Beijerman, Louise Elisabeth (1883-1970)

 
English | Nederlands

BEIJERMAN, Louise Elisabeth (geb. Leiden 11-10-1883 – gest. Amsterdam 15-7-1970), beeldhouwster, docente kunstgeschiedenis en tekenen. Dochter van Jacob Arie Beijerman (1848-1932), remonstrants predikant, en Johanna Sara Stoffelina Enderle (1845-1915). Louise Beijerman bleef ongehuwd.

Louise (Lous) Beijerman (ook wel: Beyerman) werd geboren als enige dochter in een remonstrantse predikantenfamilie die via de vrouwelijke lijn zelfs van Arminius zou afstammen – ze had twee oudere broers en een jongere. Het beroep van de vader bracht het gezin in 1891 van Leiden naar Groningen en vandaar in 1898 naar Amsterdam. Daar woonde het gezin vanaf 1900 aan de Overtoom. In dat jaar haalde Lous haar hbs-diploma. Vermoedelijk is zij ‘de heer’ L.E. Beyerman uit Amsterdam die in 1902 werd toegelaten tot het ‘Acte-examen hand-teekenen Lager Onderwijs te ’s-Hage’ (Rotterdamsch Nieuwsblad, 14-8-1902). Zeker is dat zij in 1905 aan de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijzers haar mo-akte haalde.

Opleiding

Van 1906 tot 1912 studeerde Louise Beijerman aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Hiernaast was ze werkzaam als lerares tekenen en kunstgeschiedenis in Amsterdam en Utrecht – waar ze mogelijk ook enkele dagen per week woonde. In 1955 gaf ze in een interview aan ook een onderwijsbevoegdheid voor boetseren te hebben gehaald; waarschijnlijk is zij de ‘mej. L.“C”. Beyerman te Amsterdam’ die in augustus 1908 te Rotterdam slaagde voor het betreffende examen (De Tijd, 21-8-1908).

Op de Academie was Louise Beijerman tot 1907 de enige leerling in de beeldhouwersklas van Bart van Hove – toen kwam Jan Bronner erbij, die een goede vriend van haar zou worden. Rond 1911 werkte ze een tijdlang als leerling onder de Catalaanse beeldhouwer José Clara aan de Academie in Parijs. Met hem bleef zij tot eind jaren dertig contact houden. In 1913 leerde Beijerman aan de Academie in Brussel hakken in steen, een onderdeel van het vak dat in de lessen van Van Hove niet of nauwelijks aan bod kwam. Tot ongeveer september 1917 – waar en vanaf wanneer is niet bekend – deelde Louise Beijerman een atelier met de schilderes Engelien Valença, een vriendin van de Academie in Amsterdam. Rond diezelfde tijd verliet ze het ouderlijk huis om een woning in de St. Willibrordusstraat te betrekken.

In de jaren 1922-1924 volgde Lous Beijerman avondlessen boetseren en ceramiek voor beeldhouwers aan de Quellinusschool bij Bert Nienhuis. Toen ze midden jaren twintig genoeg geld verdiende met haar opdrachten en vrije werk, en daar al haar tijd voor nodig had, stopte ze met lesgeven.

Opdrachten, tentoonstellingen en reizen

Louise Beijerman werkte onder andere in klei, marmer, gips, kalksteen en hout. Ze maakte vooral (kinder)portretten, vaak in opdracht, en ook wel figuurstukken. Bij de tentoonstelling ‘De vrouw 1813-1913’, waar zij voor het eerst exposeerde, won Louise Beijerman de medaille 3de klasse op de afdeling beeldhouwwerken. Zij toonde haar werk vooral bij kunstenaarsverenigingen, zoals St. Lucas, Arti et Amicitiae, De Onafhankelijken en de Kring van Nederlandse beeldhouwers. Ook waren haar beelden soms te zien op internationale manifestaties, waaronder de Biënnale van Venetië (1920). In 1920 ontving Beijerman een bronzen medaille op de tentoonstelling van Vereniging St. Maarten in Utrecht en in 1923 kreeg ze een zilveren medaille op de tentoonstelling in Amsterdam ter gelegenheid van het jubileum van koningin Wilhelmina.

In de jaren twintig en dertig kreeg Louise Beijerman veel opdrachten voor gevelstenen en bouwbeeldhouwkunst, wat in die tijd heel uitzonderlijk was voor een vrouw. Zo leverde ze in 1925-1926 bouwbeeldhouwwerk, een bronsreliëf en houtsnijwerk voor De Bijenkorf in Den Haag, en maakte zij beeldhouwwerk voor fonteinen en kerken (bijvoorbeeld Watermonument in Venlo, 1921; Remonstrantenkerk in Amsterdam, 1934). Voor sommige van deze opdrachten werkte ze samen met Piet Kramer en Michel de Klerk, architecten van de Amsterdamse School. Terwijl Beijermans portretten meestal natuurgetrouw zijn – de mannen wat forser neergezet dan de vrouwen en kinderen – en in het negentiende-eeuwse academisme wortelen, is haar bouwbeeldhouwkunst vaak meer gestileerd, robuuster en ook expressiever van karakter.

Volgens Persoonlijkheden (1938) maakte Beijerman ‘studie- en plezierreizen […] in vele landen van Europa’. Uit passagierslijsten blijkt dat zij in 1925, 1927 en 1930 met haar vader per schip naar Genua reisde. Twee keer ging ze naar Amerika.

Netwerk en atelier

Louise Beijerman was lid van de Nederlandsche Vrouwenclub, de Soroptimistenclub en het Provinciaal Utrechts Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen.

Ze was bevriend met de Amsterdamse Joffers, met wie ze zo nu en dan ook exposeerde. Daarnaast bezocht ze verschillende malen de kunstenaarskolonie Veere, waar ze onder meer te gast was bij haar oud-leerlinge Claire Bonebakker. Ook verkeerde ze in kringen van de Amsterdamse School. Voor Wendingen, het lijfblad van de Amsterdamse School, ontwierp zij in 1924 een omslag. Mogelijk sprak het sociaal-democratische karakter van deze beweging Beijerman aan. Bekend is dat zij in 1920 geld schonk voor hulp aan de Sovjetrepublieken.

In 1938 betrok Louise Beijerman een woonruimte met atelier en werkplaats in een oud schoolgebouw aan het Molenpad in Amsterdam. Tijdens de oorlog waren er geen officiële opdrachten en kon ze nauwelijks aan materiaal komen omdat ze zich niet had aangemeld bij de Kultuurkamer. In 1947 vertelde ze in een interview dat ze op dat moment voornamelijk bezig was met het in steen hakken van veel van de kinderportretten die ze in de oorlogsjaren clandestien had geboetseerd. In de naoorlogse periode bleven de opdrachten komen, vooral voor portretten, maar ook voor gevelstenen en reliëfs, en soms voor objecten die buiten haar vaste werkterrein vielen. Zo ontwierp ze in 1948 een bronzen legpenning voor de Maatschappij voor den Werkenden Stand en maakte ze in 1958 een bewerkte voorzittershamer voor de Nederlandse Vereniging voor Koeltechniek.

Louise Beijerman bleef lang doorwerken, op het laatst alleen nog aan kleiner werk en zonder te exposeren. In augustus 1969 verhuisde zij naar het remonstrantse Willem Mackenziehuis, waar ze op 15 juli 1970 stierf, 86 jaar oud.

‘Praten met onze handen’

Het beeldhouwwerk van Louise Beijerman werd en wordt doorgaans positief beoordeeld.

Beijerman nam haar vak heel serieus. In interviews stelde ze dat een beeldhouwster haar gehele persoonlijkheid en hele werkdag in dienst moest stellen van haar werk. Het fysiek zware werk was volgens haar eigenlijk niet geschikt voor vrouwen. Ze had daarom uitvoerders en werkmannen nodig, en dat maakte haar tot werkgever. Omdat zij zich als kunstenaar ook moest schikken naar de wensen van architecten en opdrachtgevers, beschouwde ze zichzelf tegelijk als werknemer. Louise Beijerman werd omschreven als een voorname vrouw, vriendelijk, maar terughoudend. ‘Beeldhouwers praten niet veel’, zei ze zelf, ‘Wij zijn gewend altijd met onze handen te praten’ (Trouw, 6-8-1955).

Naslagwerken

Elck zijn waerom; Groot; Jacobs; Persoonlijkheden; Saur; Scheen (1969); Waller.

Archivalia

  • Stadsarchief Amsterdam: Burgerlijke Stand (gezinskaarten J.A. Beijerman en L.E. Beijerman; archiefkaart L.E. Beijerman); archief van de Maatschappij voor den Werkenden Stand, toegangsnr. 507, inv. nr. 64 (foto’s en afdrukken van een door L.E. Beijerman ontworpen penning).
  • RKD, Den Haag: collectie brieven, handschriften, kleine archieven, toegangsnr. 0006, inv. nr. 383 (afschrift van een brief van Beijerman); archief van prof. J. Bronner, toegangsnr. 0072, inv.nr. 2 (brieven van Louise Beijerman aan Jan Bronner); PDO.
  • Noord-Hollands Archief, Haarlem: Rijksakademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam, toegangsnr. 90, inv. nr. 176, p. 62 (Studentenregisters).
  • Erfgoed Leiden en Omstreken: Burgerlijke Stand (geboorten 1883).

Werk

  • Werk van Louise Beijerman is o.a. te vinden in: Amsterdam Museum; Den Haag, Gemeentemuseum; Den Haag, Museum voor Communicatie; Leiden, Stedelijk Museum De Lakenhal; privébezit.
  • Voor haar bouwbeeldhouwwerk zie: Koopmans 1997, 268.
  • Wendingen 6 2 (1924): ontwerp omslag.

Publicatie

L.E. Beijerman, ‘Aanleg en arbeid. De vrouw als beeldhouwster’, De vrouw en Haar Huis 24 (1929) 329-332.

Literatuur

  • ‘Onderwijs’, Algemeen Handelsblad, 15-7-1905.
  • ‘Dr. J. A. Beyerman’, Nieuwe Rotterdamsche Courant, 24-7-1928.
  • A.H. Loeff-Bokma, ‘Louise Beijerman beeldhouwster’, De vrouw en Haar Huis 28 (1933) 2-8.
  • M. Moussault-Veegens, ‘Louise Beyerman “Beeldhouwen is eigenlijk geen vrouwenwerk”’, De Telegraaf, 16-3-1941.
  • Willy Leviticus, ‘Gesprek met Louise Beyerman, beeldhouwster’, Elsevier’s Weekblad, 22-2-1947, 11.
  • ‘Louise Beyerman: oudste beeldhouwster in ons land’, Trouw, 6-8-1955.
  • ‘Buitengewone Algemene Vergadering’, Mededelingen Nederlandse Vereniging voor Koeltechniek 51-6 (1958) 186-188, aldaar 188 [over ontwerp voorzittershamer].
  • ‘Neerlands oudste beeldhouwster werd 80 jaar’, De Telegraaf, 12-10-1963.
  • Ype Koopmans, Muurvast & gebeiteld: beeldhouwkunst in de bouw 1840-1940 (Rotterdam 1997), passim.
  • Bart de Cort, I laugh when I hear that the fish in the water is thirsty. Engelien Reitsma-Valença (1889-1981), drawer, graphic artist, painter (z.p. 2009).
  • Frans van Burkom e.a., Kunst aan de straat. Behoud van Amsterdamse beelden op bruggen en gebouwen uit het interbellum (Amsterdam 2009) 115-117, 156.
  • Wendingen. Platform voor de Amsterdamse School [URL: http://www.amsterdamse-school.nl/zoeken?filter=O&artists=10495; geraadpleegd 24-4-2016].

Illustratie

  • Louise Beijerman, door A. Greiner, 1906 (Coll. Leiden, Universiteitsbibliotheek, Prentenkabinet).
  • Louise Beijerman, Arbeid, gevel De Bijenkorf, Den Haag, 1925-1926 (foto: De vrouw en Haar Huis 28 (1933) 7).

Auteur: Marloes Huiskamp

laatst gewijzigd: 14/05/2016