Ayal, Costavina Aya (1926-2015)

 
English | Nederlands

AYAL, Costavina Ayal (geb. Titawai, Nederlands-Indië 15-4-1926 – gest. Ridderkerk 28-3-2015), verzetsvrouw in Nieuw-Guinea. Dochter van Christoffel Ayal (?-na 1976), timmerman, en Josmina Nahuway (?-1932). Costavina Ayal trouwde (1) in 1947 in Namlea, Indonesië, met Henry Evers (1922-2006), militair, later administratief medewerker bij Shell; (2) had later een relatie met Fred Havelaar (1932?-2008), havenarbeider. Uit huwelijk (1), in 1970 ontbonden, werden 6 zoons en 3 dochters geboren.

Costavina (Coosje) Ayal werd geboren als vijfde van zeven kinderen in een timmermansgezin op het eiland Nusalaut (Ambon). Vanaf haar zesde groeide ze op in het hemelsbreed ruim zevenhonderd kilometer oostelijker gelegen Manokwari (Nieuw-Guinea), waar de broer van haar moeder bestuursambtenaar was. Bij een familiebezoek hadden oom Seth en tante Tina Nahuway, zelf kinderloos, Coosjes ouders gevraagd of ze het nichtje mochten adopteren. Coosje had geen contact meer met haar ouders en kreeg op twaalfjarige leeftijd het bericht dat haar moeder was gestorven in het kraambed van een zevende kind.

Omdat haar oom als bestuursambtenaar in dienst was van het Nederlandse gouvernement, hoorde Coosje bij een ‘gelijkgestelde familie’, en dat betekende dat ze naar de Hollandse school ging, waar ze Nederlands leerde. Ze kreeg een streng protestantse, maar tegelijk zeer beschermde opvoeding. Na de lagere school ging ze naar de huishoudschool.

Guerrilla

In maart 1942 bereikte Manokwari het bericht van de Japanse invasie in Java. Coosjes oom had eerder al orders gekregen wapens, voedsel en munitie in de jungle te verstoppen en een militie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) te vormen. Toen de bezetter op 12 april 1942 met een vloot van honderd schepen de baai van Manokwari binnenvoer, was de militie van 62 personen, inclusief Coosje, al in de jungle. Onder leiding van kapitein Johan Willemsz Geeroms waren ze in zeven dagen naar het hoofdkwartier Waserawi gelopen. Iedereen was bewapend, ook de zestienjarige Coos Ayal.

Dertig maanden lang hield de militie zich verborgen in de jungle, voortdurend op de vlucht voor Japanse troepen. Coosje Ayal werd als ‘een van de jongens’ behandeld, droeg een soldatenuniform en leerde omgaan met karabijn en handgranaten. Wel moest ze voor de mannen koken en kleren herstellen. Ook moest ze de gewonden verzorgen. Soms deed de militie met succes gewapende uitvallen naar kampementen van de Japanners om munitie en levensmiddelen buit te maken. De manschappen waren van vrijwel ieder contact met bondgenoten verstoken en werden geplaagd door honger, kou en ziekte. Na een barre tocht naar het westen van de Vogelkop, waarbij zeven leden van de militie van uitputting omkwamen, werd de militie in twee bivaks verdeeld om de pakkans te verkleinen. In april 1944 werd de groep waarin Coos Ayal was ingedeeld aangevallen. Ze wist als een van de weinigen te ontkomen en liep drie dagen lang alleen door de jungle om het andere bivak te bereiken. Later werd bekend dat twaalf manschappen bij de aanval waren gesneuveld en anderen, onder wie haar tante, als gevangenen waren meegenomen naar Manokwari en daar waren onthoofd.

Eind april 1944 landden Amerikaanse troepen in Hollandia, de hoofdstad van Nieuw-Guinea. Toen de geallieerden later dat jaar hoorden dat er in het onherbergzame gebied van de Vogelkop nog KNIL-militairen actief waren, gingen Nederlandse militairen met hulp van een papoea-boodschapper op zoek en troffen in september 1944 de zeventien overlevenden van de militie aan, onder wie Coos Ayal. Op 4 oktober werden ze bevrijd.

Na een verblijf van twee maanden in het ziekenhuis van Hollandia vloog Coos Ayal naar Brisbane (Australië), waar ze als infanterist bij het vrouwenkorps van het KNIL een verpleegstersopleiding volgde en werd bevorderd tot korporaal. In Brisbane had Coos Ayal Henry Evers ontmoet, een militair uit Curaçao met wie ze in 1947 trouwde. Het stel woonde korte tijd op Nusalaut, waar het een kliniek van het Rode Kruis opzette, en erna in Tangerang (bij Jakarta). Ze kregen er twee kinderen. In 1949 woonden ze enkele maanden in Nederland, maar vertrokken nog datzelfde jaar naar de Antillen – daar werden nog zeven kinderen geboren. Haar man werkte er bij Shell. In 1964 besloot het gezin naar Nederland terug te keren. Henry Evers stuurde een brief naar prins Bernhard met een kopie van de onderscheidingen van zijn vrouw, en daarop werd alles voor het gezin Evers geregeld. Minister Klompé ontving hen met alle egards in Rotterdam, en na korte tijd kreeg het gezin een woning in Ridderkerk.

Om in het levensonderhoud van het grote gezin te voorzien werkte ze in een verpakkingsfabriek en aan collega’s verkocht ze porties nasi en bami en loempia’s met zoveel succes dat ze een eigen cateringbedrijfje begon. In 1970 besloten zij en haar man uit elkaar te gaan. Kort daarop hertrouwde hij, en Coos Ayal kreeg later een relatie met Fred Havelaar.

Toen Ayal in 1983 werd afgekeurd wegens rugklachten, kreeg ze dankzij de Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers hulp in de huishouding. Vanaf 1988 genoot ze een Verzetspensioen. Coos Ayal nam altijd deel aan de herdenkingen van 15 augustus en is veelvuldig geïnterviewd vanwege haar ervaringen als vrouwelijk lid van de enige guerrillagroep in Nederlands-Indië die het drie jaar heeft volgehouden. Ze was een bekendheid in Ridderkerk en kreeg regelmatig schoolkinderen op bezoek die haar verhaal gebruikten voor een spreekbeurt of werkstuk. Coos Ayal stierf op 28 maart 2015, in de ouderdom van 89 jaar. Ze werd op 3 april met militaire eer begraven vanuit de Laurenskerk in Rotterdam.

Vlag in bamboekoker

In 1945 kreeg Coos Ayal haar eerste militaire onderscheiding opgespeld door gouverneur-generaal Van Mook. Een jaar later ontving ze het Kruis der Verdiensten. In 1972 ontving ze het Verzetskruis en in 1981 het Verzetsherdenkingskruis.

Coos Ayal gold als de mascotte van de militie. Meteen na hun bevrijding borduurden de zeventien overlevenden hun naam op de vlag die zij, opgerold in een bamboekoker, dertig maanden lang met zich hadden meegedragen. Ze stuurden die op naar koningin Wilhelmina, die de vlag in bewaring gaf bij het Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen in Bronbeek. In 2012 werd de vlag er onderdeel van de vaste expositie.

Publicatie

Voor kinderen en kleinkinderen van de Guerilla-strijders van de Vogelkop Nieuw-Guinea 1942-1944 (z.p. 1995) 33-41 [herinneringen].

Literatuur

  • P.P. de Kock en Ben M. Koster, De ongelijke strijd in de Vogelkop (Franeker 1981) 32, 88-9, 103, 130, 166.
  • B.R. Immerzeel en F. van Esch, Verzet in Nederlands-Indië tegen de Japanse bezetting, 1942-1945 (Den Haag 1993) 223-226.
  • Esther Captain en Annelies van der Schatte Olivier, Indië, een verre oorlog en dichtbij. Herinneringen van vrouwen in bezet Nederlands-Indië (Zutphen 1995) 246-260.
  • Griselda Molemans, Dochters van de Archipel. Van moederland Indië naar vaderland Nederland (Amsterdam 2004) 57-59, 101-108, 125-126, 139, 166-170, 177-178, 189-190.
  • Vice meets Koos Ayal [documentaire,URL: http://www.vice.com/nl/video/vice-meets-koos-ayal; geraadpleegd 11-1-2016].

Illustratie

Coos Ayal, door onbekende fotograaf, ca. 1940-1950 (Stichting Moluks Historisch Museum).

Auteur: Josine Heijnen

laatst gewijzigd: 15/02/2016