Aulnis de Bourouill, Hester Adrienne Henriette barones d’ (1920-1996)

 
English | Nederlands

Aulnis de Bourouill, Hester Adrienne Henriette, barones d’, vooral bekend als H.A.H. van Till-d’Aulnis de Bourouill (geb. Den Haag 3-9-1920 – gest. Den Haag 29-12-1996), gezondheidsjuriste, specialiste medische ethiek, pleitbezorgster van een zorgvuldige dood. Dochter van George baron d’Aulnis de Bourouill (1888-1927), directeur van een technische handelsmaatschappij, en Arnolda Johanna Paulina Herten (1885-1949), concertzangeres. Adrienne d’Aulnis de Bourouill trouwde op 16-10-1943 in Den Haag met Jacobus Catharinus Cornelis baron van Till (1900-1977), bankfirmant. Uit dit huwelijk werden 2 dochters en 1 zoon geboren.

Adrienne de Bourouill groeide op in Den Haag met een oudere broer. Ze was nog geen zeven jaar toen haar vader overleed; daarna woonde ze met haar moeder en broer in verscheidene pensions in Den Haag. Na haar eindexamen gymnasium beta op het Vrijzinnig Christelijk Lyceum studeerde ze vanaf 1939 rechten in Leiden, totdat de universiteit een jaar later door de bezetter werd gesloten. Voortvarend stapte ze over naar de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar ze in 1943 afstudeerde. In oktober van dat jaar trouwde ze in Den Haag met Jaap baron van Till, firmant van de bank Landry & Van Till. Ze kregen drie kinderen: twee dochters en een zoon. Het gezin woonde in een kapitaal pand aan de Alexanderstraat, op loopafstand van de bank. Tot het huispersoneel behoorden een kokkin, een butler en een Franse gouvernante.

Hersendoodcriteria

Adrienne van Till heeft de lat altijd hoog gelegd. Ze studeerde in recordtijd af, kwam enige malen over de finish van de Tulpenrally met een van de weinige vrouwelijke equipes, kon uitstekend skieën en zeilde in 1967 de tocht naar Chatham in Engeland met een vrouwelijke bemanning. Zij heeft het altijd als een tekortkoming gevoeld dat zij niet, net als haar broer, actief is geweest in het verzet tijdens de bezetting. Dit zou een belangrijke motivatie voor haar worden om zich te bekwamen in de medische ethiek en zo haar bijdrage aan de samenleving te leveren. Ze wilde misstanden tegengaan bij abortus, euthanasie en levensbeëindiging bij orgaantransplantatie, zoals die zich onder het nazibewind hadden voorgedaan.

Het opvoeden van kinderen was geen favoriete bezigheid van Adrienne van Till en het leven in de Haagse society boeide haar niet. Nog voordat haar jongste dochter in 1967 eindexamen had gedaan, nam ze opnieuw plaats op de Leidse collegebanken om haar rechtenstudie op te frissen. Aanvankelijk was het haar bedoeling om repetitor te worden, maar in 1968 werd ze desgevraagd secretaris van de commissie orgaantransplantatie van het Nederlandse Rode Kruis. De commissie moest omschrijven wanneer een mens onomkeerbaar dood is en dus wanneer tot verwijdering van de voor transplantatie geschikte organen kon worden overgegaan. In de wet was daarover niets te vinden en juridische literatuur ontbrak nagenoeg. Van Till raakte gegrepen door het onderwerp. Tijdens haar onderzoek liep ze als juriste mee in de praktijk: ze bezocht operatiekamers en legde medici het vuur na aan de schenen over de procedures rond het stervensproces en eventuele reanimatie. Door deze aanpak won ze gezag bij zowel medici als juristen. Eind 1970 promoveerde ze op de medisch-juridische aspecten van het einde van het menselijk leven. In haar dissertatie pleit Van Till voor de invoering van het criterium hersendood ter bepaling van het eind van het menselijk leven. Pas na het vaststellen van het volledig en onomkeerbaar uitvallen van de hersenfunctie zou moeten worden overgegaan tot transplantatie van organen.

Het proefschrift van Adrienne van Till moest al gauw herdrukt worden. Ze werd een veelgevraagd spreekster en auteur van wetenschappelijke artikelen over het onderwerp, in binnen- en buitenland. Ook trad zij op als getuige-deskundige in rechtszaken. In juni 1971 werd ze juridisch adviseur van het hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis. Rond die tijd verscheen het (eerste) eindrapport van de Commissie Orgaantransplantatie, waarvan Adrienne van Till nog steeds secretaris was. Vervolgens was ze van 1971 tot 1974 lid van de Commissie Medische Ethiek, ingesteld door de Gezondheidsraad. Hiernaast was ze (tot 1985) als onbezoldigd secretaris actief in de Nederlandse Stichting Vrijwillige Euthanasie, die ze met anderen in 1972 oprichtte. In 1975 publiceerde de Commissie Medische Ethiek twee rapporten: Advies inzake Euthanasie, een inventarisatie van de verschillende vormen van actieve en passieve euthanasie en de voor- en nadelen van het wettelijk vastleggen van voorwaarden waaronder euthanasie niet vervolgd zou moeten worden (het advies bevatte nog geen aanbevelingen), en het rapport Euthanasie bij pasgeborenen. In 1979 werd Van Till benoemd tot lid van de Commissie Hersendoodcriteria, die in 1983 een tweede advies uitbracht.

Toen de discussie over de dood van beademde patiënten bij de in voorbereiding zijnde wetsontwerpen over de lijkbezorging en orgaantransplantatie op hoog ambtelijk niveau was vastgelopen, publiceerde Adrienne van Till in 1984 Doodgaan, wat is dat? Daarin deed zij haar standpunten uit de doeken voor een groot publiek, onder wie familie van stervenden, rechters en advocaten, en ook voor mensen die iets meer van hun eigen doodgaan willen begrijpen en staan voor de beslissing om zich als donor op te geven.

In 1985 stuurde Adrienne van Till zichzelf met pensioen. Een jaar later werd zij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. In de motivering werden haar deskundigheid, ‘onafhankelijkheid van geest’, alsmede ‘de zakelijke wijze waarop zij emotioneel geladen vragen weet te behandelen’. Daarbij werd ook opgemerkt dat ze het werk onbezoldigd deed om daarmee ‘haar onafhankelijkheid veilig te stellen’ (KB 28-4-1986, nr. 1).

De gezondheid van Adrienne van Till ging achteruit en op 29 december 1996 overleed zij op 76-jarige leeftijd, thuis in Den Haag.

Betekenis

Adrienne van Till-d’Aulnis de Bourouill heeft een niet te overschatten bijdrage geleverd aan het euthanasiedebat in Nederland. Consequent heeft ze gehamerd op de noodzaak van een helder hersendoodcriterium. Ook leverde ze een belangrijke bijdrage aan de formulering van de voorwaarden waaronder rechtsvervolging wegens euthanasie achterwege moest blijven. De invoering van de wetgeving op het gebied van euthanasie en orgaantransplantie, waarin haar begrippen en definities een prominente plaats kregen, heeft ze niet meer mogen meemaken.

Naslagwerken

Nederland’s adelsboek.

Publicaties

  • Medisch-juridische aspecten van het einde van het menselijk leven (Deventer 1970) [proefschrift].
  • Vrije abortus nu reeds mogelijk? Wat is menselijk leven in de zin van het strafrecht? Wanneer begint het? Wanneer juist dan? (Deventer 1972).
  • ‘Rechtsbescherming van het menselijk leven (Jus constituendum)’, Nederlands Juristenblad (1973) 19, 565-585.
  • ‘Abortus en actieve euthanasie’, Nederlands Juristenblad (1975) nr. 16, 505-514.
  • ‘Diagnosis of death in comatose patients under resuscitation treatment. A critical review of the Harvard report’, American Journal of Law & Medicine (1976) nr. 2, 148.
  • ‘Euthanasie in veelvoud’, Intermediair (1978) nr. 14, 25.
  • Doodgaan, wat is dat? Hartdood, klinisch dood, schijndood, hersendood (Utrecht 1984).
  • ‘Over “indirecte” euthanasie’, Ars Aequi (1986) nr. 2, 148.

Literatuur

  • Trouw, 20-2-1984.
  • Frits Groeneveld, ‘Adrienne van Till ’20-’96. Pleitbezorger voor een zorgvuldige dood’, NRC Handelsblad, 6-1-1997.
  • Heleen Weyers, Euthanasie. Het proces van rechtsverandering (Amsterdam 2004).

Illustratie

Adrienne van Till-d’Aulnis de Bourouill, door Max Koot, ongedateerd (particuliere collectie).

Auteur: Fleur Arnbak

laatst gewijzigd: 14/09/2016

De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.