Akerlaecken, Maria Margaretha van (1605-na 1662)

 
English | Nederlands

AKERLAECKEN, Maria Margaretha van (ged. Dordrecht 6-2-1605 – gest. na 1662), dichteres en genealoge. Dochter van Barthold van Akerlaecken (gest. 1646), jurist en genealoog, en Elisabeth van Ghesel (1585-1619). Voor zover bekend bleef Maria van Akerlaecken ongehuwd.

Maria Margaretha van Akerlaecken werd geboren als jongste van de zes kinderen  – vier jongens en twee meisjes – van de jurist Barthold of Barthout van Akerlaecken en Elisabeth van Ghesel, beiden uit Dordrecht. Haar ouders waren op 19 juni 1594 getrouwd in Schoonhoven. In 1599 was haar vader schout ad interim in Dordrecht, later vestigde hij zich als advocaat in Zevenbergen (Brabant). Daar bracht Maria Margaretha naar eigen zeggen het grootste deel van haar jeugd door (Den Cleefschen Pegasus, katern D, vijfde gedicht). Weer later – onbekend is wanneer – trad haar vader in dienst van Lodewijk van Egmond (1600-1654); op 10 juli 1615 promoveerde hij in Groningen. Haar moeder stierf in maart 1619 in Dordrecht.

Broodschrijfster en genealoge

De vader van Maria Margaretha van Akerlaecken was actief als genealoog. In 1627 publiceerde hij zijn onderzoekingen onder de titel Genealogien der hertoghen van Gelre, Gulick, Cleve, Berghe ende graven Vander Marck. Na zijn dood in 1646 zette Maria Margaretha van Akerlaecken zijn genealogische speurwerk voort. Zo schreef zij op 30 juli 1647 een briefje aan Constantijn Huygens met de vraag wanneer prins Willem II de Orde van de Kousenband had gekregen (gecit. en afgedrukt bij Van den Besselaar, 110). Een jaar later ontving ze tweehonderd gulden voor de dedicatie van een genealogische publicatie aan Frederik Hendrik (Keblusek, 184). Dit zou erop kunnen duiden dat Van Toll gelijk heeft met zijn bewering dat Maria Margaretha van Akerlaecken al in 1646 haar vaders werk uitgaf onder de titel Geslachtsafkomsten der hertogen van Guelre, een uitgave die niet in Nederlandse bibliotheken is te vinden.

Hoe het ook zij, vast staat dat Maria Margaretha van Akerlaecken haar vaders werk in 1655 uitgaf onder de titel De oude, groote ende warachtighe genealogien. Hiervoor schreef ze een ‘onderrichtinge hoe men dit boek lezen moet’, die ze begint met de typische bescheidenheidstopos van vrouwen: als er fouten in het werk zitten, moet de lezer het niet haar vader zaliger kwalijk nemen, maar haar, ‘hebbende maar een vrouwelijk verstand’. Vervolgens schrijft zij de genealogie van haar vader geleerd te hebben, ‘alzo ik van jongs af aan een groot vermaak in die studie heb genomen’. Hij heeft haar een weinig van zijn wetenschap meegedeeld omdat hij zag dat ze er ‘sterk toe genegen’ was, en een dergelijke geneigdheid is een voorwaarde voor genealogisch onderzoek: er is veel geduld, grote moeite en geld voor nodig. Naar haar rol als bezorgster van haar vaders werk is nog nooit onderzoek gedaan. In het oog springen vooral de acht korte gedichten die zij eraan heeft toegevoegd, waaronder een lofdicht op de genealogie.

Maria Margaretha van Akerlaecken profileerde zich vooral als een broodschrijfster die niet vanuit geleerdheid, maar vanuit haar ‘natuur’ de dichtkunst had omarmd. In 1654 publiceerde zij haar dichtbundel Den Cleefschen Pegasus bij Nicolaes van Herfelt, de Nijmeegse uitgever bij wie een jaar later ook de heruitgave van haar vaders genealogieën zou verschijnen. In het voorwoord op de bundel, die haar levensmotto ‘Mijd strijd. Lijd nijd. Vrijheid, blijheid’ meekrijgt, stelt ze – zonder nadere toelichting – tegen haar zin jarenlang in Kleef te hebben gezeten. Zodoende kon ze niet het genealogisch werk van haar vader uitgeven en heeft ze zich beziggehouden met het bezingen van de keurvorstelijke doorluchtigheden en het beschrijven van hun levens, niettegenstaande zij ‘maar een juffer’ was. Ze droeg haar bundel op aan de ‘berispers ofte momisten’, want Momus moest overwonnen worden (Momus is onder meer de god van de nijd).

De bundel bevat 71 gedichten, meest lofdichten op vorstelijke personen, zoals Hendrik Willem, keurvorst van Brandenburg en zijn vrouw Louise Henriette, Johan Maurits van Nassau en Albertina Agnes. Uit een brief van Van Akerlaecken aan Johan de Witt (10-12-1653) met het verzoek om zijn titulatuur, blijkt dat ze ook twee lofdichten op hem in de bundel had willen opnemen (tekst van brief en beide gedichten in Van Akerlaecken en Chais van Buren, 19-20). Sommige gedichten bieden persoonlijke informatie over Van Akerlaecken. Zo meldt ze in een lofdicht op Louise Henriette dat deze haar ooit had vergeleken met Anna Maria van Schurman (‘voorts genadigste vrouw bedank ik u nog zeer/ dat gij bewezen hebt aan mij grote eer/ bij de overste ziel gaf gij mij zo een glans/ en stelde mij gelijk neffens juffer Scheurmans’). Ook verhaalt ze dat de heren Staten van Gelre bij haar op bezoek zijn geweest om haar genealogische aantekeningen te bewonderen, en dat ze van Johan Maurits een vergulde bokaal gevuld met rijksdaalders had ontvangen. Op 26 september 1652 schrijft ze een gedicht op het ‘jaarlijkse tractement’ dat ze van de keurvorst ontvangt. Uit de datering van de gedichten blijkt dat ze in 1648 in Den Haag was, in 1649 in Kleef en vanaf juli 1654 in Nijmegen.

In 1660 publiceerde Van Akerlaecken bij Iohannis Rammazeyn in Den Haag  Het vrolyck bancquet der goden, een lofzang op de Engelse Karel II. In datzelfde jaar bracht ze een prent van zijn stamboom op de markt, versierd met gedichten en heraldische gegevens. Haar laatste publicatie is Den lof der vrouwen, in 1662 verschenen bij de Antwerpse uitgever Marcelis Parijs. Opmerkelijk is de directe en felle toon waarmee ze de ondergeschiktheid van vrouwen aan de kaak stelt. Het werk wekt de indruk voor de vuist weg te zijn geschreven, zonder het obligate vertoon van geleerdheid dat vrouwenloven vaak kenmerkt. Ze veroordeelt mannen die menen dat vrouwen niet kunnen schrijven (Veld, 205-206). Daarom heeft ze de pen opgepakt: ‘Want de mans doen met haar pennen/ ’t Lof des mans wel ieder kennen;/ Dus moet van mijn pen geschiên/ ’t vrouwenlof ook mede te zien’ (Den lof der vrouwen, 4).

Dood en reputatie

Na de publicatie van Den lof der vrouwen ontbreekt ieder spoor van Maria Margaretha van Akerlaecken. Volgens Kramm zou zij in of iets na 1670 zijn overleden; hij heeft deze informatie uit ‘een zeer oud werk’ dat hij niet nader benoemt. Maria Margaretha van Akerlaecken heeft als dichteres weinig waardering gekregen van letterkundigen. Haar werk wordt afgedaan als ‘zeer middelmatig’ (Schotel), ‘kreupele rijmen’ (Van Akerlaken en Chais van Buren) waarin ‘de poëzie ver te zoeken is’ (NNBW). Toch werd zij opgenomen in de Lauwerkrans, en daarmee lijkt er nieuwe belangstelling te zijn ontstaan voor deze zeer vroege broodschrijfster. Schreef Van den Besselaar in 1977 dat zij nooit in een van de letterkundige overzichten werd genoemd, in 2008 kreeg zij van Porteman en Smits-Veldt een plaats in hun overzichtswerk Een nieuw vaderland van de muzen vanwege het zelfbewustzijn waarmee ze haar dichtwerk uitgaf, ondanks haar ‘evident gebrek aan dichterlijke scholing’. Zij heeft in vier opzichten een primeur op haar naam staan: ze was de eerste vrouw in het Nederlandse taalgebied die werk uitgaf dat door een man was geschreven, die haar eigen werk bundelde en uitgaf, die openlijk een broodschrijfster was en zich als ‘genealogiste’ op de titelpagina’s van haar werk  presenteerde. Voor haar werk als genealoge is tot op heden weinig belangstelling geweest.

Naslagwerken

Van der Aa; Kobus/De Rivecourt; Kramm (aanhangsel); Lauwerkrans; NBAC; NNBW.

Archivalia

  • Stadsarchief Dordrecht: Archief nr.11, inv. nr. 3 (dopen, 6-2-1605).

  • Universiteitsbibliotheek Leiden (handschriften): brief van M.M. van Akerlaecken aan Huygens, 1647.

Publicaties

Onder haar eigen naam:

  • Den Cleefschen Pegasus, inhoudende den loff van hare keurvorstelijcke doorluchtigheden (Nijmegen 1654) [zie http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Renaissance/Ursicula.html].
  • Het vrolyck bancquet der goden. Over het herstellen van de drie croonen, Engelant, Schotlant ende Yerlant, tot lof van Carel de Tweede (Den Haag 1660) [Knuttel Pflt. 8208].
  • Den lof der vrouwen tegen der vrouwen lasteraers (Antwerpen 1662).
  • Atlas van Stolk, Rotterdam: nr. 2281, De croon van coninck Carel de II [zie ook Frederik Muller, nr. 2161].

Onder de naam van haar vader:

  • Geslachtsafkomsten der hertogen van Guelre, Gulick, Cleve, Bergh en der graven van den Marck, mitsgaders van verscheidene andere vorsten (z.p. z.j.) [ex. in UBA heeft geen titelpagina].
  • De oude, groote ende warachtighe genealogien der hertogen van Gelre, Gulick, Cleve, Berge ende graven vander Marck. Vermeerdert ende met rymen verciert, en nu de eerstemael uyt-gegeven door iuffr. Maria Margareta van Akerlaecken, dochter van den auteur(Nijmegen 1655).
  • Vermeerderde hoog vorstelijcke genealogie van Gelre, Cleve, Gulijck, Bergen en Marck, door haar vader met seer groote kosten ende sware studien met haar wapens en coleuren tesamen gevoeght ende in een forme van een caert gestelt ofte een boeck [zondere nadere gegevens genoemd door NNBW en door Van Toll].

Literatuur

  • G.D.J. Schotel, Letter- of oudheidkundige avondstonden (Dordrecht 1841) 152-153.
  • G.D.J. Schotel, ‘Aanteekeningen betreffende drie dichteressen uit de XVIIde eeuw’, Algemeen Konst- en Letterbode (1843) 1, 290-297, aldaar 290-293.
  • D. van Akerlaken en C.A. Chais van Buren, Verzameling van eenige geschriften vervat in het familie-archief van jhr. mr. D. van Akerlaken (Haarlem 1889) 1-80 [met o.a. integrale tekst van Den lof der vrouwen].
  • M.G. Wildeman, ‘De oudere generatiën van het geslacht Van Akerlaken’, De Wapenheraut 20 (1916) 464-468 [over de onjuisheid dat de familienaam ‘Storm van Akerlaecken’ is geweest].
  • Jurriaan van Toll, Nederlandsche sibbekundigen 1 (Naarden 1944) 21-25.
  • W.Ph.V. [Veeren] en F.d.J.de.J. […], ‘Van Akerlaken’, Nederland’s Patriciaat 42 (1956) 11-22, aldaar 11-12 [alleen gegevens ouders en broer Adriaen].
  • ‘Van Akerlaken’, Nederland’s Adelsboek 79 (1988) 43-49.
  • José van den Besselaar, ‘Die Sängerin des “Cleefschen Pegasus”’, in: Guido de Werd red., Soweit der Erdkreis reicht. Johan Moritz von Nassau Siegen, 1604-1679. Tentoonstellingscatalogus Städtisches Museum Haus Koekkoek Kleve (Kleef 1979) 107-116.
  • Marika Keblusek, Boeken in de hofstad. Haagse boekcultuur in de Gouden Eeuw (Hilversum 1997) 184.
  • Simone I. Veld, Tot lof van vrouwen? Retorica, sekse en macht in paradoxale vrouwenloven in de Nederlandse letterkunde (1578-1662) (diss. Utrecht 2005) 202-228 [over Van Akerlaeckens Lof der vrouwen].

Illustratie

Titelpagina van Den lof der vrouwen, waar Van Akerlaecken zich presenteert als ‘genealogiste’ (Koninklijke Bibliotheek, Den Haag).

Auteur: Els Kloek

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 242

laatst gewijzigd: 08/10/2016