Baerle, Suzanna van (1599-1637)

BAERLE, Suzanna van (ged. Amsterdam 8-3-1599 – gest. Den Haag 10-5-1637), door Hooft en Huygens bezongen schoonheid, echtgenote van Constantijn Huygens. Dochter van Jan van Baerle (gest. 1605), koopman, en Jacomina Hoon (gest. 1617). Suzanna van Baerle trouwde op 6-4-1627 te Amsterdam met Constantijn Huygens (1596-1687), secretaris van Frederik Hendrik. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 1 dochter geboren.

Suzanna van Baerle groeide op in Amsterdam, in een groot, welgesteld gezin – ze had twee broers en vijf zussen. Haar vader stierf toen ze zes jaar was. Twaalf jaar later overleed haar moeder. Vader Jan van Baerle was een succesvol koopman geweest en zijn dochters waren vanwege hun rijkdom dan ook zeer begeerde partijen op de huwelijksmarkt. Suzanna stond bovendien bekend als een schoonheid, wat haar nog aantrekkelijker maakte. Als meisje schreef ze poëzie en schilderde ze vogels, insecten en bloemen, maar hiervan is niets bewaard gebleven (Smit, De grootmeester, 103). Verwantschap met de bekende geleerde Caspar Barlaeus is nooit bewezen.

Huwelijkskandidaten

In 1622 was er voor het eerst sprake van een mogelijke huwelijkspartij voor Suzanna van Baerle. Haar achternicht Susanna Hoefnagel, echtgenote van Christiaan Huygens, probeerde haar aan hun oudste zoon Maurits te koppelen. Geertruid en Constantia Huygens hielden broer Constantijn, die in Engeland verbleef, op de hoogte van Maurits’ vorderingen bij het ‘Apie’ – zoals ze Suzanna in hun brieven noemden. Wellicht heeft Maurits zelf bij Suzanna een voorkeur voor Constantijn bemerkt, want hij schreef zijn broer al in 1622: ‘Het kan geen verbeelding van me zijn dat men meer het oog op jou dan op mij heeft. Neem dienovereenkomstig je maatregelen’ (Smit, Varia, 208). Vader Christiaan prees in een brief van 14 januari 1623 zijn zoon Maurits nog een keer aan: ‘Lief kind, zo gij ’t doet, ik zal er u alle dagen mijns levens om lief hebben als mijn eigen kind’ (Jorissen, 132). Suzanna wees Maurits echter af omdat ze aan een huwelijk niet toe was. Hierop dichtte Constantijn een tekst op de melodie van een bestaand lied, Susanne un jour: als zij zo zou doorgaan, zou ze net als de bijbelse Suzanna alleen nog oude mannen kunnen krijgen.

Ook Pieter Corneliszoon Hooft heeft Suzanna van Baerle het hof gemaakt nadat in 1624 zijn vrouw was gestorven. Tussen september 1625 en januari 1626 schreef hij meer dan twintig gedichten voor haar. Daarin duidde hij haar aan met het anagram ‘Arbele’ en de namen ‘C(h)loris’ en de varianten ‘Gloorroos’ en ‘Clorinde’, waarschijnlijk vanwege haar blanke huid die contrasteerde met haar donkere haar. Suzanna schijnt zijn gedichten te hebben beantwoord, maar daarvan is niets bewaard gebleven. Waarom het niet van een huwelijk is gekomen, is onbekend. Mogelijk speelde het leeftijdsverschil – Hooft was 44, Suzanna 26 – een rol.

Op 18 juni 1624 kreeg Constantijn Huygens een brief van zijn goede vriendin Dorothea van Dorp, het buurmeisje dat hij ooit het hof had gemaakt maar dat hem had afgewezen. De brief ging over haar logeerpartij in Amsterdam. De stad beviel haar maar matig: ‘Al datter fraai is, dat is Baereltgen’ (Worp, Briefwisseling I, 172). Zij kon toen nog niet bevroeden dat Constantijn met deze Baereltgen zou trouwen. Waarschijnlijk maakte hij in februari 1626, op de bruiloft van Ida van Baerle en Arent van Dorp, of kort daarna Suzanna van Baerle voor het eerst het hof. Aanvankelijk wees zij hem af, zoals blijkt uit zijn onafgemaakte gedicht ‘L’Anatomie. Paradoxes en satyre’ van 31 maart 1626. Het gedicht bestaat uit een opzettelijke omkering van de vrouwelijke schoonheden, vermoedelijk als reactie op haar afwijzing. In september 1626 deed Constantijn Suzanna opnieuw een huwelijksaanzoek. Ook dit leverde niets op en hij begon zich tot haar te richten in sonnetten en gedichten. Vanaf dat moment gebruikte hij de petrarcistische betiteling ‘Sterre’ om haar aan te spreken. Tussen november 1626 en januari 1627 was Huygens enkele malen in Amsterdam, maar wanneer hij ten slotte haar jawoord heeft gekregen is niet duidelijk, mogelijk in februari 1627. In zijn gedicht ‘Vrijerij’ van 23 januari 1627 blikt hij hierop vooruit (Leerintveld, 12): ‘Zo kweelde Sterrevriend, ter antwoord van zijn luit,/ En ’t krachtige geluid/ Dee[d] ’t diamanten hart van sture STERR’ vervallen/Tot minder als kristallen/ Nog schreit hij al van vreugd, nog zong hij al van pijn,/ En Sterre was al zijn’. Op 24 februari 1627 werden de huwelijkse voorwaarden opgemaakt en op 6 april trouwden Suzanna en Constantijn te Amsterdam, in tegenwoordigheid van onder anderen Constantijns peetvader Justinus van Nassau. Hooft schreef ter gelegenheid van het huwelijk twee gedichten. In het ene gedicht stelt hij dat Suzanna de enige man had gevonden die bij haar paste. Het tweede lied gaat over de droefheid van Amsterdam vanwege Suzanna’s vertrek.

Huwelijksjaren

Het paar betrok op 14 oktober 1627 het huis in de Haagse Lange Houtstraat dat Huygens op 21 januari 1627 van Margaretha van Mechelen had gekocht. Uit een document dat Suzanna van Baerle bij haar huwelijk meenam (Recepte ende diete), is af te leiden dat haar lichamelijke gesteldheid te wensen overliet. Zij had last van migraine en onregelmatige menstruaties en volgde daarom een speciaal dieet. Ook kreeg zij drankjes, purgeermiddelen en aderlatingen voorgeschreven. Op 10 maart 1628 werd zoon Constantijn jr. geboren (gest. 1697). Hierna volgden Christiaan (1629-1695), Lodewijk (1631-1699), Philips (1633-1657) en Suzanna (1637-1725). Vaststaat dat Suzanna ook enkele miskramen heeft gehad.

Suzanna van Baerle stond er als vrouw des huizes de meeste tijd alleen voor, want Constantijn was als secretaris van Frederik Hendrik jaarlijks van mei tot oktober op veldtocht. Ze liet haar kinderen daarom dagelijks naar een portret van ‘papaatje’ kijken, opdat ze hem niet zouden vergeten. De bouw van het paleisachtige huis (‘Domus’) aan de Plein-kant van het Binnenhof in de jaren 1634-1637 was ook vooral haar zorg. Zij deed de bestellingen en betalingen, regelde de werkzaamheden en bepaalde in een laat stadium het definitieve ontwerp. Hierover zal ze uitvoerig hebben gecorrespondeerd met haar man, maar van deze brieven is er geen bewaard gebleven. Alle brieven van Suzanna van Baerle zijn verloren gegaan, behalve de twee die ze in 1627 aan Hooft schreef omdat Huygens haar had gevraagd enkele lofdichten door te sturen.

Sterfbed

Op 13 maart 1637 werd dochter Suzanna geboren. Alles leek goed te gaan en het meisje werd op 16 maart gedoopt. Op 30 maart echter werd moeder Suzanna plotseling doodziek. Op de vraag van vader Constantijn aan haar wat hij Tieneke (zoon Constantijn) moest zeggen, antwoordde zij: ‘Tieneke, vriendje, zult gij zeggen dat mamaatje hem wel geern eens gezien hadde, dat ik ook wel weet dat hij mamaatje geern hadde gezien, maar nu dat niet en heeft kunnen zijn, dat ik hem bevele geschikt te wezen, God te vrezen, en zijn vader gehoorzaam te zijn(de Heer, 101). Zoon Christiaan werd bij haar op bed getild en tegen hem zei ze: ‘Kom hier mijn zoete mannetje, laat ik u eens kussen’ (de Heer, 107).

Omdat de familie het per 1 mei verkochte huis aan de Lange Houtstraat moest verlaten, werd de ernstig zieke Suzanna op 29 april overgebracht naar het huis van haar zuster Sara, terwijl de vijf kinderen naar het nieuwe huis aan het Plein gingen. Op 3 mei ondertekende Suzanna haar testament en 10 mei overleed zij, 38 jaar oud. Ze werd 16 mei begraven in de Grote Kerk te Den Haag en een dag later betrok Constantijn alleen zijn nieuwe huis. Hij schreef in zijn dagboek: ‘Intro in novas aedes. Heu! Sine meâ turture’ (‘Ik betrek mijn nieuwe huis. Ach! Zonder mijn torteltje!(Grootes, 41).

Pas in december 1637 kon Huygens voor het eerst zijn verdriet in enkele Latijnse versregels tot uitdrukking brengen. Op 24 januari 1638 schreef hij zijn eerste Nederlandse gedicht getiteld ‘Cupio dissolvi [: ik begeer ontbonden te worden]. Op de dood van Sterre’, waarin hij eindigt met: ‘’k Verlang in ’t eeuwig licht tezamen te zien zweven/ Mijn heil, mijn lief, mijn lijf, mijn God, mijn Sterr’ en mij’. Constantijn zou zijn Sterre nog bijna vijftig jaar overleven, maar hij is nooit hertrouwd.

Reputatie

Het leven van Suzanna van Baerle is dankzij haar schrijvende echtgenoot goed gedocumenteerd. In 1627, het jaar van het huwelijk, begon Constantijn met Dagh-werck, een beschrijving van zijn huwelijksleven met Sterre (Suzanna) in één dag. Zij is niet alleen een volmaakte levensgezel, maar ook zijn ideale lezer, met een verfijnd gevoel voor poëzie waarin schoonheid en intellectuele diepgang met elkaar in balans zijn. ‘Gij doortast z’, als fijne webben/ Die men in ’t gevoel moet hebben;/ Gij doorsmaakt ze, gij bevroedt/ Wat het zout in ’t suiker doet./ (…) Gij gevoelt de dichte feilen/ Daar z’ haar streken in verzeilen/ Die geen reden maar geweld/ In ’t gerucht van dichten stelt’. Een jaar na haar plotselinge dood in 1637 heeft Huygens zijn Dagh-werck geheel herzien en er een beknopt slot aan toegevoegd.

Ook in de dagboekaantekeningen van Constantijn Huygens is veel informatie te vinden over de activiteiten die Suzanna en hij samen ondernamen. Zo weten we dat ze vaak reisjes door het land maakten en vanaf 1630 geregeld de door Constantijn aangekochte heerlijkheid Zuylichem bij Zaltbommel bezochten. In 1628 en in 1636 bracht ze met Constantijn bezoeken aan Hooft op het Muiderslot, in 1633 aan Tesselschade in Alkmaar.

Van haar bevallingen heeft Huygens uitvoerig verslag gedaan in zijn beschrijvingen van de jeugd van zijn kinderen. Het verloop van Suzanna’s sterfbed na de geboorte van hun dochter heeft Huygens eveneens tot in detail beschreven, zowel in een gedicht als in zijn dagboekaantekeningen en in de aantekeningen over zijn kinderen. De doodsoorzaak blijft onzeker. Was het spruw, waren het aften (zweren in de mond), of was het kraamvrouwenkoorts? Medisch historicus M.J. van Lieburg houdt het op een complicatie van het kraambed. De aften (die spruw deden vermoeden) waren waarschijnlijk een secundaire infectie.

Van Suzanna van Baerle waren tot voor kort geen portretten bekend. Alleen in de voortekening van het bekende familieportret door Adriaan Hanneman van Huygens met zijn vijf kinderen is zij heel schetsmatig afgebeeld. In 1991 echter identificeerde de Amerikaanse kunsthistoricus Julius S. Held de man en vrouw in het aan schilder-architect Jacob van Campen toegeschreven dubbelportret als Constantijn en Suzanna. Het zou in 1635 zijn geschilderd. Er is nog twijfel over datering en toeschrijving, maar de identificatie wordt tegenwoordig vrij algemeen aanvaard.

Naslagwerken

NNBW.

Archivalia

Koninklijke Bibliotheek, Den Haag: Recepte ende diete, mijne huisvrouwe voorgeschreven eer wij trouwden door [...] Doct. Te Middelburg Zeeland, hs. KA 48, fol. 438-441; Gedicht van 18 februari 1627 van Constantijn Huygens ‘Op een S van diamanten mij door Sterre gesonden’, KA 40A 1627, fol. 8r.

Literatuur

  • Th.H. Jorissen, Constantin Huygens. Studiën (Arnhem 1871) 129-134.
  • Dagboek van Constantyn Huygens, J.H.W. Unger ed. (Amsterdam 1885) [naar het afschrift van de kleinzoon; heruitgegeven als bijlage van Oud-Holland 4 (1886)].
  • De gedichten van Constantijn Huygens naar zijn handschrift uitgegeven, J.A. Worp ed., 8 (Groningen 1898) [gedigitaliseerde versie: http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Huygens].
  • De briefwisseling van Constantijn Huygens 1608-1687, J.A. Worp ed., 6 delen (Den Haag 1911-1917) [gedigitaliseerde versie: http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/Huygens].
  • M. de Haas, ‘Een vijftiental brieven van Maurits Huygens aan zijn broer Constantijn (van 20 mei 1622 tot 7 juni 1624)’, BMHG 50 (1929) 1-40.
  • H.E. van Gelder, Ikonografie van Constantijn Huygens en de zijnen (Den Haag 1957) 37-38.
  • C. Huygens, Dagh-werck, F.L. Zwaan ed. (Assen 1973).
  • O. ter Kuile, Adriaen Hanneman, 1604-1671, een Haags portretschilder (Alphen a/d Rijn 1976) 59-66.
  • J. Smit, ‘Varia over Huygens en de Huygens-studie’, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 92 (1976) 3-4, 203-215.
  • G.C. Kuiper, ‘Huygens, Suzanna en de luie fabri van 1637’, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 93 (1977) 1-2, 47-65.
  • J. Smit, De grootmeester van woord- en snarenspel. Het leven van Constantijn Huygens 1596-1687 (’s-Gravenhage 1980) 103, 246-247.
  • S.S. Hoogerhuis, ‘De literaire gevolgen van een blauwtje? Intrigerende wijzigingen in een aantal gedichten van Hooft’, in: H. Duits e.a. red., Eer is het lof des deuchts: opstellen over renaissance en classicisme aangeboden aan dr. Fokke Veenstra (Amsterdam 1986) 101-111.
  • E.E. Keesing, Het volk met de lange rokken. Vrouwen rondom Constantijn Huygens (Amsterdam 1987) 59-87.
  • Ed de Heer en Arthur Eyffinger, ‘De jongelingsjaren van de kinderen van Christiaan en Constantijn Huygens (inleiding, tekstuitgave, samenvattingen)’, in: Arthur Eyffinger red., Huygens herdacht: catalogus bij de tentoonstelling in de Koninklijke Bibliotheek ter gelegenheid van de 300ste sterfdag van Constantijn Huygens: 26 maart-9 mei 1987 (Den Haag 1987) 75-165.
  • M.J. van Lieburg, ‘Constantijn Huygens en Suzanna van Baerle: een pathobiografische bijdrage’, De Zeventiende Eeuw 3 (1987) 171-180.
  • J.S. Held, ‘Constantijn Huygens and Susanna van Baerle: a hitherto unknown portrait’, Art Bulletin 73 (1991) 653-668.
  • A.M.Th. Leerintveld, ‘De ‘S’ van Sterre’, in: H. van Dijk e.a. red., In de zevende hemel: opstellen voor P.E.L. Verkuyl over literatuur en kosmos (Groningen 1993) 9-13.
  • G.C. Zieleman, ‘Constantijn en Suzanne: een dubbelportret litterair geïnterpreteerd’, Spiegel der Letteren 38 (1996) 4, 258-294.
  • Constantijn Huygens, Mijn leven verteld aan mijn kinderen, Frans R.E. Blom ed., 2 delen (Amsterdam 2003).
  • E.K. Grootes, Vreugde en verdriet in kleine kring: het gezinsleven in poë̈zie en proza, 1600-1750 (Amsterdam 2006).

Illustratie

Dubbelportret, toegeschreven aan Jacob van Campen, ca. 1635, detail (Mauritshuis, Den Haag).

Auteur: Ineke Huysman

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 220

laatst gewijzigd: 13/01/2014