Beij, Mary (1919-1998)

 
English | Nederlands

BEIJ, Maria, vooral bekend als Zangeres zonder Naam (geb. Leiden 5-8-1919 – gest. Horn 23-10-1998), zangeres, koningin van het levenslied. Dochter van Hermanus Beij (1877-1963), bode van een vakvereniging, en Maria Brouwer (1884-1964). Maria Beij trouwde op 21-1-1948 in Maastricht met Nicolaas Josephus Servaes (1923-1990), metaalbewerker, later vrachtwagenchauffeur. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Maria (Rietje) Beij groeide op als achtste van tien kinderen in een arm Leids gezin. Haar vader, een havenarbeider die zich in de vakvereniging had opgewerkt tot administrateur, was een alcoholicus die zijn gezin verwaarloosde. Door een ongeval was Rietje van haar tweede tot haar twaalfde jaar bedlegerig. Haar verdere leven zou ze mank lopen. Ze mocht nog anderhalf jaar naar school, maar moest in 1933 in een wolspinnerij en later in een textielfabriek gaan werken omdat haar vader zijn baan was kwijtgeraakt. In navolging van haar broers deed ze in 1935 auditie bij het Leidsch Revue en Cabaretgezelschap, een amateurgezelschap dat ter plaatse bekend stond als De Klucht. Ze begon als souffleuse, mocht al snel kleine rollen spelen en maakte er als zangeres haar debuut met het liedje ‘Ik heb je diep in de ogen gezien’. In deze tijd – ze was zestien jaar oud – mat ze zich de artiestennaam Mary Bey (met een y) aan.

Na een heupoperatie in 1937 ging Rietje Beij werken als hulp in de huishouding. Ze was van huis uit Nederlands hervormd, maar liet zich in 1943 op aandrang van haar toenmalige verloofde rooms-katholiek dopen. Nadat ze de verloving had verbroken, woonde ze tijdelijk in bij zus Katrien in Kampen, bij een tante in Maastricht en in de Hongerwinter opnieuw in Kampen, nu met haar moeder, die de terreur van haar echtgenoot niet langer kon verdragen. In Kampen raakte Mary zwanger van een Duitse soldaat en onderging ze een slecht uitgevoerde abortus. Direct na de bevrijding trok ze weer naar Maastricht, waar haar broers Manus en Jerry woonden. Ze vond er werk als dienstmeisje bij particulieren. Ook ging ze weer optreden: in de weekends verdiende ze wat geld bij door met de band van Manus te zingen in café’s. Bij zo’n optreden ontmoette ze Jo Servaes, lasser bij Staalwerken de Maas, met wie ze in 1948 trouwde. Het huwelijk bleef kinderloos.

Een rijzende ster

Mary Servaes-Beij bleef zingen, in zelfgemaakte avondjurken en aanvankelijk samen met haar broer Jerry. In 1954 kreeg ze een vast contract en een vaste begeleidingsgroep in de Maastrichtse Bristol Bar. Daar werd ze in 1957 ontdekt door Johnny Hoes, die haar een platencontract bij Philips aanbood. Hij was getroffen door haar kinderstemmetje – ze was bijna veertig – en verzon bij gebrek aan beter de artiestennaam ‘De Zangeres zonder Naam’. Hoes en Jaap Koeman schreven nieuwe Nederlandstalige levensliederen voor haar. Vanaf haar eerste single (‘Het kindergebed’, 1957) werden haar platen goed verkocht, maar de winst ging voor het overgrote deel naar de platenmaatschappij. Zelf leefde ze vooral van zaaloptredens, waarvoor ze het hele land afreisde. In 1960 kreeg ze haar eerste gouden plaat voor ‘Ach vaderlief, toe drink niet meer’, waarvan de tekst, door Hoes, haar als het ware op het lijf geschreven was. In 1963 volgde ze Hoes, die een eigen platenmaatschappij (Telstar) begon, naar Noord-Limburg. In Stamproy bij Weert kocht ze een bungalow die door dorpelingen trots aan bezoekers werd aangewezen. Ze was nu kostwinster, want haar man kon in hun nieuwe omgeving geen werk vinden. Om de hypotheek te betalen, baatte het echtpaar van 1965 tot 1970 een café-hotel uit in Geleen. Servaes-Beij trad er met groot succes op, als gastvrouw maar vooral als zangeres.

Mary Servaes-Beij brak landelijk door toen Johnny Hoes in 1968 een eigen televisieshow bij de VARA kreeg. Haar optredens waren jarenlang het hoogtepunt van deze maandelijkse shows. Met een interview en een vertolking van Luceberts ‘Soldatenmoeder’ op muziek van Maderna debuteerde ze eind 1968 in Mies en Scène, de veelbekeken talkshow van Mies Bouwman. In 1969 zong ze ‘De vlieger’ bij de legendarische uitreiking van de P.C. Hooftprijs aan Gerard Reve. Hierna nam haar populariteit gestaag toe. Ze nam verschillende tophits op en maakte in 1972 een tournee door Canada, waar ze optrad voor Nederlanders overzee. In 1977 brak ze met Hoes, die nog altijd een groot deel van de platenrecettes opstreek. Bij het platenlabel EMI-Bovema en later bij Phonogram was ze financieel beter af, maar artistiek ging ze erop achteruit. De teksten en liedjes die haar werden aangeboden, teerden op haar successen uit eerdere jaren.

Moeder der Zeven Smarten

Naarmate Mary Servaes-Beij financieel onafhankelijker werd, durfde ze meer op te treden als sociaal en humanitair geëngageerd artieste. Tegenover haar biograaf Wim Hazeu vergeleek ze zichzelf met de maagd Maria als ‘Moeder der Zeven Smarten’ (Hazeu, 23). Ze trad met liefde op in bejaardenhuizen, ziekenhuizen en gevangenissen en voor inzamelingsacties op de televisie. Met uit het leven gegrepen liedjes als ‘Het soldaatje’ (1971), ‘Mandolinen in Nicosia’ (1974) en ‘Keetje Tippel’ (1975), geïnspireerd op het boek van Neel Doff, had ze veel succes. Ook haar contact met de openlijk homoseksuele Reve in 1969 getuigde van haar engagement. Het kreeg in 1977 een vervolg met ‘Luister Anita’, een vlijmscherp protest tegen de Amerikaanse anti-homoactiviste Anita Bryant, die ze onder meer met Hitler vergeleek.

Persoonlijk leed bleef de ‘Moeder der Zeven Smarten’ op latere leeftijd niet gespaard. Haar man werd in toenemende mate afwisselend depressief en agressief. Spookbeelden uit haar jeugd keerden terug, vooral toen ze in 1984, kort na haar vijftigjarig artiestenjubileum, twee zware operaties moest ondergaan. Toch maakte ze in 1986 een grandioze comeback in Amsterdam. In dat jaar werd het wereldkampioenschap voetbal in Mexico gehouden. Haar hit ‘Mexico’ uit 1969 werd het hoogtepunt van de avond en maakte haar in één klap populair bij de jongere generatie. Ze trad op met de Achterhoekse rockgroep Normaal en reisde als vanouds het hele land door.

In april 1987 stortte de ook door haar huiselijke situatie dodelijk vermoeide Mary Servaes-Beij in. In het ziekenhuis besloot ze haar zangloopbaan te beëindigen. Dat deed ze in november met een emotioneel afscheidsconcert in Tilburg. In de jaren daarna vereenzaamde ze. Haar man overleed in 1990 en ze miste het contact met haar fans. Geestelijk en lichamelijk ging ze zo achteruit dat ze in 1996 werd opgenomen in een verpleeghuis. Daar overleed ze in 1998 op 79-jarige leeftijd. Een jaar later werd haar inboedel geveild ten behoeve van goede doelen.

Reputatie en betekenis

Mary Servaes-Beij is jarenlang voorwerp geweest van hoon en spot (‘De Zangeres zonder Stem’). Tot 1968 werd ze door de Nederlandse radio en televisie openlijk geboycot. Toen tekstschrijver Ernst van Altena haar in 1971 uitnodigde met toneelgroep Globe op te treden in De twee wezen, sprak regisseur Ton Lutz hierover zijn veto uit, en toen ze in 1975 de Gouden Harp van de Stichting Conamus kreeg, protesteerden Wim Ibo en Cor Lemaire tegen deze ‘milieuverpestende smartlapperij en infantiele stompzinnigheid’ door hun eigen prijs terug te sturen (Hazeu, 48). Bij een groot publiek was ze niettemin zeer geliefd als ‘Koningin van het levenslied’. Na haar optreden in 1977 kreeg ze als eerste de informele eretitel ‘Homomoeder van Nederland’. In 1980 werd ze benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De plaat met de liveopname van haar comebackoptreden in 1986 (inclusief ‘Mexico’) leverde haar een Edison op.

Hazeu schreef in 1987 een biografie van Mary Servaes-Beij ter gelegenheid van haar afscheid, en in 2011 publiceerde Holthuis opnieuw een biografie met ‘het ware verhaal’ van de Zangeres zonder Naam, met veel nadruk op haar armoede en haar ongeluk. Een jaar eerder had laatstgenoemde al een boekje opengedaan over haar eenzame laatste jaren en het getouwtrek over haar nalatenschap in zijn Sterven zonder naam. In 2007 werd in haar geboortestad Leiden een straat naar haar vernoemd. Deze Mary Beijstraat heette in de volksmond al snel ‘De Straat zonder Naam’ omdat het straatnaambordje pas twee jaar later is aangebracht. De musical die in 2011 over haar leven werd gemaakt, is gemengd ontvangen. Sinds datzelfde jaar heeft de Zangeres zonder Naam haar eigen museum in Stamproy.

Naslagwerken

BWN.

Archivalia

  • Theater Instituut Nederland, Amsterdam: persdocumentatie betreffende Servaes-Beij.
  • Stedelijk Museum De Lakenhal, Leiden: knipsel- en fotoboeken van Servaes-Beij.
  • Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag: familieadvertenties Beij.

Werk

  • De Zangeres. Het verhaal van mijn leven (Den Haag 1994) [autobiografie, met medewerking van Ben H. Holthuis].
  • Discografie op Wikipedia.

Literatuur

Behalve diverse necrologieën in dag- en weekbladen:

  • Wim Hazeu, Bedankt lieve mensen. Zangeres zonder Naam (Utrecht 1987).
  • Ingrid Moerman, Tranen in een rode zakdoek. Mary Servaes-Beij, Zangeres zonder Naam (1919-1998) (Leiden 1999).
  • M. van Erp, Vergeet mij niet. Verhalen over de Zangeres zonder Naam, 23-10-2002 [televisiedocumentaire NPS].
  • Ben H. Holthuis, Sterven zonder naam. Schokkende onthullingen over het trieste einde van de Zangeres zonder Naam (Schelluinen 2010).
  • Ben H. Holthuis, De Zangeres zonder Naam: het complete verhaal (z.p. 2011).
  • H. Janssen, ‘Musical Zangeres zonder Naam: ondoorzichtig en onbevredigend’, de Volkskrant, 23-11-2011.

Illustratie

Zangeres zonder Naam, door Harry Pot, ca. 1970 (Nationaal Archief / Spaarnestad Photo).

Auteur: Els Kloek

 

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 965

laatst gewijzigd: 20/02/2017