarschijnlijk zwaar aangezette ‘misdaden’ die aan Adela worden toegeschreven en de daaropvolgende – bijna geruisloze – vrijwaringen dienen de nuance. Het meest opvallende is dat geschiedkundigen tot ver in de negentiende eeuw bleven bijdragen aan de negatieve beeldvorming van Adela, bijvoorbeeld door kwalificaties als de ‘lady Macbeth van de Lage Landen’.

Adela stierf na haar tweede echtgenoot. Ze werd begraven in de Sint-Petruskerk (Dom) in Keulen. Veel later ging het verhaal dat haar stoffelijke resten door onverlaten zouden zijn opgegraven en in de Rijn geworpen toen de stad werd geteisterd door een storm. De storm zou veroorzaakt zijn door Adela, alleen al door de aanwezigheid van haar graf. Ook de rivier protesteerde tegen Adela, door nog dagen te bruisen en te kolken.

Naslagwerken

Van der Aa; BWG; Chalmot; Kobus/De Rivecourt; Verwoert.

Literatuur en bronnenuitgaven

Vita Meinwerci episcopi Patherbrunnensis, F. Tenckhoff ed., Monumenta Germaniae Historica (Hannover 1921). 

 F. Oediger, ‘Adelas Kampf um Elten (996-1002)’, Annalen des Historischen Vereins für die Niederrhein 155/156 (1954) 67-86.

Thietmar van Merseburg, Chronicon, W. Trillmich ed., in: Ausgewählte Quellen zur deutschen Geschichte des Mittelalters (Berlijn 1962). 

A. Wirtz-Henningsen, ‘Die Geschichte des Hamalandes’, Annalen des Historischen Vereins für die Niederrhein 173 (1971) 1-84.

Alpertus van Metz, De diversitate temporum et fragmentum de Deoderico episcopo Mettensi, H. van Rij en A. Sapir Abulafia ed. (Amsterdam 1980).

J.M. van Winter, ‘Die Hamaländer Grafen als Angehörige der Reichsaristokratie im 10. Jahrhundert’, Rheinische Vierteljahrsblätter 44 (1980) 1-48.

H.P.H Jansen, ‘Adela van Hamaland’, in: C. Tamse e.a. red., Vrouwen in het landsbestuur. Van Adela van Hamaland tot en met koningin Juliana (Den Haag 1982) 10-22.

R. Strating, ‘Adela, heerszuchtige vrouw of vrouwelijk heerser? De lotgevallen van een gravin en haar verhaal door Alpertus van Metz’, in: M. Mostert e.a. red., Vrouw, familie en macht. Bronnen over vrouwen in de Middeleeuwen (Hilversum 1990) 167-180.

A. Kos, ‘Machtsstrijd in Hamaland. De politieke ambities van Balderik en Adela (ca. 973-1021)’, Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 5 (2002) 27-68.

H.H. Jongbloed, ‘Wichman, Adela en Alpertus. De Eltense boedelkwestie (968-996)’, Bijdragen en Mededelingen. Historisch Jaarboek voor Gelderland 96 (2005) 7-47.

H.H. Jongbloed, ‘Immed “von Kleve” (um 950). Das erste Klevische Grafenhaus (ca. 885-ca. 1015) als Vorstufe des geldrischen Fürstentums’, Annalen des Historischen Vereins für den Niederrhein insbesondere das alte Erzbistum Köln 209 (2006) 13-44.

Illustratie

Munt van Adela van Hamaland, ca. 1000 (uit: Corpus Nummorum Saeculorum).

Auteur: Anton Kos

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 6

laatst gewijzigd: 13/01/2014